← België

Arrest 266255 - Varia (sociale zaken en volksgezondheid) - 31/03/2026

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 31 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.255 Rolnummer: A. 247253/XII-10031 Zaak: Arrest 266255 - Varia (sociale zaken en volksgezondheid) - 31/03/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-04-07 Raadplegingen: 99 - laatst gezien 2026-06-18 06:44 Fiche Arrest nr 266.255 van 31 maart 2026 Sociale zaken en volksgezondheid - Varia (sociale zaken en volksgezondheid) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 266.255 van 31 maart 2026 in de zaak A. 247.253/XII-10.031 In zake: de NV ONTDEK DE NATUUR gevestigd te 3582 Koersel Bosstraat 183 waar woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie, belast met Duurzame Ontwikkeling bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Sofie Logie en Niels Lemaire kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 3 februari 2026, strekt tot de schor- sing van de tenuitvoerlegging van de “beslissing van de Leidend Ambtenaar van de Juridische Dienst van de FOD Volksgezondheid d.d. 4 december 2025 […] waarbij aan de verzoekende partij een administratieve geldboete van €2.780 wordt opgelegd”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij beschikking van 9 februari 2026 werd de procedurekalender vastgesteld. XII-10.031-1/14 De verwerende partij heeft een nota met opmerkingen en een ad- ministratief dossier ingediend. Eerste auditeur Anja Somers heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 26 maart
  3. Kamervoorzitter Chantal Bamps heeft verslag uitgebracht. Christophe Lemmens, bestuurder, die verschijnt voor de verzoe- kende partij en advocaat Niels Lemaire, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste Anja Somers heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoör- dineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Naar aanleiding van een interne klacht werd er een onderzoek ingesteld naar de verkoop van biociden zonder geldig registratienummer (Scuba- Safe), met name het product TwinOxide, in de winkel Galicia Duikshop (hierna: Galicia Comm.V.). De leverancier blijkt de NV Ontdek de Natuur uit Diest te zijn, zijnde de verzoekende partij. 3.
  6. In het kader van dit onderzoek verricht een technische deskun- dige van de Federale Milieu- Inspectie van de Federale Overheidsdienst XII-10.031-2/14 Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu (FOD VVVL) op 22 mei 2025 een plaatsbezoek bij de Galicia Duikshop. Op 20 juni 2025 wordt er een proces-verbaal SNPS/2025/0023/01/000050 opgesteld wegens een inbreuk op de wet van 21 de- cember 1998 ‘betreffende de productnormen ter bevordering van duurzame pro- ductie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu, de volksge- zondheid en de werknemers’. Het proces-verbaal van vaststelling van dit plaatsbezoek van 20 juni 2025 stelt: “Ik heb eerst een routine controle gedaan in de winkel en nadien de aankoop- facturen van het aan Galicia geleverde product opgevraagd. Na een telefo- nisch gesprek met de manager bezorgde deze mij de aankoopfacturen via mail (bijlage 2). Via de website van twinoxide heb ik kunnen vaststellen dat tabletten Compo- nent A en B dezelfde zijn als deze welke aangeboden in de winkel Duikshop Galicia. [...]. Deze tabletten zijn de precursors : Twinoxide Component A en B voor het erkend biocide Twinoxide 0,3 % oplossing waarvoor een registra- tienummer BE-REG-01897 bestaat en is dus een erkende biocide van het ge- sloten circuit is [...]. Twinoxide 0,3% is een product van het gesloten circuit. Biociden die een groot risico inhouden voor de gezondheid, behoren tot het gesloten circuit. Ze kunnen giftig, kankerverwekkend of schadelijk voor de voortplanting zijn. Daarom zijn deze biociden hoofdzakelijk voorbehouden voor professionele gebruikers. Voor het kopen of gebruiken van biociden van het gesloten circuit geldt er een registratieplicht voor zowel verkoper als gebruikers. Ook moeten verkopers jaarlijks aangeven welke biociden van het gesloten circuit ze verkocht hebben, aan wie en in welke hoeveelheden. Dit gebeur[t] via een database beheerd door de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu. Controle van deze database wees uit dat Ontdek de natuur niet als handelaar of vergunninghouder geregistreerd is (bijlage 5) en dat de transactie van het product Twinoxide 0,3 % niet geregistreerd is geweest. (Bijlage 6) Vaststellingen - Product twinoxide 0,3%: vaststellingen – Op de aankoopfactuur werd niet het nummer van de registratie of van de toelating verleend overeen- komstig de vero[r]dening Biocide. - Product twinoxide 0,3%: vaststellingen – op de aankoopfactuur wordt niet ‘Dit product is een biocide, ingedeeld in het gesloten circuit’ vermeld. - De onderneming Ontdek de natuur is niet geregistreerd als handelaar of vergunningshouder in de database van de FOD Volksgezondheid, Veilig- heid van de Voedselketen en Leefmilieu. XII-10.031-3/14 - De verkoop van het product twinoxide 0,3% werd niet geregistreerd in de database van de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselke- ten en Leefmilieu.” De volgende inbreuken werden vastgesteld: “Product Twinoxide 0,3% is in inbreuk met artikelen 30, §2 , 36 §1, 40, §1 van het Koninklijk besluit van 4 april 2019 betreffende het op de markt aan- bieden en het gebruiken van Biociden.” 3.
  7. Bij aangetekend schrijven van 20 juni 2025 wordt de verzoe- kende partij in kennis gesteld van dit proces-verbaal: “Gelieve in bijlage het proces-verbaal van overtreding terug te vinden, met betrekking tot het product dat u op de markt brengt en dat ik bij controle op 22/05/2025 non-conform heb gevonden. De vastgestelde non-conformiteiten vormen een risico, die door de desbetref- fende wetgeving worden beschermd.” 3.
  8. Op 14 juli 2025 neemt de verwerende partij het voornemen tot het opleggen van een administratieve geldboete. De verzoekende partij krijgt de mogelijkheid om binnen de dertig dagen opmerkingen te maken. 3.
  9. De verzoekende partij bezorgt haar opmerkingen op 14 augustus
  10. Op 3, 6, 13 en 14 november 2025 dient de verzoekende partij nog een aan- vullend verweer in. 3.
  11. Op 4 december 2025 besluit de verwerende partij om het verweer van de verzoekende partij te verwerpen en wordt een administratieve boete van 2780 euro opgelegd, op grond van de volgende overwegingen: “In navolging van onze brief van 14 juli 2025 betreffende proces-verbaal SNPS/2025/0023/01/000050 van 20 juni 2025 wegens inbreuken op de wet van 21 december 1998 betreffende de productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leef- milieu, de volksgezondheid en de werknemers , en waarin wij u om uw ver- weermiddelen vroegen, komen wij bij u terug. Behoudens vergissing van onzentwege, hebben wij geen verweermiddelen ontvangen. Bovendien heeft het proces-verbaal bewijskracht tot het bewijs van het tegen- deel. XII-10.031-4/14 Overwegende dat het bedrag van de administratieve geldboete niet lager mag zijn dan de helft van het minimum van de geldboete bepaald door de overtre- den wettelijke bepaling, noch hoger dan een twintigste van het maximum van deze boete. Overwegende dat het minimum van de strafrechtelijke boete 416 euro is en het maximum 960.000 euro. Gelet op het doel van deze controle zijnde de bescherming van het Leefmi- lieu. Overwegende dat de handels- en vervoerdocumenten het nummer van de re- gistratie of van de toelating verleend overeenkomstig de Verordening Bioci- den van het desbetreffende biocide dient te bepalen. Gelet op het feit dat de aankoopfactuur van het product Twinoxide 0,3% niet het nummer van de registratie of van de toelating verleend overeenkomstig de verordening Biociden vermeldt. Overwegende dat de aankoopfactuur of kasticket ‘Dit product is een biocide, ingedeeld in het gesloten circuit.’ dient te vermelden. Gelet op het feit dat de gecontroleerde aankoopfactuur deze zin niet vermeldt. Overwegende dat wanneer een biocide ingedeeld is in het gesloten circuit, dit op de markt wordt aangeboden door een verkoper die geregistreerd is als ge- registreerde verkoper van biociden. Gelet op het feit dat de onderneming NV Ontdek de natuur niet is geregi- streerd als handelaar of vergunningshouder in de database van de FOD Volks- gezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu. Overwegende dat de geregistreerde verkoper in het onlineregistratiesysteem elk biocide ingedeeld in het gesloten circuit dat hij op de markt aanbiedt moet registreren. Gelet op het feit dat de verkoop van het product Twinoxide 0,3% niet werd geregistreerd in de database van de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu. We hebben uw verklaring goed ontvangen toegevoegd aan het dossier. We hebben aangehaalde conversatie met de helpdesk besproken met een spe- cialist ter zake. Op basis van deze informatie en analyse van het volledige dossier dient on- derstaande redenering gevolgd te worden. Gelet op uw verklaring dient gezegd te worden dat het eerste antwoord (‘Wel, de zaak is reeds besproken intussen,…’) dat wordt aangehaald in de conver- satie wel degelijk gaat over een stof op basis van Chloordioxide. Het tweede antwoord (‘Als hij zijn product louter als reinigingsmiddel wil verkopen, zon- der de minste biocideclaim, dan mag hij dat als dusdanig doen, en heeft hij geen toelating nodig als biocide.’) daarentegen gaat specifiek over een stof op basis van natriumhypochloriet, namelijk javel zoals aangehaald in de con- versatie als voorbeeld (‘Hoe zit dit bijvoorbeeld met de natriumhypochloriet …’). Het is hierbij cruciaal om beide situaties uit elkaar te houden. Javel is een product dat veel kenmerken heeft en voor verschillende doeleinden kan worden gebruikt. Een product op basis van Chloordioxide daarentegen heeft steeds ontsmetting als doel. Daarnaast dient gesteld te worden dat een product met een indirect biocidale werking ook een biocide uitmaakt, ook al wordt dit niet zo geclaimd (Söll case: C-420/10). Hierbij maakt de concentratie van het product geen verschil. Tot slot stelt een ander arrest van het Europese Hof van Justitie (C-29/20) dat een product dat identiek is aan een biocide ook een biocide uitmaakt. Er werd vastgesteld dat de tabletten component A en B dezelfde zijn als dewelke aan- geboden worden in de winkel Duikshop Galicia en die dus door onderneming XII-10.031-5/14 NV Ontdek de natuur werden verkocht. Ondanks dat het verdund kan worden tot een lagere concentratie blijft het product identiek aan de biocide Twinoxide 0,3%. Bijgevolg kan er dus geconcludeerd worden dat het gaat over een biocide in het gesloten circuit. Om deze reden zijn de vaststellingen dan ook een over- treding en is het opleggen van een administratieve geldboete gerechtvaardigd. Conform de procedure

(1)hebben wij beslist een administratieve boete op te leggen van € 2780.” Dit is de bestreden beslissing. IV. Ontvankelijkheid van de vordering
  1. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de verwe- rende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexceptie uitspraak te doen. Een onder- zoek van en een uitspraak over die exceptie zou alleen nodig zijn indien de grond- voorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. V. Schorsingsvoorwaarden
  2. Krachtens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wet- ten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een be- handeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van de bestreden beslissing prima fa- cie kan worden verantwoord. XII-10.031-6/14 VI. Spoedeisendheid Standpunt van de verzoekende partij
  3. De verzoekende partij laat in het verzoekschrift onder het kopje “III. VORDERING TOT SCHORSING Verzoeker vordert de schorsing wegens een moeilijk te herstellen ernstig nadeel”, gelden: “
  4. Financieel: De boete komt bovenop het inkomstenverlies door het han- delsverbod met hoofdklant Galicia. Dit kan de economische groei blijvend fnuiken.
  5. Reputatie: De onterechte stempel ‘illegaal’ leidt tot definitief verlies van contracten (o.a. Galicia Comm.V.).
  6. Onherstelbare Marktschade: De onterechte kwalificatie als ‘illegaal verko- per’ heeft geleid tot de opschorting van onderhandelingen met grote afnemers van Galicia Comm.V sinds mei
  7. Indien de beslissing niet wordt ge- schorst, is dit marktaandeel definitief verloren, zelfs bij latere vernietiging.
  8. Dode stock: Verzoeker zit met een grote hoeveelheid stock, aangelegd voor aan Galicia Comm.V. te verkopen. Deze stock zal na verloop van tijd te oud worden en vernietigd moeten worden. De schade die bij verzoeker en Galicia Comm.V. ontstaat is onaanvaardbaar! Zeker gezien het feit de corrigerende maatregelen ertoe leiden dat Galicia Comm.V. de grondstoffen zelfs niet meer mag gebruiken voor zijn goedgekeurde biocide producten in het buiten- land, is het niet te verantwoorden dat verzoeker en TwinOxide International B.V. een grote hoeveelheid dode stock zouden moeten vernietigen en op- nieuw aanvullen, wanneer het hof over zou gaan tot vernietiging van de ad- ministratieve beslissing.” Beoordeling
  9. Naar eis van artikel 17, § 2, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet de vordering tot schorsing “een uiteenzetting van de feiten [bevatten] die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verant- woorden die ter ondersteuning van deze vordering wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in artikel 4, § 1, eerste lid, 5°, van het koninklijk besluit van 19 november 2024 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding en tot wijziging van diverse besluiten betreffende de procedure voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. Dit houdt in dat het aan verzoeker toevalt aan de zaak eigen, spe- cifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend XII-10.031-7/14 is, gelet op de gevolgen van een – voortdurende – tenuitvoerlegging van de bestre- den beslissing. Voorts kan luidens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördi- neerde wetten op de Raad van State de schorsing op elk moment worden bevolen indien de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nie- tigverklaring en minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onder- zoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van de bestreden akte of het bestreden reglement prima facie kan worden verant- woord. Met deze wijzigingen aan artikel 17 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State beoogt de wetgever de schorsingsprocedure te optimaliseren en maatwerk mogelijk te maken op basis van de spoedeisendheid die in de vordering tot schorsing wordt aangevoerd (Wetsontwerp tot wijziging van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, KAMER, 2022-2023, 14 maart 2023, nr. 55-3220/1, 9). Het is evenwel niet de bedoeling met deze hervorming de strekking te wijzigen van het begrip spoedeisendheid zoals dat thans gedefinieerd is door de rechtspraak van de Raad van State (Wetsontwerp tot wijziging van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, KAMER, 2022- 2023, 14 maart 2023, nr. 55-3220/1, 11). Bijgevolg zal de spoedeisendheid worden vastgesteld wanneer de verzoekende partij het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten om zijn beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen. Wanneer de afde- ling bestuursrechtspraak een vordering tot schorsing verwerpt wegens het gebrek aan spoedeisendheid, kan een nieuwe vordering slechts worden ingediend indien die steunt op nieuwe elementen die de spoedeisendheid van deze vordering recht- vaardigen. De afdeling bestuursrechtspraak kan bovendien een termijn bepalen waarin geen enkele nieuwe vordering tot schorsing of tot het bevelen van voorlo- pige maatregelen kan worden ingediend indien het enige nieuw ingeroepen element bestaat uit het verloop van de tijd (artikel 17, § 2, derde lid, gecoördineerde wetten op de Raad van State). XII-10.031-8/14 Uit wat voorafgaat, volgt dat niet zal volstaan te stellen dat de doorlooptijd van een annulatieprocedure te lang duurt of dat het resultaat van een annulatieprocedure niet kan worden afgewacht.
  10. Zoals onder randnummer 7 wordt aangegeven dient een vorde- ring tot schorsing een uiteenzetting van de feiten te bevatten die, volgens de indie- ner ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van deze vor- dering wordt ingeroepen, wat inhoudt dat het aan de verzoekende partij toevalt aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de gevolgen van een – voortdurende – tenuitvoerleg- ging van de bestreden beslissing en dat zij het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten om haar beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen. Door de verzoekende partij wordt in het verzoekschrift niet als dusdanig een uiteenzetting van de feiten gegeven die de spoedeisendheid moeten verantwoorden, doch wordt erin aangegeven dat de verzoekende partij “de schor- sing [vordert]wegens een moeilijk te herstellen ernstig nadeel”. De Raad van State stelt vast dat de verzoekende partij aldus een moeilijk te herstellen en ernstig nadeel poogt aan te tonen, daartoe vooral de ge- volgen van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing schetsende. Deze al- gemeen geformuleerde toelichting bevat geen uiteenzetting van de spoedeisend- heid, nu zij nalaat aan de hand van overtuigende en verifieerbare stukken aan te tonen waarom zij de vermeende nadelen niet zou kunnen dragen gedurende de pe- riode die een procedure tot nietigverklaring in beslag neemt. Tevens wenst de Raad van State te benadrukken dat de voorwaarde van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel als schorsingsvoorwaarde is verlaten sinds de hervorming van de procedure bij wet van 20 januari 2014 die in werking is getreden op 1 maart
  11. Door gewag te maken van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel, zonder ook maar enige con- crete band te leggen met de spoedeisendheid van de zaak, gaat de voormelde uit- eenzetting voorbij aan de hervorming, ondertussen meer dan tien jaar geleden, van XII-10.031-9/14 de schorsingprocedure. Aan die noodzakelijk concretisering van de spoedeisend- heid komt de verzoekende partij alleszins niet toe door uiteen te zetten dat de schor- sing wordt gevorderd wegens een moeilijk te herstellen ernstig nadeel.
  12. In zoverre kan worden aangenomen dat het betoog van de ver- zoekende partij onder het kopje “III. VORDERING TOT SCHORSING Verzoeker vordert de schorsing wegens een moeilijk te herstellen ernstig nadeel” ter verant- woording van de spoedeisendheid lijkt te zijn aangevoerd, laat zij gelden dat zij inkomstenverlies, verlies van contracten, verlies van marktaandeel en schade door vernietiging van stock zal leiden en beroept zij zich aldus op een financieel-econo- misch nadeel. In de mate dat een verzoekende partij een financieel nadeel aan- voert, dient te worden opgemerkt dat het op zich niet volstaat een dergelijk nadeel in te roepen, om de behandeling bij spoedeisendheid te verantwoorden. Dit is uit- zonderlijk anders, indien bijzondere redenen worden aangevoerd waaruit blijkt dat de omvang van dit financiële nadeel op de situatie van de verzoekende partij een zodanige impact heeft dat zij dit niet kan lijden tot de uitspraak ten gronde. Om de spoedeisendheid aan te tonen, moeten de financiële ge- volgen, zo zij concreet zijn aangetoond, in beginsel onomkeerbaar zijn en moet de omvang cq impact van een financieel en economisch nadeel bijgevolg, om een ge- beurlijke schorsing te verantwoorden, dermate zijn dat een verzoekende partij de duur die een annulatieprocedure in beslag neemt, niet zal kunnen overbruggen. Het financieel nadeel kan derhalve de spoedeisendheid verantwoorden wanneer het be- staan of voortbestaan zelf of, nog, het financieel evenwicht van een rechtspersoon ernstig in gevaar wordt gebracht en een vernietigingsarrest te laat zou komen. Als de activiteiten van de rechtspersoon zelf op een definitieve of op een moeilijk om- keerbare wijze in gevaar worden gebracht, dan geldt dit als een bijzondere reden. Wat dat betreft kan een verzoekende partij er zich niet toe beper- ken te stellen dat zij dit nadeel lijdt, zonder enig gegeven te verstrekken omtrent het bestaan en de omvang ervan. De verzoekende partij dient bijgevolg het bewijs XII-10.031-10/14 aan te brengen, minstens door het voorleggen van concrete argumenten en gege- vens en door het toelichten van de te verwachten gevolgen van de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing en dit alles gestaafd met verifieer- bare overtuigingsstukken. De gegevens en stukken moeten de rechter wel toelaten de spoedeisendheid te verifiëren, wat inhoudt dat de verzoekende partij redelijker- wijze aannemelijk dient te maken dat, gelet op de omvang en impact van de te verwachten financiële gevolgen, de vernietigingsprocedure niet kan worden afge- wacht. Daarbij mag de Raad van State in beginsel alleen rekening houden met het- geen in het verzoekschrift tot schorsing of de daarbij gevoegde stukken wordt uit- eengezet en gestaafd.
  13. De verzoekende partij brengt geen stukken bij waaruit blijkt dat het door haar aangevoerde financieel nadeel van bijzondere aard is waardoor zij de duur van de annulatieprocedure niet zal kunnen overbruggen. Evenmin blijkt uit enig stuk dat de activiteiten van de vennootschap zelf op een ernstige wijze in ge- vaar worden gebracht. Los van de vaststelling dat door de bestreden beslissing enkel een administratieve geldboete van 2780 euro wordt opgelegd en het als weinig geloof- waardig voorkomt dat het voornoemde bedrag op zich genomen op korte termijn zou kunnen leiden tot financiële problemen in hoofde van de verzoekende partij, volstaat de loutere bewering van de verzoekende partij dat i) het inkomstenverlies door het handelsverbod haar economische groei blijvend kan fnuiken; ii) zij onher- stelbare markschade zal lijden en iii) zij een grote hoeveelheid stock heeft aange- legd om aan Galicia Comm.V. te verkopen die na verloop van tijd te oud zal wor- den en vernietigd zal moeten worden, op zich evenmin om aan te tonen dat hierdoor haar activiteiten op een ernstige wijze in gevaar worden gebracht. Temeer nu de verzoekende partij in het verzoekschrift verzuimt dienaangaande enig pertinent overtuigingsstuk bij te brengen. Te dezen brengt de verzoekende partij geen cijfers bij over de impact voor haar ten gevolge van het vermeende “handelsverbod”, noch over haar totale omzet, of over het aandeel van de niet door haar geleverde stock binnen haar totale omzet, noch over inkomsten die mogelijks worden gegenereerd XII-10.031-11/14 uit de omzet van andere producten. De verzoekende partij maakt met het aange- voerde betoog, dat niet is gesteund op enig stavingsstuk ter zake, bijgevolg geens- zins aannemelijk dat haar activiteiten op een ernstige wijze in gevaar worden ge- bracht door de bestreden beslissing en dat zij niet in de mogelijkheid is om de duur van de annulatieprocedure te overbruggen. Uit het betoog van de verzoekende partij blijkt evenmin dat haar financiële toestand zich überhaupt zo manifesteert dat zij het mogelijk verlies van een, weliswaar niet nader door haar bepaalde, omzet niet tijdelijk kan overbruggen. Haar louter geponeerde standpunt, geeft daartoe op generlei wijze enig inzicht. Zij betoogt enkel dat er een handelsverbod is dat haar economische groei blijvend kan fnuiken en dat zij een grote hoeveelheid stock heeft aangelegd die na verloop van tijd te oud zal worden en vernietigd zal moeten worden, maar geeft geen verdere uiteenzetting over onder meer haar vaste kosten, afschrijvingen, schulden, noch over haar reserves en liquide middelen. Het komt niet toe aan de Raad van State om de jaarrekening van de verzoekende partij uit te pluizen en zelf op zoek te gaan naar de elementen die erop wijzen dat een vermeend omzetverlies op korte termijn in ernstige mate nefast is voor de financiële toestand van de verzoekende partij.
  14. In zoverre de verzoekende partij zich beroept op reputatieschade en in het bijzonder op het gegeven dat “de onterechte stempel ‘illegaal’ leidt tot definitief verlies van contracten”, tracht zij aan te tonen dat de bestreden beslissing haar moreel schaadt. De verzoekende partij maakt met deze loutere bewering, die op generlei wijze wordt gestaafd met concrete gegevens of overtuigende argumen- ten, evenwel niet aannemelijk dat die morele schade van die aard is dat de bestreden beslissing, in afwachting van een uitspraak ten gronde, haar in een schadelijke toe- stand brengt die niet te verdragen valt. Het volstaat immers niet te wijzen op de nadelige gevolgen van de bestreden beslissing en te stellen dat enkel een schorsing dit moreel nadeel ongedaan kan maken en haar naam opnieuw kan zuiveren. Te- vens moet worden aangetoond dat de nadelen van dien aard en omvang zijn dat de verzoekende partij ze niet kan lijden totdat over de procedure ten gronde van de zaak uitspraak wordt gedaan en zulks los van de vraag of de ingeroepen XII-10.031-12/14 reputatieschade van dien aard is dat een eventueel later tussen te komen vernieti- gingsarrest niet voldoende genoegdoening zou kunnen verschaffen.
  15. De door de verzoekende partij aangevoerde argumenten in het verzoekschrift, doen bijgevolg niet blijken dat zij zich thans in een toestand zou bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen ten gevolge van de tenuitvoer- legging van de bestreden beslissing. Uit wat voorafgaat volgt dat de verzoekende partij niet overtuigt dat de aangevoerde nadelen veroorzaakt door de bestreden beslissing van dien aard zijn dat het inhoudt dat zij daardoor niet de procedure ten gronde kan afwachten. VII. Conclusie
  16. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewe- zen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. XII-10.031-13/14 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op eenendertig maart tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Chantal Bamps, kamervoorzitter, bijgestaan door Ilse Anné, griffier. De griffier De voorzitter Ilse Anné Chantal Bamps XII-10.031-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.255 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.