← België

Arrest 266246 - Plaatselijk openbaar ambt (provinciën, gemeenten, enz.) - Reglementen - 31/03/2026

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 31 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.246 Rolnummer: A. 243857/IX-10783 Zaak: Arrest 266246 - Plaatselijk openbaar ambt (provinciën, gemeenten, enz.) - Reglementen - 31/03/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-04-02 Raadplegingen: 105 - laatst gezien 2026-06-18 06:44 Fiche Arrest nr 266.246 van 31 maart 2026 Openbaar ambt - Plaatselijk openbaar ambt (provinciën, gemeenten, enz.) - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 266.246 van 31 maart 2026 in de zaak A. 243.857/IX-10.783 In zake : B.G. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Peter Flamey en Glenn Declercq kantoor houdend te 2000 Antwerpen Bouwmeesterstraat 11 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de STAD HERK-DE-STAD bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jonas De Wit en Matthias Boydens kantoor houdend te 2800 Mechelen Antwerpsesteenweg 16-18 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 27 december 2024, strekt tot de nietigverklaring van “de beslissing van de gemeenteraad van Herk-de-Stad dd. 1 juli 2024, waarin zij achtereenvolgens het advies van de deontologische commissie van 14 mei 2024 bijtreedt en in hoofde van [verzoeker] besluit tot een schending van de artikelen 2, 23 en 24 van de deontologische code voor mandatarissen, waarna besloten werd om deze gedragingen te melden aan Audit Vlaanderen en de gemeenteraad zich uitdrukkelijk distantieert van deze gedragingen met oproeping aan alle mandatarissen om het voorzichtigheidsprincipe toe te passen in hun handelen”. IX-10.783-1/15 II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Wendy Depester heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 9 maart
  3. Staatsraad Jurgen Neuts heeft verslag uitgebracht. Advocaat Margot Dehaen, die loco advocaten Peter Flamey en Glenn Declercq verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Matthias Boydens, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Wendy Depester heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Verzoeker is tijdens de bestuursperiode van januari 2019 tot december 2024 voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst en overeenkomstig artikel 42, § 1, derde lid, van het decreet van 22 december 2017 ‘over het lokaal bestuur’ (“decreet lokaal bestuur”) als schepen toegevoegd aan het college van burgemeester en schepenen van Herk-de-Stad. IX-10.783-2/15 3.
  6. Op 26 februari 2024 wenst het college van burgemeester en schepenen “[zijn] vermoeden van schending van de deontologische code [voor mandatarissen] door [verzoeker] te signaleren aan de algemeen directeur en de voorzitter van de gemeenteraad, tevens voorzitter van de deontologische commissie met uitdrukkelijk verzoek een vooronderzoek op te starten”. 3.
  7. Dat vooronderzoek resulteert in een verslag van de algemeen directeur en de voorzitter van de gemeenteraad van 14 maart 2024, waarin wordt geoordeeld dat de melding ontvankelijk is en dat de deontologische commissie een onderzoek moet voeren naar mogelijke schendingen van de deontologische code voor mandatarissen. 3.
  8. De deontologische commissie formuleert op 14 mei 2024 haar advies. 3.
  9. Verzoekers (toenmalige) raadsman gehoord, beslist de gemeenteraad op 1 juli 2024 om het advies van de deontologische commissie integraal bij te vallen en de motieven ervan tot de zijne te maken. De gemeenteraad stelt daarbij in hoofde van verzoeker schendingen van de artikelen 2, 23 en 24 van de deontologische code voor mandatarissen vast. Tevens beslist de gemeenteraad om deze gedragingen te melden aan Audit Vlaanderen, zich uitdrukkelijk van deze gedragingen te distantiëren en alle mandatarissen op te roepen het voorzichtigheidsprincipe toe te passen in hun handelen. Dat is de bestreden beslissing. Ze wordt door de raadsman van de verwerende partij aan de (toenmalige) raadsman van verzoeker ter kennis gebracht met een e-mailbericht van 10 juli 2024 waarin nog wordt gesteld: “Huidig bericht is officieel gezien dit de kennisgeving als mededeling tussen partijen vervangt.” IX-10.783-3/15 3.
  10. Op 7 augustus 2024 dient verzoeker een klacht in bij de provinciegouverneur van Limburg waarin hij de vernietiging vraagt van de voormelde gemeenteraadsbeslissing van 1 juli
  11. Met een brief van 26 september 2024 deelt de provinciegouverneur mee dat hij de klacht van verzoeker “niet [kan] behandelen conform het bestuurlijk toezicht omdat de toezichtstermijn verstreken is”. In fine van deze brief wordt meegedeeld wat volgt: “Tegen de bestreden beslissing van het lokale bestuur kan een beroep tot nietigverklaring of een verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden ingediend bij de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het verzoekschrift wordt ingediend, hetzij elektronisch via een beveiligde website van de Raad van State (https://eproadmin.raadvst-consetat.be/), of met een per post aangetekende brief die wordt toegezonden aan de Raad van State (Wetenschapsstraat 33 te 1040 Brussel). Het verzoekschrift wordt ingediend binnen een termijn van zestig dagen nadat de beslissing werd betekend. Indien de beslissing niet betekend moest worden, gaat de termijn in met de dag waarop de verzoeker er kennis van heeft gehad.” Tegen de beslissing van de provinciegouverneur van 26 september 2024 stelt verzoeker op 26 november 2024 een annulatieberoep in bij de Raad van State (zaak gekend onder rolnummer G/A 243.587/IX-10.787). Daarover wordt bij arrest nr. 266.245 van heden uitspraak gedaan. IV. Tijdigheid van het beroep Ambtshalve exceptie en standpunt van verzoeker
  12. In zijn verzoekschrift wijst verzoeker erop, wat de tijdigheid van zijn beroep betreft, dat de bestreden beslissing aan hem “individueel” moest worden meegedeeld. Met het officieel schrijven van de raadsman van de verwerende partij van 10 juli 2024 aan de (toenmalige) advocaat van verzoeker, is naar zijn mening de bestreden beslissing “niet rechtstreeks op individuele wijze” IX-10.783-4/15 aan hem ter kennis gebracht. Dat schrijven kan volgens verzoeker “niet gelijk gesteld worden met een individuele kennisgeving aan [hem]”. Voorts betoogt verzoeker dat het voormelde schrijven géén melding maakt van de beroepsmogelijkheden, zodat de termijn om een beroep bij de Raad van State in te stellen pas een aanvang heeft genomen vier maanden na deze kennisgeving – 10 november 2024 – zodat zijn beroep tijdig is.
  13. De auditeur-verslaggever werpt in haar verslag ambtshalve op dat het beroep laattijdig is. Uiteengezet wordt dat de bestreden beslissing met een e-mailbericht van 10 juli 2024 aan de raadsman van verzoeker ter kennis is gebracht, wat beschouwd kan worden als de individuele kennisgeving van de bestreden beslissing aan verzoeker. Hoewel in de kennisgeving van 10 juli 2024 niet wordt gewezen op de mogelijkheid om tegen de bestreden beslissing in beroep te gaan bij de Raad van State, wordt deze beroepsmogelijkheid wél vermeld in de brief van de provinciegouverneur van 26 september
  14. De kennisgeving van die beslissing heeft de verjaringstermijn van zestig dagen doen ingaan, zodat volgens de auditeur-verslaggever het beroep ruimschoots te laat is ingediend.
  15. In zijn laatste memorie argumenteert verzoeker dat een individuele bestuurshandeling ter kennis moet worden gebracht aan de bestuurde van wie de rechtstoestand wordt gewijzigd. Officiële briefwisseling tussen advocaten doet daaraan volgens hem geen afbreuk. Verzoeker wijst erop dat hij geen woonstkeuze had gedaan op het adres van zijn toenmalige raadsman en dat door hem dus geen mandaat was gegeven aan die raadsman om zíjn post in ontvangst te nemen. Verzoeker noemt de kennisgeving met het meervermelde e- mailbericht van 10 juli 2024 “geen geldige individuele kennisgeving”. “Ten overvloede” doet verzoeker gelden dat “briefwisseling tussen advocaten per definitie vertrouwelijk is waardoor deze niet in rechte kan noch mag worden gebruikt” en dat “niet [is] voldaan aan de voorschriften om aan een brief uitzonderlijk officieel karakter toe te dichten, aangezien een mededeling IX-10.783-5/15 van partij tot partij dient te beantwoorden aan restrictieve voorwaarden”. Volgens verzoeker bewijst de verwerende partij niet dat is voldaan aan deze voorwaarden. Indien het e-mailbericht van 10 juli 2024 toch als een individuele kennisgeving moet worden beschouwd, merkt verzoeker op dat deze kennisgeving geen beroepsmogelijkheden vermeldt. Verzoeker refereert vooreerst aan artikel II.21 van het Bestuursdecreet, dat voorschrijft dat bij de kennisgeving van een beslissing of administratieve handeling van individuele strekking die rechtsgevolgen heeft voor een gebruiker, wordt vermeld of beroep tegen de beslissing kan worden ingesteld, bij welke instantie en binnen welke termijn. Deze verplichting wordt volgens verzoeker ook voorgeschreven door “tal van normatieve bepalingen in bijzondere of ‘algemene’ wetgeving”, waarbij hij voor deze zaak vervolgens verwijst naar artikel 19, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Uit die bepaling volgt dat, wanneer de beroepsmogelijkheid bij de Raad niet wordt vermeld, de termijn om beroep aan te tekenen slechts aanvangt vier maanden nadat aan de betrokkene de akte of de beslissing met individuele strekking ter kennis is gebracht. In zijn zaak, zo stelt verzoeker, is de uiterste datum voor het indienen van het beroep 9 januari 2025, zodat het verzoekschrift tijdig is ingediend. De argumentatie dat de provinciegouverneur in zijn brief van 26 augustus (lees: september) 2024 de beroepsmogelijkheden heeft vermeld, kan verzoeker niet bijvallen. Ten eerste werd ook deze brief verstuurd aan de raadsman van verzoeker. Ten tweede is verzoeker van oordeel dat de beroepsmogelijkheden die in die brief zijn vermeld “duidelijk betrekking [hebben] op de beslissing van de Gouverneur, en niet op de beslissing van de gemeenteraad van 1 juli 2024”. Tot slot benadrukt verzoeker nog dat hij ook tegen de “onontvankelijkheidsbeslissing” van de provinciegouverneur van 26 september 2024 tijdig een annulatieberoep heeft ingediend, zodat hij “de vermelde beroepsmogelijkheden tegen de beslissing van de Provinciegouverneur dus [heeft] benut”. IX-10.783-6/15 Beoordeling
  16. Naar luid van artikel 4, § 1, derde lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (“algemeen procedurereglement”) verjaren de beroepen tot nietigverklaring zestig dagen nadat de bestreden akten, reglementen of beslissingen werden bekendgemaakt of betekend, en indien ze noch bekendgemaakt noch betekend dienen te worden, gaat de termijn in met de dag waarop de verzoeker er kennis van heeft gehad.
  17. Niet wordt betwist dat de bestreden beslissing aan verzoeker moest worden aangezegd. Evenmin wordt betwist dat de bestreden beslissing alléén is meegedeeld middels een e-mailbericht van de raadsman van de verwerende partij van 10 juli 2024 aan de (toenmalige) raadsman van verzoeker.
  18. Over die mededeling stelt verzoeker dat ze “geen geldige individuele kennisgeving” uitmaakt omdat: - ze gericht is aan de advocaat en niet aan de “bestemmeling”, terwijl

(1)het een “algemeen beginsel [is] dat individuele besluiten steeds individueel ter kennis moeten worden gegeven aan de bestuurden van wie [ze] de rechtstoestand wijzigen”,
(2)er geen “woonstkeuze” was bij de advocaat en
(3)“geen mandaat [was] gegeven aan zijn toenmalige raadsman om zijn post in ontvangst te nemen”; - de briefwisseling tussen advocaten “per definitie vertrouwelijk is waardoor deze niet in rechte kan noch mag worden gebruikt” en er “niet [is] voldaan aan de voorschriften om aan een brief uitzonderlijk officieel karakter toe te dichten, aangezien een mededeling van partij tot partij dient te beantwoorden aan restrictieve voorwaarden”, terwijl de verwerende partij niet bewijst dat aan die voorwaarden is voldaan. IX-10.783-7/15
  1. Anders dan het geval is voor gerechtelijke akten, zijn ten aanzien van de kennisgeving van administratieve rechtshandelingen als die welke verzoeker met het voorliggende beroep bestrijdt, geen bijzondere vormvereisten voorgeschreven. Zo een kennisgeving kan bijgevolg rechtsgeldig gebeuren met een e-mailbericht. Daarbij dient bedacht dat het in geval van betwisting dan aan de verwerende partij toekomt om het bewijs te leveren dát en wanneer de bestemmeling dat e-mailbericht heeft ontvangen. Die betwisting voert verzoeker niet; hij erkent in zijn verzoekschrift dat zijn toenmalige raadsman op 10 juli 2024 een afschrift van de bestreden beslissing heeft ontvangen. Wél blijft de vraag of de kennisgeving aan de raadsman van verzoeker kan doorgaan als een kennisgeving aan verzoeker.
  2. In dat verband heeft de Raad van State, in het raam van (administratieve) procedures buiten een rechtsgeding waarbij het in artikel 440 van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde mandaat ad litem bijgevolg geen toepassing vindt, reeds meermaals geoordeeld – bijvoorbeeld in de arresten nrs. 230.809 en 206.889 van 9 april 2015 respectievelijk 12 augustus 2010 – dat de kennisgeving aan een persoon van wie op goede gronden kan worden vermoed dat de betrokkene hem als lasthebber heeft aangesteld om zijn belangen ter zake te behartigen, geldt als een kennisgeving aan de lastgever zelf. Die toerekening aan de lastgever is dan een elementair, inherent gevolg van de opdracht die hij aan de advocaat-lasthebber heeft gegeven. Een formele keuze van woonplaats bij deze advocaat-lasthebber is daartoe niet vereist.
  3. Bijgevolg rijst de vraag of in de voorliggende zaak het bestuur al dan niet op goede gronden mocht vermoeden dat de raadsman van verzoeker in de administratieve procedure die werd gevoerd, gemachtigd was om namens verzoeker geldig kennis te krijgen van het resultaat van die procedure. 13.
  4. Verzoeker ontkent op geen enkel ogenblik dat hij zijn toenmalige raadsman had aangesteld als advocaat-lasthebber om in het dossier IX-10.783-8/15 waarvoor hij voor de deontologische commissie en de gemeenteraad van Herk-de- Stad was opgeroepen, zijn belangen te verdedigen. 13.
  5. Op de hoorzitting van de deontologische commissie van 30 april 2024, is verzoeker, blijkens de notulen van die vergadering, zelf verschenen en “bijgestaan door meester [KG], advocaat”. De ‘nota’ die naar aanleiding van deze hoorzitting werd ingediend was ondertekend “voor [verzoeker]” door dezelfde advocaat. 13.
  6. Het is vervolgens verzoekers raadsman zelf die, na het advies van de deontologische commissie, op 14 juni 2024 de raadsman van de verwerende partij “officieel” aanschrijft over een gemeenteraadszitting waarop verzoekers dossier zou worden behandeld en zich in dat verband erover beklaagt dat
(1)“[zijn] cliënt […] niet [is] opgeroepen om door de gemeenteraad te worden gehoord en zijn verdediging voor de gemeenteraad te voeren”,
(2)“uit de agenda [niet] blijkt […] dat het dossier van [zijn] cliënt in besloten zitting wordt behandeld”,
(3)“aan [zijn] cliënt […] niet [is] meegedeeld welk dossier aan de gemeenteraad wordt voorgelegd”, en erop wijst dat
(1)“[zijn] cliënt in geen enkel opzicht akkoord is met enige redengeving in het advies van de deontologische commissie”,
(2)“een verwijzing naar Audit Vlaanderen […] onmogelijk [is] gelet op de taakomschrijving in art. 5 van het besluit van de Vlaamse regering van 18.10.2013 van Audit Vlaanderen” en
(3)de deontologische commissie “ten onrechte adviseert […] om de mandatarissen op te roepen het voorzichtigheidsprincipe toe te passen in hun handelen”. 13.
  1. Diezelfde raadsman reageert eveneens op de uitnodiging voor de hoorzitting van de gemeenteraad van 1 juli 2024, waarbij wordt aangegeven dat hij verzoeker zal “vertegenwoordigen voor de hoorzitting” omdat verzoeker “verhinderd [is] om aanwezig te zijn wegens een lang geplande vakantie”. 13.
  2. De verweernota voor de gemeenteraad is uitsluitend ondertekend door de raadsman van verzoeker, “voor [verzoeker]”. IX-10.783-9/15 13.
  3. Ook na de hoorzitting van de gemeenteraad, meer bepaald op 4 juli 2024, is het verzoekers raadsman die – opnieuw met een officieel schrijven – contact neemt met de raadsman van de verwerende partij omdat in een krantenartikel van 3 juli 2024 zou te lezen zijn “dat er een beslissing is genomen en waarin gemeld is dat [verzoeker] schuldig is bevonden aan de hem ten laste gelegde betichtingen”. 13.
  4. Deze elementen voor ogen – in het bijzonder de vaststelling dat de advocaat verzoeker niet alleen heeft bijgestaan, maar ook vertegenwoordigd en dat over de afwikkeling van de administratieve procedure uitsluitend door de raadsman van verzoeker werd gecommuniceerd, en dan nog vaak door middel van niet-vertrouwelijke briefwisseling aan de raadsman van de verwerende partij – neemt de Raad van State aan dat het bestuur redelijkerwijze erop mocht vertrouwen dat de advocaat van verzoeker óók ertoe was gemachtigd om namens zijn cliënt de gemeenteraadsbeslissing over de schending van de deontologische code voor mandatarissen te ontvangen.
  5. In zoverre verzoeker nog aanvoert dat de briefwisseling tussen advocaten vertrouwelijk is en niet in rechte mag worden gebruikt, dient het volgende te worden opgemerkt. Het e-mailbericht van 10 juli 2024 vermeldt uitdrukkelijk dat het een “officieel” karakter heeft “gezien dit de kennisgeving als mededeling tussen partijen vervangt”. Zulks impliceert dat het bericht alvast door de afzender als niet- vertrouwelijk wordt beschouwd. Noch verzoeker, noch zijn raadsman hebben zich op enig nuttig ogenblik daaropvolgend verzet tegen de officiële aard van dat schrijven. Integendeel, in de klacht die – opnieuw – de raadsman van verzoeker op 7 augustus 2024 bij de toezichthoudende overheid heeft ingediend, wordt tot tweemaal toe bevestigd dat “de bestreden beslissing aan [hen] werd meegedeeld met een officieel schrijven van 10 juli 2024”, dat vervolgens als “stuk 2” in bijlage bij deze klacht aan de toezichthoudende overheid wordt meegedeeld. IX-10.783-10/15 Ook bij zijn verzoekschrift voor de Raad van State heeft verzoeker dat schrijven gevoegd en dus ter beoordeling voorgelegd. Er valt bijgevolg niet in te zien waarom het voormelde e- mailbericht van 10 juli 2024 als vertrouwelijk zou moeten worden beschouwd. Verzoeker verduidelijkt ten andere niet aan welke voorwaarde niet zou zijn voldaan om aan het voormelde e-mailbericht van 10 juli 2024 een officieel karakter toe te kennen.
  6. Het e-mailbericht van 10 juli 2024 waarmee de raadsman van de verwerende partij de bestreden beslissing aan de toenmalige raadsman van verzoeker ter kennis heeft gebracht kan dan ook worden beschouwd als een geldige individuele kennisgeving van de bestreden beslissing aan verzoeker zelf.
  7. Mét verzoeker moet dan weer worden vastgesteld dat noch het e-mailbericht van 10 juli 2024, noch de daarmee betekende bestreden beslissing enige beroepsmogelijkheid vermeldt.
  8. Verzoeker verwijst evenwel niet dienstig naar artikel II.21 van het Bestuursdecreet, dat als volgt luidt: “Bij de kennisgeving van een beslissing of een administratieve handeling van individuele strekking die rechtsgevolgen heeft voor een gebruiker, wordt vermeld of beroep tegen de beslissing kan worden ingesteld, bij welke instantie en binnen welke termijn. Als de kennisgeving niet voldoet aan de bepalingen van het eerste lid, start de termijn om een beroep in te dienen bij een overheidsinstantie als vermeld in artikel II.18, pas vier maanden na de kennisgeving.” Vooreerst verplicht deze bepaling de in hoofdstuk 2 ‘Individuele bestuurshandelingen’ van titel II ‘Relatie tussen burgers en de overheid’ van het Bestuursdecreet bedoelde overheidsinstanties slechts ertoe de georganiseerde administratieve beroepen of jurisdictionele beroepen te vermelden – en bijgevolg niet de mogelijkheid om een willig beroep of een beroep bij de toezichthoudende IX-10.783-11/15 overheid in te stellen. Voor zover verzoeker van het tegendeel uitgaat, faalt zijn argumentatie. Bovendien geldt deze bepaling, volgens de memorie van toelichting bij het ontwerp van het Bestuursdecreet, slechts voor de beroepen “ingediend bij een overheidsinstantie die onder het toepassingsgebied van dit hoofdstuk valt, en dus niet voor bijvoorbeeld federale instanties” (Parl. St. Vl. Parl., 2017-2018, 1656/1, p. 47). Artikel II.21 van het Bestuursdecreet omvat derhalve niet de verplichting om bij de kennisgeving van een individuele administratieve rechtshandeling de beroepsmogelijkheid bij de Raad van State mee te delen. 18.
  9. Een dergelijke verplichting volgt daarentegen wél uit artikel 19, tweede lid, eerste en tweede zin, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State “De verjaringstermijnen voor de beroepen bedoeld bij artikel 14, § 1, nemen alleen een aanvang op voorwaarde dat de betekening door de administratieve overheid van de akte of van de beslissing met individuele strekking het bestaan van die beroepen alsmede de in acht te nemen vormvoorschriften en termijnen vermeldt. Indien aan die verplichting niet wordt voldaan dan nemen de verjaringstermijnen een aanvang vier maanden nadat aan de betrokkene de akte of de beslissing met individuele strekking ter kennis werd gebracht.” 18.
  10. De aangetekende brief van de provinciegouverneur van 26 september 2024, waarbij aan verzoeker wordt meegedeeld dat zijn klacht tegen de thans bestreden beslissing niet zal worden behandeld, vermeldt onderaan evenwel wat volgt: “Tegen de bestreden beslissing van het lokale bestuur kan een beroep tot nietigverklaring of een verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden ingediend bij de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het verzoekschrift wordt ingediend, hetzij elektronisch via een beveiligde website van de Raad van State (https://eproadmin.raadvst-consetat.be/), of met een per post aangetekende brief die wordt toegezonden aan de Raad van State (Wetenschapsstraat 33 te 1040 Brussel). Het verzoekschrift wordt ingediend binnen een termijn van zestig dagen nadat de beslissing werd betekend. Indien de beslissing niet betekend moest worden, gaat de termijn IX-10.783-12/15 in met de dag waarop de verzoeker er kennis van heeft gehad.” 18.
  11. Ten onrechte stelt verzoeker in zijn laatste memorie dat deze beroepsmogelijkheid betrekking heeft op de beslissing van de provinciegouverneur en niet op de thans bestreden beslissing. Er wordt immers uitdrukkelijk verwezen naar “de bestreden beslissing van het lokale bestuur”, hetgeen niets anders kan zijn dan de beslissing van de gemeenteraad van Herk-de-Stad van 1 juli
  12. 18.
  13. Aangenomen wordt dat de provinciegouverneur aldus het gebrek waaraan de betekening van de bestreden beslissing met het e-mailbericht van 10 juli 2024 te lijden had, heeft rechtgezet. Vanaf de kennisgeving van de aangetekende brief van de provinciegouverneur van 26 september 2024 moet verzoeker dan ook worden geacht op de hoogte te zijn geweest van de mogelijkheid om bij de Raad van State een annulatieberoep in te stellen tegen de thans bestreden beslissing en van de daarbij in acht te nemen vormvoorschriften en termijn van zestig dagen. 18.
  14. Dat die brief van 26 september 2024 niet aan verzoeker, maar aan zijn (toenmalige) raadsman is gericht, doet niet anders besluiten. De redenering uiteengezet sub 13.1 tot 13.7 kan mutatis mutandis ook voor verzoekers beroep bij de toezichthoudende overheid gelden, aangezien verzoekers advocaat de klacht aldaar heeft ingediend. Bijgevolg mocht óók de provinciegouverneur redelijkerwijze ervan uitgaan dat deze raadsman ertoe was gemachtigd om namens zijn cliënt het antwoord op zijn klacht te ontvangen.
  15. De conclusie luidt dat de kennisgeving van de aangetekende brief van de provinciegouverneur van 26 september 2024 de in artikel 4, § 1, derde lid, van het algemeen procedurereglement bedoelde verjaringstermijn van zestig dagen voor het instellen van een beroep tegen de thans bestreden beslissing heeft doen ingaan. 20.
  16. Artikel 4, § 2, derde lid, van het algemeen procedurereglement luidt als volgt: IX-10.783-13/15 “Wanneer de in paragraaf 1 genoemde kennisgeving geschiedt bij gewone aangetekende brief, is de eerste dag van de termijn voor het indienen van het verzoekschrift de derde werkdag die volgt op de verzending van de brief, behoudens bewijs van het tegendeel door de geadresseerde, en is die dag inbegrepen in de termijn.” 20.
  17. Geen enkel stuk van de partijen biedt duidelijkheid over het ogenblik van verzending van de betrokken aangetekende brief. Toch mag worden aangenomen dat hij óók op donderdag 26 september 2024 is verzonden. Immers, op grond van de regeling die in artikel 4, § 2, derde lid, van het algemeen procedurereglement is opgenomen, is de eerste dag van de beroepstermijn dinsdag 1 oktober
  18. In zijn verzoekschrift in de zaak A. 243.587/IX-10.787, waarmee hij de nietigverklaring van de “beslissing” van de provinciegouverneur van 26 september 2024 vraagt, schrijft verzoeker zelf dat hij “op 30 september 2024” de zending ontving. Er is bijgevolg geen sprake van “bewijs van het tegendeel door de geadresseerde”. Als de beroepstermijn op 1 oktober 2024 een aanvang heeft genomen, is deze geëindigd op vrijdag 29 november
  19. Het voorliggende beroep, ingesteld op 27 december 2024, is derhalve laattijdig. De ambtshalve exceptie is gegrond. Het beroep is onontvankelijk. BESLISSING
  20. De Raad van State verwerpt het beroep.
  21. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van IX-10.783-14/15 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op eenendertig maart tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Jurgen Neuts, staatsraad, Jim Deridder, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Geert Van Haegendoren IX-10.783-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.246 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.