id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.217 Rolnummer: A. 247559/XIV-40114 Zaak: Arrest 266217 - Overheidsopdrachten - 27/03/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-03-30 Raadplegingen: 105 - laatst gezien 2026-06-18 09:52 Fiche Arrest nr 266.217 van 27 maart 2026 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 266.217 van 27 maart 2026 in de zaak A. 247.559/XIV-40.114 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Soussanas Caracassis kantoor houdend te 1700 Dilbeek Bloemendal 2 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stijn Butenaerts en Andy Hoedenaeken kantoor houdend te 1080 Brussel Leopold II-laan 180 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 4 maart 2026, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de FOD Binnenlandse Zaken, Dienst Vreemdelingenzaken, Cel Overheidsopdrachten van 18 februari 2026 “waarbij werd besloten de kandidatuur van verzoekster voor de overheidsopdracht ‘vertegenwoordiging van de Belgische Staat in geschillen aangaande toepassing van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ niet te weerhouden.” II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij beschikking van 5 maart 2026 werd, in samenspraak met het aangeduide lid van het auditoraat, de procedurekalender vastgesteld. XIV-40.114-1/14 De verwerende partij heeft een nota met opmerkingen en een administratief dossier ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 25 maart 2026 om 14.00 uur. Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht. Advocaat Dirk Duchateau, die loco advocaat Soussanas Caracassis verschijnt voor verzoekster en advocaat Andy Hoedenaeken, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Thomas Maes heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. In het kader van procedures voor de Belgische en internationale rechtbanken, evenals het verlenen van juridisch advies met betrekking tot elke procedure aangaande de toepassing van de Wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: wet van 15 december 1980), duidt de Dienst Vreemdelingenzaken (hierna: DVZ) advocaten(bureaus) aan om de Belgische Staat te vertegenwoordigen. 3.2. De verwerende partij werkt momenteel samen met zeven advocaten(bureaus), waaronder verzoekster. Deze samenwerking startte, na raadpleging van de markt onder meer door een oproep tot kandidaatstelling te verspreiden via de stafhouders van de negentien Belgische balies, op 1 juli 2021 voor de duur van 5 jaar, waardoor de termijn voor de huidige samenwerking verloopt op 30 juni 2026. XIV-40.114-2/14 3.3. Met een e-mail van 23 april 2024 gericht aan de dienst ‘Aankopen’ van de DVZ vraagt verzoekster of de samenwerking na afloop van de samenwerkingsovereenkomst automatisch zou worden verlengd, dan wel of en wanneer een nieuwe kandidatuurstelling is vereist. 3.4. Op 13 mei 2025 richt de verwerende partij een schrijven aan alle stafhouders, onder wie de stafhouder van de Orde van advocaten bij de balie van Antwerpen, waarbij verzoekster is aangesloten. Met dit schrijven wordt de stafhouder ingelicht van het voornemen aan één of meerdere advocaten(bureaus) de mogelijkheid te geven om de Belgische Staat te vertegenwoordigen in geschillen aangaande de toepassing van de wet van 15 december 1980 of deze bij te staan ter voorbereiding van een procedure in rechte, “bedoeld in artikel 28, §1, eerste lid, 4°,
- a)en
- b)van de Wet van 17 juni 2016 ‘inzake overheidsopdrachten’”. Tevens worden de stafhouders verzocht de advocaten binnen hun respectieve balies reeds in kennis te stellen van deze oproep. Op dat ogenblik wordt gevraagd dat advocaten hun eventuele belangstelling kenbaar zouden maken. 3.5. Op 14 mei 2025 ontvangt verzoekster een e-mail van de DVZ waarbij zij ervan in kennis wordt gesteld dat de bestaande opdracht verloopt op 30 juni 2026 en dat voor de nieuwe opdracht die ingaat op 1 juli 2026 een marktraadpleging zal worden gehouden waarbij opnieuw toepassing zal worden gemaakt van artikel 125 van het koninklijk besluit van 18 april 2017 ‘inzake de plaatsing van overheidsopdrachten in de klassieke sectoren’ (hierna: koninklijk besluit van 18 april 2017). Tevens wordt haar nog meegedeeld dat daartoe een brief werd gericht aan alle stafhouders van de balies. Verzoekster laat nog dezelfde dag weten geïnteresseerd te zijn om haar samenwerking met de DVZ verder te zetten. 3.6. Op 29 augustus 2025 bezorgt de DVZ de geïnteresseerde kandidaten de selectievoorwaarden, samen met het verzoek hun kandidatuur in te dienen. Deze selectievoorwaarden en de toelichting daarbij, luiden als volgt: “1. Selectievoorwaarden. XIV-40.114-3/14 Er zijn twee belangrijke selectiecriteria waarvoor wij hieronder een nadere toelichting geven en bijkomende informatie verzoeken. I. Ervaring in het vreemdelingenrecht Expertise in het vreemdelingenrecht mag in vrije vorm worden aangetoond. Toch gaat de voorkeur uit naar concreet verifieerbare ervaring zoals een overzicht van het aantal behandelde dossiers voor de verschillende rechtscolleges, Raad voor Vreemdelingenbetwistingen en/of de Raad van State. Deze expertise moet betrekking hebben op de voorbije drie jaar. Ook het aantal jaren professionele ervaring binnen de vreemdelingenmaterie kan als bijkomend element worden meegegeven. Gelieve de ervaring aan te tonen per advocaat die u kan inzetten voor deze opdracht. II. Organisatie van het kantoor Een goed uitgebouwd secretariaat waarbij een vast aanspreekpunt voor de Dienst Vreemdelingenzaken is voorzien, is een cruciaal element. Gelieve daarom aan te tonen hoe u uw secretariaat organiseert zodat deze als vast aanspraakpunt ten aanzien van de Dienst Vreemdelingenzaken kan optreden. Beschrijf daarbij de organisatie van uw secretariaat (personeelsbezetting, openingsuren, permanentie bij afwezigheid van advocaten, enz.), de werkwijze inzake dossierbeheer, het bewaken van termijnen en zittingsdata en de aanpak van de administratieve en boekhoudkundige opvolging. Voeg desgevallend stavingstukken of illustraties toe om uw aanpak te verduidelijken. In de toelichting bij uw kandidatuur moet eveneens op duidelijke wijze worden aangetoond hoe de beschikbaarheid zal worden verzekerd. Dit omvat onder meer het vermogen om de Belgische Staat gelijktijdig te vertegenwoordigen bij zittingen in verschillende gerechtelijke arrondissementen, alsook de deelname aan een wachtdienst, afwisselend met de andere kantoren, voor dringende procedures (zoals tijdens het weekend of ‘s nachts). De interne organisatie van het kantoor moet zodanig zijn opgebouwd dat deze beschikbaarheid effectief wordt gewaarborgd. De sterkte van de kantoororganisatie zal ook worden afgemeten aan het aantal advocaten (exclusief stagiairs) die de geschillen inzake vreemdelingenrecht zullen behartigen. Dit is belangrijk om, enerzijds, gelijktijdige vertegenwoordiging voor verschillende locaties mogelijk te maken en, anderzijds, een toename van het aantal dossiers op te vangen, zonder in te boeten aan kwaliteit.” In deze oproep wordt nog gemeld dat kandidaturen waarbij sprake kan zijn van belangenconflicten, niet worden weerhouden. Op dezelfde dag dient verzoekster haar formele kandidaatstelling in en verschaft zij de bijkomende toelichting bij de selectievoorwaarden. 3.7. Op 18 februari 2026 beslist de DVZ om verzoeksters kandidatuur “niet te weerhouden aangezien uw kantoor inzake ervaring en organisatie niet afgestemd blijkt te zijn aan de noden van de Dienst Vreemdelingenzaken.” De motieven voor de niet-selectie luiden als volgt: “[…] - Overwegende dat betrokken advocate gedurende enkele jaren de Dienst Vreemdelingenzaken vertegenwoordigt, XIV-40.114-4/14 - Overwegende dat de kandidaat alleen postuleert en dat uit de kandidatuur niet duidelijk blijkt dat eventuele vervanging of ondersteuning bij gerechtelijke procedures systematisch zou worden verzekerd door eveneens gespecialiseerde advocaten in het vreemdelingenrecht; - Overwegende dat de kandidaat een eenmanskantoor voert en niet beschikt over een intern en structureel uitgebouwd secretariaat, maar hoofdzakelijk steunt op de inzet van een freelance medewerker, wat vragen oproept omtrent de organisatorische draagkracht van het kantoor; - Overwegende dat de kandidatuur onvoldoende concreet en uitgewerkt ingaat op essentiële aspecten van de dienstverlening, waaronder de permanente bereikbaarheid buiten de reguliere kantooruren; de praktische organisatie van weekend- en nachtpermanenties voor dringende procedures; alsook de waarborgen inzake continuïteit van de dienstverlening bij afwezigheid wegens vakantie, ziekte of andere professionele verplichtingen; - Overwegende dat wordt verwezen naar mogelijke samenwerking met andere advocaten of kantoren, maar dat deze samenwerking extern en niet structureel is georganiseerd, waardoor de effectieve beschikbaarheid van de dienstverlening niet met de vereiste zekerheid kan worden gegarandeerd; - Overwegende dat de structurele inzetbaarheid beperkt blijft tot één advocaat (stagiairs niet meegerekend), hetgeen de mogelijkheid om de Belgische Staat gelijktijdig te vertegenwoordigen voor verschillende rechtscolleges aanzienlijk beperkt; - Overwegende ten slotte dat de betrokken advocate reeds gedurende geruime tijd voor de organisatie optreedt, en derhalve geacht mag worden voldoende vertrouwd te zijn met zowel de werking als de specifieke noden en verwachtingen van de organisatie, doch dat de ingediende kandidatuur desalniettemin niet aantoont dat zij, in haar huidige professionele omkadering, kan voldoen aan de organisatorische en inhoudelijke vereisten zoals uitdrukkelijk geformuleerd in de sollicitatieoproep. Beslist de aanbestedende overheid dat de interne organisatie onvoldoende robuust en duurzaam is om de vereiste beschikbaarheid en continuïteit van de dienstverlening te garanderen waardoor niet wordt voldaan aan het selectiecriterium inzake de organisatie van het kantoor. […]”. Dit is de bestreden beslissing. Met een e-mail van 18 februari 2026 en een aangetekend schrijven wordt verzoekster van deze beslissing in kennis gesteld. IV. Schorsingsvoorwaarden A. Kwalificatie van de voorliggende dienstenopdracht en identificatie van de regels die van toepassing zijn op het voorliggende schorsingsverzoek Standpunt van de partijen XIV-40.114-5/14 4. Verzoekster stelt in haar verzoekschrift dat zij de voorliggende vordering indient op grond van artikel 15, eerste lid, van de wet van 17 juni 2013 ‘betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten’ (hierna: de wet van 17 juni 2013). Zij stelt dat krachtens de genoemde bepaling de uitvoering van de bestreden beslissing kan worden geschorst in aanwezigheid van een ernstig middel of een klaarblijkelijke onwettigheid en dat, overeenkomstig het tweede lid van datzelfde artikel 15, de vordering tot schorsing voor de Raad van State uitsluitend kan worden ingesteld volgens een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid zodat nog enkel moet worden onderzocht of minstens een ernstig middel wordt aangevoerd, dan wel een klaarblijkelijke onwettigheid aanwezig is, die de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan verantwoorden. In haar verzoekschrift gaat zij ervan uit dat zij enkel een ernstig middel of klaarblijkelijke onwettigheid moet aantonen. Zij stelt enkel nog dat de bestreden beslissing betrekking heeft “op een overheidsopdracht dat ingaat op 1/7/2026” en dat zulks “impliceert dat [zij] aan de hand van precieze en concrete gegevens aannemelijk maakt dat de schorsing van de tenuitvoerlegging, indien ze pas na het afwikkelen van de gewone schorsingsprocedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen of de belangen van [verzoekster] veilig te stellen”. 5. In de nota met opmerkingen betwist de verwerende partij het van toepassing zijn van de wet van 17 juni 2013 op de voorliggende vordering. In essentie wijst zij er op dat de betrokken dienstverlening niet onder het toepassingsgebied valt van de wet van 17 jun 2016 ‘inzake overheidsopdrachten’ (hierna: de wet van 17 juni 2016) gelet op artikel 28, § 1, 4°,
- a)en b), van die wet dat –samengevat– de voorliggende diensten van advocaten uitdrukkelijk onttrekt aan het toepassingsgebied van de wet van 17 juni 2016. De wet van 17 juni 2013 is op zijn beurt, gelet op de artikelen 3 en 28 ervan, enkel van toepassing op opdrachten “die onder de wet inzake overheidsopdrachten vallen” zodat het in de wet van 17 juni 2013 vervatte specifieke rechtsbeschermingsregime uitsluitend van toepassing is op opdrachten die binnen het toepassingsgebied van de wet van 17 juni 2016 vallen. Aangezien de voorliggende dienstverlening niet valt onder de wet van 17 juni 2016 en dus evenmin is onderworpen aan de wet van 17 juni 2013 zijn XIV-40.114-6/14 te dezen wel degelijk de gemeenrechtelijke schorsingsvoorwaarden van artikel 17 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State van toepassing. De verwerende partij vervolgt dat verzoekster niet aannemelijk maakt dat in de voorliggende zaak de door deze bepaling vereiste spoedeisendheid bestaat, zodat, aldus de verwerende partij, niet is voldaan aan beide schorsingsvoorwaarden. Verzoekster zet immers op geen enkele wijze uiteen waarin de vereiste spoedeisendheid zou bestaan zodat, bij gebrek aan enige uiteenzetting hieromtrent, niet is voldaan aan de schorsingsvoorwaarden van artikel 17 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. 6. Tijdens de terechtzitting verwijst verzoekster naar het schrijven van de verwerende partij van 18 februari 2026 waarbij zij in kennis werd gesteld van haar niet-selectie. In dat schrijven wordt onder meer gesteld eensdeels dat “de procedure om verhaal aan te tekenen onder meer [staat] beschreven in de artikelen 14 en 15 van voormelde wet [van 17 juni 2013]” en anderdeels dat krachtens artikel 23 van diezelfde wet, “een beroep tot schorsing wordt ingediend binnen een termijn van vijftien dagen”. Daarnaast beperkt zij zich ertoe, zoals zij reeds in het verzoekschrift deed, te verwijzen naar de datum waarop de nieuwe dienstverlening zal ingaan, met name 1 juli 2026 zodat de lopende dienstverleningsopdracht een einde neemt op 30 juni 2026 waaruit zij afleidt dat het afwikkelen van de gewone schorsingsprocedure, a fortiori de vernietigingsprocedure onherroepelijk te laat zou komen. Beoordeling 7. Het te dezen relevante artikel 28, § 1, 4°,
- a)en b), van de wet van 17 juni 2016, luidt: “Art. 28. § 1. Vallen niet onder de toepassing van deze wet, onder voorbehoud van paragraaf 2, de overheidsopdrachten voor diensten betreffende : […] 4° een van de volgende juridische diensten :
- a)de vertegenwoordiging in rechte van een cliënt door een advocaat als bedoeld in artikel 1 van richtlijn 77/249/EEG van de Raad van 22 maart 1977 tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening door advocaten van het vrij verrichten van diensten, en dit in het kader van :
- i)een arbitrage- of bemiddelingsprocedure in een lidstaat, een derde land of voor een internationale arbitrage- of bemiddelingsinstantie, of XIV-40.114-7/14
- ii)een procedure voor een rechter of overheidsinstantie van een lidstaat of een derde land of voor een internationale rechter of instantie;
- b)juridisch advies dat wordt gegeven ter voorbereiding van de procedures als bedoeld in de bepaling order a), of indien er concrete aanwijzingen zijn en er een grote kans bestaat dat over de kwestie waarop het advies betrekking heeft, een dergelijke procedure zal worden gevoerd, mits het advies door een advocaat is gegeven in de zin van artikel 1 van voormelde richtlijn 77/249/EEG’”. Artikel 28, § 2, waarnaar wordt verwezen, luidt: “§ 2. De Koning kan specifieke plaatsingsregels bepalen waaraan de in de paragraaf 1, 4°, a en b, bedoelde opdrachten, in de gevallen die Hij bepaalt, onderworpen zijn.” Aan de voormelde paragraaf 2 werd uitvoering verleend door artikel 125 van het koninklijk besluit van 18 april 2017 ‘plaatsing overheidsopdrachten in de klassieke sectoren’ (hierna: koninklijk besluit van 18 april 2017), dat luidt: “Art. 125. De in artikel 28, § 1, eerste lid, 4°,
- a)en b), van de wet bedoelde opdrachten tot aanstelling van een advocaat in het kader van een vertegenwoordiging in rechte of ter voorbereiding van een procedure in rechte, zijn onderworpen aan de beginselen van titel 1 van de wet, met uitzondering van de artikelen 12 en 14 van de wet. Deze overheidsopdrachten worden geplaatst na raadpleging, indien mogelijk, van de voorwaarden van meerdere advocaten maar zonder dat om de indiening van offertes moet worden verzocht. Het bewijs van die raadpleging moet door de aanbestedende overheid geleverd kunnen worden. De in het eerste lid bedoelde opdrachten mogen niet tot stand komen via een aanvaarde factuur, behalve indien hun geraamd bedrag lager ligt dan het in artikel 92, eerste lid, van de wet bedoelde bedrag.” De uitsluitingen onder
- a)en b), zo blijkt uit de parlementaire voorbereiding bij artikel 28 van de wet van 17 juni 2016, “zijn verbonden aan het ‘intuitu personae-karakter’ van de betrokken dienst, die onder meer wordt gekenmerkt door een zekere vertrouwensband tussen de aanbestedende overheid en de advocaat. Het valt ook voor dat er dringende of zelfs hoogdringende gevallen zijn, wat uiteraard niet verzoenbaar is met de toepassing van een hele reeks regels. Niettemin wordt de Koning in de tweede paragraaf gemachtigd om voor de betreffende uitgesloten diensten toch specifieke plaatsingsregels uit te werken, in de door Hem te bepalen gevallen” (Parl. St. Kamer, 2015-2016, nr. 1541/001, 54- 55). XIV-40.114-8/14 8. Te dezen blijkt uit het administratief dossier dat de voorliggende selectieprocedure betrekking heeft, wat verzoekster niet betwist, op het aanstellen van een of meerdere advocaten(bureaus) om de Belgische Staat te vertegenwoordigen in rechte voor de administratieve rechtscolleges, de gewone hoven en rechtbanken en eventueel internationale gerechtshoven, in geschillen inzake de toepassing van de wet van 15 december 1980 en de daarop betrekking hebbende advisering zoals bedoeld in artikel 28, § 1, 4°,
- a)en b), van de wet van 17 juni 2016. Aldus wordt in het schrijven van 13 mei 2025 van de verwerende partij aan de stafhouder van de balie van Antwerpen waarmee de voorliggende selectieprocedure werd opgestart (zie supra, punt 3.4), uitdrukkelijk verwezen naar het aangehaalde artikel 28, § 1, 4°,
- a)en b), van de wet van 17 juni 2016. In het schrijven van 29 augustus 2025 van de verwerende partij aan verzoekster – die ook aan de selectieprocedure van 2021 deelnam –, waarin de selectievoorwaarden worden toegelicht en waarin verzoekster uitgenodigd wordt hierop inhoudelijk te reageren en aanvullende informatie te verstrekken, wordt nergens verwezen naar de wetgeving inzake (de plaatsing van) overheidsopdrachten volgens de in die wet bepaalde plaatsingsregels. Evenmin wordt die wetgeving (of de daarin vervatte plaatsingsregels) door de verwerende partij van toepassing verklaard, daargelaten of zulks überhaupt al mogelijk zou zijn, gelet op de expliciete uitsluiting van de betrokken dienstverlening van het toepassingsgebied van de wet van 17 juni 2016 door voornoemd artikel 28. Tot slot wordt ook in de bestreden selectiebeslissing zelf onder punt ‘II. Voorafgaand’ uitdrukkelijk overwogen dat “[o]vereenkomstig artikel 28, § 1, eerste lid,
- a)en
- b)van de wet van 17 juni 2016 (…) de aanstelling van een advocaat in het kader van een vertegenwoordiging in rechte of ter voorbereiding van een procedure in rechte buiten het toepassingsgebied van deze wet [valt]”. 9. De Raad van State ziet op het eerste gezicht geen reden om dat anders te zien. Het voorwerp van de selectieprocedure valt kennelijk onder artikel 28, § 1, 4°,
- a)en b), van de wet van 17 juni 2016. XIV-40.114-9/14 De betrokken selectieprocedure is dus, minstens op het eerste gezicht, geen overheidsopdracht onderworpen aan de bepalingen van de wet van 17 juni 2016. Dat met toepassing van artikel 125 van het koninklijk besluit van 18 april 2017 – genomen op grond van paragraaf 2 van artikel 28 van de wet van 17 juni 2016 – een geëigende transparante marktraadpleging wordt verricht, verandert daaraan niets; wel integendeel, zo lijkt. 10. De wet van 17 juni 2013 is dan weer, gelet op de artikelen 3 en 28 van die wet, enkel van toepassing op (diensten)opdrachten die onder het toepassingsgebied van de wet van 17 juni 2016 vallen. Hieruit volgt dat de bestreden beslissing die niet onder het toepassingsgebied van de wet van 17 juni 2016 valt, evenmin ressorteert onder de uitzonderingsregels inzake de rechtspleging voor de Raad van State, afdeling Bestuursrechtspraak, waarin de wet van 17 juni 2013 voorziet. Artikel 15 van de wet van 17 juni 2013 waarop verzoekster zich in het verzoekschrift beroept, kan te dezen dan ook niet worden toegepast. 11. Het gegeven dat de verwerende partij, wat de beroepsmogelijkheden betreft, in de kennisgevingsbrief van de bestreden beslissing heeft verwezen naar artikel 15 van de wet van 17 juni 2013 doet niet anders besluiten. 12. Te dezen, dient derhalve toepassing te worden gemaakt van de reguliere procedureregeling zodat moet worden nagegaan of aan alle voorwaarden is voldaan die zijn voorzien in artikel 17 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en in het uitvoeringsbesluit van 19 november 2024 ‘tot bepaling van de procedure in kort geding en tot wijziging van diverse arresten betreffende de procedure voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: het koninklijk besluit van 19 november 2024) om een dergelijk verzoek in te dienen, ook wat de schorsingsvoorwaarden betreft. XIV-40.114-10/14 B. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden 13. Krachtens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de (cumulatieve) voorwaarden dat (
- i)de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en (
- ii)indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van de bestreden beslissing prima facie kan worden verantwoord. Luidens artikel 8, § 1, tweede lid, 2°, van het koninklijk besluit van 19 november 2024 bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”. Dit impliceert dat een verzoeker aan de hand van precieze, concrete en verifieerbare gegevens dient aan te tonen dat zo de zaak binnen een termijn van meer dan vijftien dagen zou worden behandeld, de uitspraak van de Raad van State onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen of de belangen van de verzoekende partij veilig te stellen. Het lag te dezen dan ook op de weg van verzoekster om in het verzoekschrift bij uiterst dringende noodzakelijkheid de specifieke en concrete redenen te vermelden waarom de gewone vordering tot schorsing voorzien in artikel 17, § 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State niet geschikt is om het door haar aangevoerde nadeel tijdig op te vangen of haar belangen tijdig veilig te stellen, rekening houdend met de in die bepaling vermelde behandelingstermijnen, en met de mogelijkheid voor de kamer die de zaak behandelt om een datum voor de zitting te bepalen afhankelijk van de mate van urgentie die in het verzoek wordt aangevoerd. Bij de concrete uitwerking van de uiterst dringende noodzakelijkheid moet een verzoeker er zich bovendien voor hoeden dat begrip niet op een algemene wijze te omschrijven. Algemene beschouwingen die niet worden ondersteund door concrete elementen kunnen niet in aanmerking worden XIV-40.114-11/14 genomen. Het bewijs van de uiterst dringende noodzakelijkheid mag zich niet beperken tot een theoretische uiteenzetting doch vereist het aanreiken van concrete, specifieke op de verzoeker betrekking hebbende en verifieerbare gegevens dat hij het resultaat van de gewone schorsingsprocedure zoals voorzien in artikel 17, § 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State niet kan afwachten op straffe van zich in een toestand te bevinden met ernstige, onherroepelijke, schadelijke gevolgen. 14. Te dezen, stelt de Raad van State vast dat de vordering die volgens het opschrift van het verzoekschrift is ingediend met “uiterst dringende noodzakelijkheid” geen expliciete uiteenzetting bevat van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid, noch overigens de spoedeisend rechtvaardigen. Zoals hiervoor sub 4 is gebleken, beperkt verzoekster zich er in het verzoekschrift toe te verwijzen naar de datum waarop de nieuwe dienstverlening zal ingaan, met name op 1 juli 2026. Zij leidt daaruit af dat zij de behandeling van een gewone schorsingsprocedure, noch die van een beroep tot nietigverklaring, kan afwachten. Uit het administratief dossier blijkt dat de huidige samenwerkingsovereenkomst tussen de verwerende partij en de verzoekende partij inderdaad nog loopt tot 30 juni 2026. De huidige samenwerking zal aldus, op stand van vandaag, in elk geval nog meer dan drie maanden voortduren. Dat is kennelijk meer dan voldoende tijd om in beginsel een gewone schorsingsprocedure te doorlopen. 15. Bovendien maakt verzoekster evenmin de spoedeisendheid van de vordering aannemelijk met een enkele verwijzing naar de datum van afloop van de huidige samenwerking en het ingaan van de nieuwe dienstverlening. Zij dient de spoedeisendheid van de vordering afdoende te staven en de nadelige impact van de bestreden beslissing in concreto aannemelijk te maken. Te dezen, laat zij zulks alleszins geheel na in het verzoekschrift. Zij kan er evenmin mee volstaan, zoals zij ter zitting aangeeft dat zij zich de voorbije vijf jaar – om redenen van het verbod van belangenvermenging binnen het lopende samenwerkingscontract – in essentie XIV-40.114-12/14 op een enkel rechtsdomein en op een cliënt zou hebben toegelegd, wat haar in de ontwikkeling van haar economische activiteit zou hebben belemmerd. 16. Op grond van wat voorafgaat dient te worden besloten dat de schorsingsvoorwaarde van de spoedeisendheid te dezen niet is aangetoond. 17. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn om een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing te kunnen bevelen. V. Kosten en rechtsplegingsvergoeding 18. In de gegeven omstandigheden past het om de kosten ten laste van de verwerende partij te leggen aangezien die in de bestreden beslissing ten onrechte heeft gesteld dat het beroep diende te worden ingeleid bij de Raad van State met toepassing van artikel 15 van de wet van 17 juni 2013 waardoor verzoekster is misleid omtrent de toepasselijke rechtsmiddelen en de te volgen procedure. Er is te dezen evenmin grond om aan de verwerende partij de in haar nota gevraagde rechtsplegingsvergoeding toe te kennen. De gebrekkigheid in de procedure die tot de verwerping van de vordering heeft geleid, valt immers in beslissende mate toe te schrijven aan haar eigen gebrek aan zorgvuldigheid bij het opstellen van de kennisgeving. Gelet daarop kan de verwerende partij niet worden beschouwd als de in het gelijk gestelde partij in de zin van artikel 30/1, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt de vordering. 2. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 26 euro. XIV-40.114-13/14 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zevenentwintig maart tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Kaat Leus, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Kaat Leus XIV-40.114-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.217 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div