id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 april 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.279 Rolnummer: Zaak: Arrest 266279 - Reglementen (sociale zaken en volksgezondheid) - 02/04/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-04-03 Raadplegingen: 99 - laatst gezien 2026-06-18 06:44 Fiche Arrest nr 266.279 van 2 april 2026 Sociale zaken en volksgezondheid - Reglementen (sociale zaken en volksgezondheid) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.279 no lien 288564 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 266.279 van 2 april 2026 in de zaken A. 227.516/XII-9725 (I.) A. 227.518/XII-9726 (II.) In zake : I. + II.
(6)de vergoedingscriteria voor onderhoud en herstelling. B.5.2. Aldus wordt door het decreet van 18 mei 2018 op duidelijke wijze het onderwerp aangegeven van de maatregelen die door de Vlaamse Regering ten uitvoer dienen te worden gelegd. B.5.3. Bovendien kon de decreetgever, door zulk een delegatie te verlenen, de Vlaamse Regering niet machtigen om bepalingen aan te nemen die zouden leiden tot een schending van het grondwettelijk recht op sociale zekerheid. Het komt de bevoegde rechter toe na te gaan of de Vlaamse Regering op een al dan niet wettige wijze gebruik heeft gemaakt van de delegatie die haar werd verleend. B.5.4. In zoverre de prejudiciële vragen voor het overige betrekking hebben op de onmiddellijke toepassing van het door de Vlaamse Regering bepaalde bedrag van de tegemoetkoming op de lopende huurcontracten voor mobiliteitshulpmiddelen evenals op een delegatie door de Vlaamse Regering aan de minister om de omvang van die tegemoetkomingen te bepalen, ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.279 XII-9725-9726-12/29 betreffen zij de uitvoering van de in het geding zijnde bepalingen, die niet onder de bevoegdheid van het Hof valt. B.6. Gelet op het voorgaande is artikel 107 van het decreet van 18 mei 2018 bestaanbaar met artikel 23 van de Grondwet.” B. Tweede middel in beide zaken Uiteenzetting van het middel 6. In het voornoemde arrest nr. 258.931 wordt het tweede middel als volgt weergegeven: “24. De verzoekende partijen voeren in het verzoekschrift de schending aan van artikel 23 van de Grondwet en het erin verankerde legaliteitsbeginsel, alsook van de artikelen 33, 105 en 108 van de Grondwet, io de artikelen 20 en 78 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 ‘tot hervorming der instellingen’ en van het redelijkheidsbeginsel. Na een algemene toelichting van de bepalingen en beginselen waarop het middel steunt, doen de verzoekende partijen gelden dat het decreet van 18 mei 2018 ‘houdende de Vlaamse sociale bescherming’ (hierna: het decreet van 18 mei 2018) het legaliteitsbeginsel schendt. Zij voeren aan dat dit decreet ‘bulkt van machtigingen aan de Vlaamse regering’, waarbij zij ‘er enkele uit[pikken]’, met name de door hen geciteerde artikelen 108, 107, eerste lid, 2, laatste lid, 57, 60 en 61 van dat decreet. Volgens de verzoekende partijen maken deze bepalingen ‘meteen duidelijk dat zeer ruime, nagenoeg onbeperkte machtigingen aan de Vlaamse regering werden verleend.’ De aangelegenheden betreffen evenwel sociale rechten waarvan de regeling, op grond van het legaliteitsbeginsel vervat in artikel 23 van de Grondwet, in beginsel door de decreetgever zelf moet gebeuren. Dit beginsel is weliswaar enigszins genuanceerd en het is niet geheel verboden bepaalde machtigingen aan de regering te geven, maar het staat vast dat het niet zonder meer aan de regering kan worden overgelaten om de draagwijdte, de toekenningsvoorwaarden en het personele toepassingsgebied van de sociale rechten te bepalen. Dit is volgens de verzoekende partijen echter precies wat de decreetgever in het decreet van 18 mei 2018 heeft gedaan. Volgens hen zijn elementen zoals het bedrag van de tegemoetkomingen voor mobiliteitshulpmiddelen, de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan opdat een tegemoetkoming voor een mobiliteitshulpmiddel kan worden verleend, zonder twijfel essentieel voor het sociale beschermingsbeleid die niet aan de regering gedelegeerd kunnen worden. De verzoekende partijen betogen dat het aan de decreetgever is om voor dergelijke elementen de beleidskeuzes te maken en de fundamentele beginselen vast te leggen, zodat duidelijk is welke criteria gevolgd moeten worden voor de verdere uitwerking. De decreetgever heeft te dezen echter geen enkel criterium bepaald. De bepaling van de omvang en voorwaarden voor de tegemoetkoming voor mobiliteitshulpmiddelen wordt volledig overgelaten aan de Vlaamse regering – die dit verder gedelegeerd heeft aan de minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, zie infra derde middel – terwijl van dergelijke essentiële elementen vereist is dat de decreetgever deze zelf vaststelt. Enkel ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.279 XII-9725-9726-13/29 de detailmatige uitwerking kan worden overgelaten aan de regering. Daartoe is een nauwkeurig omschreven machtiging noodzakelijk. De machtigingen die de decreetgever in het decreet van 18 mei 2018 aan de Vlaamse regering geeft zijn echter allesbehalve nauwkeurig. Het gaat niet over de detailmatige uitwerking van een regeling waarvan de decreetgever reeds de essentiële en fundamentele beginselen vastgelegd heeft. Het betreffen daarentegen essentiële beleidskeuzes die de decreetgever op quasi onbeperkte wijze aan de regering heeft gedelegeerd.” 7. In hun laatste memorie na het arrest van het Grondwettelijk Hof en het daaropvolgende aanvullend auditoraatsverslag laten de verzoekende partijen nog gelden: “5.1.3 Weerlegging van het standpunt van de Auditeur 23. Gelet op het arrest nr. 258.931 van 26 februari 2024 van het Grondwettelijk Hof moeten de verzoekende partijen aanvaarden dat artikel 107 van het VSB-Decreet verenigbaar is met het legaliteitsbeginsel vervat in artikel 23, 2e lid Gw. 24. Het Grondwettelijk Hof heeft wel duidelijk aangegeven dat Uw Raad nog steeds moet oordelen of de Vlaamse Regering op wettige wijze gebruik heeft gemaakt van de delegatie die haar werd verleend. 25. De verzoekende partijen menen dat dit niet het geval is. 26. De regeling uit artikel 262, §1 en §2 juncto artikel 648 van het bestreden besluit van de Vlaamse Regering heeft tot gevolg dat de door de Minister bepaalde – verlaagde – huurforfaits voor mobiliteitshulpmiddelen in de Woonzorgcentra op éénzelfde wijze worden toegepast op: - De verstrekkers van mobiliteitshulpmiddelen, die vóór 1 januari 2019 een huurovereenkomst afsloten op basis van de oude – gunstigere – federale (RIZIV) regeling; - De verstrekkers van mobiliteitshulpmiddelen, die vanaf 1 januari 2019 een nieuwe huurovereenkomst afsluiten op basis van de nieuwe Vlaamse (VSB) regeling. Iedere passende concrete overgangsregeling ontbreekt. Het is zelfs zo dat artikel 648 van het bestreden besluit bepaalt dat de lopende huurovereenkomsten niet meer opnieuw moeten ondertekend worden door de gebruikers en de verstrekkers van mobiliteitshulpmiddelen. Dit gebrek aan enige overgangsregeling leidt tot een vermindering van het beschermingsniveau. De verstrekkers van mobiliteitshulpmiddelen zien hun inkomsten dalen, waardoor de gebruikers ook hun zekerheid om te beschikken over het noodzakelijk hulpmiddel verliezen. De financiële impact van de veranderde regelgeving zou nl. tot een faling van de verstrekkers van de hulpmiddelen kunnen leiden. 27. Voor dit gebrek aan overgangsregeling wordt geen rechtmatig doel uitgedrukt in het bestreden besluit. Dit rechtmatig doel lijkt ook helemaal niet voorhanden te zijn: in zijn reactie van 20 februari 2019 slaagt de bevoegde Minister er niet in om ook maar één ‘rechtmatig doel’ aan te halen om dit door de verzoekende partijen opgeworpen gebrek aan een (passende) overgangsregeling te verantwoorden […]. Er bestaat geen objectieve verantwoording voor de gelijke behandeling van enerzijds de situatie waarbij verstrekkers van mobiliteitshulpmiddelen in het kader van de overeenkomsten die afgesloten zijn onder de oude gunstigere regeling in hun investeringsbeleid geen rekenschap hebben kunnen geven aan ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.279 XII-9725-9726-14/29 de gewijzigde regeling en, anderzijds, de situatie waarbij de verstrekkers van mobiliteitshulpmiddelen in het kader van de nieuwe huurovereenkomsten hun investeringsbeleid kunnen afstemmen op de tarieven die gelden vanaf 1 januari 2019. 28. Als (erkende) verstrekkers van mobiliteitshulpmiddelen maakten de verzoekende partijen aanspraak op ‘verworven rechten’, met name de rentingovereenkomsten voor mobiliteitshulpmiddelen in de woonzorgsector, die zij in de financiële context van gunstigere huurforfaits (RIZIV) hadden afgesloten. Door de nieuwe regeling, zonder adequate concrete overgangsbepalingen, zullen de verzoekende partijen deze ‘verworven rechten’ verliezen. Op basis van het standstillbeginsel (alsook het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel) moest de verwerende partij voorzien in een adequate overgangsregeling voor de lopende rentingcontracten. De verwerende partij zou enkel kunnen afzien van dergelijke adequate overgangsregeling, voor zover er dwingende redenen van algemeen belang voorhanden zijn, die het ontbreken van dergelijke overgangsregeling verantwoorden. Dergelijke ‘dwingende redenen van algemeen belang’ zijn in casu niet voorhanden. Zij zijn niet terug te vinden in de regelgeving of de voorbereidende stukken ervan. 29. Het middel blijft gegrond.” Beoordeling 8. Door het auditoraat wordt tot de ongegrondheid van het tweede middel besloten op grond van de volgende overwegingen: “Beoordeling 6. In het arrest nr. 258.931 van 26 februari 2024 werd besloten dat het middel enkel wordt beoordeeld in zoverre het gericht is tegen artikel 107 van het decreet van 18 mei 2018 in de mate dat die bepaling rechtsgrond biedt voor de regeling zoals die voortvloeit uit artikel 468, samen gelezen met artikel 262, §3 van het bestreden besluit van 18 mei 2018. Het middel wordt enkel onderzocht in het licht van het geschonden geachte artikel 23 van de Grondwet en van het daarin vervatte wettigheidsbeginsel. 7. Het hoger geciteerde arrest nr. 56/2025 van 3 april 2025 van het Grondwettelijk hof zegt voor recht dat artikel 107 van het Vlaams decreet van 18 mei 2018 ‘houdende de Vlaamse sociale bescherming’ artikel 23 van de Grondwet niet schendt. Het decreet van 18 mei 2018 geeft duidelijk het onderwerp aan van de maatregelen die door de Vlaamse Regering ten uitvoer dienen te worden gelegd. Het komt aan de bevoegde rechter toe om na te gaan of de Vlaamse regering op een al dan niet wettige wijze gebruik heeft gemaakt van de delegatie die haar werd verleend. Artikel 107 van het Vlaams decreet van 18 mei 2018 machtigt de Vlaamse regering om het bedrag van de tegemoetkomingen voor mobiliteitshulpmiddelen te bepalen en om de voorwaarden vast te leggen waaraan moet zijn voldaan opdat een tegemoetkoming voor een mobiliteitshulpmiddel kan worden verleend. De decreetgever heeft daarbij verduidelijkt welke elementen de Vlaamse Regering dient te bepalen, onder meer het gebruiksdoel van de mobiliteitshulpmiddelen, de functionele specificaties van de mobiliteitshulpmiddelen, de hernieuwingscriteria voor de ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.279 XII-9725-9726-15/29 verschillende mobiliteitshulpmiddelen de vergoedingscriteria voor het mobiliteitshulpmiddel, het uitproberen van het mobiliteitshulpmiddel en de aanpassingen aan het mobiliteitshulpmiddel, de mogelijke cumulaties van mobiliteitshulpmiddelen en tot slot de vergoedingscriteria voor onderhoud en herstellingen. Volgens de verzoekende partijen moet de reglementering inzake sociale rechten in principe bij wetskrachtige norm gebeuren. Het bedrag van de tegemoetkomingen voor mobiliteitshulpmiddelen en de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan opdat een tegemoetkoming voor een mobiliteitshulpmiddel kan worden verleend zijn essentieel voor het sociale beschermingsbeleid en betreffen bij uitstek aangelegenheden die niet aan de regering gedelegeerd kunnen worden. 8. Het Grondwettelijk Hof oordeelde dat het decreet van 18 mei 2018 op duidelijke wijze het onderwerp aangeeft van de maatregelen die door de Vlaamse Regering ten uitvoer dienen te worden gelegd. De decreetgever heeft door zulk een delegatie te verlenen, de Vlaamse Regering niet gemachtigd om bepalingen aan te nemen die zouden leiden tot een schending van het grondwettelijk recht op sociale zekerheid. Artikel 107 van het decreet van 18 mei 2018 is bestaanbaar met artikel 23 van de Grondwet. In tegenstelling tot wat de verzoekende partijen uiteenzetten, vervalt het decreet van 18 mei 2018 niet als basis voor de bestreden beslissing en is er een wettige rechtsgrond voorhanden voor de diverse bepalingen van de bestreden beslissing. 9. Uit het arrest nr. 258.931 van 26 februari 2024 volgt dat de verzoekende partijen enkel belang hebben bij de nietigverklaring van artikel 648 van het bestreden besluit van 30 november 2018 samen te lezen met artikel 262, §3 ervan in de mate dat de laatstgenoemde bepaling de rechtsgrond vormt voor de vaststelling van de huurforfaits die, zonder onderscheid, met ingang van 1 januari 2019 van toepassing zijn op de huurcontracten in het kader van de mobiliteitshulpmiddelen die voor 1 januari 2019 zijn gesloten conform artikel 28, §8, van de bijlage bij het koninklijk besluit van 14 september 1984 ‘tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen’ (A.227.518) Met betrekking tot het ministerieel besluit is het belang van de verzoekende partijen beperkt tot de nietigverklaring van het artikel 3, samen te lezen met de bijlage 2 van het bestreden besluit van 7 december 2018, met name in zoverre de met die bepalingen vastgestelde huurforfaits met ingang van 1 januari 2019 van toepassing zijn op de huurcontracten in het kader van mobiliteitshulpmiddelen die voor 1 januari 2019 zijn gesloten conform artikel 28, §8 van de bijlage bij het koninklijk besluit van 14 september 1984 ‘tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen’. In het arrest nr. 258.931 van 26 februari 2024 ( lees: het arrest nr.56/2025 van 3 april 2025) oordeelt het Grondwettelijk Hof dat het de bevoegde rechter toekomt om na te gaan of Vlaamse Regering op een al dan niet wettige wijze gebruik heeft gemaakt van de delegatie die haar werd verleend. De verzoekende partijen zetten in het tweede middel niet uiteen hoe deze bepalingen artikel 23 van de Grondwet schenden. Het tweede middel voert niet aan dat de Vlaamse Regering niet op een wettige wijze gebruik zou hebben gemaakt van de delegatie die haar werd verleend. In zoverre de prejudiciële vragen voor het overige betrekking hebben op de onmiddellijke toepassing van het bedrag van de tegemoetkoming op de lopende huurcontracten voor mobiliteitshulpmiddelen betreffen zij de ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.279 XII-9725-9726-16/29 uitvoering van de in het geding zijnde bepalingen die niet onder de bevoegdheid van het Hof vallen (B.5.4.) 10. Met betrekking tot de onmiddellijke toepassing van het bepaalde bedrag van de tegemoetkoming op de lopende huurcontracten voor mobiliteitshulpmiddelen wordt vooreerst verwezen naar de beoordeling van het eerste middel. In zoverre verzoekers zouden aanvoeren dat de onmiddellijke toepassing van de bedragen bepaald in bijlage 2 van het ministerieel besluit van 7 december 2018, artikel 23 van de Grondwet schendt, kan dit niet gevolgd worden om de volgende redenen: Artikel 23 van de Grondwet houdt een standstill-verplichting in, die inhoudt dat de overheid het regelgevend kader niet zo mag wijzigen dat het voorheen in dat kader voor die grondrechten verzekerde beschermingsniveau aanzienlijk wordt verminderd, behoudens indien dit gerechtvaardigd kan worden door redenen die verband houden met het algemeen belang (RvS, 28 februari 2018, nr. 240.831; RvS, 18 april 2017, nr. 237.945; RvS, 27 mei 2010, nr. 204.336). De verzoeker die de schending van de standstill- verplichting inroept moet de aanzienlijke vermindering van het beschermingsniveau aantonen, hetgeen impliceert dat de mogelijke gevolgen van het bestreden besluit duidelijk en concreet uiteengezet worden zodat kan beoordeeld worden of zij leiden tot een vermindering van het beschermingsniveau die als ‘aanzienlijk’ kan worden beschouwd en dat er daarvoor geen redenen zijn die verband houden met het algemeen belang. De overheid beschikt daarbij over een discretionaire bevoegdheid (RvS, 25 november 2010, nr. 209.222). Overeenkomstig artikel 648 van het besluit van 30 november 2018 zijn de huurforfaits vermeld in artikel 262, §3 van het besluit van 30 november 2018 vanaf 1 januari 2019 van toepassing op de huurovereenkomsten in het kader van mobiliteitshulpen die voor 1 januari 2019 zijn gesloten conform artikel 28, §8 van de bijlage bij het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen. Verzoekers wensen om van de oudere gunstigere federale regeling te genieten voor de lopende contracten. Hierbij wordt niet ingegaan op de indexering die werd genomen in het decreet van 18 mei 2018 en de verlenging van de huurperiode van 6 jaar naar 7 jaar en de gevolgen dat dit heeft op de lopende huurovereenkomsten. Verzoekers tonen niet aan dat er sprake is van een vermindering van het beschermingsniveau, laat staan dat het een aanzienlijke vermindering van het beschermingsniveau zou betreffen. Er wordt zelfs niet uiteengezet dat er concreet sprake is van de vermindering van het beschermingsniveau. Deze vaststelling volstaat om te besluiten dat het in artikel 23 van de Grondwet vervatte standstill-beginsel niet geschonden wordt. Het tweede middel is niet gegrond.” 9. De verzoekende partijen betwisten deze conclusie doch hebben na de kennisgeving van het aanvullend auditoraatsverslag, niet de gelegenheid benut die een laatste memorie biedt om een andere visie op de beoordeling door het auditoraat te geven. In zoverre de verzoekende partijen voor het eerst in hun laatste memorie na het aanvullend auditoraatsverslag aanvoeren dat
- i)iedere passende overgangsmaatregeling ontbreekt;
- ii)voor dit gebrek aan ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.279 XII-9725-9726-17/29 overgangsregeling geen rechtmatig doel wordt uitgedrukt in het bestreden besluit; iii) zij, als (erkende) verstrekkers van mobiliteitshulpmiddelen aanspraak maken op “verworven rechten”, met name de rentingovereenkomsten voor mobiliteitshulpmiddelen in de woonzorgsector, die zij in de financiële context van gunstigere huurforfaits (RIZIV) hadden afgesloten en zij zonder adequate concrete overgangsbepalingen, deze “verworven rechten” zullen verliezen en
- iv)de verwerende partij enkel van een adequate overgangsregeling kan afzien, voor zover er dwingende redenen van algemeen belang voorhanden zijn, wat te dezen niet het geval is, voeren zij een nieuwe argumentatie aan waarvan zij niet aantonen waarom zij deze niet reeds in het verzoekschrift hadden kunnen ontwikkelen. Aldus geven de verzoekende partijen op laattijdige en niet-ontvankelijke wijze een nieuwe grondslag aan het middel. Die argumenten en kritieken kunnen derhalve niet tot nietigverklaring leiden. 10. In die omstandigheden en na een eigen onderzoek, ziet de Raad van State geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het tweede middel ongegrond. C. Derde middel in beide zaken Uiteenzetting van het middel 11. In het voornoemde arrest nr. 258.931 wordt het derde middel als volgt weergegeven: “33. De verzoekende partijen voeren in het verzoekschrift machtsoverschrijding aan, de schending van de artikelen 20 en 78 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 ‘tot hervorming der instellingen’ en van het redelijkheidsbeginsel, doordat het bestreden besluit van 30 november 2018 ‘een hele reeks bevoegdheden die aan de Vlaamse regering werden gedelegeerd verder delegeert aan de minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin’, terwijl artikel 20 van de wet van 8 augustus 1980 ‘tot hervorming der instellingen’ bepaalt dat de verordeningsbevoegdheid toekomt aan de regering en niet aan de individuele ministers. De verzoekende partijen lichten toe dat het bestreden besluit van 30 november 2018 talrijke machtigingsbepalingen bevat die een zeer ruime bevoegdheid aan de minister delegeren, waarbij zij in het bijzonder wijzen op de bepalingen inzake de mobiliteitshulpmiddelen, met name artikel 288, § 2, artikel 309, artikel 331, § 1, artikel 336 en artikel 342, § 2, tweede lid. Zij betogen dat al deze XII-9725-9726-18/29 bepalingen zijn uitgevoerd in het bestreden besluit van 7 december 2018 en dat in alle ernst niet kan worden gesteld dat de elementen geregeld in dat laatste besluit van bijkomstige aard of van beperkt belang zijn. Integendeel, zaken zoals de omvang van de tegemoetkomingen raken volgens de verzoekende partijen de kern van het socialebeschermingsbeleid en betreffen in feite elementen die omwille van hun essentieel karakter door de decreetgever zelf moeten worden vastgesteld. Minstens moet de decreetgever de beleidskeuze hierin maken en de fundamentele beginselen bepalen, zodat er nauwkeurige criteria voorhanden zijn die de verdere uitwerking richting kunnen geven. Het delegeren van die materies is, zo betogen de verzoekende partijen, reeds problematisch indien het een delegatie van de decreetgever aan de regering zou betreffen maar, te dezen, gaat volgens hen de problematiek nog verder nu de Vlaamse regering op haar beurt deze elementen ‘verder heeft gedelegeerd naar de minister’. De Vlaamse regering heeft de bevoegdheid die aan haar werd gedelegeerd bij artikel 107 van het decreet van 18 mei 2018 om het bedrag van de tegemoetkomingen voor mobiliteitshulpmiddelen te bepalen, zonder meer verder gedelegeerd aan de minister. Dergelijke delegatie kan – hoewel die op zich onverenigbaar is met artikel 20 van de wet van 8 augustus 1980 ‘tot hervorming der instellingen” – volgens de verzoekende partijen enkel toelaatbaar worden geacht wanneer het gaat om bijkomstige en aanvullende uitvoeringsmaatregelen. Aangezien het bedrag van een tegemoetkoming volgens de verzoekende partijen bezwaarlijk als bijkomstig element beschouwd kan worden – het raakt immers aan de kern van de sociale bescherming –, kon de Vlaamse regering dit niet delegeren aan een individuele minister.” 12. In hun laatste memorie na het arrest van het Grondwettelijk Hof en het daaropvolgende aanvullend auditoraatsverslag laten de verzoekende partijen nog gelden: “5.2.3 Weerlegging van het standpunt van de Auditeur 36. De Eerste Auditeur stelt in de eerste plaats dat het middel enkel wordt onderzocht in het licht van het geschonden geachte artikel 20 BWHI wat de machtiging betreft bepaald in artikel 262, §3 van het bestreden besluit van 30 november 2018. De verzoekende partijen blijven erbij dat deze bepaling getuigt van machtsoverschrijding maar dit is niet de enige bepaling die een te verregaande delegatie aan de Minister inhoudt. 37. De verzoekende partijen wijzen in het bijzonder op de bepalingen inzake de mobiliteits-hulpmiddelen, met name: - Artikel 288, §2 van het besluit van de Vlaamse regering van 30 november 2018: ‘De omvang van de tegemoetkomingen voor de aankoop van een mobiliteitshulpmiddel als vermeld in het eerste lid, wordt bepaald door de minister.’ - Artikel 309: ‘De omvang van de forfaitaire tegemoetkomingen en de nadere regels voor de forfaitaire tegemoetkoming worden bepaald door de minister.’ - Artikel 331, §1: ‘Als een gebruiker nood heeft aan een tegemoetkoming voor een mobiliteitshulpmiddel, zich in een uitzonderlijke situatie bevindt en geen tegemoetkoming voor een mobiliteitshulpmiddel kan verkrijgen op basis van ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.279 XII-9725-9726-19/29 de andere aanvraagprocedures waarin dit besluit voorziet, kan hij een aanvraag van een tegemoetkoming indienen bij de zorgkas waarbij hij is aangesloten, mits omstandige motivering van de aanvraag. De minister kan nader bepalen wat moet worden verstaan onder een uitzonderlijke situatie, vermeld in het eerste lid. De minister kan bepalen welke documenten de gebruiker bij de aanvraag moet voegen.’ - Artikel 336: ‘De omvang van de tegemoetkomingen, vermeld in artikel 334, eerste lid [het gaat om de tegemoetkoming voor een tweede rolstoel], wordt bepaald door de minister.’ - Artikel 342: ‘§ 1 De facturen die ingediend worden conform artikel 338, moeten correct en volledig worden ingevuld. Als dat niet het geval is, worden ze geweigerd en teruggestuurd naar de verstrekker van mobiliteitshulp-middelen in kwestie of in voorkomend geval de onderneming in kwestie. §2 De factuur moet in overeenstemming zijn met de voorwaarden inzake de toekenning van de gefactureerde tegemoetkoming voor het mobiliteitshulpmiddel of de aanpassing in kwestie, die zijn opgenomen in het decreet van 18 mei 2018 en in dit besluit. De facturen of onderdelen van facturen die niet in overeenstemming zijn met de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, worden verworpen. Bundels facturen waarvan het aantal verworpen onderdelen een door de minister bepaald aandeel bereikt, worden in hun geheel geweigerd. Andere facturen worden uitbetaald door de zorgkas binnen zes weken vanaf de datum van de ontvangst van de correct en volledig ingevulde factuur, met uitzondering van de tegemoetkomingen waarop de verworpen onderdelen betrekking hebben.’ Al deze bepalingen werden uitgevoerd in het Ministerieel besluit van 7 december 2018 betreffende de uitvoering van de Vlaamse sociale bescherming, wat de mobiliteitshulpmiddelen betreft. De verwerende partij heeft de bevoegdheid die aan haar werd gedelegeerd in artikel 107 van het VSB-Decreet om de bovengenoemde elementen vast te stellen, zonder verdere instructies, verder gedelegeerd aan de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin. De Eerste Auditeur verengt de situatie echter naar één enkele bepaling, waardoor de aandacht wordt afgeleid van het systematisch delegeren van belangrijke aspecten van de tegemoetkoming voor mobiliteitshulpmiddelen, zonder dat er nauwkeurige criteria voorhanden zijn die de verdere uitwerking richting kunnen geven. 38. De verzoekende partijen wensen vervolgens in te gaan op de verwijzing naar het advies 64.367/1 van de afdeling Wetgeving van de Raad van State. In dit advies wordt er, geheel in het begin, een algemene opmerking geformuleerd: ‘1. Met toepassing van artikel 84, § 3, eerste lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, heeft de afdeling Wetgeving zich toegespitst op het onderzoek van de bevoegdheid van de steller van de handeling, van de rechtsgrond, alsmede van de vraag of aan de te vervullen vormvereisten is voldaan. Gelet op het uitzonderlijk hoge aantal adviesaanvragen die met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State aanhangig zijn gemaakt en op de uitzonderlijke omvang en techniciteit van het ontwerp, heeft de afdeling Wetgeving zich bovendien ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.279 XII-9725-9726-20/29 noodgedwongen moeten beperken tot een summier onderzoek van het ontwerp, zelfs met betrekking tot de in artikel 84, § 3, eerste lid, van die wetten opgesomde punten. Uit de vaststelling dat over een bepaling in dit advies niets wordt gezegd, mag niet zonder meer worden afgeleid dat er niets over gezegd kan worden en, indien er wel iets over wordt gezegd, dat er niets meer over te zeggen valt.’ (…) De Raad heeft hiermee klaarblijkelijk geanticipeerd op eventuele betwistingen over de rechtsgrond, door te verduidelijken dat zij zich moest beperken tot een summier onderzoek. Meer nog, zij concludeert expliciet dat ‘uit de vaststelling dat over een bepaling in dit advies niets wordt gezegd, niet zonder meer [mag] worden afgeleid dat er niets over gezegd kan worden’. Bijgevolg mag uit het niet benoemen van een bepaling als problematisch, niet worden afgeleid dat er zich geen wettigheidsprobleem stelt. 39. Verder wordt op pagina 11 van het advies, bij het onderzoek van de tekst, de volgende algemene opmerking geformuleerd: ‘10. Het ontwerp bevat talrijke bepalingen waarbij verordenende bevoegdheid wordt verleend aan de minister bevoegd voor bijstand aan personen. Zoals de Raad van State, afdeling Wetgeving, in het verleden reeds meermaals heeft opgemerkt, kan het toekennen van een verordenende bevoegdheid door de Vlaamse Regering aan één van haar leden, enkel toelaatbaar worden geacht in zoverre die delegatie slechts regels van bijkomstige aard of van beperkt belang betreft. De talrijke vrij ruim omschreven delegaties ‘“de minister bepaalt de nadere regels ...’) die in het ontwerp voorkomen,[…] dienen in het licht van het voornoemde beginsel te worden begrepen en zullen derhalve niet kunnen worden aangewend om bijvoorbeeld in een ministerieel besluit bijkomende toepassingsvoorwaarden van de ontworpen regeling op te leggen of om erin aangelegenheden te regelen die niet als zijnde bijkomstig of detailmatig vallen aan te merken. Het gegeven dat de betrokken aangelegenheid in voorkomend geval slechts summier is geregeld in het voorliggende ontwerp kan geen verantwoording bieden voor een ruimere uitlegging van de aldus aan de minister gedelegeerde bevoegdheden. De stellers van het ontwerp doen er goed aan om na te gaan of sommige delegatie-bepalingen wel beantwoorden aan hetgeen voorafgaat en of deze niet het best nauwer worden afgebakend of erin niet beter moet worden tot uitdrukking gebracht dat de aan de minister gedelegeerde bevoegdheid effectief beperkt van aard is.”[…] Hoewel de Raad zich noodgedwongen moest beperken tot een summier onderzoek, heeft zij de verwerende partij opgedragen om na te gaan of de delegaties wel beantwoorden aan de voorwaarde dat ze slechts betrekking mogen hebben op elementen van bijkomstige of detailmatige aard. De Raad bevestigde nogmaals dat een delegatie aan een minister slechts toelaatbaar is in zoverre die delegatie regels van bijkomstige aard of beperkte belang betreft. 40. Uit het advies van de Afdeling Wetgeving mag dus op geen enkele manier mag worden afgeleid dat een delegatie die het bepalen van de omvang en voorwaarden voor de tegemoetkoming voor mobiliteitshulpmiddelen volledig overlaat aan de Vlaamse Regering, die dit op haar beurt verder gedelegeerd heeft aan de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, in overeenstemming met de Grondwet en de bevoegdheidsverdelende regels zou zijn. 41. In dit geval vindt er een onwettige subdelegatie plaats, omdat de Vlaamse Minister een vrijgeleide kreeg om de omvang van de huurforfaits te bepalen. De Eerste Auditeur stelt dat het besluit van de Vlaamse regering criteria vastlegt waaraan de Minister zich bij de verdere uitwerking moet houden ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.279 XII-9725-9726-21/29 maar de elementen die in artikel 262, §1 worden genoemd (de huurforfaits dekken de maandelijkse huur van het mobiliteitshulpmiddel, met inbegrip van alle kosten die samengaan met de verstrekking, het onderhoud, de herstelling en de reconditionering van de rolstoel, alsook de vereiste aanpassingen, vermeld in de prestatielijst, en de verplaatsingskosten) kunnen niet beschouwd worden als afdoende afgebakende krijtlijnen. De hoogte van de tegemoetkoming is allesbehalve een detail. Artikel 107 van het Vlaams decreet van 18 mei 2018 machtigt de Vlaamse regering ook uitdrukkelijk om het bedrag van de tegemoetkomingen voor mobiliteitshulpmiddelen te bepalen. Met andere woorden komt die bevoegdheid aan de voltallige regering en niet aan een individuele minister toe. Zelfs in zoverre Uw Raad zou oordelen dat de hoogte van de tegemoetkoming flexibel moet kunnen worden aangepast afhankelijk van bepaalde ontwikkelingen (zoals de verwerende partij eerder opwierp), is er geen concreet kader vastgelegd waarbinnen deze bedragen moeten worden bepaald. De Vlaamse Regering heeft in artikel 262, §1 weliswaar opgenomen dat een huurforfait kostendekkend moet zijn maar heeft daarbij geen onder- of bovengrens vastgesteld. Er is met name niets voorzien over de marge die verstrekkers van mobiliteitshulpmiddelen – die vaak handelsondernemingen gericht op het maken van winst zijn – nog kunnen verwachten te hebben. De discretionaire marge die normaliter aan de Vlaamse Regering (en in feite bij de decreetgever) toekomt, werd derhalve zonder het aangeven van enige concrete afbakening, gedelegeerd aan de Minister. 42. Het bestreden besluit dat deze delegaties is daarmee genomen met overschrijding van macht en in strijd met het legaliteitsbeginsel. 43. Het middel blijft gegrond.” Beoordeling 13. Door het auditoraat wordt tot de ongegrondheid van het derde middel besloten op grond van de volgende overwegingen: “Beoordeling 12. In het arrest nr. 258.931 van 26 februari 2024 oordeelde de Raad dat het middel enkel ontvankelijk is in zoverre het is gericht tegen de machtiging voorzien in artikel 262, §3 van het bestreden besluit van 30 november 2018, waarbij de bevoegdheid om de omvang van de huurforfaits te bepalen, wordt gedelegeerd aan de minister. Ten gronde wordt het middel enkel onderzocht in het licht van het geschonden geachte artikel 20 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 ‘tot hervorming der instellingen’ wat de machtiging betreft bepaald in artikel 262, §3 van het bestreden besluit van 30 november 2018. Artikel 20 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen bepaalt: ‘De [Regering] maakt de verordeningen en neemt de besluiten die voor de uitvoering van de decreten nodig zijn, zonder ooit de decreten zelf te mogen schorsen of vrijstelling van hun uitvoering te mogen verlenen.’ Artikel 262, §3 van het besluit van 30 november 2018 bepaalt: ‘§3. De omvang van de huurforfaits, vermeld in paragraaf 1, wordt bepaald door de minister.’ ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.279 XII-9725-9726-22/29 Het toekennen van een verordenende bevoegdheid door de Vlaamse Regering aan één van haar leden, kan enkel toelaatbaar worden geacht in zoverre die delegatie slechts regels van bijkomstige aard of van beperkt belang betreft. 13. Het gaat om een subdelegatie van een machtiging, bij artikel 107, van het decreet van 18 mei 2018 aan de Vlaamse Regering voor het bepalen van het bedrag van de tegemoetkomingen voor mobiliteitshulpmiddelen en het vastleggen van de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan opdat een tegemoetkoming voor een mobiliteitshulpmiddel kan worden verleend. Hierbij heeft de decreetgever verduidelijkt welke elementen de Vlaamse Regering dient te bepalen, onder meer