id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Conseil d'État Jugement/arrêt du 31 mars 2026 No ECLI: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.244 No Rôle: A. 237329/IX-10126 Affaire: Arrest 266244 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 31/03/2026 Domaine juridique: Droit administratif Date d'introduction: 2026-04-03 Consultations: 117 - dernière vue 2026-06-18 06:42 Version(s): Fiche Arrêt no 266.244 du 31 mars 2026 Institutions, Intérieur et pouvoirs locaux - Divers (institutions, intérieur et pouvoirs locaux) Décision : Annulation Thésaurus Cassation: CONSEIL D'ETAT Thésaurus UTU: DROIT PUBLIC ET ADMINISTRATIF - CONSEIL D'ÉTAT - Arrêts (Conseil d'État) Texte de la décision ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.244 no lien 288361 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 266.244 van 31 maart 2026 in de zaak A. 237.329/IX-10.126 In zake : 1. de STAD XXXX 2. het OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Wouter Rubens en Jonas De Wit kantoor houdend te 2800 Mechelen Antwerpsesteenweg 16-18 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de VLAAMSE TOEZICHTCOMMISSIE VOOR DE VERWERKING VAN PERSOONSGEGEVENS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Bart Martel en Kristof Caluwaert kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 99 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: XXXX -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 26 september 2022, strekt tot de nietigverklaring van: “[d]e beslissing van de Vlaamse Toezichtcommissie voor de verwerking van persoonsgegevens van 27 juli 2022 waarbij de klacht van [de tussenkomende partij] gedeeltelijk gegrond wordt verklaard, en er in hoofde van de stad en het OCMW XXXX een schending wordt [vastgesteld] van: - Art. 5, 1,
- b)Algemene Verordening Gegevensbescherming doordat de persoonsgegevens uit het auditverslag gebruikt werden voor een ander doel ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.244 IX-10.126-1/24 dan dat van de organisatiestudie; - Art. 15 Algemene Verordening Gegevensbescherming doordat zeer laattijdig werd gereageerd op de vraag om inzage te geven in de gevraagde persoonsgegevens en werd nagelaten te vragen om de vraag tot inzage te specifiëren.” II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. XXXX heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 24 november 2022. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur Iris Verheven heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 9 maart 2026. Staatsraad Jurgen Neuts heeft verslag uitgebracht. Advocaat Wouter Rubens, die verschijnt voor de verzoekende partijen en advocaten Bart Martel en Quinten Jacobs en Michaël Van den Poel, loco advocaat Kristof Caluwaert, die verschijnen voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Iris Verheven heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. IX-10.126-2/24 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. De tweede verzoekende partij baat op het grondgebied waarvoor zij bevoegdheid heeft, een woonzorgcentrum uit. 3.2. Op 7 november 2019 beslist het vast bureau van het OCMW om met betrekking tot dat woonzorgcentrum – waarvan zij “de continuïteit en kwaliteit van de dienstverlening […] maximaal [wenst] te verzekeren” – een “organisatie- audit” te laten uitvoeren. In een nieuwsbrief van januari 2020, bestemd voor het personeel van het woonzorgcentrum, wordt daarover toegelicht wat volgt: “Na verscheidene signalen van ongerustheid bij de medewerkers, heeft het bestuur besloten om een organisatiestudie te laten uitvoeren in [het woonzorgcentrum] en de ondersteunende diensten. De focus zal gelegd worden op een toekomstgerichte organisatie met een duurzaam leiderschap, inzonderheid een leiderschap dat uitgaat van sturing en ondersteuning gebaseerd op een aantal principes: actieve sturing, aanmoediging, flexibel, ethisch, probleemoplossend, innovatie en samenwerking. Met als resultaat een duidelijk plan van aanpak en een toekomstgerichte structuur. […] We hebben er als organisatie voor gekozen om ons voor deze studie te laten begeleiden door […] een ervaren adviesbureau in de zorg- en welzijnssector.” Op 20 februari 2020 wordt het verslag van deze audit aan het bestuur voorgesteld. 3.3. Eveneens op 20 februari 2020 beslist de gemeenteraad van XXXX om, met toepassing van de overgangsbepaling van artikel 583, § 1, van het decreet van 22 december 2017 ‘over het lokaal bestuur’ (“decreet lokaal bestuur”), de gemeentesecretaris en de secretaris van het OCMW op te roepen om zich kandidaat te stellen voor het ambt van algemeen directeur. IX-10.126-3/24 Beide secretarissen stellen zich kandidaat. Op 28 mei 2020 beslist de gemeenteraad van XXXX om de gemeentesecretaris als algemeen directeur aan te stellen. Bij de vergelijking van titels en verdiensten van de beide kandidaten, wordt steun gezocht in het verslag van de voormelde audit, onder meer ter beoordeling van de criteria ‘leidinggevende capaciteiten’ en ‘inzet en initiatief’ in hoofde van de OCMW-secretaris. 3.4. Met een brief van 10 juli 2020 dient de (voormalige) OCMW- secretaris bij de verzoekende partijen en het geraadpleegde adviesbureau een verzoek in – onder meer – om zijn persoonsgegevens die worden vermeld in het verslag van de organisatiestudie te wissen. 3.5. Op 4 augustus 2020 delen de verzoekende partijen mee dat “er geen grond-/nood voorhanden is om over te gaan tot de wissing van de persoonsgegevens” van de betrokkene. Het adviesbureau laat op 7 augustus 2020 bij monde van zijn raadsman weten dat het “op geen enkele manier persoonsgegevens openbaar [heeft] gemaakt, doorgegeven of op enige andere manier kenbaar gemaakt aan andere personen dan haar opdrachtgever” en dat betrokkene zijn verzoek om persoonsgegevens te wissen bijgevolg moet richten aan de “verwerkingsverantwoordelijke, die het doel en de middelen van de verwerking vaststelt”. 3.6. Op 16 september 2020 dient de voormalige OCMW-secretaris een klacht in bij de Gegevensbeschermingsautoriteit. 3.7. Op 8 december 2021 stelt de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit géén inbreuk vast op artikel 6.1 van Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 ‘betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.244 IX-10.126-4/24 gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG’ (algemene verordening gegevensbescherming (“AVG”). Daarover wordt onder meer gesteld wat volgt: “67. In casu is de Geschillenkamer van oordeel dat de organisatiestudie en het rapport waarin een beeld wordt geschetst van de organisatiestructuur en met name de leidinggevenden van het WZC niet had kunnen plaatsvinden zonder de verschillende leidinggevenden, waaronder klager, uitdrukkelijk bij titel te noemen. De Geschillenkamer is van oordeel dat het voor het verkrijgen van een duidelijk beeld van de organisatie en de rollen van de verschillende leidinggevenden binnen het WZC van groot belang was dat er een zo duidelijk en volledig mogelijke omschrijving werd gegeven van de wijze van leidinggeven door de verschillende leidinggevenden. De verwerking van de antwoorden van de werknemers en de beschrijving van de resultaten in het verslag (met vernoeming van de functie van de klager) waren volgens de Geschillenkamer derhalve noodzakelijk teneinde een zo volledig mogelijk beeld te vergaren van de situatie binnen het WZC, inclusief de rollen van de leidinggevenden. De Geschillenkamer stelt dus vast dat er is voldaan aan het proportionaliteitsbeginsel en dat er beroep kan gedaan worden op de rechtsgrond in art. 6.1.e AVG. De Geschillenkamer stelt derhalve geen inbreuk op artikel 6.1 AVG vast.” De Geschillenkamer oordeelt eveneens : “De Geschillenkamer acht zich niet bevoegd en ziet geen aanleiding om uitspraak te doen omtrent de beweringen van klager over beweerdelijke intenties van verweerders om de organisatiestudie te gebruiken teneinde klager in een kwaad daglicht te plaatsen en hem niet te hoeven aanstellen als algemeen directeur.” Wél stelt de Geschillenkamer een inbreuk vast op artikel 28, derde lid, van de AVG, omdat “er geen verwerkersovereenkomst is opgesteld voor de uitvoering van de opdracht” tussen de verzoekende partijen eensdeels en het bedrijf dat de organisatiestudie heeft uitgevoerd anderdeels. De Geschillenkamer beslist de verzoekende partijen daarvoor als ‘corrigerende maatregel’ te berispen. 3.8. Op 11 april 2022 dient de voormalige OCMW-secretaris een klacht in bij de Vlaamse toezichtcommissie voor de verwerking van persoonsgegevens (“Vlaamse toezichtcommissie”). IX-10.126-5/24 3.9. Op 27 juli 2022 beslist de Vlaamse toezichtcommissie over de klacht van de voormalige OCMW-secretaris. Met betrekking tot haar bevoegdheid merkt zij onder meer op wat volgt: “De VTC is een toezichthoudende autoriteit met een eigen, zelfstandige en specifieke bevoegdheid, meer bepaald met betrekking tot de Vlaamse instanties. Zelfs als de Geschillenkamer van de GBA al over een bepaald punt uit de klacht geoordeeld heeft, dan nog belet dit de VTC niet om daarover op basis van haar eigen bevoegdheid en inzichten uitspraak te doen (o.m. artikel 10/7 van het eGOV-decreet).” Vervolgens verklaart de Vlaamse toezichtcommissie de klacht gedeeltelijk gegrond. De volgende schendingen worden vastgesteld: “- de schending van artikel 5, 1,
- b)AVG, doordat het stadsbestuur de persoonsgegevens uit het auditverslag gebruikt voor een ander doel dan dat van de organisatiestudie; ze beveelt de stad om de verwerkingen gebaseerd op het auditverslag onmiddellijk stop te zetten; […] - de schending van artikel 15, AVG, doordat het stadsbestuur en het OCMW zeer laattijdig gereageerd hebben op de vraag om inzage te geven in uw persoonsgegevens en nagelaten te hebben u te vragen om uw vraag te specifiëren indien de hoeveelheid van mede te delen persoonsgegevens te groot was.” De Vlaamse toezichtcommissie legt daarop de volgende maatregelen op: “- ze berispt het OCMW en de stad wegens schending van artikel 5, 1, b), AVG en beveelt om de verwerkingen gebaseerd op het auditverslag onmiddellijk stop te zetten; Een berisping is een corrigerende maatregel zoals bedoeld in artikel 58, 2, b), AVG; Een verwerkingsverbod is een corrigerende maatregel zoals bedoeld in artikel 58, 2, f), AVG; - ze berispt het OCMW en de stad wegens schending van artikel 15 AVG door zeer laattijdig gereageerd te hebben en nagelaten te hebben aan de klager te vragen om zijn vraag te specifiëren indien de hoeveelheid van mede te delen persoonsgegevens te groot was. Een berisping is een corrigerende maatregel zoals bedoeld in artikel 58, 2, ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.244 IX-10.126-6/24 b), AVG.” Dat is de bestreden beslissing. IV. Afstand van de tussenkomst 4. Met een schrijven van 12 februari 2025 doet XXXX afstand van zijn tussenkomst. De Raad van State verleent akte van die afstand. V. Onderzoek van een ambtshalve middel Standpunt van de verwerende partij 5. Op de vraag van de auditeur-verslaggever of de Vlaamse toezichtcommissie, gelet op de arresten nrs. 26/2023 en 92/2023 van 16 februari 2023 respectievelijk 15 juni 2023 van het Grondwettelijk Hof, wel bevoegd was voor het nemen van de corrigerende maatregelen zoals opgelegd in de bestreden beslissing, antwoordt de verwerende partij dat in de bestreden beslissing twee schendingen van de AVG worden vastgesteld, dat de verzoekende partijen daarvoor worden berispt en dat hen wordt bevolen om de verwerkingen op grond van het auditverslag onmiddellijk stop te zetten. Het opleggen van een berisping en een verwerkingsverbod zijn, aldus de verwerende partij, corrigerende maatregelen die overeenkomstig artikel 58, tweede lid, van de AVG kunnen worden opgelegd. Het louter vaststellen van een schending van de AVG in het kader van de behandeling van een klacht is géén corrigerende maatregel. Voorts stelt de verwerende partij dat zij wel degelijk bevoegd was om de bestreden beslissing te nemen, met inbegrip van de corrigerende maatregelen die daarin worden opgelegd. Zij argumenteert dat in zoverre zij op het ogenblik van het nemen van de bestreden beslissing niet als een toezichthoudende autoriteit in de zin van de AVG kan worden beschouwd en zij haar bevoegdheid IX-10.126-7/24 om corrigerende maatregelen op te leggen dus niet rechtstreeks zou kunnen putten uit de AVG, alleszins artikel 10/7, § 1, van het decreet van 18 juli 2008 ‘betreffende het elektronische bestuurlijke gegevensverkeer’ (“e-govdecreet”) haar een autonome rechtsgrond biedt om de corrigerende maatregelen zoals bedoeld in artikel 58, tweede lid, van de AVG te nemen. In de motivering van de bestreden beslissing wordt ook uitdrukkelijk naar die rechtsgrond verwezen. Die bevoegdheid geldt, aldus de verwerende partij, ongeacht of zij overeenkomstig de voorschriften van de AVG (reeds) als een bevoegde toezichthoudende autoriteit in de zin van de AVG kwalificeert. Dat artikel 10/7, § 1, van het e-govdecreet verwijst naar artikel 58, tweede lid, van de AVG, doet daar volgens de verwerende partij geen afbreuk aan. Zij meent dat die verwijzing enkel verduidelijkt welke corrigerende maatregelen kunnen worden opgelegd en op geen enkele manier normatieve kracht ontneemt aan artikel 10/7, § 1, van het e-govdecreet. In dat verband stipt de verwerende partij aan dat het Grondwettelijk Hof in de voormelde arresten nrs. 26/2023 en 92/2023 heeft bevestigd dat de decreetgever bevoegd is om een instantie op te richten die belast is met het toezicht op de naleving van de verwerking van persoonsgegevens in de aangelegenheden waarvoor de gewesten en de gemeenschappen bevoegd zijn. Net zomin als het is uitgesloten dat de Vlaamse toezichtcommissie advies uitbrengt over een ontwerp of voorstel van decreet, beletten de voormelde arresten van het Grondwettelijk Hof niet dat de commissie zich uitspreekt over een klacht die bij haar is ingediend en dat zij in het kader daarvan, op grond van artikel 10/7, § 1, van het e-govdecreet, corrigerende maatregelen neemt. De verwerende partij refereert daarbij nog aan de parlementaire voorbereiding van het e-govdecreet, waarin wordt gesteld dat zij ook vóór de verwijzing naar artikel 58, tweede lid, van de AVG in het e-govdecreet reeds een dergelijke bevoegdheid had. Volgens de verwerende partij blijkt daaruit dat ook de Vlaamse decreetgever van oordeel is dat zij niet alleen op grond van haar hoedanigheid als toezichthoudende autoriteit in de zin van de AVG corrigerende maatregelen kan opleggen, maar ook op grond van het e-govdecreet. Tot slot wijst de verwerende partij erop dat haar bevoegdheid om een schending van de AVG vast te stellen en om te bevelen dat de met de AVG strijdige verwerking wordt stopgezet, geenszins exclusief verbonden is met de ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.244 IX-10.126-8/24 hoedanigheid van toezichthoudende autoriteit in de zin van artikel 58, tweede lid, van de AVG. Zij betoogt dat op grond van het ‘voorrangsbeginsel’ “alle instanties” van de lidstaten van de Europese Unie verplicht zijn om volle werking te verlenen aan het Unierecht. Dat beginsel impliceert niet alleen dat elke administratieve overheid het Unierecht moet toepassen, maar ook dat wanneer wordt vastgesteld dat een rechtshandeling niet in overeenstemming is met de vereisten van het Unierecht, de betrokken instantie verplicht is de volle werking van het Unierecht te verzekeren, bijvoorbeeld door de strijdige nationale regeling buiten toepassing te laten. Indien in een klachtenprocedure wordt vastgesteld dat een administratieve overheid het Unierecht schendt door de voorschriften van de AVG niet na te leven, kan dit niet zonder gevolg blijven. Uit het ‘beginsel van loyale samenwerking’ (artikel 4, derde lid, van het Verdrag ‘betreffende de Europese Unie’ (“VEU”)) mag worden afgeleid dat de betrokken nationale instanties verplicht zijn de onwettige gevolgen van een schending van het Unierecht ongedaan te maken. Hieruit volgt, zo meent de verwerende partij, dat zij verplicht is, om bij de beoordeling van een geschil, de AVG toe te passen en hieraan volle werking te verlenen. De verwerende partij is bijgevolg bevoegd en zelfs verplícht om in voorkomend geval een schending van de AVG vast te stellen. Vervolgens vloeit uit het voorrangsbeginsel en het beginsel van loyale samenwerking voort dat de verwerende partij verplicht is om de met het Unierecht strijdige handeling stop te zetten en zo de volle werking en naleving van het Unierecht te waarborgen. Dat is wat met de bestreden beslissing is gebeurd. Die bevoegdheid is niet uitsluitend verbonden met de hoedanigheid als toezichthoudende autoriteit in de zin van de AVG, maar volgt rechtstreeks uit de beginselen van het Unierecht. De omstandigheid dat de opgelegde berisping en het verwerkingsverbod ook corrigerende maatregelen in de zin van de AVG zijn, doet daaraan geen afbreuk. Er anders over oordelen, zou impliceren dat elke administratieve overheid binnen een lidstaat verplicht is om het Unierecht te waarborgen, terwijl dit voor de verwerende partij niet zou opgaan omwille van het loutere feit dat zij op het ogenblik van het nemen van de bestreden beslissing geen toezichthoudende autoriteit in de zin van artikel 58, tweede lid, van de AVG was. Die redenering ontneemt iedere betekenis aan het voorrangsbeginsel en het beginsel van loyale IX-10.126-9/24 samenwerking, aangezien de verwerende partij dan de volle werking van het Unierecht niet kan verzekeren. 6. In haar laatste memorie recapituleert de verwerende partij dat artikel 10/7, § 1, van het e-govdecreet een autonome rechtsgrond vormt binnen de nationale rechtsorde voor het opleggen van corrigerende maatregelen. De rechtskracht en het uitvoerbaar karakter van die decretale bepaling – en dus de bevoegdheid van de verwerende partij om op te treden bij een klacht en corrigerende maatregelen te nemen – wordt daarbij niet afhankelijk gesteld van de kwalificatie als een toezichthoudende autoriteit in de zin van de AVG, zo stelt zij. Gelet op het uitvoerbaar karakter van artikel 10/7, § 1, van het e-govdecreet acht de verwerende partij zich zelfs verplicht om zich uit te spreken over de klacht die aanleiding heeft gegeven tot de bestreden beslissing. Volgens de verwerende partij is er ook geen reden om een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof. De verwerende partij verwijst ook opnieuw naar de parlementaire voorbereiding van het e-govdecreet. Volgens de verwerende partij erkent de decreetgever dat de bevoegdheid van de verwerende partij kan blijven bestaan, los van wat in de AVG is opgenomen. Dat artikel 10/7 van het e-govdecreet is ingevoerd met het decreet van 8 juni 2018 ‘houdende de aanpassing van de decreten aan de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming)’ (“decreet van 8 juni 2018”) doet daar volgens haar geen afbreuk aan. Ook de Raad van State heeft reeds erkend, in het kader van de adviesverlening, dat de verwerende partij aan het e-govdecreet welbepaalde bevoegdheden ontleent en op grond daarvan kan optreden. Volgens haar valt niet in te zien waarom dit anders zou zijn in het kader van de behandeling van een klacht. Voorts refereert de verwerende partij andermaal aan het voorrangsbeginsel en het beginsel van loyale samenwerking, die haar hoe dan ook zouden verplichten om de met het Unierecht strijdige handelingen stop te zetten en ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.244 IX-10.126-10/24 zo de volle werking en naleving van dat Unierecht te waarborgen. Een andere interpretatie zou bovendien tot rechtsonzekerheid leiden inzake de handhaving van inbreuken op de AVG, zo stelt de verwerende partij. Het zou immers betekenen dat de rechtsgeldigheid en de uitvoerbaarheid van de corrigerende maatregelen die zij in het verleden heeft opgelegd in vraag zouden kunnen worden gesteld, met alle gevolgen van dien voor de bescherming van de rechten en vrijheden van natuurlijke personen in het kader van de verwerking van persoonsgegevens. Dat het Grondwettelijk Hof heeft aangegeven dat bij gebrek aan een regeling aangenomen door de gemeenschappen of de gewesten, de federale Gegevensbeschermingsautoriteit bevoegd is, doet volgens de verwerende partij niet anders besluiten. Beoordeling 7. Met de bestreden beslissing legt de verwerende partij aan de verzoekende partijen twee ‘corrigerende maatregelen’ op:
(1)zij berispt hen wegens een schending van de artikelen 5, lid 1, b), en 15 van de AVG en
(2)zij beveelt hen om de verwerkingen die steunen op de organisatiestudie onmiddellijk stop te zetten. Die berisping is, aldus de bestreden beslissing, een corrigerende maatregel zoals bedoeld in artikel 58, lid 2, b), van de AVG. Wat het verwerkingsverbod betreft, verwijst de bestreden beslissing naar artikel 58, lid 2, f), van de AVG.
- De vraag rijst, desnoods ambtshalve, of de verwerende partij ten tijde van de bestreden beslissing bevoegd was om dergelijke corrigerende maatregelen op te leggen. In dat verband wordt hierna gewezen op de relevante bepalingen en overwegingen van de AVG en het door de verwerende partij als rechtsgrond ingeroepen artikel 10/7, § 1, van het e-govdecreet.
- Artikel 1 van de AVG legt het onderwerp en de doelstellingen van de verordening vast: ze stelt onder meer de regels vast betreffende de ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.244 IX-10.126-11/24 bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en ze beoogt de bescherming van de grondrechten en de fundamentele vrijheden van natuurlijke personen – met name hun recht op bescherming van persoonsgegevens. Artikel 2, lid 1, van de AVG bepaalt dat de verordening van toepassing is op de geheel of gedeeltelijk geautomatiseerde verwerking, alsmede op de verwerking van persoonsgegevens die in een bestand zijn opgenomen of die bestemd zijn om daarin te worden opgenomen. Onder ‘persoonsgegevens’ moet worden verstaan: “alle informatie over een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon (‘de betrokkene’); als identificeerbaar wordt beschouwd een natuurlijke persoon die direct of indirect kan worden geïdentificeerd, met name aan de hand van een identificator zoals een naam, een identificatienummer, locatiegegevens, een online identificator of van een of meer elementen die kenmerkend zijn voor de fysieke, fysiologische, genetische, psychische, economische, culturele of sociale identiteit van die natuurlijke persoon.” (artikel 4, 1), van de AVG). Artikel 4, 2), van de AVG definieert ‘verwerking’ als volgt: “een bewerking of een geheel van bewerkingen met betrekking tot persoonsgegevens of een geheel van persoonsgegevens, al dan niet uitgevoerd via geautomatiseerde procedés, zoals het verzamelen, vastleggen, ordenen, structureren, opslaan, bijwerken of wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiden of op andere wijze ter beschikking stellen, aligneren of combineren, afschermen, wissen of vernietigen van gegevens.” Artikel 51 van de AVG handelt over de ‘[t]oezichthoudende autoriteit’ en bepaalt wat volgt: “
- Elke lidstaat bepaalt dat één of meer onafhankelijke overheidsinstanties verantwoordelijk zijn voor het toezicht op de toepassing van deze verordening, teneinde de grondrechten en fundamentele vrijheden van natuurlijke personen in verband met de verwerking van hun persoonsgegevens te beschermen en het vrije verkeer van persoonsgegevens binnen de Unie te vergemakkelijken (‘toezichthoudende autoriteit’). IX-10.126-12/24
- Elke toezichthoudende autoriteit draagt bij tot de consequente toepassing van deze verordening in de hele Unie. Daartoe werken de toezichthoudende autoriteiten onderling en met de Commissie samen overeenkomstig hoofdstuk VII.
- Wanneer er in een lidstaat meer dan één toezichthoudende autoriteit is gevestigd, wijst die lidstaat de toezichthoudende autoriteit aan die die autoriteiten in het Comité moet vertegenwoordigen en stelt hij de procedure vast om ervoor te zorgen dat de andere autoriteiten de regels in verband met het in artikel 63 bedoelde coherentiemechanisme naleven.
- Elke lidstaat stelt de Commissie uiterlijk op 25 mei 2018 in kennis van de wettelijke bepalingen die hij overeenkomstig dit hoofdstuk vaststelt, alsmede, onverwijld, van alle latere wijzigingen daarvan.” In overwegingen 117 en 119 van de aanhef van de AVG wordt hieromtrent het volgende toegelicht: “
(117)Het is voor de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens van wezenlijk belang dat in elke lidstaat een toezichthoudende autoriteit wordt ingesteld die bevoegd is haar taken en bevoegdheden volstrekt onafhankelijk uit te oefenen. De lidstaten moeten de mogelijkheid hebben om in overeenstemming met hun constitutionele, organisatorische en bestuurlijke structuur meer dan één toezichthoudende autoriteit in te stellen. […]
(119)Wanneer een lidstaat meerdere toezichthoudende autoriteiten instelt, dient die lidstaat bij wet mechanismen in te stellen om ervoor te zorgen dat de toezichthoudende autoriteiten effectief deelnemen aan het coherentiemechanisme. De lidstaat in kwestie dient met name de toezichthoudende autoriteit aan te wijzen die optreedt als enig contactpunt voor de effectieve deelname van die autoriteiten aan de toetsing, teneinde een vlotte en soepele samenwerking met andere toezichthoudende autoriteiten, het Comité en de Commissie te verzekeren.” Artikel 55, lid 1, van de AVG bepaalt: “Elke toezichthoudende autoriteit heeft de competentie op het grondgebied van haar lidstaat de taken uit te voeren die haar overeenkomstig deze verordening zijn opgedragen en de bevoegdheden uit te oefenen die haar overeenkomstig deze verordening zijn toegekend.” IX-10.126-13/24 In de aanhef van de verordening laat overweging 122 daaromtrent het volgende verstaan: “Elke toezichthoudende autoriteit dient op het grondgebied van haar lidstaat bevoegd te zijn om de bevoegdheden en taken uit te oefenen die haar overeenkomstig deze verordening zijn toegekend. Daaronder dienen met name te vallen: de verwerking in het kader van de activiteiten van een vestiging van de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker op het grondgebied van zijn eigen lidstaat, de verwerking van persoonsgegevens door overheidsinstanties of particuliere organen die optreden in het algemeen belang, verwerking die gevolgen heeft voor betrokkenen op haar grondgebied, of verwerking, door een niet in de Unie gevestigde verwerkingsverantwoordelijke of verwerker, gericht op betrokkenen die op haar grondgebied verblijven. Ook het behandelen van door een betrokkene ingediende klachten, het evalueren van de toepassing van deze verordening en het beter bekend maken van het brede publiek met de risico’s, regels, waarborgen en de rechten in verband met de verwerking van persoonsgegevens dienen daaronder te vallen.” Naar luid van artikel 57, lid 1, f), van de AVG heeft elke toezichthoudende autoriteit op haar grondgebied onder meer als taak om klachten van betrokkenen, of van organen, organisaties of verenigingen te behandelen en de inhoud ervan te onderzoeken “in de mate waarin dat gepast is”. In artikel 58 van de AVG, dat de bevoegdheden van toezichthoudende autoriteit omschrijft, bepaalt lid 2,
- b)en f), wat volgt: “2. Elk toezichthoudende autoriteit heeft alle volgende bevoegdheden tot het nemen van corrigerende maatregelen: […]
- b)de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker berispen wanneer met verwerkingen inbreuk op bepalingen van deze verordening is gemaakt; […]
- f)een tijdelijke of definitieve verwerkingsbeperking, waaronder een verwerkingsverbod, opleggen;” In dat verband leest overweging 129 in de aanhef van de betrokken verordening als volgt: “Met het oog op een consequent toezicht en eenvormige handhaving van deze verordening in de gehele Unie dienen de toezichthoudende ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.244 IX-10.126-14/24 autoriteiten in alle lidstaten dezelfde taken en feitelijke bevoegdheden te hebben, waaronder de bevoegdheden om onderzoek te verrichten, corrigerende maatregelen te nemen en sancties op te leggen, machtiging te verlenen en adviezen te verstrekken, in het bijzonder bij klachten van natuurlijke personen, en om, onverminderd de bevoegdheden die aan de met vervolging belaste autoriteiten conform het lidstatelijke recht zijn toegekend, inbreuken op deze verordening ter kennis van de rechterlijke instanties te brengen en gerechtelijke procedures in te leiden. Tot die bevoegdheden dient ook de bevoegdheid te behoren om een tijdelijke of definitieve beperking van de verwerking, waaronder een verwerkingsverbod, voor de verwerking op te leggen. De lidstaten kunnen krachtens deze verordening andere aan de bescherming van persoonsgegevens verwante taken specificeren. De bevoegdheden van de toezichthoudende autoriteiten moeten overeenkomstig passende in het Unierecht en het lidstatelijke recht bepaalde procedurele waarborgen, onpartijdig, behoorlijk en binnen een redelijke termijn worden uitgeoefend. Elke maatregel dient met name passend, noodzakelijk en evenredig te zijn met het oog op naleving van deze verordening en rekening houdend met de omstandigheden van elk individueel geval, het recht van iedere persoon te eerbiedigen om vóór het nemen van enige individuele maatregel die voor hem nadelige gevolgen zou hebben te worden gehoord, en overbodige kosten en buitensporige ongemakken voor de personen in kwestie te vermijden. Onderzoeksbevoegdheden betreffende toegang tot terreinen moeten overeenkomstig de specifieke voorschriften van het lidstatelijke procesrecht, zoals een verplichte voorafgaande toestemming van een rechterlijke instantie, worden uitgeoefend. Elke juridisch bindende maatregel van de toezichthoudende autoriteit dient schriftelijk, duidelijk en ondubbelzinnig te zijn, de toezichthoudende autoriteit die de maatregel heeft uitgevaardigd en de datum van uitvaardiging te vermelden, door het hoofd of een door het hoofd gemachtigd lid van de toezichthoudende autoriteit ondertekend te zijn, de redenen voor de maatregel te bevatten en naar het recht op een doeltreffende voorziening in rechte te verwijzen. Dit dient bijkomende voorschriften overeenkomstig het lidstatelijke procesrecht niet uit te sluiten. De vaststelling van juridisch bindende besluiten impliceert de mogelijkheid tot rechterlijke toetsing in de lidstaat van de toezichthoudende autoriteit die het besluit heeft vastgesteld.” Artikel 63 van de AVG luidt: “Teneinde bij te dragen aan de consequente toepassing van deze verordening in de gehele Unie werken de toezichthoudende autoriteiten met elkaar en waar passend samen met de Commissie in het kader van het in deze afdeling uiteengezette coherentiemechanisme.” IX-10.126-15/24 Overwegingen 135 en 136 van de aanhef van de AVG lichten in dat verband het volgende toe: “
(135)Om te zorgen dat deze verordening in de gehele Unie consequent wordt toegepast, dient een coherentiemechanisme voor samenwerking tussen de toezichthoudende autoriteiten te worden vastgesteld. Dat mechanisme dient met name toepasselijk te zijn wanneer een toezichthoudende autoriteit voornemens is betreffende verwerkingsactiviteiten met wezenlijke gevolgen voor een betekenisvol aantal betrokkenen in verscheidene lidstaten een maatregel vast te stellen waarmee rechtsgevolgen worden beoogd. Het dient ook van toepassing te zijn wanneer een betrokken toezichthoudende autoriteit of de Commissie verzoekt om een dergelijke aangelegenheid aan het coherentiemechanisme te onderwerpen. Dat mechanisme dient geen afbreuk te doen aan maatregelen die de Commissie kan nemen in de uitoefening van de bevoegdheden die haar bij de Verdragen zijn toegekend.
(136)Bij de toepassing van het coherentiemechanisme dient het Comité binnen een bepaalde termijn een advies uit te brengen, indien een meerderheid van zijn leden daartoe beslist of indien een betrokken toezichthoudende autoriteit of de Commissie daarom verzoekt. Het Comité moet ook bevoegd zijn om juridisch bindende besluiten vast te stellen wanneer er geschillen bestaan tussen toezichthoudende autoriteiten. In welomschreven gevallen waarin er tussen toezichthoudende autoriteiten, met name in de procedure voor samenwerking tussen de leidende toezichthoudende autoriteit en de betrokken toezichthoudende autoriteiten, meningsverschillen over de zaak bestaan, met name over de vraag of er sprake is van een inbreuk op deze verordening, dient het Comité in beginsel met een tweederdemeerderheid van de leden juridisch bindende besluiten uit te vaardigen.” Tot slot, wordt in artikel 68 van de AVG, dat het ‘Europees Comité voor gegevensbescherming’ instelt als orgaan van de Europese Unie, namelijk in lid 4, bepaald wat volgt: “Wanneer in een lidstaat meer dan één toezichthoudende autoriteit belast is met het toezicht op de toepassing van de bepalingen krachtens deze verordening, wordt overeenkomstig het recht van die lidstaat een gezamenlijke vertegenwoordiger aangewezen.”
- Ten tijde van de bestreden beslissing luidde artikel 10/7, § 1, van het e-govdecreet als volgt: “De Vlaamse toezichtcommissie neemt de corrigerende maatregelen overeenkomstig artikel 58, lid 2, van de algemene verordening ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.244 IX-10.126-16/24 gegevensbescherming. Bij het overwegen van een corrigerende maatregel, houdt de Vlaamse toezichtcommissie rekening met het informatieveiligheidsbeleid en met de stand van de techniek, de uitvoeringskosten, alsook met de aard, de omvang, de context en de verwerkingsdoeleinden en de qua waarschijnlijkheid en ernst uiteenlopende risico’s voor de rechten en vrijheden van personen. Indien de Vlaamse toezichtcommissie van oordeel is dat er voldoende elementen zijn om een van die corrigerende maatregelen op te leggen, brengt ze de betreffende instantie daarvan op de hoogte en nodigt ze haar in voorkomend geval uit om binnen een termijn van tien werkdagen schriftelijk haar recht van verdediging uit te oefenen. Indien de Vlaamse toezichtcommissie, na kennisname van het tijdig bezorgde schriftelijk verweer, nog steeds van oordeel is dat de bepalingen van de algemene verordening gegevensbescherming worden geschonden, legt ze de gepaste corrigerende maatregel op.”
- In de arresten nrs. 26/2023 en 92/2023 van 16 februari 2023 respectievelijk 15 juni 2023 heeft het Grondwettelijk Hof, met betrekking tot de adviserende taak en de verplichting tot samenwerking met andere toezichthoudende autoriteiten (artikel 57, lid 1, c ) en g), van de AVG), geoordeeld dat “de Vlaamse Toezichtcommissie voor de verwerking van persoonsgegevens […] niet [kan] worden geacht een bevoegde toezichthoudende autoriteit in de zin van artikel 36, lid 4, van de AVG te zijn”. Daartoe overweegt het Grondwettelijk Hof, bijvoorbeeld in arrest nr. 26/2023 van 16 februari 2023, wat volgt: “ B.30.
- Om te voldoen aan de vereisten van de AVG dienen de in België op grond van de interne bevoegdheidsverdeling ingestelde toezichthoudende autoriteiten te worden aangemeld bij de bevoegde instellingen van de Europese Unie, moet één dezer toezichthoudende autoriteiten worden aangewezen die de verschillende toezichtautoriteiten in het Europees Comité voor gegevensbescherming moet vertegenwoordigen en dient de procedure te worden vastgesteld om ervoor te zorgen dat de andere autoriteiten de regels in verband met het in artikel 63 bedoelde coherentiemechanisme naleven. B.30.
- Uit geen enkel gegeven blijkt dat de Vlaamse Toezichtcommissie voor de verwerking van persoonsgegevens is aangemeld bij de bevoegde instellingen van de Europese Unie en dat er een procedure is vastgesteld om ervoor te zorgen dat zij de regels in verband met het in artikel 63 bedoelde coherentiemechanisme naleeft. Uit de publiek beschikbare gegevens blijkt dat de federale Gegevensbeschermingsautoriteit (GBA) de onderscheiden Belgische autoriteiten vertegenwoordigt in het Europees Comité voor gegevensbescherming (https://edpb.europa.eu/about-edpb/about- edpb/members_nl#member- be), naast de GBA, het Vast Comité I (VCI) dat bevoegd voor de operationele gegevensverwerkingen bij de ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.244 IX-10.126-17/24 Inlichtingendiensten, het Vast Comité P dat samen met het VCI bevoegd voor de verwerkingen bij het Orgaan voor de Coördinatie en de Analyse van de Dreiging (OCAD) en het Controleorgaan op de Politionele Informatie (COC) dat bevoegd is voor alle verwerkingen uitgevoerd door de Geïntegreerde Politie (https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/burger/de- autoriteit/andere- autoriteiten). De Vlaamse Toezichtcommissie voor de verwerking van persoonsgegevens kan bijgevolg niet worden geacht een bevoegde toezichthoudende autoriteit in de zin van artikel 36, lid 4, van de AVG te zijn en het door die commissie gegeven advies kan bijgevolg niet worden beschouwd als een raadpleging in de zin van die bepaling. B.30.
- Het staat aan de bevoegde overheden ter zake de nodige maatregelen te nemen. Gelet op wat is vermeld in B.30.3 en op de uit artikel 51, leden 3 en 4, van de AVG voor de lidstaten van de Europese Unie voortvloeiende verplichtingen, vermeld in B.30.7, dienen de bevoegde overheden bij het nemen van maatregelen met het oog op het voldoen aan die uit de AVG voortvloeiende verplichtingen overigens rekening te houden met de bepalingen van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 die betrekking hebben op de samenwerking tussen de federale overheid, de gemeenschappen en de gewesten en, in voorkomend geval, met de uit die bepalingen en uit het evenredigheidsbeginsel voortvloeiende verplichtingen tot het sluiten van samenwerkingsakkoorden.”
- Dat deze rechtspraak “overigens […] enkel betrekking heeft op adviesbevoegdheden”, zoals de verwerende partij in haar laatste memorie aangeeft, is zonder relevantie. Het zijn vereisten die de AVG stelt aan iedere toezichthoudende autoriteit, met alle taken en bevoegdheden zoals omschreven in de AVG. De redenering van het Grondwettelijk Hof geldt bijgevolg onverkort voor de toezichthoudende autoriteit die klachten onderzoekt, behandelt en daarbij, desgevallend, corrigerende maatregelen oplegt (artikel 57, lid 1, f), en artikel 58, lid 2, b) en f), van de AVG).
- Ook voor de Raad van State voert de verwerende partij geen enkel stuk aan waaruit mag blijken dat zij ten tijde van de thans bestreden beslissing was aangemeld bij de bevoegde instellingen van de Europese Unie. Evenmin beweert zij dat er een procedure was vastgesteld om ervoor te zorgen dat zij de regels in verband met het in artikel 63 bedoelde coherentiemechanisme naleeft. IX-10.126-18/24
- De voormelde vaststellingen nopen tot het besluit dat de verwerende partij, ten tijde van de bestreden beslissing, niet kon worden beschouwd als een toezichthoudende autoriteit in de zin van artikel 58, lid 2, van de AVG die bevoegd is om de aldaar vermelde corrigerende maatregelen op te leggen.
- Dat ná de voormelde arresten van het Grondwettelijk Hof stappen zijn ondernomen om zich in regel te stellen door de aanmelding van de verwerende partij en het instellen van een coherentiemechanisme, doet aan die conclusie geen afbreuk. Die stappen dateren immers ook van ná de bestreden beslissing en de Raad van State vermag slechts zich uit te spreken over de bevoegdheid van de verwerende partij op het ogenblik van het nemen van de bestreden beslissing.
- De stelling van de verwerende partij dat het Grondwettelijk Hof in de voormelde arresten heeft bevestigd dat de gemeenschappen en gewesten, ieder wat hem betreft, bevoegd zijn om een instantie op te richten die belast is met het toezicht op de naleving van de verwerking van persoonsgegevens in de aangelegenheden waarvoor zij bevoegd zijn, doet evenmin anders besluiten. Zulks spreekt immers niet tegen dat een toezichthoudende autoriteit aan de door de AVG gestelde voorwaarden moet voldoen.
- De verwerende partij meent evenwel dat artikel 10/7, § 1, van het e-govdecreet een autonome rechtsgrond biedt die haar de bevoegdheid verleent om de corrigerende maatregelen zoals bedoeld in artikel 58, lid 2, van de AVG op te leggen, ongeacht of zij als een bevoegde toezichthoudende autoriteit in de zin van de AVG kwalificeert. Die stelling verdient geen bijval. Vooreerst kan worden vastgesteld dat artikel 10/7, § 1, van het e-govdecreet is ingevoegd met het decreet van 8 juni 2018 ‘houdende de aanpassing van de decreten aan de verordening (EU) 2016/679 van het Europees ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.244 IX-10.126-19/24 Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming)’, dat net ertoe strekt om onder meer het e-govdecreet aan te passen aan de regeling voorzien in de AVG. Artikel 55, lid 1, van de AVG stelt in dat verband treffend dat elke toezichthoudende autoriteit de competentie heeft om op het grondgebied van haar lidstaat “de taken uit te voeren die haar overeenkomstig deze verordening zijn opgedragen en de bevoegdheden uit te oefenen die haar overeenkomstig deze verordening zijn toegekend”. Een toezichthoudende autoriteit put haar bevoegdheid tot het vervullen van de in de AVG omschreven taken en bevoegdheden – uitsluitend – uit deze verordening. Bovendien bepaalt artikel 10/1, § 1, eerste lid, van het e- govdecreet – thans én ten tijde van de bestreden beslissing – onder meer dat “[d]e Vlaamse toezichtcommissie […] als toezichthoudende autoriteit voor de verwerking van persoonsgegevens verantwoordelijk [is] voor het toezicht op de toepassing van de algemene verordening gegevensbescherming door de instanties”. Volgens de parlementaire voorbereiding wordt de “Vlaamse toezichtcommissie […] aldus de toezichthoudende autoriteit conform de AVG” (Parl. St. Vl. Parl., 2017-2018, 1556/2, p. 8). Wanneer artikel 10/7, § 1, eerste lid, van het e-govdecreet vervolgens voorschrijft dat de Vlaamse toezichtcommissie corrigerende maatregelen mag nemen “overeenkomstig artikel 58, lid 2, van de algemene verordening gegevensbescherming”, betekent dit dat de verwerende partij die bevoegdheid slechts kan uitoefenen “in overeenkomst met” – en dus “niet in strijd met” – het voormelde artikel 58, lid 2, van de AVG. Anders dan de verwerende partij het ziet, wordt daarmee niet louter verduidelijkt welke corrigerende maatregelen zij mag nemen. Dat de Vlaamse toezichtcommissie “overeenkomstig” artikel 58, lid 2, van de AVG corrigerende maatregelen vermag op te leggen, betekent – volgens Van Dale Groot woordenboek van de Nederlandse taal – zoveel als dat zij slechts “in overeenkomst met”, of nog: “volgens” en dus “op grond van” die bepaling kan handelen. Artikel 10/7, § 1, eerste lid, van het e- IX-10.126-20/24 govdecreet vermeldt, met andere woorden, zélf artikel 58, lid 2, van de AVG als rechtsgrond voor de bevoegdheid om corrigerende maatregelen op te leggen. Daarbij dient eveneens bedacht dat in de eis om de corrigerende maatregelen “overeenkomstig artikel 58, lid, 2, van de algemene verordening gegevensbescherming” te nemen, hoe dan ook de waarborg besloten ligt dat dergelijke corrigerende maatregelen slechts kunnen worden opgelegd door een toezichthoudende autoriteit, versta: één die aan de door de AVG gestelde voorwaarden voldoet. Meegaan in de redenering van de verwerende partij dat zij aan artikel 10/7, § 1, van het e-govdecreet de bevoegdheid ontleent – meer nog, de verplichting heeft – om corrigerende maatregelen te nemen, zonder dat zij als een toezichthoudende autoriteit moet zijn gekwalificeerd, zou betekenen dat afbreuk wordt gedaan aan de voorrang die moet worden verleend aan de Europeesrechtelijke norm die nochtans bindend is in al haar onderdelen en zonder dat enige omzetting in het interne, nationale recht is vereist. De bevoegdheid om corrigerende maatregelen te nemen komt blijkens de AVG immers slechts toe aan een instantie die als een toezichthoudende autoriteit kwalificeert. Dat was voor de verwerende partij, ten tijde van de bestreden beslissing, niet het geval.
- De conclusie luidt bijgevolg dat artikel 10/7, § 1, van het e- govdecreet aan de verwerende partij geen autonome rechtsgrond biedt om de corrigerende maatregelen zoals bedoeld in artikel 58, lid 2, van de AVG op te leggen. Dat (de voorganger van) de Vlaamse toezichtcommissie vóór de wijziging van het e-govdecreet met het decreet van 8 juni 2018 een dergelijke bevoegdheid zou hebben gehad, zoals de verwerende partij nog beweert, doet wat voorafgaat niet anders zien. Immers, voor de beoordeling van de voorliggende zaak moet worden uitgegaan van de bepalingen van de AVG, die precies de bestaansreden vormt voor het wijzigende decreet van 8 juni
- IX-10.126-21/24
- Evenmin kan de verwerende partij worden bijgevallen dat zij uit het voorrangsbeginsel en het beginsel van loyale samenwerking de bevoegdheid put en zelfs ertoe verplicht is om desgevallend een schending van de AVG vast te stellen en maatregelen te nemen om die schending stop te zetten. Het Grondwettelijk Hof heeft in de voormelde arresten geoordeeld dat bij gebreke aan een regeling van de gemeenschappen en de gewesten, de federale Gegevensbeschermingsautoriteit bevoegd is om het toezicht uit te oefenen. Zo stelt het Grondwettelijk Hof in arrest nr. 26/2023 van 16 februari 2023: “B.30.
- Op grond van de in B.19.2 bedoelde bevoegdheidsverdeling zijn de gemeenschappen en de gewesten, ieder wat hem betreft, bevoegd om een toezichthoudende instantie op te richten die belast is met het toezicht op de naleving van zowel de algemene federale regelgeving die als minimumregeling geldt in de aan gemeenschappen en de gewesten toegewezen aangelegenheden, als het toezicht op de naleving van de specifieke en aanvullende regels die zij uitvaardigen voor de verwerking van persoonsgegevens in de aangelegenheden waarvoor zij bevoegd zijn (in andere zin : advies van de algemene vergadering van de afdeling wetgeving van de Raad van State nr. 61.267/2/AV van 27 juni 2017 over het voorontwerp dat de wet van 3 december 2017 is geworden, Parl. St., Kamer, 2016-2017, DOC 54-2648/001, pp. 106-116 en 120-121, in het bijzonder pp. 114-115). Bij gebreke daaraan wordt dat toezicht uitgeoefend door de federale Gegevensbeschermingsautoriteit opgericht bij de Kamer van volksvertegenwoordigers bij artikel 3 van de wet van 3 december 2017 ‘tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit’.” Als de verwerende partij niet kwalificeert als een bevoegde toezichthoudende autoriteit in de zin van de AVG is het derhalve aan de federale Gegevensbeschermingsautoriteit om de naleving van de AVG te verzekeren, zodat niet tekort wordt gedaan aan de Europese verplichtingen.
- Er moet trouwens worden vastgesteld dat de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit zich over de voorliggende zaak hééft uitgesproken. Hoe de verwerende partij in die omstandigheden en in deze zaak kan gewagen van een mogelijke schending van het voorrangsbeginsel en van het beginsel van loyale samenwerking of kan argumenteren dat met het oordeel dat zij ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.244 IX-10.126-22/24 ten tijde van de bestreden beslissing niet als een toezichthoudende autoriteit kwalificeert, rechtsonzekerheid dreigt, valt niet in te zien. De verwerende partij geeft wel aan dat zij “in het verleden [corrigerende maatregelen] heeft opgelegd” en dat de “rechtsgeldigheid en de uitvoerbaarheid” van die beslissingen “in vraag zou kunnen worden gesteld”. Zij licht evenwel op geen enkele manier toe waarom dit de hiervóór uiteengezette beoordeling op de helling zou zetten of waarom zulks ertoe noopt een onbevoegd orgaan wél bevoegdheid toe te kennen.
- Daargelaten overigens of de verwerende partij terecht een beroep doet op de voornoemde beginselen, valt hoe dan ook niet in te zien hoe deze ertoe kunnen strekken bij een volgens de eigen Europese regels niet-bevoegde instantie bevoegdheid op te wekken.
- Het ambtshalve middel, dat de (on)bevoegdheid van de steller van de bestreden beslissing betreft, is gegrond. BESLISSING
- De Raad van State verleent akte van de afstand van de tussenkomst.
- De Raad van State vernietigt de beslissing van de Vlaamse toezichtcommissie voor de verwerking van persoonsgegevens van 27 juli 2022 waarbij de klacht van XXXX gedeeltelijk gegrond wordt verklaard, in hoofde van de stad XXXX en het OCMW XXXX een schending wordt vastgesteld van de artikelen 5, lid 1, b), en 15 van de AVG en de corrigerende maatregelen van een berisping en een verwerkingsverbod worden opgelegd. IX-10.126-23/24
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 22 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 720 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partijen gezamenlijk. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt noch de identiteit van de tussenkomende partij, noch die van de verzoekende partijen bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op eenendertig maart tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Jurgen Neuts, staatsraad, Francis Van Nuffel, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Geert Van Haegendoren IX-10.126-24/24 Document PDF ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.244 Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet <div