id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.216 Rolnummer: A. 236180/XIV-39575 Zaak: Arrest 266216 - Varia (economische zaken) - 27/03/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-03-30 Raadplegingen: 102 - laatst gezien 2026-06-18 06:44 Fiche Arrest nr 266.216 van 27 maart 2026 Economische zaken - Varia (economische zaken) Beslissing : Vernietiging Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ecli_input ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR ecli_prefixe ECLI ecli_pays BE ecli_cour RVSCE ecli_cour_old RVSCE ecli_annee 2019 ecli_ordre ARR ecli_typedec ecli_datedec ecli_chambre ecli_nosuite Invalid ECLI ID - no_ordre - 1 elements ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR invalide Invalid ECLI ID - no_ordre - 1 elements ecli_input ECLI:BE:GHCC:2020.ARR ecli_prefixe ECLI ecli_pays BE ecli_cour GHCC ecli_cour_old ecli_annee 2020.ARR ecli_ordre ecli_typedec ecli_datedec ecli_chambre ecli_nosuite Invalid ECLI ID - 4 element(
- s)ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI ECLI:BE:GHCC:2020.ARR invalide Invalid ECLI ID - 4 element(
- s)ecli_input ECLI:BE:GHCC:2010.ARR ecli_prefixe ECLI ecli_pays BE ecli_cour GHCC ecli_cour_old ecli_annee 2010.ARR ecli_ordre ecli_typedec ecli_datedec ecli_chambre ecli_nosuite Invalid ECLI ID - 4 element(
- s)ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI ECLI:BE:GHCC:2010.ARR invalide Invalid ECLI ID - 4 element(
- s)RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 266.216 van 27 maart 2026 in de zaak A. 236.180/XIV-39.575 In zake : de NV C. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Chris Schijns en Miroslawa Jablonski kantoor houdend te 3600 Genk Grotestraat 122 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de GEMEENTE KONTICH bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Wim Rasschaert kantoor houdend te 9620 Zottegem Gentse Steenweg 323 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 25 maart 2022, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kontich van 21 februari 2022 waarbij de “Concessie voor de plaatsing en beheer van drie digitale LED-infoborden op het grondgebied van de gemeente Kontich wordt toegewezen aan [een derde]”, en de impliciete beslissing om dezelfde concessie niet aan de verzoekende partij toe te wijzen. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. XIV-39.575-1/17 Auditeur Jonas Riemslagh heeft een verslag opgesteld. Dit verslag, waarin wordt besloten om het beroep gegrond te verklaren, werd ter kennis gebracht van de partijen. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. Overeenkomstig artikel 26, § 2, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’, heeft de voorzitter van de XIVe kamer bij beschikking van 7 oktober 2025 aan de partijen voorgesteld dat de zaak niet op een openbare terechtzitting wordt behandeld, tenzij één van de partijen hierom verzoekt. De verzoekende partijen hebben om een terechtzitting gevraagd, die heeft plaatsgevonden op 17 december 2025. Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Chris Schijns , die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Flora Wauters, die loco advocaat Wim Rasschaert verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Jonas Riemslagh heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. XIV-39.575-2/17 III. Feiten 3.1. Op 20 september 2021 keurt de gemeenteraad van de verwerende partij de concessieleidraad en de conceptnota goed voor “de plaatsing en het beheer van drie digitale infoborden in het Kontichse straatbeeld.” In de “toewijzingsleidraad ‘concessie voor de plaatsing en beheer van drie digitale led-informatieborden op het grondgebied van de gemeente Kontich’” is het volgende gesteld: “1.6 TOEPASSELIJKE WETGEVING Deze procedure heeft betrekking op het verlenen van een domeinconcessie. De concessie wordt toegewezen door de organisatie van een procedure sui generis, die weliswaar enige verwantschap vertoont met de onderhandelingsprocedure met voorafgaande bekendmaking in de zin van de wetgeving overheidsopdrachten. Het uitbatingsrecht of de concessie valt evenwel zelf niet onder de toepassing van de Belgische reglementering inzake overheidsopdrachten noch onder de Richtlijn 2014/23/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van concessieovereenkomsten (gezien de drempel van 5, 186 miljoen euro niet wordt bereikt), doch wordt met respect voor de gelijke mededinging en het beginsel van behoorlijk bestuur aan een transparante marktbevraging onderworpen. Het gebruik van terminologie afkomstig uit de regelgeving overheidsopdrachten (vb. toegangsrecht, kwalitatieve selectie, …) bleek in deze leidraad evenwel onvermijdelijk vanuit een gebruiksgemak en herkenbaarheid van begrippen, maar kan géén aanleiding geven tot een herkwalificatie tot ‘overheidsopdracht’”. In de Toewijzingsleidraad zijn vier toewijzingscriteria bepaald. Het tweede toewijzingscriterium is “gereserveerde schermtijd voor het lokaal bestuur (30%)”. Het wordt als volgt toegelicht: “7.2 TOEWIJZINGSCRITERIUM 2: SCHERMTIJD VOOR HET LOKAAL BESTUUR (30 PUNTEN) De zendtijd wordt tussen de partijen verdeeld, zijnde minstens 50 % toegewezen tijd aan publieke boodschappen voor het lokaal bestuur en de overige zendtijd voorbehouden voor commerciële boodschappen van lokale handelaars, in te vullen door de Concessionaris. De kandidaat-concessiehouder verduidelijkt expliciet op welke momenten en uren de schermen zullen aan staan, en op welke momenten en uren het lokaal bestuur deze schermtijd kan benutten, aangezien deze schermtijd wezenlijk onderdeel uitmaakt van de scorebepaling voor dit criterium. De Concessionaris beslist vrij over de wijze waarop ze haar voorbehouden tijd voor publicitaire doeleinden aanwendt. […] Het lokaal bestuur beslist vrij over de wijze waarop ze haar voorbehouden tijd voor openbare doeleinden aanwendt. Deze gaan echter niet in concurrentie met de commerciële activiteiten van de Concessionaris. XIV-39.575-3/17 De boodschappen zullen steeds binnen de 24 uren na aanvraag daartoe op de videoschermen verschijnen, uitgezonderd in duidelijke crisissituaties, waarin het lokaal bestuur de boodschappen steeds onmiddellijk kan laten verschijnen. Indien het Bestuur met het oog op de publicatie van haar publieke boodschappen een beroep wil doen op de Concessionaris om deze boodschappen in een professionele lay-out te publiceren, zal daartoe telkens een afzonderlijke dienstenovereenkomst worden afgesloten. Met de toegewezen schermtijd kunnen maximaal 15 punten verdiend worden. De kandidaat concessiehouder doet een voorstel van schermtijd waarover het lokaal bestuur Kontich minstens en te allen tijde kan beschikken, uitgedrukt in een aantal uren / etmaal (24 uur). Er wordt vergeleken volgens de formule: P = Tmax X Trofferte / Trmax P = punten toegekend op het criterium Tmax = maximale punten van het criterium Trofferte = Schermtijd in de offerte. Trmax = de langste schermtijd Met de toegewezen tijdsloten voor het lokaal bestuur kunnen eveneens maximaal 15 punten verdiend worden. De quotering van de toegewezen tijdsloten gebeurt kwalitatief: Slecht Voldoende Goed Zeer goed Uitstekend De hoogste quotering “uitstekend” krijgt het maximum van de punten, zijnde 15 punten. De quotering “zeer goed” krijgt een quotering tussen 12 en 14 punten. De quotering “goed” krijgt een quotering tussen 10 en 13 punten. De quotering “voldoende” krijgt een quotering van 8 of 9 punten. Voorstellen met quotering “slecht” komen niet in aanmerking voor toewijzing.” 3.2. Er worden vier concessievoorstellen ingediend, waaronder een van de verzoekende partij. 3.3. In de beoordelingstabel wordt het tweede toewijzingscriterium als volgt beoordeeld: Omschrijving evaluatiemethode Inschrijver 1 Inschrijver 2 Inschrijver 3 Inschrijver 4 gunningscriterium 2de gerangschikte Verzoekende partij 4e gerangschikte Gekozen inschrijver beoordeling punten beoordeling Punten beoordeling Punten beoordeling punten Toewijzingscriteria 2: Gereserveerde schermtijd voor het lokaal bestuur ( 30 pnt) Toegewezen P = Tmax X 16 X 8,16 / 13,6 16 X 9,6 / 9,6 15 16 X 8 / 9,6 13,33 16 X 8,8 / 9,6 14,67 schermtijd (15 pnt) Trofferte / Trmax 9,6 XIV-39.575-4/17 P = punten toegekend op het criterium Tmax = maximale punten van het criterium Trofferte = Schermtijd in de offerte. Trmax = de langste schermtijd Toegewezen De quotering De 13 De 13 De 13 De 13 tijdsloten (15 pnt) gebeurt toegewezen toegewezen toegewezen toegewezen kwalitatief: schermtijd is schermtijd is schermtijd is schermtijd is Slecht, goed en goed en goed en goed en voldoende, goed, voldoet aan voldoet aan voldoet aan voldoet aan zeer goed en het minimaal het minimaal het minimaal het minimaal uitstekend. De door ons door ons door ons door ons hoogste gevraagde (50 gevraagde (50 gevraagde (50 gevraagde (50 quotering procent). procent). procent). procent). “uitstekend” Onze Onze Onze Onze krijgt het boodschappen boodschappen boodschappen boodschappen maximum van de worden slide worden slide worden slide worden slide punten, zijnde 15 om slide om slide om slide om slide punten. getoond. Dat getoond. Dat getoond. Dat getoond. Dat is prima. Is is prima. Is is prima. Is is prima. Is neutraal, neutraal, neutraal, neutraal, arbitrair. arbitrair. arbitrair. arbitrair. De beoordeling van de toewijzingscriteria leidt tot de volgende scores, waarbij de verzoekende partij als derde is gerangschikt: - Gekozen inschrijver: 89,7/100 - Tweede gerangschikte inschrijver: 88,6/100 - Derde gerangschikte inschrijver, de verzoekende partij: 87,3/100 - Vierde gerangschikte inschrijver: 86,5/100 3.4. Op 21 februari 2022 beslist het college van burgemeester en schepenen van de verwerende partij om de concessie toe te kennen aan de gekozen inschrijver. Dit is de eerste bestreden beslissing. XIV-39.575-5/17 IV. Verzoek tot vertrouwelijke behandeling van bepaalde stukken 4. De verwerende partij vraagt om de vertrouwelijke behandeling van bepaalde door haar neergelegde stukken die zij in de inventaris als vertrouwelijk aanduidt en waarbij zij de redenen opgeeft waarom zij om die vertrouwelijke behandeling vraagt. 5. De verzoekende partij heeft het lichten van de vertrouwelijkheid van deze stukken niet gevraagd. V. Ontvankelijkheid A. Ambtshalve vaststelling van de niet-ontvankelijkheid van het beroep in de mate dat het is gericht tegen de impliciete beslissing de concessie niet aan de verzoekende partij toe te wijzen Uiteenzetting van de exceptie en standpunt van de verzoekende partij 6. Het auditoraat werpt in zijn verslag over de zaak ambtshalve op dat het beroep niet ontvankelijk is in zoverre het is gericht tegen de impliciete beslissing de concessie niet aan de verzoekende partij toe te wijzen. 7. De verzoekende partij stelt in het verzoekschrift in haar besluit bij het enig middel dat haar voorstel “als enige volledig voldoet aan de toewijzingsleidraad” en dat “de overige concessievoorstellen nooit tot toewijzing van de concessie konden hebben geleid”. In haar laatste memorie beperkt zij zich tot het bij haar standpunt blijven dat de verwerende partij geen andere mogelijkheid heeft dan de concessie aan haar toe te wijzen. Beoordeling 8. De jurisprudentiële techniek van de bijkomende vernietiging van de impliciete weigering om een domeinconcessie aan een verzoekende partij toe te XIV-39.575-6/17 wijzen, moet voor uitzonderlijke gevallen voorbehouden blijven. Het is daarbij vereist dat de verzoekende partij aantoont dat er uitzonderlijke omstandigheden zijn die wijzen op een rechtsplicht in hoofde van de overheid om de concessie aan haar toe te wijzen. 9. In het verslag over de zaak stelt het auditoraat vast dat in de toewijzingsleidraad is bepaald dat er in hoofde van de verwerende partij geen verplichting bestaat tot toewijzing van de concessie en dat verwerende partij mits een afdoende motivering, kan beslissen de procedure stop te zetten. Zoals het auditoraat ook vaststelt, gaat de verzoekende partij op dit element niet in, ook niet in haar laatste memorie. Los van de vraag of de verzoekende partij enigszins aannemelijk maakt of uit het gegrond bevinden van het enige middel zou voortvloeien dat de verwerende partij de concessie enkel en alleen nog rechtsgeldig aan haar zou mogen toewijzen, brengt de verzoekende partij in ieder geval geen enkel argument aan dat de Raad van State ertoe zou moeten brengen om de verwerende partij het recht te ontzeggen nog op gemotiveerde wijze gebruik te maken van de mogelijkheid af te zien van het toewijzen van de concessie en deze desgevallend opnieuw in de markt te plaatsen. Zulks volstaat om vast te stellen dat het beroep niet ontvankelijk is in de mate dat het is gericht tegen de impliciete beslissing. 10. De ambtshalve exceptie is gegrond. 11. Hierna wordt met “bestreden beslissing” enkel de hiervoor als “eerste bestreden beslissing” benoemde beslissing (supra, punt 3.4.) bedoeld. B. Exceptie wat het belang bij het beroep betreft Standpunt van de partijen 12. De verwerende partij werpt in de memorie van antwoord op dat de verzoekende partij geen belang heeft bij het beroep. Deze exceptie wordt als volgt samengevat in het verslag van het auditoraat: XIV-39.575-7/17 De verwerende partij wijst er in de memorie van antwoord op dat de verzoekende partij slechts als derde van de vier inschrijvers is gerangschikt. Zelfs als de toewijzingsbeslissing ten gunste van de gekozen inschrijver onwettig zou zijn, dan komt de concessie in principe toe aan de tweede gerangschikte inschrijver, […]. De verzoekende partij moet aannemelijk maken dat, als haar middel gegrond wordt bevonden, haar offerte als voordeligste moet worden aangeduid, wat zij in ieder geval niet doet in het kader van de omschrijving van haar belang. In het feitenrelaas van het verzoekschrift stelt de verzoekende partij weliswaar dat de [tweede inschrijver] moest worden geweerd of minstens minder punten moest krijgen omdat uit de beoordeling van de technische specificaties blijkt dat zij voor drie onderdelen niet voldoet en voor vijf onderdelen slechts grotendeels voldoet. Volgens de verwerende partij is bij het onderzoek van de technische specificaties rekening gehouden met de documenten die door elke inschrijver zijn ingediend, maar ook met de toelichting van 25 oktober 2021 en met de digitale demonstratie van het voorgestelde systeem. De infoborden die door [tweede inschrijver] zijn voorgesteld konden daarom als gelijkwaardig worden aanvaard en aan de voorziene beoordelingscriteria worden onderworpen.” In haar laatste memorie volhardt de verwerende partij in haar uiteenzetting betreffende de ontvankelijkheid in haar memorie van antwoord. Zij voegt eraan toe dat, om ontvankelijk te zijn, het beroep minstens één middel moet opwerpen dat gebaseerd is op een schending die de verzoekende partij “heeft benadeeld” of “kan benadelen”. Volgens haar kan, samengevat, het belang niet worden bewezen door het vooruitzicht een kans te herstellen om de opdracht te verkrijgen. 13. De verzoekende partij zet in het verzoekschrift uiteen dat zij belang heeft bij de nietigverklaring van de bestreden beslissing omdat haar concessievoorstel niet is gekozen en zij daardoor een nadeel lijdt. Bij de nietigverklaring krijgt zij een nieuwe kans dat haar voorstel wordt gekozen. Uit het opgeworpen middel blijkt volgens haar duidelijk dat enkel haar offerte voldoet aan de eisen die in de toewijzingsleidraad worden gesteld. In de memorie van wederantwoord gaat de verzoekende partij in op de opgeworpen exceptie van de verwerende partij. Dit wordt als volgt samengevat in het verslag van het auditoraat: “In de memorie van wederantwoord stelt de verzoekende partij dat de verwerende partij in de belangenexceptie reeds concreet ingaat op de inhoud van het middel. Uit dat middel blijkt dat de voorstellen van de andere inschrijvers nooit tot de toewijzing van de concessie kunnen leiden. In ieder geval moet dat middel worden beoordeeld. XIV-39.575-8/17 Bovendien voegt de verwerende partij met de argumentatie over het belang een motivering toe aan de bestreden beslissing die geen grondslag vindt in die beslissing of in de beoordelingstabel. Het feit dat [de tweede inschrijver] wat drie technische specificaties betreft niet voldoet valt niet te rijmen met een alternatieve uitvoeringswijze op basis van het bericht van 25 oktober 2021 en minstens wordt daardoor de kern van de initiële opdracht fundamenteel gewijzigd.” Beoordeling 14. Partijen betwisten niet dat de bestreden concessie uitdrukkelijk is gekwalificeerd als een domeinconcessie (supra, punt 3.1.). Hieruit volgt dat het belang bij het beroep moet worden beoordeeld op grond van artikel 19 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en niet op grond van artikel 14 van de wet van 7 juni 2013 ‘betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies’ (hierna: de wet van 7 juni 2013) luidens hetwelk de Raad van State, “op verzoek van elke persoon die een belang heeft of heeft gehad om een bepaalde […] concessie te krijgen en die door de beweerde schending is of dreigt te worden benadeeld”, de beslissing van een aanbestedende instantie kan vernietigen.” In de mate de verwerende partij uitgaat van een andere opvatting, faalt die in rechte. 15. In het licht van het te dezen derhalve toepasselijke artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, kan het beroep tot nietigverklaring zoals bedoeld in artikel 14 van deze wetten, voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State worden gebracht door elke partij welke doet blijken van een benadeling of van een belang. Die vereiste is erop gericht de rechtszekerheid te dienen en een goede rechtsbedeling te verzekeren (RvS (A.V.) 22 maart 2019, nr. 244.015, Moors, ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR. 244.015). Een verzoekende partij beschikt over dit rechtens vereiste belang indien twee voorwaarden vervuld zijn: vooreerst dient zij door de bestreden administratieve rechtshandeling een persoonlijk, rechtstreeks, zeker, actueel en wettig nadeel te lijden; voorts moet de eventueel tussen te komen nietigverklaring van die rechtshandeling haar een direct en persoonlijk voordeel verschaffen, hoe miniem ook (RvS (A.V.) 15 januari 2019, nr. 243.406, Van Dooren, ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR. 243.406). XIV-39.575-9/17 Het belang moet niet alleen bestaan bij het instellen van het beroep maar moet voortduren tot aan de sluiting van het debat (RvS (A.V.) 22 maart 2019, nr. 244.015, Moors, ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR. 244.015), zonder dat de verzoekende partij noodzakelijk elk belang bij de nietigverklaring verliest wanneer zij het initiële voordeel niet meer kan ambiëren (cf. GwH 9 juli 2020, nr. 105/2020, ECLI:BE:GHCC:2020.ARR. 105, punt B.11.2. en B.12.2). Het staat aan de Raad van State te oordelen of de verzoekende partij die een zaak voor de Raad brengt, doet blijken van een belang bij haar beroep. De Raad van State dient er over te waken dat het belangvereiste niet op een buitensporig restrictieve of formalistische wijze wordt toegepast (GwH 30 september 2010, nr. 109/2010, ECLI:BE:GHCC:2010.ARR. 109, punt 4.3.; GwH 9 juli 2020, nr. 105/2020, ECLI:BE:GHCC:2020.ARR. 105, punt B.9.3.; EHRM 17 juli 2018, Vermeulen t. België, ECLI:CE:ECHR:2018:0717JUD000547506, punten 42 e.v.). 16. De verzoekende partij betwist de toekenning van de (domein)concessie aan de gekozen inschrijver, dit na een administratieve procedure waarin zij eveneens een concessievoorstel heeft ingediend, waarvan niet wordt betwist dat die regelmatig is. Dit volstaat om aan te nemen dat de bestreden beslissing, door de concessie toe te wijzen aan de gekozen inschrijver, haar kan treffen in haar ondernemingsbelangen, hoe miniem ook, en dat de nietigverklaring van de bestreden beslissing haar een voordeel kan bijbrengen doordat die de kans opent op het toekennen van de concessie aan haar. Zulks volstaat om aan te nemen dat deze partij doet blijken van het vereiste belang in de zin van artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. De overweging dat de verzoekende partij geen belang zou hebben bij het middel, leidt niet tot een andere conclusie. Artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State betreffende het belang bij een beroep tot nietigverklaring, maakt inzake de belangvereiste als voorwaarde voor de toegang tot de Raad van State, geen onderscheid naar gelang de middelen die de verzoekende partij aanvoert. In die mate faalt deze kritiek naar recht. De vraag XIV-39.575-10/17 of het middel al dan niet ontvankelijk is, is dus niet aan de orde bij de beoordeling van de vereiste van een belang bij het beroep als voorwaarde voor de toegang tot de Raad van State. 17. De exceptie wordt verworpen. VI. Onderzoek van het enig middel Standpunt van de partijen 18. De verzoekende partij voert in een enig middel de schending inzonderheid aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, van de zorgvuldigheidsplicht, van het redelijkheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en van de motiveringsplicht, alsook van het patere legem-beginsel, “doordat de verwerende partij bij de beoordeling van de verschillende concessievoorstellen haar eigen Toewijzingsleidraad miskent, de motivering van zowel de ‘Toewijzingscriteria’ als de ‘Technische Specificaties’ onwettig is en geenszins op rechts aanvaardbare motieven berust, het gekozen concessievoorstel niet voldoet aan de vereisen van de Toewijzingsleidraad […] .” Zij licht vervolgens, voor onder meer elk van de toewijzingscriteria, het middel toe. Met betrekking tot het tweede toewijzingscriterium ‘schermtijd voor het lokaal bestuur’ (30 punten) licht zij toe dat dit uit twee subcriteria bestaat: 15 punten voor de toegewezen schermtijd en 15 punten voor de toegewezen tijdsloten. Wat de beoordeling van het eerste subcriterium betreft, betoogt de verzoekende partij dat uit de beoordeling van de verschillende concessievoorstellen niet blijkt hoeveel de ‘toegewezen schermtijd’ van de overige concessievoorstellen betreft. Volgens haar had de verwerende partij bij de beoordeling van de concessievoorstellen eveneens de plicht om het ‘aantal uren / etmaal (24 uur)’ op te lijsten waarna de formule in de Toewijzingsleidraad moest worden toegepast. Aangezien het ‘aantal uren / etmaal (24 uur)’ per individueel concessievoorstel niet wordt meegedeeld, kan voor geen van deze indieners worden nagaan of de formule correct werd toegepast. XIV-39.575-11/17 In de memorie van wederantwoord verduidelijkt de verzoekende partij dat zij in het verzoekschrift het gebrek aan weergave van het ‘aantal uren / etmaal (24 uur)’ heeft opgeworpen omdat de formule in zijn geheel niet duidelijk was. In de formule wordt namelijk melding gemaakt van ‘Tmax = maximale punten van het criterium’, hetgeen het getal ‘16’ krijgt toegewezen. Echter, de toewijzing en betekenis van het getal ‘16’ wordt nergens verduidelijkt. Evenmin wordt verduidelijkt wat moet worden gezien als ‘Tmax = maximale punten van het criterium’. Net daarom was het voor de verzoekende partij niet duidelijk hoeveel uren schermtijd werd aangeboden door de inschrijvers. De verwerende partij verduidelijkt dit laatste wel in haar memorie van antwoord. Maar dat neemt niet weg dat zij haar eigen toewijzingsleidraad heeft miskend door het ‘aantal uren / etmaal (24 uur)’ niet op te nemen. Daarenboven is het getal ‘16’ evenals de betekenis van ‘Tmax = maximale punten van het criterium’ niet uitgelegd of opgenomen in de Toewijzingsleidraad. De verzoekende partij kon de gehanteerde formule dan ook niet verifiëren. 19. De repliek van de verwerende partij in de memorie van antwoord wordt als volgt samengevat in het verslag van het auditoraat: “De verwerende partij is van oordeel dat uit de concrete quoteringen wel degelijk blijkt hoeveel de aangeboden schermtijd bedraagt voor elk ingediend voorstel. Die schermtijd valt af te leiden uit de in de beoordelingstabel weergegeven beoordelingsformule. De formule bevat de factor Trofferte, zijnde de schermtijd in de offerte, met 16 uren per etmaal als maximale schermtijd. In het geval van de verzoekende partij gaat het bijvoorbeeld om 9,6 uren schermtijd. De verwerende partij meent dat zij door de toepassing van de formule de toewijzingsleidraad heeft gevolgd en door de vermelding van de schermuren in de formule haar beoordeling op transparante wijze aan alle indieners ter kennis heeft gebracht. Een aparte oplijsting van het aantal ingediende schermuren zou daar niets aan toevoegen.” In haar laatste memorie betwist de verwerende partij het belang bij het middelonderdeel omdat het niet van die aard is dat het de rangschikking van de concessievoorstellen heeft kunnen beïnvloeden. Volgens haar zou de verzoekende partij, indien het standpunt van het auditoraat inzake het eerste subcriterium wordt gevolgd, nog altijd als derde zijn gerangschikt, hetgeen zij toelicht aan de hand van een eigen rekenmodel. XIV-39.575-12/17 Beoordeling Betreffende de ontvankelijkheid van ontvankelijkheid van de grief gericht tegen de beoordeling van het tweede toewijzingscriterium 20. Om dezelfde redenen als uiteengezet bij de beoordeling van het belang bij het beroep (zie supra, punt 14), dient het belang bij het middel te worden getoetst aan artikel 14, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en niet aan de bepalingen van de wet van 17 juni 2013. In de mate de verwerende partij uitgaat van een andere opvatting, faalt die in rechte. 21. Luidens artikel 14, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State geven de in artikel 14, § 1, eerste lid, van die wetten bedoelde onregelmatigheden slechts aanleiding tot een nietigverklaring als ze, in dit geval, een invloed konden uitoefenen op de draagwijdte van de genomen beslissing, de betrokkenen een waarborg hebben ontnomen of als gevolg hebben de bevoegdheid van de steller van de handeling te beïnvloeden. Het staat aan de Raad van State te oordelen of een verzoekende partij die een zaak voor hem brengt, doet blijken van een belang bij het aangevoerde middel. De Raad van State dient er evenwel over te waken dat het belangvereiste niet op een buitensporig restrictieve of formalistische wijze wordt toegepast. 22. De kritiek die de verzoekende partij aanvoert kan ertoe leiden dat - indien die, zoals hierna zal blijken, gegrond wordt bevonden -, de concessievoorstellen van alle inschrijvers aan een nieuw onderzoek worden onderworpen, wat maakt dat - gelet op het kleine puntenverschil tussen de vier inschrijvers (zie supra, punt 3.3.) - , de rangschikking op zich niet noodzakelijk vaststaat. De verwerende partij ziet het weliswaar anders en geeft een becijferde mogelijke rangschikking die volgens haar zou aantonen dat de initiële rangschikking niet zou wijzigen, maar het komt de Raad van State binnen zijn wettigheidstoezicht niet toe zich ter zake in de plaats te stellen van de verwerende XIV-39.575-13/17 partij, die rangschikking te beoordelen op zijn merites en aldus vooruit te lopen op een herbeoordeling door de verwerende partij die zal moeten uitgaan van de hierna met gezag van gewijsde vastgestelde overwegingen. 23. De exceptie is ongegrond. Betreffende de gegrondheid van de grief gericht tegen de beoordeling van het tweede toewijzingscriterium 24. Het tweede toewijzingscriterium is hiervoor weergegeven (supra, punt 3.3.). Hieruit blijkt dat het twee subciteria bevat: de toegewezen schermtijd (15 punten) en de toegewezen tijdssloten (15 punten). Het onderstaande onderzoek beperkt zich tot het eerste subcriterium. 25. In de toewijzingsleidraad is inzake het eerste subcriterium ‘de toegewezen schermtijd’ bepaald dat de kandidaat-concessiehouder een voorstel van schermtijd moet doen waarover de verwerende partij minstens en te allen tijde kan beschikken, uitgedrukt in een aantal uren / etmaal (24 uur). Er wordt vergeleken volgens de formule: P = Tmax X Trofferte / Trmax, waarbij het resultaat ‘P’ staat voor “punten toegekend op het criterium”, het getal ‘Tmax’ staat voor “maximale punten van het criterium”, de variabele ‘Trofferte’ voor “Schermtijd in de offerte” en het getal ‘Trmax’ voor “de langste schermtijd.” Hieruit kan worden afgeleid dat de ‘Trofferte’ als variabele in deze formule, dient te worden geïnterpreteerd als de schermtijd in de offerte “waarover [de verwerende partij] minstens en te allen tijde kan beschikken, uitgedrukt in een aantal uren / etmaal (24 uur).” 26. Uit de hiervoor weergegeven beoordelingstabel (supra, punt 3.3.) blijken de volgende quoteringen inzake dit subcriterium: beoordeling punten Gekozen inschrijver 16 X 8,8 / 9,6 14,67 Tweede gerangschikte 16 X 8,16 / 9,6 13,6 inschrijver XIV-39.575-14/17 De verzoekende partij 16 X 9,6 / 9,6 15 Vierde gerangschikte 16 X 8 / 9,6 13,33 inschrijver Luidens die beoordelingsstaat wordt om tot deze beoordeling en de punten te komen, de volgende formule gebruikt: P = Tmax X Trofferte / Trmax P = punten toegekend op het criterium Tmax = maximale punten van het criterium Trofferte = Schermtijd in de offerte. Trmax = de langste schermtijd Uit deze beoordelingsstaat, noch uit de bestreden beslissing, kan worden opgemaakt of voor elk van de concessievoorstellen, de variabele ‘TRofferte’ is uitgedrukt in een aantal uren / etmaal (24 uur). Hoewel kan worden aanvaard dat zulks niet uitdrukkelijk moet af te lezen zijn en dat desgevallend, naar de verwerende partij stelt, “eenvoudig af te lezen [is] uit de wiskundige beoordelingsformule welke is gehanteerd bij de berekening van de punten,” blijkt dit evenwel te dezen niet het geval te zijn, minstens toont de verwerende partij zulks niet, laat staan op inzichtelijke wijze, aan. Integendeel, in de memorie van antwoord wordt uitdrukkelijk gesteld dat bij de beoordeling de volgende formule geldt: “‘Trofferte’ = Schermtijd in de offerte”, met 16 uren / etmaal (24 u.) als maximale schermtijd.” Los van de vaststelling dat deze voor het eerst in de memorie van antwoord gegeven interpretatie van deze variabele, geen steun vindt in de toewijzingsleidraad, noch in enig ander stuk van het administratief dossier en dat uit de door de Raad van State ingeziene vertrouwelijke stukken en met name de offertes van de inschrijvers, niet blijkt dat zij uitgingen van een beperking van de schermtijd tot 16 uur per etmaal, bevestigt dit dat uit de beoordeling van de verschillende concessievoorstellen niet blijkt hoeveel de toegewezen schermtijd, geïnterpreteerd in de zin als hiervoor is gesteld, van die concessievoorstellen bedraagt. Overigens bemerkt de Raad van State dat de ‘Tmax’ een getal van 16 kreeg toegewezen, terwijl de maximale punten van het criterium 15 bedraagt, wat maakt dat niet ook door een eenvoudige wiskundige berekening, kan worden afgeleid of de schermtijd is uitgedrukt in uren/etmaal. XIV-39.575-15/17 Uit wat voorafgaat volgt, dat de verwerende partij niet aantoont dat uit de beoordeling van het eerste subcriterium van het tweede toewijzingscriterium wel degelijk voor elk van de concessievoorstellen het aantal schermuren per etmaal is gehanteerd, om daarvan uitgaand, de formule in de toewijzingsleidraad toe te passen. Conclusie 27. Het enige middel is in de aangegeven mate gegrond. . BESLISSING 1. De Raad van State vernietigt de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kontich van 21 februari 2022 waarbij de “Concessie voor de plaatsing en beheer van drie digitale LED-infoborden op het grondgebied van de gemeente Kontich wordt toegewezen aan [een derde].” 2. De Raad van State verwerpt het beroep voor het overige. 3. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 22 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan verzoekende partij. XIV-39.575-16/17 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zevenentwintig maart tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Kaat Leus, staatsraad, Inge Vos, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-39.575-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.216 Gerelateerde publicatie(
- s)citeert: ECLI:CE:ECHR:2018:0717JUD000547506 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.