id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 31 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.248 Rolnummer: A. 240888/XII-9918 Zaak: Arrest 266248 - Apothekers en apotheken - 31/03/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-04-07 Raadplegingen: 108 - laatst gezien 2026-06-18 06:44 Fiche Arrest nr 266.248 van 31 maart 2026 Sociale zaken en volksgezondheid - Apothekers en apotheken Beslissing : Vernietiging Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.248 no lien 288540 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 266.248 van 31 maart 2026 in de zaak A. 240.888/XII-9918 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Kris Vincke kantoor houdend te 8310 Sint-Kruis (Brugge) Maalse Steenweg 138 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Franky De Mil kantoor houdend te 9000 Gent Voskenslaan 34 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 4 januari 2024, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de Nederlandstalige multidisciplinaire kamer van de Federale Commissie voor toezicht op de praktijkvoering in de gezondheidszorg (hierna: Toezichtscommissie) van 21 november 2023 waarbij het visum van verzoeker als gezondheidszorgbeoefenaar wordt ingetrokken. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 260.351 van 1 juli 2024 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. Verzoeker heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. XII-9918-1/17 De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur Sander Meert heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. Verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 26 februari 2026. Staatsraad Ann Coolsaet heeft verslag uitgebracht. Advocaat Simon Raymaekers, die loco advocaat Kris Vincke verschijnt voor verzoeker en advocaat Franky De Mil, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Eylenbosch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3. In het arrest nr. 260.351 van 1 juli 2024, waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing is verworpen, worden de feiten als volgt weergegeven: “3.1. Verzoeker is apotheker en baat een apotheek uit. 3.2. Met een e-mail van 13 augustus 2023 deelt de voorzitter van de Orde der apothekers van West-Vlaanderen aan de verwerende partij mee dat ten aanzien van verzoeker een klacht werd ingediend. XII-9918-2/17 De verwerende partij krijgt kennis van twee processen-verbaal van de lokale politie van Brugge en van een moraliteitsverslag, opgesteld door een agent van gerechtelijke politie van de Politiezone Brugge. Eveneens wordt de verwerende partij in kennis gesteld van een klacht. 3.3. Bij brief van 11 augustus 2023 nodigt de Federale Commissie voor toezicht op de praktijkvoering in de gezondheidszorg (hierna: de toezichtcommissie) verzoeker uit om te worden gehoord op 21 november 2023. Bij brief van 20 november 2023 laat verzoekers raadsman de toezichtcommissie weten niet aanwezig te kunnen zijn op de hoorzitting van 21 november 2023 en vraagt hij om een uitstel. 3.4. De toezichtcommissie gaat niet in op de vraag tot uitstel en brengt verzoeker bij brief van 24 november 2023 in kennis dat zijn visum vanaf 21 november 2023 wordt ingetrokken. Dit is de bestreden beslissing.” IV. Regelmatigheid van de rechtspleging 4. Bij brief van 15 januari 2026, na de uitwisseling van de laatste memories, bezorgt de verwerende partij “de klacht die door een lid van de Toezichtscommissie werd neergelegd naar aanleiding van bedreigingen geuit door de heer Baert”. Ter terechtzitting betwist verzoeker de feiten weergegeven in die klacht. Zoals de eerste auditeur-afdelingshoofd ter terechtzitting terecht adviseert, zet de verwerende partij niet uiteen wat de toevoeging van deze klacht aan de zaak kan bijbrengen. Het stuk wordt uit het debat geweerd. V. Ontvankelijkheid van het beroep: exceptie van gebrek aan actueel belang Standpunt van de partijen 5. In de laatste memorie werpt de verwerende partij op dat verzoeker niet langer beschikt over een actueel belang bij de vernietiging van de bestreden beslissing. De verwerende partij wijst erop dat verzoeker op grond van artikel 58, § 2, van de wet van 22 april 2019 ‘inzake de kwaliteitsvolle ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.248 XII-9918-3/17 praktijkvoering in de gezondheidszorg’ (hierna: wet van 22 april 2019) de mogelijkheid heeft om los van het beroep tot nietigverklaring om de teruggave van zijn visum te vragen, doch hiervan geen gebruik heeft gemaakt. De verwerende partij leidt daaruit af dat verzoeker niet de intentie heeft om het beroep van apotheker opnieuw uit te oefenen en voert aan dat het niet duidelijk is wat de huidige situatie is van de apotheek. De verwerende partij besluit dat verzoeker dienaangaande de nodige duidelijkheid zal dienen te verstrekken, bij gebrek waaraan hij moet worden geacht niet meer over een actueel belang te beschikken. 6. In de laatste memorie repliceert verzoeker op deze exceptie dat hij nog over het vereiste actueel belang beschikt. Verzoeker verduidelijkt dat hij het beroep van apotheker wel degelijk nog wil uitoefenen. Onmiddellijk na het intrekken van het visum heeft verzoeker gezocht naar een tijdelijke vervanger, wat niet mogelijk bleek daar het een knelpuntberoep betreft. Om die reden blijft de apotheek tot op heden tijdelijk gesloten. Verzoeker wijst erop dat het nadeel dat hij lijdt, nog steeds voortduurt: hij kan zijn job als apotheker niet uitvoeren, wat voor een ernstige financiële terugval heeft gezorgd, zodat verzoeker intussen de eindjes aan elkaar moet knopen met tijdelijk werk. Verzoeker voert aan te weten dat de verwerende partij “hem geen vingerbreedte meer gunt en hem de teruggave naar alle waarschijnlijkheid sowieso zou weigeren”. Daarom kan uit het feit dat verzoeker niet om de teruggave van zijn visum heeft gevraagd, geen gebrek aan actueel belang worden afgeleid. Beoordeling 7. Artikel 58, § 2, van de wet van 22 april 2019 luidt: “Indien het visum van de gezondheidszorgbeoefenaar werd geschorst of het behoud ervan afhankelijk werd gemaakt van het naleven van welbepaalde voorwaarden in toepassing van het artikel 56, 1°, a), of 2°, b), maakt de kamer een einde aan bedoelde maatregel wanneer zij vaststelt dat de redenen die hem hebben verantwoord verdwenen zijn, hetzij ambtshalve hetzij op verzoek van de gezondheidszorgbeoefenaar. De gezondheidszorgbeoefenaar kan daartoe elke maand vanaf het ingaan van de maatregel een verzoek indienen. De beslissing om de schorsing of de beperking van het visum in te trekken wordt door de kamer genomen bij gewone meerderheid van de stemmen van de aanwezige leden. XII-9918-4/17 De betrokken gezondheidszorgbeoefenaar wordt onverwijld via aangetekend schrijven op de hoogte gebracht van de beëindiging van de maatregel die ingaat op de datum van de beslissing van de kamer.” Uit deze bepaling blijkt dat de mogelijkheid om de teruggave van het visum te vragen, waarnaar de verwerende partij verwijst, een louter willig beroep betreft. Verzoeker is derhalve niet verplicht dit willig beroep uit te putten en uit het loutere nalaten daarvan kan geen gebrek aan actueel belang worden afgeleid. 8. De exceptie van gebrek aan actueel belang wordt verworpen. VI. Onderzoek van het eerste en het derde middel A. Eerste middel Standpunt van de partijen 9. In het verzoekschrift voert de verzoeker in het eerste middel de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: wet van 29 juli 1991). Verzoeker zet uiteen dat in strijd met deze bepalingen de bestreden beslissing niet verwijst naar de toepasselijke regelgeving of de concrete toepassing ervan noch naar de grondslag ervan. Voorts wijst verzoeker erop dat de bestreden beslissing enkel de intrekking van het visum vermeldt, doch dat elke formele motivering volledig afwezig is. In de memorie van wederantwoord voegt verzoeker daaraan toe dat de motivering van de bestreden beslissing hem pas werd bezorgd, nadat het beroep tot nietigverklaring met vordering tot schorsing werd ingediend en nadat zijn raadsman uitdrukkelijk daarom had gevraagd. In de laatste memorie benadrukt verzoeker dat de kennisgeving van de bestreden beslissing ook die beslissing zelf met inbegrip van de formele motivering ervan moest omvatten. XII-9918-5/17 10. In de memorie van antwoord repliceert de verwerende partij dat aan de doelstelling van de formelemotiveringsplicht is voldaan, daar verzoeker kennis kreeg van de motieven via de e-mail van 11 januari 2024 aan zijn raadsman. In de laatste memorie voegt de verwerende partij daaraan toe verzoeker weliswaar pas kennis kreeg van de formele motivering van de bestreden beslissing na het indienen van zijn beroep, maar dat, daar verzoeker in de memorie van wederantwoord ingaat op de intussen bekendgemaakte motieven, moet worden aangenomen dat hij verzaakt aan het middel. Beoordeling 11. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 verplichten het bestuur in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op “afdoende” wijze. Het afdoend karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de voormelde wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. Bij het onderzoek naar het afdoende karakter van de formelemotiveringsplicht moet voorts worden rekening gehouden met het geheel van de formele motivering en niet met een of meerdere onderdelen van de motivering op zich. De motivering in haar geheel moet immers afdoende zijn. 12. Te dezen stelt de Raad van State vast dat de bestreden beslissing, zoals ze werd meegedeeld aan verzoeker bij brief van 24 november 2023, louter ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.248 XII-9918-6/17 meedeelt dat het visum vanaf 21 november 2023 werd ingetrokken, doch geen enkele formele motivering omvat. Verzoekers raadsman heeft daar op 26 december 2023 uitdrukkelijk om moeten vragen en vervolgens heeft de verwerende partij nog de tijd genomen tot 11 januari 2024 om een “motivatie beslissing tot intrekking visum 21/11/2023” mee te delen. Dit is ruim nadat verzoeker zijn beroep tot nietigverklaring met vordering tot schorsing heeft ingediend. Zoals hiervoor uiteengezet, behelst de formelemotiveringsplicht zoals vervat in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 dat een eenzijdige bestuurshandeling zoals de bestreden beslissing op “afdoende” wijze de formele motivering ervan weergeeft. Op het ogenblik dat de bestreden beslissing aan verzoeker werd ter kennisgegeven, bevatte zij geen formele motivering. Nog daargelaten of het op 11 januari 2024 aan verzoeker bezorgde document beantwoordt aan de vereisten van een “afdoende” formele motivering – daar het verwijst naar “inbreuken” op de eerder aan het visum verbonden voorwaarden doch die inbreuken geenszins omschrijft, laat staan uiteenzet waarom daaruit zou blijken dat verzoeker de opgelegde voorwaarden heeft geschonden – kan die laattijdige mededeling van de motivering de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 niet verhelpen. In tegenstelling tot wat de verwerende partij aanvoert, is aan de doelstelling van de door de voormelde bepalingen opgelegde formelemotiveringsplicht geheel niet voldaan. Het weze herhaald dat de belangrijkste bestaansreden van die formelemotiveringsplicht is dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. Te dezen werd de formele motivering van de bestreden beslissing pas aan verzoeker bezorgd, nadat hij een beroep bij de Raad van State had ingediend. 13. In tegenstelling tot wat de verwerende partij aanvoert in de laatste memorie, dient niet te worden aangenomen dat verzoeker verzaakt aan het eerste middel, omdat hij inmiddels kritiek uitte op de bekend geworden motieven. Nog daargelaten dat uit de laatste memorie van verzoeker expliciet blijkt dat hij niet verzaakt aan het eerste middel, is de redenering van de verwerende partij in XII-9918-7/17 strijd met zowel de duidelijke bepalingen van de wet van 29 juli 1991, als met de doelstelling ervan. 14. Het eerste middel is in de aangegeven mate gegrond. B. Derde middel Standpunt van de partijen 15. In het verzoekschrift voert verzoeker in het derde middel de schending van de hoorplicht aan. Verzoeker zet uiteen dat hij bij brief van 8 november 2023 werd uitgenodigd om te worden gehoord op 21 november 2023, maar dat hij ziek was en zijn raadsman bovendien om professionele redenen niet aanwezig kon zijn, zodat hij op 20 november 2023 om uitstel verzocht. Hoewel zijn raadsman de bevestiging ontving dat de vraag tot uitstel zou worden meegenomen naar de zitting, werd geen uitstel verleend en werd zijn visum ingetrokken zonder dat hij werd gehoord. In de memorie van wederantwoord herneemt verzoeker het middel zoals uiteengezet in het verzoekschrift. In de laatste memorie voegt verzoeker daaraan toe dat het auditoraatsverslag terecht besluit dat een uitstel van de behandeling van de zaak mogelijk was, daar de verwerende partij niet aantoont dat het nemen van een beslissing urgent was. 16. In de memorie van antwoord repliceert de verwerende partij dat verzoeker zonder enige verwittiging niet aanwezig was op de hoorzitting en dat verzoeker nu aanvoert dat hij die dag zwaar ziek was, doch dit niet bewijst. Voorts voert de verwerende partij aan dat het verzoek tot uitstel van zijn raadsman pas de dag voor de hoorzitting werd geformuleerd en dus laattijdig is. De verwerende partij benadrukt dat de Toezichtscommissie bestaat uit de voorzitter en dertien leden gezondheidszorgbeoefenaars en niet dezelfde werking heeft als een rechtbank die op geregelde tijdstippen zitting houdt. Verzoeker kan volgens de ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.248 XII-9918-8/17 verwerende partij niet verlangen dat een geplande zitting van de Toezichtscommissie de dag voordien nog wordt geannuleerd. Bovendien had het dossier van verzoeker een zekere urgentie, gelet op de ernst van de inbreuken en de duidelijke schending van de aan het visum opgelegde voorwaarden, aldus de verwerende partij. In de laatste memorie voegt de verwerende partij daaraan toe dat de hoorplicht zoals geregeld in artikel 9 van het koninklijk besluit van 4 december 2022 ‘tot vaststelling van de werking van de Toezichtscommissie zoals bedoeld in de wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg’ (hierna: koninklijk besluit van 4 december 2022) is beperkt tot de verplichting om de betrokkene op te roepen om te worden gehoord. Verzoeker werd op 8 november 2023 correct en tijdig opgeroepen voor de hoorzitting van 21 november 2023. De verwerende partij wijst erop dat de raadsman van verzoeker pas de dag voor de hoorzitting zijn tussenkomst heeft gemeld met de vraag of de zitting kon worden verplaatst naar een latere datum, omdat hij weerhouden was voor een getuigenverhoor op de rechtbank. De raadsman van verzoeker vroeg meteen om de nieuwe datum niet in de periode tussen 8 en 15 december 2023 te willen vastleggen, daar hij dan weerhouden was voor het hof van assisen. Daar het volgens de verwerende partij noch aan de secretaris noch aan de voorzitter van de Toezichtscommissie toekwam om dit uitstel al dan niet toe te staan, werd door de secretaris dezelfde dag nog meegedeeld dat het verzoek aan de voltallige Toezichtscommissie zou worden voorgelegd. Volgens de verwerende partij kon de raadsman van verzoeker zich laten vervangen door een andere advocaat van zijn kantoor, hetzij voor het getuigenverhoor op de rechtbank, hetzij op de zitting van de Toezichtscommissie om het gevraagde uitstel te bepleiten of om eventuele vragen van de Toezichtscommissie omtrent het gevraagde uitstel te beantwoorden. De raadsman van verzoeker had volgens de verwerende partij overigens ook om een uitstel van het getuigenverhoor voor de rechtbank van eerste aanleg kunnen vragen. De verwerende partij wijst er voorts op dat de Toezichtscommissie over een discretionaire bevoegdheid beschikt om een gevraagd uitstel van de hoorzitting al dan niet toe te staan. Het gevraagde uitstel werd besproken op de zitting van de Toezichtscommissie van 21 november 2023. Het werd evenwel niet ingewilligd, daar de vastgestelde feiten een gevaar voor de volksgezondheid betekenden en er ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.248 XII-9918-9/17 duidelijk sprake was van een schending van de voorwaarden opgelegd in de beslissing van de Provinciale Geneeskundige Commissie van West-Vlaanderen van 12 juni 2020. De verwerende partij licht voorts toe dat de Toezichtscommissie gelet op haar “zeer uitgebreide” samenstelling bestaande uit een voorzitter en dertien leden, slechts éénmaal per maand samenkomt. Daar de raadsman van verzoeker in zijn verzoek tot uitstel ook reeds had meegedeeld dat hij evenmin aanwezig zou kunnen zijn in de periode tussen 8 en 15 december 2023, had de zaak al minstens naar de zitting van januari 2024 moeten worden uitgesteld. Bovendien was het op basis van de processen-verbaal in het dossier duidelijk dat verzoeker de voorwaarden waaronder zijn visum werd teruggegeven, had geschonden en dat een onmiddellijke intrekking van zijn visum noodzakelijk was gelet op het gevaar dat hij betekende voor de volksgezondheid, aldus de verwerende partij. Beoordeling 17. De brief van 8 november 2023 waarbij verzoeker wordt opgeroepen om te worden gehoord door de Toezichtscommissie verwijst naar de volgende bepalingen: artikel 45 van de wet van 22 april 2019, dat luidt: “De Toezichtcommissie heeft als opdracht toezicht te houden op de praktijkvoering van de gezondheidszorgbeoefenaars. De Toezichtcommissie is in toepassing van het eerste lid bevoegd om toezicht uit te oefenen op: 1° de fysieke en psychische geschiktheid van de gezondheidszorgbeoefenaars om zonder risico's de uitoefening van hun beroep voort te zetten; […] De Toezichtcommissie kan haar opdracht op volgende wijze uitvoeren: 1° door een systematisch toezicht; 2° door een ad-hoctoezicht:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.