id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 april 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.270 Rolnummer: A. 243303/VII-42686 Zaak: Arrest 266270 - Natuurbehoud - Vergunningen - 02/04/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-04-10 Raadplegingen: 112 - laatst gezien 2026-06-18 06:45 Fiche Arrest nr 266.270 van 2 april 2026 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Natuurbehoud - Vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 266.270 van 2 april 2026 in de zaak A. 243.303/VII-42.686 In zake : de NV LIBERTY bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Isabelle Larmuseau kantoor houdend te 9940 Evergem Dellaertsdreef 9 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Steve Ronse en Thomas Quintens kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 24 oktober 2024, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van het afdelingshoofd van de afdeling Beleidsontwikkeling en Juridische Ondersteuning van het departement Omgeving van de verwerende partij van 16 september 2024, houdende het niet ontvankelijk verklaren van het beroep van de verzoekende partij tegen de beslissing van OVAM van 17 april 2024 dat het bodemsaneringsproject “Gewijzigd bodemsaneringsproject, Vlabotex vzw, Leo Duboisstraat 33 te 9280 Lebbeke” opgesteld in opdracht van de vzw Vlabotex, conform verklaart met de bepalingen van het bodemdecreet van 27 oktober
- VII-42.686-1/14 II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft op 30 juni 2025 een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 maart
- Staatsraad Francis Van Nuffel heeft verslag uitgebracht. Advocaat Celine Van De Velde, die loco advocaten Steve Ronse en Thomas Quintens verschijnt voor de verwerende partij, is gehoord. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De verzoekende partij is eigenares van een perceel gelegen aan de Leo Duboisstraat 35 te Lebbeke. Op het aangrenzende perceel, Leo Duboisstraat 33, wordt een droogkuis uitgebaat. VII-42.686-2/14 3.
- In opdracht van de vzw Vlabotex wordt op het aangrenzende perceel een beschrijvend bodemonderzoek uitgevoerd, waaruit blijkt dat de historische bodemverontreiniging die op dat perceel is ontstaan, zich heeft verspreid naar het perceel van de verzoekende partij. De bodemsaneringsdeskundige besluit op basis van de resultaten van het beschrijvend bodemonderzoek dat de bodemverontreiniging een ernstige bedreiging vormt en bijgevolg moet gesaneerd worden. 3.
- In opdracht van de vzw Vlabotex wordt een bodemsaneringsproject opgesteld, dat door de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij (hierna: OVAM) op 2 mei 2022 conform wordt verklaard met de bepalingen van het decreet van 27 oktober 2006 ‘betreffende de bodemsanering en de bodembescherming’ (hierna: bodemdecreet). De verzoekende partij stelt een bestuurlijk beroep in tegen de beslissing van OVAM van 2 mei
- Bij besluit van 12 september 2022 verklaart de Vlaamse minister, bevoegd voor omgeving, het bestuurlijk beroep gegrond en wordt het bodemsaneringsproject niet conform verklaard met de bepalingen van het bodemdecreet. 3.
- In opdracht van de vzw Vlabotex wordt op 23 januari 2024 een gewijzigd bodemsaneringsproject opgesteld, en vervolgens bij OVAM ingediend. In het kader van het openbaar onderzoek dat over dit bodemsaneringsproject wordt georganiseerd, bezorgt de verzoekende partij op 13 maart 2024 aan het college van burgemeester en schepenen een bezwaarschrift. Op 17 april 2024 verklaart OVAM het gewijzigd bodemsaneringsproject conform met de bepalingen van het bodemdecreet. 3.
- De verzoekende partij beweert dat zij pas naar aanleiding van een bericht van de vzw Vlabotex van 30 augustus 2024 op de hoogte werd gesteld van de beslissing van OVAM tot conformverklaring van 17 april
- Op 6 september 2024 stelt zij tegen die beslissing een bestuurlijk beroep in. VII-42.686-3/14 3.
- Het bestreden besluit verklaart het bestuurlijk beroep van de verzoekende partij niet ontvankelijk. Het steunt op volgende motieven: “Om de ontvankelijkheid, en in het bijzonder de tijdigheid, van dit beroep te beoordelen, heeft de afdeling Beleidsontwikkeling en Juridische Ondersteuning van het Departement Omgeving bij e-mail van 10 september 2024 informatie opgevraagd bij de OVAM. De OVAM bezorgde informatie bij e-mail van 10 september
- De OVAM stelt in voormelde e-mail van 10 september 2024 dat er in het kader van het betreffende bodemsaneringsproject op het perceel 300 E 2 (Leo Duboisstraat 35 - eigendom van NV Liberty) geen werken gepland zijn die noodzakelijk zijn voor de uit te voeren bodemsanering. De OVAM verwijst hiervoor tevens naar het overzicht uit het bodemsaneringsproject met de te saneren percelen waarop wel of geen werken plaatsvinden, als bijlage gevoegd bij haar e-mail van 10 september
- Uit de bijgevoegde tabel ‘Tabel I-3: Identificatie van de te saneren percelen waar geen werken op plaatsvinden’ van het betreffende gewijzigd bodemsaneringsproject, blijkt dat perceel 300 E 2 hierin vermeld is. Dat op perceel 300 E 2 geen bodemsaneringswerken zullen uitgevoerd worden, blijkt tevens uit volgende vermelding op pagina 2 van het conformiteitsattest bodemsaneringsproject van 17 april 2024: ‘(…) Specifiek worden per perceel volgende werkzaamheden uitgevoerd: Perceel 303N (Leo Duboisstraat 33+ - bronperceel) Op dit perceel vindt de actieve bodemsanering plaats door middel van bodemluchtextractie bij verlaagde grondwaterstand. Aansluitend wordt een gestimuleerde biologische afbraak voorzien. Nadien wordt een grondwatermonitoring voorzien. Op dit perceel bevinden zich tevens 5 peilbuizen die gebruikt zullen worden voor de monitoring van de grondwaterkwaliteit. Perceel 300E2 (Leo Duboisstraat 35 - verspreidingsperceel) Op dit perceel zijn geen actieve bodemsaneringswerken voorzien. (…)’. Weliswaar vermeldt pagina 1 van voormeld conformiteitsattest bodemsaneringsproject van 17 april 2024 het perceel 300 E 2 bij de ‘kadastrale gegevens van de te saneren gronden’. Doch een samenlezing van pagina 2 van dit conformiteitsattest bodemsaneringsproject en voormelde tabel ‘Tabel I-3: Identificatie van de te saneren percelen waar geen werken op plaatsvinden’ zoals opgenomen in het gewijzigd bodemsaneringsproject zelf, doen besluiten dat op perceel 300 E 2, eigendom van NV Liberty, geen bodemsaneringswerken zullen plaatsvinden. […] Artikel 88, §2 van het besluit van de Vlaamse regering van 14 december 2007 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering en de bodembescherming (VLAREBO-besluit van 14 december 2007) luidt als volgt: ‘De OVAM brengt het conformiteitsattest van het bodemsaneringsproject ter kennis van de volgende personen of instanties: VII-42.686-4/14 1° de saneringsplichtige; 2° de opdrachtgever van het bodemsaneringsproject; 3° de eigenaars en gebruikers van gronden waarop werken zullen plaatsvinden die noodzakelijk zijn om de bodemsanering uit te voeren; 4° het college van burgemeester en schepenen van de gemeente waar de gronden gelegen zijn waarop de bodemsaneringswerken zullen worden uitgevoerd; 5° de andere overheidsorganen, vermeld in artikel 83 tot en met 85, die advies hebben uitgebracht; 6° de Vlaamse administratie bevoegd voor milieu-inspectie. Op bevel van de burgemeester wordt het conformiteitsattest binnen een termijn van tien dagen na de ontvangst ervan bekendgemaakt door aanplakking van een bericht op de plaats waar de bodemsaneringswerken gepland zijn, alsook op de plaatsen die voorbehouden zijn voor de officiële berichten van bekendmaking, en gedurende dertig dagen ter inzage gelegd bij de diensten van het gemeentebestuur.’ Aangezien de NV Liberty geen eigenaar is van een grond waarop werken zullen plaatsvinden die noodzakelijk zijn om de bodemsanering uit te voeren, diende de OVAM haar het conformiteitsattest van het bodemsaneringsproject niet ter kennis te brengen overeenkomstig artikel 88, §2 van het VLAREBO-besluit van 14 december
- Bijgevolg dient de NV Liberty gekwalificeerd te worden bij ‘De personen die aangewezen zijn op de bekendmaking via aanplakking’. Die personen kunnen beroep indienen binnen dertig dagen na de eerste dag van de aanplakking van de beslissing (artikel 147 van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006). Uit de informatie die de OVAM heeft bezorgd bij voormelde e-mail van 10 september 2024 blijkt dat […]. Derhalve dient besloten te worden dat de bekendmaking van het conformiteitsattest bodemsaneringsproject door de gemeente Lebbeke wel degelijk heeft plaatsgevonden en dat op 25 april
- Overeenkomstig artikel 147 van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006 moet in geval van bekendmaking via aanplakking beroep ingediend worden binnen dertig dagen na de eerste dag van de aanplakking van de beslissing. Voorliggend beroep werd ingediend via een aangetekende brief met ontvangstbewijs met als poststempel 6 september
- De beroepstermijn is dus ruimschoots overschreden. De NV Liberty heeft bovendien haar maatschappelijke zetel te 9280 Lebbeke, Leo Duboisstraat 35, dit is aanpalend aan de grond waarvoor het betreffende gewijzigd bodemsaneringsproject is opgemaakt. Dit gewijzigd bodemsaneringsproject heeft als titel ‘Gewijzigd bodemsaneringsproject, Vlabotex vzw, Leo Duboisstraat 33 te 9280 Lebbeke’ en is opgemaakt voor (onder andere) de grond gelegen aan de Leo Duboisstraat 33 te Lebbeke. Gelet op het voormelde kan de NV Liberty zich dus niet beroepen op het feit dat zij pas op 30 augustus 2024 het conformiteitsattest voor het bodemsaneringsproject meegedeeld kreeg. Zij verwijst hiervoor naar […] een e-mail van Vlabotex van 30 augustus
- Uit het conformiteitsattest bodemsaneringsproject van 17 april 2024 blijkt bovendien het volgende: ‘Op 5 februari 2024 werden de eigenaars en gebruikers van de gronden VII-42.686-5/14 waarop werkzaamheden noodzakelijk zijn op de hoogte gebracht dat een ontvankelijk en volledig bodemsaneringsproject werd ingediend en van hun mogelijkheid om eventuele bezwaren of opmerkingen aan de OVAM mee te delen. Op 5 februari 2024 verzocht de OVAM het bestuur van de gemeente Lebbeke om een openbaar onderzoek te organiseren. Dit openbaar onderzoek werd door de gemeente gehouden gedurende de periode van 16 februari 2024 tot en met 17 maart
- In het kader van het openbaar onderzoek of rechtstreeks bij de OVAM werd 1 bezwaar ingediend. Dit bezwaar wordt als volgt geëvalueerd: - Namens Liberty nv, met maatschappelijke zetel gevestigd aan de Leo Duboisstraat 35 te 9280 Lebbeke, diende […] een bezwaarschrift in: (…)’ […] De NV Liberty was er dus van op de hoogte dat er een bodemsaneringsproject was ingediend dat ontvankelijk en volledig bevonden was door de OVAM. Zij heeft immers een bezwaar ingediend. Bijgevolg mag dus aangenomen worden dat de NV Liberty er ook van op de hoogte was dat de OVAM zich zou uitspreken over de conformiteit van het bodemsaneringsproject. Wij dienen dan ook te besluiten dat het beroep dat u instelde laattijdig is en dus niet ontvankelijk is.” IV. Onderzoek van het middel tot nietigverklaring Uiteenzetting van het middel
- De verzoekende partij voert de schending aan van: - artikel 146, eerste lid, 1°, artikel 147, tweede lid, en artikel 51, in fine, van het bodemdecreet, gelezen in samenhang met artikel 88, § 2, eerste lid, 3°, van het besluit van de Vlaamse regering van 14 december 2007 ‘houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering en de bodembescherming’ (hierna: Vlarebo); - het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel, de hoorplicht en de materiëlemotiveringsplicht als algemene beginselen van behoorlijk bestuur; - de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: motiveringswet). VII-42.686-6/14 Zij vraagt daarbij om artikel 159 van de Grondwet toe te passen ten aanzien van: - de ‘standaardprocedure bodemsaneringsproject en beperkt bodemsaneringsproject in het kader van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006’, vastgesteld bij besluit van de Vlaamse minister van Justitie, Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme van 6 september 2021, en gewijzigd bij besluit van 11 januari 2022, - de met de standaardprocedure samenhangende codes van goede praktijk, wegens schending van de artikelen 3, §§1 en 2, 21, § 1, 47, 47bis, 48, 49, 50, § 1, en 150, § 1, van het bodemdecreet en de artikelen 48, 49 en 88, § 1, eerste lid, van Vlarebo, gelezen in samenhang met de artikelen 4.1.1, § 1, 4° en 7°, 4.1.4, §§ 1, 2 en 3, 4.2.1, eerste lid, en 4.2.3, §§ 1 en 2, van het decreet van 5 april 1995 ‘houdende de algemene bepalingen inzake milieubeleid’ (hierna: DABM), die de omzetting in Vlaamse regelgeving zijn van de artikelen 1, 2, a), 3, lid 1 en lid 2, a, van de richtlijn 2001/42/EG van 27 juni 2001 ‘betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s’ (hierna: plan- MER-richtlijn).
- De verzoekende partij voert aan dat de beslissing om haar bestuurlijk beroep niet ontvankelijk te verklaren steunt op overwegingen die feitelijk en juridisch onjuist, en dus niet draagkrachtig zijn, nu de verwerende partij - als overheid die zorgvuldig en redelijk moet handelen - miskent dat: - OVAM reeds in 2022 het bezwaar van de verzoekende partij tegen het bodemsaneringsproject heeft genegeerd, wat heeft geleid tot de niet- conformverklaring van het bodemsaneringsproject in graad van beroep, en wat in 2024 met betrekking tot het zogenaamd gewijzigde maar nog steeds identieke bodemsaneringsproject een schaduw werpt op de louter eenzijdige informatiegaring bij OVAM zonder wederwoord van de verzoekende partij; - de verzoekende partij eigenares is van een te saneren verspreidingsperceel waar een extreem hoge concentratie tetrachlooretheen werd aangetroffen; - de extreem hoge concentratie tetrachlooretheen een grondwaterverlaging noodzaakt met een aanzienlijke invloed op het perceel van de verzoekende VII-42.686-7/14 partij, wat blijkt uit de bemalingsstudie die bij het bodemsaneringsproject is gevoegd en uit de stabiliteitsstudie die bij het bodemsaneringsproject is gevoegd, waarin is bepaald dat het te saneren verspreidingsperceel van de verzoekende partij zich binnen de invloedstraal van de bemaling bevindt, en zich eveneens in de kernzone van de verontreiniging bevindt waar een maximale vuilvrachtverwijdering moet worden uitgevoerd; - de vzw Vlabotex begin 2023 in het pand van de verzoekende partij wou laten boren omdat het te saneren verspreidingsperceel zich in de kernzone van de verontreiniging bevindt waar een maximale vuilvrachtverwijdering moet worden uitgevoerd, wat door de verzoekende partij werd geweigerd omdat de terugsaneerwaarden in het bodemsaneringsproject zodanig hoog zijn dat haar perceel geenszins zal worden gesaneerd; - de in strijd met de Kaderrichtlijn Water in het bodemsaneringsproject bepaalde terugsaneerwaarden een puur mathematisch gegeven zijn; - uit de op 30 augustus 2024 aan de verzoekende partij gerichte uitnodiging van de vzw Vlabotex om deel te nemen aan de startvergadering over de bodemsanering blijkt dat de grondwaterverlaging met aanzienlijke invloed op perceel 300 E 2 ook voor de vzw Vlabotex en alle andere betrokkenen kwalificeert als een ‘actief bodemsaneringswerk’ op perceel 300 E 2; - de kritiek van de verzoekende partij op het gewijzigde bodemsaneringsproject erin bestaat dat de voorgestelde bodemsanering, ingevolge de hoge terugsaneerwaarden, niet in lijn is met de resultaatsverplichtingen van de Kaderrichtlijn Water, en de door de verzoekende partij aangevoerde argumentatie niet ertoe mag leiden dat de verzoekende partij het recht verliest om overeenkomstig artikel 88, § 2, eerste lid, 3°, van Vlarebo in kennis te worden gesteld van een voor haar nadelig conformiteitsattest bodemsaneringsproject; - het op 17 april 2024 door OVAM conform verklaarde bodemsaneringsproject niets bepaalt over de door de droogkuis veroorzaakte PFAS-verontreiniging, en het conformverklaarde bodemsaneringsproject evenmin PFAS-lozingsnormen oplegt, waardoor de aanwezige PFAS-verontreiniging door de grondwaterverlaging illegaal wordt rondgepompt en afgewenteld op oppervlaktewaterlichamen, en het VII-42.686-8/14 onzeker is of voor de PFAS-verontreiniging van de droogkuis een ‘actief bodemsaneringswerk’ op perceel 300 E 2 noodzakelijk is, in welk geval de verzoekende partij overeenkomstig artikel 88, § 2, eerste lid, 3°, van Vlarebo in kennis moest worden gesteld; - artikel 21, § 1, van het bodemdecreet richtlijnconform en in lijn met de doelstellingen van artikel 3, §§1 en 2, van het bodemdecreet moet worden uitgelegd met respect voor de milieukwaliteitsnormen voor de Europees beschermde grondwater- en oppervlaktewaterlichamen, en geen grondslag biedt om een inbreuk te plegen op de in de Vlaamse regelgeving omgezette richtlijnen 2001/42 en 2000/60/EG, en de onwettige standaardprocedure er niet toe mag leiden dat de verzoekende partij het recht verliest om overeenkomstig artikel 88, § 2, eerste lid, 3°, van Vlarebo in kennis te worden gesteld van een voor haar nadelig conformiteitsattest bodemsaneringsproject. De verzoekende partij besluit dat zij wel degelijk kwalificeert als de in artikel 88, § 2, eerste lid, 3°, van Vlarebo genoemde en bedoelde “eigenaar van grond waarop werken zullen plaatsvinden die noodzakelijk zijn om de bodemsanering uit te voeren” aan wie OVAM het op 17 april 2024 verleende conformiteitsattest bodemsaneringsproject ter kennis moest brengen, zodat haar beroep tegen het conformiteitsattest ontvankelijk moest worden verklaard. Met betrekking tot de opgeworpen exceptie van onwettigheid licht de verzoekende partij nog toe dat de standaardprocedure voor het bodemsaneringsproject en de daarmee samenhangende codes van goede praktijk een ‘plan’ uitmaken in de zin van artikel 4.1.1, § 1, 4°, DABM, dat het kader vormt voor de toekenning van een vergunning voor een project zoals bedoeld in artikel 4.2.3, § 2, 1°, DABM, zodat het moest onderworpen worden aan milieueffectrapportage alvorens het kon worden goedgekeurd. De verzoekende partij leidt hieruit af dat voormelde standaardprocedure en codes van goede praktijk geen basis kunnen vormen voor de op 17 april 2024 door OVAM verleende conformverklaring van het bodemsaneringsproject. VII-42.686-9/14 De verzoekende partij voert daarbij nog aan dat deze milieueffectrapportage gepaard moet gaan met een “Kaderrichtlijn Water”-toets, wat volgens haar inhoudt dat de Vlaamse regering geen plan in de zin van de plan- MER-richtlijn kan vaststellen dat leidt tot een achteruitgang van de kwaliteit van een oppervlakte- of grondwaterlichaam of dat het tijdig bereiken van de goede toestand van het oppervlakte- of grondwaterlichaam in gevaar brengt, en zich met name moet onthouden van maatregelen die de verwezenlijking van het door de Kaderrichtlijn Water en de Vlaamse omzettingsregels voorgeschreven resultaat, met name het bereiken van de ‘goede toestand’ vanaf 22 december 2027, ernstig in gevaar brengen. Beoordeling
- Artikel 146 van het bodemdecreet bepaalt dat alle belanghebbenden bij de Vlaamse regering beroep kunnen indienen tegen de beslissingen van OVAM tot conformverklaring van een bodemsaneringsproject. Artikel 147, tweede lid, van het bodemdecreet vervolgt: “Het beroep wordt, op straffe van niet-ontvankelijkheid, ingediend binnen dertig dagen na de kennisgeving van het conformiteitsattest door de OVAM overeenkomstig de bepalingen, vastgesteld krachtens artikel
- De personen die aangewezen zijn op de bekendmaking via aanplakking, kunnen beroep indienen binnen dertig dagen na de eerste dag van de aanplakking van de beslissing overeenkomstig de bepalingen, vastgesteld krachtens artikel 51.” De “bepalingen, vastgesteld krachtens artikel 51” zijn de nadere regelen betreffende de conformverklaring van het bodemsaneringsproject en de kennisgeving van die beslissing, die door de Vlaamse regering zijn vastgesteld in het Vlarebo. Artikel 88, § 2, van Vlarebo luidt: “De OVAM brengt het conformiteitsattest van het bodemsaneringsproject ter kennis van de volgende personen of instanties: 1° de saneringsplichtige; 2° de opdrachtgever van het bodemsaneringsproject; 3° de eigenaars en gebruikers van gronden waarop werken zullen VII-42.686-10/14 plaatsvinden die noodzakelijk zijn om de bodemsanering uit te voeren; 4° het college van burgemeester en schepenen van de gemeente waar de gronden gelegen zijn waarop de bodemsaneringswerken zullen worden uitgevoerd; 5° de andere overheidsorganen, vermeld in artikel 83 tot en met 85, die advies hebben uitgebracht; 6° de Vlaamse administratie bevoegd voor milieu-inspectie. Op bevel van de burgemeester wordt het conformiteitsattest binnen een termijn van tien dagen na de ontvangst ervan bekendgemaakt door aanplakking van een bericht op de plaats waar de bodemsaneringswerken gepland zijn, alsook op de plaatsen die voorbehouden zijn voor de officiële berichten van bekendmaking, en gedurende dertig dagen ter inzage gelegd bij de diensten van het gemeentebestuur.”
- OVAM heeft het conformiteitsattest van 17 april 2024, dat betrekking heeft op het gewijzigd bodemsaneringsproject dat op 23 januari 2024 in opdracht van de vzw Vlabotex werd opgesteld, niet ter kennis gebracht van de verzoekende partij. Volgens de verzoekende partij dient zij echter beschouwd te worden als eigenaar van een grond “waarop werken zullen plaatsvinden die noodzakelijk zijn om de bodemsanering uit te voeren”, zodat OVAM op grond van artikel 88, § 2, eerste lid, 3°, van Vlarebo ertoe gehouden was haar het conformiteitsattest ter kennis te brengen.
- De bodemsaneringswerken die worden voorzien in het gewijzigd bodemsaneringsproject van 23 januari 2024 vereisen geen toegang tot de grond van de verzoekende partij. Alle werkzaamheden worden voorzien op het aangrenzend perceel, het bronperceel van de verontreiniging. De grond van de verzoekende partij is bijgevolg geen grond “waarop werken zullen plaatsvinden die noodzakelijk zijn om de bodemsanering uit te voeren”.
- De vraag welke de gronden zijn “waarop werken zullen plaatsvinden die noodzakelijk zijn om de bodemsanering uit te voeren” dient beoordeeld te worden aan de hand van de beschrijving van de uit te voeren werken in het conformverklaarde bodemsaneringsproject. De kritiek van de verzoekende partij dat die werken onvoldoende zouden zijn om de (PFAS-)verontreiniging correct te saneren, en dat een correcte sanering ook werken zou vereisen op haar grond, belangt de grond van de zaak aan en kan niet ertoe leiden dat OVAM VII-42.686-11/14 verplicht wordt het conformiteitsattest ook ter kennis te brengen van de verzoekende partij.
- De omstandigheid dat de verontreiniging die het voorwerp uitmaakt van de bodemsanering zich verspreid heeft naar de grond van de verzoekende partij, betekent niet dat het gaat om een grond waarop werken zullen plaatsvinden in de zin van artikel 88, § 2, eerste lid, 3°, van Vlarebo, ook niet wanneer er ten gevolge van de voorziene bodemsaneringswerken fysische wijzigingen kunnen optreden van die grond zoals een verlaging van de grondwaterstand. Dergelijke fysische invloeden van bodemsaneringswerken kunnen immers niet worden gelijkgesteld met de uitvoering van de bodemsaneringswerken zelf.
- In het bestreden besluit wordt dan ook correct besloten dat het conformiteitsattest door OVAM niet ter kennis moest gebracht worden van de verzoekende partij, zodat de verzoekende partij aangewezen was op de bekendmaking via aanplakking. Het bestuurlijk beroep dat meer dan dertig dagen na de eerste dag van de aanplakking werd ingediend, werd dan ook terecht niet ontvankelijk verklaard. Het bestreden besluit miskent noch de artikelen 146, 147, tweede lid, en 51 van het bodemdecreet, noch artikel 88, § 2, eerste lid, 3°, van Vlarebo. Met de in het bestreden besluit uiteengezette motieven worden de juiste feitelijke en juridische elementen aangehaald die de bestreden beslissing schragen. Die elementen vinden steun in het administratief dossier. De aangevoerde schending van de bepalingen van de motiveringswet en van de materiëlemotiveringsplicht is ongegrond.
- De hoorplicht is een beginsel van behoorlijk bestuur op grond waarvan tegen niemand een maatregel kan worden genomen die gegrond is op zijn persoonlijk gedrag en die zijn belangen zwaar kan treffen, zonder dat hem vooraf de gelegenheid wordt gegeven zijn standpunt uiteen te zetten en op nuttige wijze voor zijn belangen op te komen. VII-42.686-12/14 De beslissing om het bestuurlijk beroep niet ontvankelijk te verklaren op grond van artikel 147, tweede lid, van het bodemdecreet, is geen maatregel waarop de hoorplicht van toepassing is. In zoverre de verzoekende partij aanvoert dat het de verwerende partij behoorde om haar te horen alvorens het bestreden besluit te nemen, is haar kritiek ongegrond.
- De overige kritiek die door de verzoekende partij wordt ontwikkeld, heeft betrekking op de gegrondheid van haar bestuurlijk beroep tegen de conformverklaring van het gewijzigd bodemsaneringsproject. Noch het zorgvuldigheidsbeginsel, noch het redelijkheidsbeginsel, vereisen dat het bestuur de in artikel 147, tweede lid, van het bodemdecreet voorziene sanctie van de niet- ontvankelijkheid van het bestuurlijk beroep, zou terzijde stellen wanneer er gegronde redenen zouden zijn om het bestuurlijk beroep gegrond te verklaren. De ‘standaardprocedure bodemsaneringsproject en beperkt bodemsaneringsproject’ en de met de standaardprocedure samenhangende codes van goede praktijk maken niet de grondslag uit van het bestreden besluit. De exceptie van onwettigheid die de verzoekende partij ten aanzien van deze teksten opwerpt, mist dan ook elk doel.
- In zoverre het ontvankelijk is, is het enige middel ongegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. VII-42.686-13/14 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op twee april tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Francis Van Nuffel, staatsraad, Frédéric Vanneste, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-42.686-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.270 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div