id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.234 Rolnummer: A. 242634/X-18789 Zaak: Arrest 266234 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 30/03/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-04-02 Raadplegingen: 109 - laatst gezien 2026-06-18 06:44 Fiche Arrest nr 266.234 van 30 maart 2026 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 266.234 van 30 maart 2026 in de zaak A. 242.634/X-18.789 In zake : M.W. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tom Huygens kantoor houdend te 9100 Sint-Niklaas Vijfstraten 57 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen :
- de GEMEENTE LIEVEGEM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Karolien Beké en Karlien Vernieuwe kantoor houdend te 9000 Gent Kasteellaan 141 bij wie woonplaats wordt gekozen
- het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Kristien Vanderheiden kantoor houdend te 3000 Leuven Diestsevest 47/001 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 31 juli 2024, strekt tot de nietigverklaring van “[h]et besluit van de gemeenteraad van Lievegem van 27 maart 2024 waarbij het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Agrarisch Gebied Zomergem’ definitief wordt vastgesteld” en van “[h]et besluit van het Team Mer van de Vlaamse overheid van 1 maart 2022 dat er geen plan-MER moet opgemaakt worden voor het RUP ‘Agrarisch Gebied Zomergem’”. X-18.789-1/17 II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partijen hebben elk een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Tom De Waele heeft een verslag opgesteld. Verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. De verwerende partijen hebben elk een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 20 maart
- Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht. Advocaat Tom Huygens, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Charlotte Ponchaut, die loco advocaten Karolien Beké en Karlien Vernieuwe verschijnt voor de eerste verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Tom De Waele heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker exploiteert een extensieve pluimveehouderij voor zowat 80.000 slachtkippen te Zomergem, thans Lievegem. X-18.789-2/17 3.
- Verzoekers bedrijf is overeenkomstig de bepalingen van het gewestplan Eeklo-Aalter, goedgekeurd bij koninklijk besluit van 24 maart 1978, gelegen in agrarisch gebied. 3.
- Op 27 december 2018 keurt het college van burgemeester en schepenen van de eerste verwerende partij de startnota voor het voorgenomen gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Agrarisch gebied Zomergem’ (hierna: het gemeentelijk RUP) goed. De startnota vermeldt de volgende doelstellingen van het voorgenomen gemeentelijk RUP: “Aanleiding en opzet van het RUP:
- Het RUP heeft tot doel om binnen het huidig agrarisch gebied afgebakend in het gewestplan, zones aan te duiden die als open ruimte in aanmerking komen. Deze zones worden wel voorbehouden voor beroepslandbouwactiviteiten. Bij de uitwerking van het RUP staat het vrijwaren van de aanwezige open ruimte van verdere bebouwing voorop.
- Daarnaast is het RUP tevens bedoeld om een recreatiepool voor zachte recreatie te voorzien.” 3.
- Met zijn arrest nr. RvVb-A-1819-1015 van 21 mei 2019 vernietigt de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb), op vraag van de eerste verwerende partij, de door de deputatie van de provincieraad van de provincie Oost-Vlaanderen (hierna: de deputatie) aan verzoeker verleende stedenbouwkundige vergunning van 9 november
- 3.
- Van 12 november 2019 tot 10 januari 2020 wordt over de startnota voor het gemeentelijk RUP een publieke raadpleging gehouden, tijdens dewelke verzoeker een inspraakreactie indient. 3.
- Met zijn arrest nr. 249.908 van 25 februari 2021 vernietigt de Raad van State, op vraag van de eerste verwerende partij en enkele omwonenden, het besluit van de bevoegde Vlaamse minister van 29 januari 2018 betreffende de aan verzoeker toegekende milieuvergunning. Met zijn arrest nr. RvVb-A-2021- 0856 van 1 april 2021 vernietigt de RvVb, op vraag van enkele omwonenden, de door de deputatie op 26 september 2019 aan verzoeker verleende stedenbouwkundige vergunning. X-18.789-3/17 3.
- Op 31 augustus 2021 keurt het college van burgemeester en schepenen van de eerste verwerende partij de scopingnota voor het gemeentelijk RUP goed. Op 1 februari 2022 keurt dit college een tweede versie van de scopingnota goed. 3.
- Op 1 maart 2022 beslist het team Omgevingseffecten van de Vlaamse overheid (hierna: het team-Mer) dat voor het voorgenomen gemeentelijk RUP geen planmilieueffectrapport (hierna: het plan-MER) is vereist. Dit is het tweede bestreden besluit. 3.
- Op 23 november 2022 stelt de gemeenteraad van de eerste verwerende partij het ontwerp van het gemeentelijk RUP voorlopig vast. 3.
- Van 9 januari 2023 tot 10 maart 2023 wordt over het voorontwerp van het gemeentelijk RUP een openbaar onderzoek gehouden. Onder anderen verzoeker dient een bezwaarschrift in. 3.
- De gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening (hierna: de Gecoro) van de gemeente Lievegem brengt op 12 december 2023 een advies uit over het gemeentelijk RUP. 3.
- Met een besluit van 27 maart 2024 stelt de gemeenteraad van de gemeente Lievegem het gemeentelijk RUP definitief vast. Dit is het eerste bestreden besluit. 3.
- Het gemeentelijk RUP stelt voor delen van het agrarisch gebied op het grondgebied van de vroegere gemeente Zomergem een ‘bijkomend voorschrift agrarisch gebied’ (artikel 1) vast, dat als volgt luidt: “Nieuwe agrarische en para-agrarische bedrijfszetels worden niet toegelaten binnen de contouren van het RUP. X-18.789-4/17 Een functiewijziging van een bestaand gebouw of gebouwencomplex met hoofdfunctie land- en tuinbouw in de ruime zin, naar opslag van allerhande materialen of materieel, wordt niet toegelaten. Het RUP is niet van toepassing op aanvragen die ingediend werden voorafgaand aan de inwerkingtreding van het RUP.” 3.
- Het gemeentelijk RUP heeft betrekking op de hierna op het grafisch plan met een stippellijn afgebakende gearceerde delen van de vroegere gemeente Zomergem. Verzoekers bedrijf wordt op het grafisch plan hierna bij benadering met een rood kruis aangeduid. De daarbij horende legende is de volgende: X-18.789-5/17 3.
- Met arrest nr. RvVb-A-2425-0421 van 23 januari 2025 willigt de RvVb het vernietigingsberoep in dat door enkele omwonenden is ingesteld tegen de stilzwijgende beslissing van de tweede verwerende partij tot afwijzing van het bestuurlijk beroep tegen het besluit van de deputatie van 30 juni 2022 tot afgifte van een omgevingsvergunning aan verzoeker voor “de regularisatie van de bouw en exploitatie van een nieuw kippenbedrijf met twee AEA-pluimveestallen voor 74.242 slachtkippen” en voor “de regularisatie van een loods, een bedrijfswoning en aanhorigheden”, alsook tegen het besluit van de deputatie van 30 juni 2022 tot het verlenen van een omgevingsvergunning aan verzoeker, en dit om reden dat de vergunningverlenende overheid ten onrechte de “in artikel 36ter van het Natuurdecreet verplicht gestelde habitattoets [vereenzelvigt] met de VEN-toets in artikel 26bis, §1 van dat decreet dat geen drempel van significante gevolgen bevat”. IV. Onderzoek van de middelen A. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker voert in een tweede middel de schending aan van “de artikelen 1.1.4., 2.1.
- (oud), 2.2.
- (oud), 2.2.20, 2.2.21 [van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (VCRO)], van het [gemeentelijk ruimtelijk structuurplan van de voormalige gemeente Zomergem (hierna: het GRS)] en van X-18.789-6/17 de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer specifiek de materiële motiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel”. Hij vat het middel in zijn verzoekschrift als volgt samen: “1e onderdeel Het RUP schendt de aangehaalde bepalingen en beginselen doordat in hoofdzaak enkel de inplanting van nieuwe bedrijven geviseerd wordt, hetgeen geen logische uitwerking vormt van de beoogde doelstelling om de open ruimte te vrijwaren. Het louter focussen van het RUP op een verbod op nieuwe bedrijfszetels strijdt ook met het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan, dat een samenhangend geheel van maatregelen voorziet ter bescherming van de open ruimte en dat een gebiedsgerichte benadering voorziet voor de verschillende delen van het agrarisch gebied. Zowel in de adviezen als in de bezwaren werd de inconsequente invulling van het RUP uitvoerig bekritiseerd. Deze adviezen en bezwaren werden niet, minstens niet op draagkrachtige wijze, beantwoord. Een bredere benadering werd wel gepland in de startnota, maar werd tijdens de procedure aangepast, zonder relevante motivering voor deze gewijzigde visie. 2e onderdeel Het RUP bevat geen degelijk onderzoek naar de zones waar nieuwe landbouwbedrijven zouden kunnen ingeplant worden. In de praktijk zijn er ernstige bedenkingen bij de mogelijkheid om nog nieuwe bedrijven, in het bijzonder veeteeltbedrijven, op te richten binnen deze zones. Dit terwijl ook in het [GRS] het belang benadrukt werd om ruimte te voorzien voor nieuwe bedrijven. De kritieken van de adviesverlenende instanties en de bezwaren hieromtrent werden niet of minstens niet afdoende beantwoord. 3e onderdeel Het RUP strijdt met de aangehaalde bepalingen en beginselen door – mede in strijd met het [GRS] – woonkorrels en woonlinten aan te duiden als zones waar nog nieuwe landbouwbedrijven zouden opgericht kunnen worden, terwijl deze zones hoofdzakelijk door wonen gekenmerkt worden. Het RUP is niet naar recht verantwoord nu de zone rond de Rostraat – waarbinnen het bedrijf van verzoekende partij gelegen is – dan weer niet aangeduid wordt voor de oprichting van nieuwe landbouwbedrijven. De bezwaren dienaangaande werden niet op pertinente wijze beantwoord.” Beoordeling 5.
- De kernbeslissing 21 ‘Opmaak RUP voor ruimtelijk-functioneel samenhangend landbouwgebied van de Cuesta’ van het bindend gedeelte van het GRS luidt: X-18.789-7/17 “Van het ruimtelijk-functioneel samenhangend landbouwgebied op de cuesta zal een gemeentelijk RUP opgemaakt worden. Dit ruimtelijk – functioneel samenhangend landbouwgebied strekt zich uit vanaf het kruispunt Veldhoek – Leischoot, via de noordoostelijke flank van de cuesta tot tegen Leischoot om dan rond de woonkorrel ‘Rijvers’ via de Mottebossen de zuidelijke flank van de cuesta te bereiken. Het voorziet de uitvoering van volgende beleidselementen : - ruimtelijk-functioneel samenhangend landbouwgebied van de cuesta […] Bij de uitvoering van het beleidselement ‘ruimtelijk-functioneel samenhangend landbouwgebied’ staan volgende uitgangspunten voorop: - de gebieden die momenteel bouwvrij zijn, dienen bouwvrij gehouden te worden - de aanleg en het onderhoud van kleine landschapselementen dienen sterk te worden gestimuleerd rond de bestaande agrarische bedrijven wordt een perimeter aangeduid waarbinnen een uitbreiding van de bedrijfsinfrastructuur mogelijk is. Dit gebeurt in overleg met de betrokken bedrijven. - de mogelijke functiewijzigingen van bestaande agrarische bedrijfszetels dienen nader omschreven te worden in de stedenbouwkundige voorschriften - Lokaal herstel van het aanwezige drevenpatroon (o.m. door aanplanten van streekeigen boomsoorten langs de openbare wegen) […].” 5.
- De toelichtingsnota bij het gemeentelijk RUP maakt de bedoeling van het plan duidelijk om “bestaande agrarische gebieden in Zomergem [te] beschermen als openruimtegebied met respect voor de bestaande landbouwbedrijven”. Uitdrukkelijk wordt daarbij gesteld dat het gemeentelijk RUP “deels een uitvoering van een bindende bepaling van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan van Zomergem” vormt. Het opzet van het plan bestaat er blijkens de toelichtingsnota voorts in: “om binnen het huidig agrarisch gebied afgebakend in het gewestplan, zones aan te duiden die als open ruimte in aanmerking komen. Deze zones worden wel voorbehouden voor beroepslandbouwactiviteiten. Bij de uitwerking van het RUP staat het vrijwaren van de aanwezige open ruimte van verdere bebouwing voorop, waarbij geen nieuwe agrarische bedrijven worden toegelaten.” 5.
- Het stedenbouwkundig voorschrift van het gemeentelijk RUP dat “[n]ieuwe agrarische en para-agrarische bedrijfszetels [...] niet toe[laat] binnen de contouren van het RUP” (randnummer 3.13), is in overeenstemming met het X-18.789-8/17 planopzet om “binnen het huidig agrarisch gebied afgebakend in het gewestplan, zones aan te duiden die als open ruimte in aanmerking komen”, waarbij deze zones weliswaar worden “voorbehouden voor beroepslandbouwactiviteiten”, maar waarbij “het vrijwaren van de aanwezige open ruimte van verdere bebouwing voorop [wordt gesteld]” (randnummer 3.3). Vanuit het opzet om “respect voor de bestaande landbouwbedrijven” te tonen, kunnen deze bedrijven verder worden geëxploiteerd en ontwikkeld. 5.
- Het gemeentelijk RUP is voorts in overeenstemming met de onder randnummer 5.1 vermelde kernbeslissing 21 van het bindend gedeelte van het GRS volgens dewelke een gemeentelijk RUP dient te worden opgemaakt met als uitgangspunt dat “de gebieden die momenteel bouwvrij zijn, […] bouwvrij [dienen] gehouden te worden”. De enkele omstandigheid dat het gemeentelijk RUP geen uitvoering geeft aan andere uitgangspunten van die kernbeslissing, maakt het gemeentelijk RUP nog niet onwettig. Uit het GRS volgt immers geen verplichting om bij de uitvoering van het beleidselement ‘ruimtelijk-functioneel samenhangend landbouwgebied’ alle vermelde uitgangspunten tegelijk uit te werken. Wat de omschrijving van mogelijke functiewijzigingen betreft, legt het gemeentelijk RUP overigens alvast op dat “[e]en functiewijziging van een bestaand gebouw of gebouwencomplex met hoofdfunctie land- en tuinbouw in de ruime zin, naar opslag van allerhande materialen of materieel, […] niet [wordt] toegelaten” (randnummer 3.13). 5.
- In antwoord op de kritieken die in de bezwaren en adviezen werden geuit op het niet uitwerken van alle uitgangspunten van kernbeslissing 21 van het bindend gedeelte van het GRS, heeft de plannende overheid niet onterecht gewezen op de vergunningsaanvragen voor twee nieuwe pluimveebedrijven, waaruit afdoende de prioriteit blijkt van een verbod op nieuwe bedrijfsvestigingen in het agrarisch openruimtegebied, en voorts op het feit dat “het verbod van de functiewijziging ‘opslag van materialen’ al een eerste belangrijke stap [is] in het tegengaan van de aantasting van de open ruimte”. In het licht van de verschillende bezwaren tégen beperkingen voor de landbouwsector, heeft de plannende overheid er voorts niet zonder pertinentie op gewezen dat “er geen beperkingen [worden] X-18.789-9/17 opgelegd op de ontwikkelingsmogelijkheden van de bestaande landbouwbedrijven”. 5.
- Dat de eerste verwerende partij met betrekking tot de niet- uitwerking van alle uitgangspunten van het GRS naar het in opmaak zijnde gemeentelijk ruimtelijk beleidsplan (hierna: GRB) voor Lievegem verwijst, is, mede in het licht van de aanname dat niet alle uitgangspunten van het GRS tegelijk dienen uitgewerkt te worden (randnummer 5.4), evenmin van aard om het bestreden besluit te vitiëren. Het is niet onwettig om in antwoord op de desbetreffende bezwaren en adviezen te wijzen op het in opmaak zijnde GRB, dat, zoals uiteengezet in de toelichtende nota bij het gemeentelijk RUP, aandacht besteedt aan de strategische doelstelling van het vrijwaren van de open ruimte op het gemeentelijk grondgebied, met daaraan gekoppeld een specifiek beleidskader voor de bescherming van de open ruimte en voor de versterking van een blauwgroen netwerk. 5.
- Verzoekers kritiek dat er vragen kunnen worden gesteld bij de “meerwaarde” van een verbod om nieuwe bedrijven in het agrarisch openruimtegebied toe te laten, is gezien de duidelijke eis van de kernbeslissing 21 van het bindend gedeelte van het GRS om de gebieden die momenteel bouwvrij zijn, bouwvrij te houden, niet van aard om het bestreden besluit te vitiëren. 5.
- Het geschonden geachte artikel 1.1.4 VCRO luidt: “De ruimtelijke ordening is gericht op een duurzame ruimtelijke ontwikkeling waarbij de ruimte beheerd wordt ten behoeve van de huidige generatie, zonder dat de behoeften van de toekomstige generaties in het gedrang gebracht worden. Daarbij worden de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar afgewogen. Er wordt rekening gehouden met de ruimtelijke draagkracht, de gevolgen voor het leefmilieu en de culturele, economische, esthetische en sociale gevolgen. Op deze manier wordt gestreefd naar ruimtelijke kwaliteit.” X-18.789-10/17 5.
- Het vereiste gesteld in artikel 1.1.4 VCRO dat de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar moeten worden afgewogen, impliceert niet dat deze diverse facetten daarom ook per se gelijkwaardig aan bod moeten komen. Uit de afweging kan immers blijken dat één of meerdere van deze behoeften zwaarder doorwegen dan andere. De overheid beschikt ter zake over een ruime appreciatiebevoegdheid, die slechts voor geschonden kan worden gehouden in zoverre de overheid de grenzen van de redelijkheid te buiten zou gaan. De Raad van State oefent hierop enkel een wettigheidstoezicht uit, vermits het aan de bevoegde overheden toekomt de nodige beleidskeuzes te maken. Het komt een verzoekende partij die artikel 1.1.4 VCRO geschonden acht, toe om aan te tonen dat de gemaakte keuze de grenzen van de redelijkheid te buiten gaat. Verzoeker overtuigt er niet van dat het gemeentelijk RUP de door artikel 1.1.4 VCRO vereiste afweging ontbeert. Zoals gezien, heeft de plannende overheid oog gehad voor de aantasting van de open ruimte, de ontwikkelingsmogelijkheden van de bestaande landbouwbedrijven, en het resterend agrarisch gebied voor nieuwe landbouwbedrijven. Dat de plannende overheid met het gemeentelijk RUP niet aan de individuele belangen van verzoeker tegemoetkomt, toont nog geen schending van artikel 1.1.4 VCRO aan. 5.
- Gelet op wat voorafgaat, toont verzoeker niet aan dat het gemeentelijk RUP het GRS schendt of anderszins onwettig zou zijn. 5.
- Het eerste middelonderdeel wordt verworpen. 6.
- Verzoekers bezwaar dat het gemeentelijk RUP “nieuwe agrarische bedrijvigheid in Zomergem […] onmogelijk [maakt]”, en de vragen die meerdere adviesinstanties met betrekking tot de mogelijkheid tot het oprichten van nieuwe landbouwbedrijven in Zomergem hebben gesteld, wordt door de plannende overheid ontmoet door een berekening van het agrarisch gebied waarin de oprichting van nieuwe landbouwbedrijven mogelijk blijft. Uit dit onderzoek, X-18.789-11/17 waarbij rekening wordt gehouden met de bebouwde oppervlaktes en de afstandsregels, blijkt dat 598ha grond resteert voor nieuwe landbouwbedrijven die geen rekening moeten houden met afstandsregels, en 419ha grond voor nieuwe landbouwbedrijven die wel met afstandsregels rekening moeten houden. Het zijn cijfers die ook in het advies van het departement Landbouw en Visserij van 13 juni 2022 worden vermeld. Verzoeker toont niet overtuigend aan dat het resterend agrarisch gebied voor nieuwe landbouwbedrijven niet zou volstaan. 6.
- Noch het gegeven dat de beperkte beschikbaarheid van gronden voor nieuwe landbouwbedrijven speculatie in de hand kan werken, dat een en ander “zonevreemd gebruik” zou bevorderen, en dat de afstandsregels steeds strenger worden, zoals ook het departement Landbouw en Visserij in haar advies van 13 juni 2022 aanvoert, noch het feit dat bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor nieuwe landbouwbedrijven alsnog rekening zal dienen gehouden te worden met de mogelijke landschappelijke bescherming, overstromingsgevoeligheid en aanwezige natuur, doen besluiten dat het oordeel van de plannende overheid met betrekking tot de voor nieuwe landbouwbedrijven beschikbare gronden de grenzen van de redelijkheid zou te buiten gaan of anderszins onwettig zou zijn. Verzoekers bewering dat het een “utopie” is dat de sites van recent stopgezette bedrijven in eerste instantie “gebruikt moeten worden om starters te huisvesten”, toont de onwettigheid van de bestreden beslissing evenmin aan. 6.
- Het tweede middelonderdeel wordt verworpen. 7.
- Verzoekers kritiek, in het derde middelonderdeel, dat de keuze van de plannende overheid om de inplanting van nieuwe agrarische bedrijven toe te laten in de in het GRS aangegeven ‘woonkorrels’ en ‘woonlinten’, strijdig is met dat GRS, wordt door de plannende overheid als volgt weerlegd: “De aanduiding van woonlinten en woonkorrels als mogelijke inplantingsplaatsen voor nieuwe agrarische bedrijvigheid is niet in strijd met het GRS. In het GRS wordt bij de bespreking van de woonlinten en woonkorrels in het agrarisch gebied immers niets gezegd over de ontwikkelingsmogelijkheden van bestaande landbouwbedrijven of over X-18.789-12/17 nieuwe landbouwbedrijven, enkel over de bevestiging van de bestaande woonfunctie. Hieruit kan worden afgeleid dat nieuwe landbouwbedrijven wel degelijk toegelaten zijn nabij woonkorrels en woonlinten.” 7.
- Verzoekers betoog dat het voormelde antwoord “volledig naast de kwestie” is, kan geen bijval vinden. Met de eerste verwerende partij wordt immers vastgesteld dat het GRS inderdaad nergens bepaalt dat een agrarische ontwikkeling in ‘woonkorrels’ of ‘woonlinten’ verboden zou zijn. Integendeel stelt het GRS met betrekking tot ‘woonkorrels’ uitdrukkelijk dat functiewijzigingen mogelijk zijn, “zolang de ruimtelijke dynamiek van de agrarische omgeving niet verder overschreden wordt”. 7.
- Verzoekers kritiek dat de Rostraat, in de nabijheid waarvan zijn bedrijf gelegen is, ten onrechte in het gemeentelijk RUP is opgenomen, nu deze straat voldoende ruimte voor bijkomende landbouwbedrijven biedt, wordt door de plannende overheid afdoende ontmoet door te stellen dat “[d]e Rostraat en omgeving […] in het GRS van Zomergem [is] opgenomen als een ruimtelijk functioneel samenhangend landbouwgebied op lokaal niveau, waar bijkomende agrarische bedrijfszetels zijn uitgesloten”. Minstens toont verzoeker het tegendeel daarvan niet aan. Zijn betoog dat “het een puur discretionaire keuze [is] geweest van de opstellers van het plan om de woonkorrels en woonlinten toe te voegen aan de gebieden waar nog nieuwe landbouwbedrijven zouden kunnen opgericht worden”, toont de onwettigheid van het bestreden besluit niet aan.
- Het middel wordt in zijn geheel verworpen. B. Eerste en derde middel Uiteenzetting van de middelen
- Verzoeker voert in een eerste middel de schending aan van “de artikelen 4.1.
- 7°, 4.1.4., 4.1.7, 4.2.
- en 4.2.3 [van het decreet van 5 april 1995 ‘houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid’ (DABM)], art. 4 van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 december 2004 houdende vaststelling van X-18.789-13/17 categorieën van projecten onderworpen aan milieueffectrapportage, art[t]. 2.2.
- en 2.2.
- VCRO en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer specifiek de materiële motiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel”. Hij vat het middel in zijn verzoekschrift als volgt samen: “De bestreden besluiten schenden de aangehaalde bepalingen en beginselen doordat het RUP niet onderworpen werd aan de opmaak van een plan- MER. Ondergeschikt had het RUP minstens moeten onderworpen worden aan een volwaardige MER-screening. Het RUP bevat geen onderzoek naar de effecten op mens en milieu die onvermijdelijk zullen uitgaan van het concentreren van toekomstige, nieuwe landbouwbedrijven binnen de beperkte, afgebakende zones waar dit nog mogelijk zal zijn naar aanleiding van het RUP. Het RUP bevat tenslotte geen draagkrachtige motivering waarom voorbijgegaan werd aan de verplichtingen inzake milieueffectenrapportage.”
- Verzoeker voert in een derde middel de schending aan van “art. 36ter van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu [decreet natuurbehoud] en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer specifiek de materiële motiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel”. Hij vat het middel in zijn verzoekschrift als volgt samen: “Het RUP strijdt met de aangehaalde bepalingen en beginselen doordat geen passende beoordeling werd opgemaakt, terwijl het RUP zones afbakent waarbinnen nieuwe landbouwbedrijven (in het bijzonder veeteeltbedrijven) […] ingeplant kunnen worden en zelfs geconcentreerd zouden moeten worden, terwijl deze zones op korte afstand gelegen zijn van habitatrichtlijngebieden waar de kritische depositiewaardes inzake stikstof overschreden zijn en waar derhalve door vermesting en verzuring een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van de SBZ’s veroorzaakt kan worden. Het RUP bevat evenmin enige relevante motivering waarom geen passende beoordeling werd opgemaakt of waarom geen onderzoek werd uitgevoerd naar de impact van het RUP op de natuurlijke kenmerken van de betrokken SBZ’s.” X-18.789-14/17 Beoordeling 11.
- Overeenkomstig het toepasselijke artikel 4.2.3, § 1, DABM wordt “[h]et plan of programma, dat overeenkomstig artikel 4.2.1, onder het toepassingsgebied van dit hoofdstuk valt, […] alvorens het kan worden goedgekeurd, aan een milieueffectrapportage onderworpen in de gevallen bepaald in dit hoofdstuk”. Deze milieueffectrapportage beoogt, overeenkomstig het toepasselijke artikel 4.1.4, § 1, DABM, in de besluitvorming over acties die aanzienlijke milieueffecten kunnen veroorzaken aan het milieubelang een plaats toe te kennen die evenwaardig is aan de sociale, economische en andere maatschappelijke belangen. Een plan-MER geeft overeenkomstig artikel 4.1.1, § 1, 7°, DABM dan ook aan op welke wijze de aanzienlijke milieueffecten vermeden, beperkt, verholpen of gecompenseerd kunnen worden. Luidens artikel 36ter, § 3, eerste lid, van het decreet natuurbehoud dient een plan dat, afzonderlijk of in combinatie met één of meerdere bestaande of voorgestelde activiteiten, plannen of programma’s, een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone kan veroorzaken, zonder dat die vergunningsplichtige activiteit of dat plan of programma direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een gebied in de speciale beschermingszone in kwestie, onderworpen te worden aan een passende beoordeling wat betreft de betekenisvolle effecten voor de speciale beschermingszone. Volgens § 4 van datzelfde artikel mag de overheid die over een plan moet beslissen, het plan in de regel slechts goedkeuren indien het geen betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van de betrokken speciale beschermingszone kan veroorzaken. 11.
- Verzoeker baat, zonder over de vereiste omgevingsvergunning te beschikken, een intensieve pluimveehouderij voor maximaal 80.000 slachtkippen uit. Het betreft een inrichting die volgens de Vlarem- regelgeving in klasse 1 is ingedeeld, een inrichting die zodoende geacht moet worden de grootste risico’s voor de mens en het milieu in te houden. Met zijn X-18.789-15/17 beroep wil verzoeker verkrijgen dat zijn bedrijf als nieuwe intensieve pluimveehouderij wordt toegelaten. 11.
- In dit licht moet worden vastgesteld dat de onregelmatigheden die verzoeker aanvoert in het tweede en het derde middel hem niet in zijn belangen kunnen schaden. Integendeel, zijn de rechtsregels die in het tweede en het derde middel geschonden worden geacht, en de natuurbelangen die ze beogen, juist van aard om het gebied waar nieuwe intensieve pluimveehouderijen zijn toegelaten, nog meer te beperken, teneinde de natuur nog meer te vrijwaren. Verzoekers betoog dat vanuit milieuoogpunt een onderzoek dient te gebeuren naar de “concentratie” van nieuwe landbouwbedrijven binnen het toegelaten agrarisch gebied, overtuigt niet, temeer nu hijzelf aangeeft dat “in de praktijk slechts een fractie van deze oppervlakte ook daadwerkelijk in aanmerking komt voor het vergunnen van nieuwe landbouwzetels, zeker indien het om veeteeltbedrijven gaat, die immers onderworpen zijn aan strenge milieunormen zoals geur e.d. die een bijkomende impact hebben op de mogelijke locaties”. Verzoekers standpunt dat een vernietiging op grond van de ingeroepen rechtsregels ertoe kan leiden dat zijn intensieve pluimveehouderij als nieuw agrarisch bedrijf wordt toegelaten, wordt niet bijgevallen. 11.
- In deze omstandigheden dringt het zich op dat verzoeker geen belang erbij heeft het tweede en het derde middel te doen gelden. De desbetreffende ontvankelijkheidsexcepties van de eerste verwerende partij zijn gegrond. 11.
- De middelen zijn onontvankelijk. 11.
- Daar alle middelen zijn verworpen, moet het beroep hoe dan ook als ongegrond verworpen worden. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep. X-18.789-16/17
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, en een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan elk van de verwerende partijen. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op dertig maart tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Jan Clement, kamervoorzitter, Stephan De Taeye, staatsraad, David D’Hooghe, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Jan Clement X-18.789-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.234 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div