id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.218 Rolnummer: A. 247609/XIV-40117 Zaak: Arrest 266218 - Overheidsopdrachten - 27/03/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-03-30 Raadplegingen: 102 - laatst gezien 2026-06-18 06:44 Fiche Arrest nr 266.218 van 27 maart 2026 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 266.218 van 27 maart 2026 in de zaak A. 247.609/XIV-40.117 In zake: de NV B. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Erika Rentmeesters kantoor houdend te 9100 Sint-Niklaas Vijfstraten 57 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de NV DE VLAAMSE WATERWEG bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Laura Kempeneers kantoor houdend te 3730 Bilzen-Hoeselt Dorpsstraat 3, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 10 maart 2026, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing “van ongekende datum van [de verwerende partij] om de offerte van [de verzoekende partij] te weren als onregelmatig voor de opdracht ‘transport en plaatsen reservedeur Merelbeke en stockage defecte deuren.’” II. Verloop van de rechtspleging
- Bij beschikking van 11 maart 2026 werd, in samenspraak met het aangeduide lid van het auditoraat, de procedurekalender vastgesteld. De verwerende partij heeft een nota met opmerkingen en een administratief dossier ingediend. XIV-40.117-1/6 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 25 maart 2026, om 14.00 uur. Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Erika Rentmeesters, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Laura Kempeneers, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Eylenbosch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De verwerende partij plaatst een overheidsopdracht in de markt voor de aanneming met werken, met als voorwerp: “Transport en plaatsen reservedeur Merelbeke en afvoeren defecte deur”. Het betreft een openbare procedure voor aanneming van werken met de prijs als enig gunningscriterium. 3.
- Drie inschrijvers, waaronder de verzoekende partij, dienen een offerte in. Het offertebedrag van de verzoekende partij is het hoogste. 3.
- Op 23 februari 2026 gunt de aanbestedende overheid de opdracht aan een derde. De offertes van de twee overige inschrijvers, waaronder de verzoekende partij, worden geweerd wegens substantiële onregelmatigheid. XIV-40.117-2/6 3.
- Op 24 februari 2026 wordt de verzoekende partij ervan in kennis gesteld dat haar offerte is geweerd. Een uittreksel van de gunningsbeslissing, dat enkel betrekking heeft op de eigen offerte, is bij deze kennisgeving gevoegd. IV. Verzoek tot vertrouwelijke behandeling van bepaalde stukken
- Beide partijen vragen in hun respectievelijk processtuk om de vertrouwelijke behandeling van bepaalde door hen neergelegde stukken, die zij in de inventaris als vertrouwelijk aanduiden en waarbij zij de redenen opgeven waarom zij om die vertrouwelijke behandeling vragen.
- Geen van de partijen heeft (ter terechtzitting) het lichten van de vertrouwelijkheid van deze stukken gevraagd. V. Ontvankelijkheid van de vordering Standpunt van de partijen
- De verwerende partij betwist in de nota met opmerkingen het belang van de verzoekende partij bij de ingestelde vordering. Zij voert aan dat het door de verzoekende partij nagestreefde voordeel erin bestaat dat zij alsnog de opdracht zou worden gegund waarvoor zij een offerte heeft ingediend. In het kader van de voorliggende openbare procedure, waarin de prijs het enige gunningscriterium uitmaakte, heeft de verzoekende partij echter niet de laagste, maar integendeel de hoogste offerte ingediend. Opdat de verzoekende partij de opdracht alsnog zou kunnen verkrijgen, zou moeten blijken dat zij in aanmerking kan komen als regelmatige laagste inschrijver. Volgens de verwerende partij is dit evenwel uitgesloten, nu de verzoekende partij noch enig middel heeft aangevoerd dat is gericht tegen de beoordeling van de offertes van de overige inschrijvers, noch enige grief heeft ontwikkeld waaruit zou volgen dat de opdracht aan geen van de inschrijvers rechtmatig kon worden gegund. Voorts merkt de verwerende partij op dat de verzoekende partij met haar vordering niet de volledige gunningsbeslissing viseert, maar uitsluitend het onderdeel ervan waarbij haar offerte substantieel XIV-40.117-3/6 onregelmatig werd verklaard. Het voorwerp van de vordering is derhalve beperkt tot deze deelbeslissing binnen de gunningsbeslissing.
- Ter terechtzitting voert de verzoekende partij aan dat haar louter een uittreksel van de gunningsbeslissing werd meegedeeld, beperkt tot de beoordeling van haar eigen offerte. De identiteit van de overige inschrijvers, evenals de door hen ingediende offertebedragen, zijn haar niet bekendgemaakt. Hierdoor heeft zij, naar eigen zeggen, geen middelen kunnen ontwikkelen met betrekking tot de andere inschrijvingen. Niettemin stelt zij een belang te behouden, aangezien een schorsing van de bestreden beslissing volgens haar zou kunnen leiden tot het nemen van een nieuwe beslissing, waarbij haar offerte opnieuw in aanmerking wordt genomen en haar de mogelijkheid wordt geboden kennis te nemen van de motieven die de aanbestedende overheid hebben geleid tot het aanvaarden van de prijsverantwoording van de gekozen inschrijver. Beoordeling
- Luidens het te dezen toepasselijke artikel 15, eerste lid, van de wet van 17 juni 2013 ‘betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies’, samen te lezen met artikel 14 van diezelfde wet waarnaar artikel 15, eerste lid verwijst, kan de Raad van State, “op verzoek van elke persoon die een belang heeft of heeft gehad om een bepaalde opdracht […] te krijgen en die door de beweerde schending is of dreigt te worden benadeeld”, de beslissing van een aanbestedende instantie schorsen. Het staat aan de Raad van State te oordelen of een verzoekende partij die een zaak voor hem brengt, doet blijken van een belang bij de vordering tot schorsing. De Raad van State dient er evenwel over te waken dat het belangvereiste niet op een buitensporig restrictieve of formalistische wijze wordt toegepast. XIV-40.117-4/6
- Het belang van een verzoekende partij om bij de Raad van State een beslissing inzake de toewijzing van een overheidsopdracht te bestrijden, bestaat er idealiter in opnieuw op zijn minst kans te maken om die opdracht toegewezen te krijgen en die zelf uit te voeren (RvS, algemene vergadering, 2 december 2005, nr. 152.174, ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.174). In de huidige stand van de zaak blijkt bij het sluiten van het debat dat de verzoekende partij enkel de substantieelonregelmatigverklaring van de eigen offerte betwist. Zij betwist niet de beslissing waarbij de beoogde opdracht aan een concurrent wordt toegewezen. In acht genomen dat te dezen de opdracht is gegund via een openbare procedure met de prijs als enig gunningscriterium en de verzoekende partij niet tegen de laagste prijs had ingeschreven, kan de enkele betwisting van haar onregelmatigverklaring op het eerste gezicht niet toelaten de opdracht alsnog toegewezen te krijgen. Het uitlokken van een schorsing van de bestreden beslissing zou hieraan niet kunnen verhelpen. Uit wat voorafgaat volgt dat zodoende in de huidige stand van de zaak, de verzoekende partij geen kans heeft om de opdracht te krijgen. Zij heeft bijgevolg geen belang bij de voorliggende schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing.
- De exceptie is in de aangegeven mate ernstig. VI. Besluit
- De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid is niet ontvankelijk en wordt dan ook verworpen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van XIV-40.117-5/6 200 euro, een bijdrage van 26 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zevenentwintig maart tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-40.117-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.218 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.174 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div