← België

Arrest 266279 - Reglementen (sociale zaken en volksgezondheid) - 02/04/2026

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 april 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.279 Rolnummer: Zaak: Arrest 266279 - Reglementen (sociale zaken en volksgezondheid) - 02/04/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-04-03 Raadplegingen: 99 - laatst gezien 2026-06-18 06:44 Fiche Arrest nr 266.279 van 2 april 2026 Sociale zaken en volksgezondheid - Reglementen (sociale zaken en volksgezondheid) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.279 no lien 288564 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 266.279 van 2 april 2026 in de zaken A. 227.516/XII-9725 (I.) A. 227.518/XII-9726 (II.) In zake : I. + II.

  1. de NV SPRONKEN ORTHOPEDIE
  2. de NV ARSEUS MEDICAL
  3. de BV RIJCKER-GO
  4. de NV V!GO INTERNATIONAL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Koen Geelen, Sarah Jacobs en Nick Parthoens kantoor houdend te 3500 Hasselt Gouverneur Roppesingel 131 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : I. + II. de VLAAMSE GEMEENSCHAP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Bart Staelens en Joost Hoste kantoor houdend te 8000 Brugge Gerard Davidstraat 46/1 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1.
  5. Het beroep, ingesteld op 26 februari 2019, strekt tot de nietigverklaring van het ministerieel besluit van 7 december 2018 ‘betreffende de uitvoering van de Vlaamse sociale bescherming, wat de mobiliteitsmiddelen betreft’ (zaak sub I.). 1.
  6. Het beroep, ingesteld op 26 februari 2019, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse regering van 30 november 2018 ‘houdende de uitvoering van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming’ (zaak sub II.). XII-9725-9726-1/29 II. Verloop van de rechtspleging
  7. Bij tussenarrest nr. 258.931 van 26 februari 2024 (ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.931) zijn de zaken gevoegd, werd het debat heropend, werden twee prejudiciële vragen gesteld aan het Grondwettelijk Hof en werd het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat gelast met een aanvullend onderzoek. Eerste auditeur Anja Somers heeft een aanvullend verslag opgesteld. De verwerende partij en de verzoekende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 26 februari
  8. Kamervoorzitter Chantal Bamps heeft verslag uitgebracht. Advocaat Mina Boel, die loco advocaten Koen Geelen, Sarah Jacobs en Nick Parthoens verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Bart Staelens, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Anja Somers heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  9. III. Feiten
  10. In het arrest nr. 258.931 van 26 februari 2024 waarbij het debat wordt heropend, worden de feiten als volgt weergegeven: XII-9725-9726-2/29 “3.
  11. De verzoekende partijen zijn verstrekkers van mobiliteitshulpmiddelen. 3.
  12. Het besluit van de Vlaamse regering van 30 november 2018 ‘houdende de uitvoering van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming’ is het bestreden besluit in de zaak sub II (hierna: het bestreden besluit van 30 november 2018). Het bevat 669 artikelen, onderverdeeld in vijf boeken en aangevuld met vijf bijlagen. In het advies nr. 64.367/1 van 12 november 2018 licht de Raad van State, afdeling Wetgeving, de strekking van het ontwerp dat het bestreden besluit van 30 november 2018 is geworden, als volgt toe: ‘
  13. Het om advies voorgelegde ontwerp van besluit van de Vlaamse Regering strekt ertoe uitvoering te geven aan diverse onderdelen van het decreet van 18 mei 2018 'houdende de Vlaamse sociale bescherming' […]. Het ontwerp bouwt daarbij voort op het besluit van de Vlaamse Regering van 14 oktober 2016 'houdende de uitvoering van het decreet van 24 juni 2016 houdende de Vlaamse sociale bescherming', dat wordt opgeheven (artikel 636, 5°, van het ontwerp). Vergeleken met het besluit van 14 oktober 2016 strekt het ontwerp tot het wijzigen van de benamingen van de bestaande pijlers overeenkomstig het [decreet van 18 mei 2018 'houdende de Vlaamse sociale bescherming'] en tot het integreren in de uitvoeringsregeling van de nieuwe pijlers die door het [decreet van 18 mei 2018 ‘houdende de Vlaamse sociale bescherming’] aan de Vlaamse sociale bescherming (VSB) zijn toegevoegd, zijnde de tegemoetkoming voor mobiliteitshulpmiddelen en de tegemoetkoming voor residentiële ouderenzorg. Het ontwerp van besluit is onderverdeeld in vijf boeken. Boek 1 is gewijd aan de gemeenschappelijke basisbepalingen waarin onder meer de organieke structuren van de VSB en de algemene beginselen inzake aansluiting, sanctionering, gegevensuitwisseling en tegemoetkomingen zijn geregeld. Boek 2 betreft de zorggebonden financiering. Deel 1 van boek 2 bevat de regels met betrekking tot het zorgbudget, dit zijn de drie klassieke 'takken' of 'pijlers' waaruit de VSB tot nog toe bestaat, met name het zorgbudget voor zwaar zorgbehoevenden (de vroegere tegemoetkoming in het kader van de zorgverzekering), het zorgbudget voor ouderen met een zorgnood (de vroegere tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden) en het basisondersteuningsbudget. Deel 2 van boek 2 heeft betrekking op de tegemoetkoming voor mobiliteitshulpmiddelen, een nieuwe tak binnen de VSB. Boek 3 bevat de bepalingen betreffende een ander nieuw onderdeel van de VSB met name de tegemoetkoming voor zorg in woonzorgcentra, centra voor kortverblijf of dagverzorgingscentra (hierna: tegemoetkoming voor residentiële ouderenzorg). Boek 4 bevat een reeks wijzigingsbepalingen, terwijl in boek 5 ('Slotbepalingen') een aantal opheffings-, overgangs- en inwerkingtredingsbepalingen zijn opgenomen. Daarnaast bevat het ontwerp vijf bijlagen die betrekking hebben op een aantal technische aspecten van de tegemoetkoming voor mobiliteitshulpmiddelen.’ Artikel 648 van het bestreden besluit van 30 november 2018 dat deel uitmaakt van deel 2 ‘Overgangsbepalingen’ van boek 5 ‘Slotbepalingen’ luidt: ‘Art.
  14. De huurforfaits, vermeld in artikel 262, § 3, van dit besluit, zijn vanaf 1 januari 2019 ook van toepassing op de huurovereenkomsten in het kader van mobiliteitshulpmiddelen die vóór 1 januari 2019 zijn gesloten ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.279 XII-9725-9726-3/29 conform artikel 28, § 8, van de bijlage bij het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen. De huurovereenkomsten, vermeld in het eerste lid, moeten niet opnieuw worden ondertekend door de gebruiker en de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen.’ Het artikel 262, § 3 waarnaar deze bepaling verwijst, maakt deel uit van boek 2 (‘Zorggebonden financiering’), deel 2 (‘Tegemoetkoming voor mobiliteitshulpmiddelen’), titel 3 (‘Huur’), hoofdstuk 1 (‘Woo[]nzorgcentra – thuiszorg’). In de versie van toepassing op het voorliggende beroep, luidt het: ‘Art.
  15. §
  16. De tegemoetkomingen voor een standaardrolstoel, een modulaire rolstoel of een verzorgingsrolstoel die worden aangevraagd door gebruikers als vermeld in afdeling 1, worden toegekend in de vorm van periodieke huurforfaits. De huurforfaits dekken de maandelijkse huur van het mobiliteitshulpmiddel, met inbegrip van alle kosten die samengaan met de verstrekking, het onderhoud, de herstelling en de reconditionering van de rolstoel, alsook de vereiste aanpassingen, vermeld in de prestatielijst, en de verplaatsingskosten. §
  17. In afwijking van paragraaf 1, kan de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen aan de gebruiker, vermeld in artikel 261, 2°, een vergoeding aanrekenen voor transportkosten als de hoofdverblijfplaats van de gebruiker gelegen is buiten een straal van 30 kilometer van de maatschappelijke zetel, de dichtstbijzijnde vestigingseenheid en de dichtstbijzijnde werkplaats van de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen of van de onderneming in opdracht waarvan de verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen werkt. De vergoeding, vermeld in het eerste lid, wordt berekend overeenkomstig de op dat moment geldende regeling voor de kilometervergoeding van personeelsleden van de Vlaamse overheid en kan maar worden aangerekend ten belope van de afstand die de afstand van 30 kilometer overschrijdt en mits voorafgaandelijk schriftelijk akkoord van de gebruiker over deze kost. §
  18. De omvang van de huurforfaits, vermeld in paragraaf 1, wordt bepaald door de minister. §
  19. Er mogen geen supplementen worden aangerekend ten laste van de gebruiker voor kosten die worden gedekt door het huurforfait.’ In de bisnota aan de leden van de Vlaamse regering is ter zake het volgende gesteld: ‘i. Overgangsmaatregelen Om de integratie in de Vlaamse sociale bescherming naadloos te laten verlopen is het noodzakelijk een aantal overgangsbepalingen in te schrijven. Naast de overgangsmaatregelen die in bovenstaande rubrieken al werden beschreven, worden nog de volgende overgangsmaatregelen opgenomen in het OBVR. Verstrekkers mobiliteitshulpmiddelen […] De tarieven van de vergoedingen voor verhuur in de woonzorgcentra wijzigen vanaf 1 januari
  20. We willen echter vermijden dat alle bestaande huurcontracten opnieuw moeten worden afgesloten. Daarom wordt een bepaling ingeschreven waarbij gestipuleerd wordt dat de bestaande contracten doorlopen, maar met aangepaste tarieven.’ De bijlage 2 bij de nota aan de Vlaamse regering betreffende de definitieve goedkeuring van het ontwerp van besluit van de Vlaamse regering ‘houdende ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.279 XII-9725-9726-4/29 de uitvoering van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming de artikelsgewijze bespreking’ bevat de artikelsgewijze bespreking van het betrokken besluit. Ter zake stelt deze bijlage: ‘Artikel [648] maakt dat de nieuwe huurforfaits vanaf 1 januari 2019 ook van toepassing zijn op lopende huurovereenkomsten. Om administratieve overlast te vermijden wordt bepaald dat het niet nodig is de lopende huurovereenkomsten aan te passen en opnieuw te laten ondertekenen door de gebruiker.’ 3.
  21. Het ministerieel besluit van 7 december 2018 ‘betreffende de uitvoering van de Vlaamse sociale bescherming, wat de mobiliteitsmiddelen betreft’ is het bestreden besluit in de zaak sub I (hierna: het bestreden besluit van 7 december 2018). Het bevat 16 artikelen, aangevuld met twee bijlagen. Bijlage 1 bevat de prestatielijst. Bijlage 2 bevat de tabel met de tegemoetkomingen voor mobiliteitshulpmiddelen. Deel 4 van deze bijlage heeft betrekking op de ‘maandelijkse huurforfait voor een mobiliteitshulpmiddel en aanpassingen, voorzien in deel 1 en 2’ waarvan de ‘hoofdgroep 1’ betrekking heeft op de ‘maandelijkse huurforfait doelgroep woonzorg.’ Die tabel bepaalt de maandelijkse huurforfaits (BTW incluis) voor de doelgroep woonzorg. Het bestreden besluit van 7 december 2018 geeft uitvoering aan onder meer het hiervoor aangehaalde artikel 262, § 3, van het bestreden besluit van 30 november
  22. Te dezen bepaalt artikel 3, eerste lid, ervan dat de omvang van de tegemoetkomingen voor mobiliteitshulpmiddelen is vastgelegd in de voornoemde bijlage 2 die bij het bestreden besluit van 7 december 2018 is gevoegd. Bij ministerieel besluit van 5 december 2022 ‘tot wijziging van bijlage 1 en 2 bij het ministerieel besluit van 7 december 2018 betreffende de uitvoering van de Vlaamse sociale bescherming, wat de mobiliteitshulpmiddelen betreft’ zijn laatst nog de beide bijlagen bij het bestreden besluit van 7 december 2018 vervangen. 3.
  23. In een brief van 14 januari 2019 aan de Vlaamse regering en aan de Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, stellen de verzoekende partijen het volgende: ‘[…] Ik wil U niet verhelen dat mijn cliënten enigszins ontgoocheld zijn in de manier waarop de Vlaamse Regering het verstrekken van mobiliteitshulpmiddelen praktisch organiseert en de bedragen die zij voorziet voor de financiële tegemoetkomingen. De praktische organisatie van het verstrekken van mobiliteitshulpmiddelen dreigt administratief onhaalbaar zwaar te worden. Zo wordt de motivatie, registratie en rapporteringsverplichting mbt de aangevraagde of verstrekte mobiliteitshulpmiddelen belangrijk uitgebreid. Deze administratieve verzwaring is op zichzelf een bedreiging voor het stelsel. Het vergt van de verstrekkers immers dat zij bijkomend investeren in personeel en middelen om deze verzwaring op te vangen. Deze bijkomende investering zal doorgerekend moeten worden in de prijs. Daar komt nog bij dat we uit de administratie Volksgezondheid signalen opvangen dat de digitale verwerking van al deze informatie niet op punt staat, zodat gedane inspanningen nog eens verloren zullen gaan. Ook het gebrek aan testgelegenheden van deze digitale verwerking zal ons tijdens en weken na de werkelijke start van de nieuwe wetgeving veel kostbare tijd doen verliezen. Mijn cliënten zijn er van overtuigd dat de meerwaarde die deze bijkomende verplichtingen zouden kunnen hebben, dermate gering is dat ze niet opweegt tegen de bijkomende inspanningen die het van de sector ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.279 XII-9725-9726-5/29 vergt. Een redelijke en zorgvuldige overheid weegt beide aspecten af : het lijdt geen twijfel dat deze afweging moet leiden tot een administratieve vereenvoudiging van het thans voorziene stelsel. De meest belangrijke bekommernis die mijn cliënten hebben, is het gebrek aan overgangsmaatregelen voor een specifieke situatie waarmee zij geconfronteerd worden, m.n. de tussenkomst in de huurvergoedingen voor de verhuur van mobiliteitshulpmiddelen. Deze situatie wordt thans beheerst door artikel 28, § 8, van de bijlage bij het koninklijk besluit van 7 juni 2007 tot vaststelling van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen. Naar ik ben geïnformeerd door mijn cliënten heeft de sector U al duidelijk gemaakt dat de tussenkomst die de Vlaamse Regering thans voorziet voor deze huurvergoedingen lager is dan deze die in de Federale regeling was voorzien. Voor verzorgingsstoelen gaat het zelfs om een fel belangrijk lagere tussenkomst. Uit de teksten leiden we af dat het de bedoeling is dat de tussenkomst onmiddellijk toegepast wordt op de bestaande huurcontracten. Er is niet in een overgangsmaatregel voorzien. Deze onmiddellijke toepasbaarheid zadelt de sector met een groot probleem op : de sector is er immers toe gehouden om de afgesloten contracten verder uit te voeren aan de financiële voorwaarden die zij contractueel heeft vastgesteld met de huurders van de middelen. Deze contracten zijn echter in een volledig andere financiële context afgesloten, m.n. de context van de hogere tussenkomst voorzien in het Koninklijk Besluit van 7 juni 2007 tot vaststelling van de nomenclatuur van geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkering. Dit betekent dat de bestaande contracten die uitgaan van de hogere financiële tussenkomst voorzien in de Federale regeling thans moet doorlopen in de nieuwe Vlaamse regeling met de lagere financiële tussenkomst. Bij het opstellen van deze contracten is er uiteraard niet geanticipeerd op deze wijzigende wetgeving. Deze doorlopende oude contracten zullen voor de verstrekkers van mobiliteitshulpmiddelen daarom een financiële strop zijn. Een normaal redelijke en zorgvuldige overheid moet daar rekening mee houden door overgangsmaatregen te voorzien zodat de oude contracten gerespecteerd kunnen blijven tot deze uitgedoofd zijn en vervangen worden door contracten die aangepast zijn aan de nieuwe Vlaamse Reglementering.’ 3.
  24. Met een brief van 20 februari 2019 antwoordt de Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin het volgende op de sub punt 3.4 aangehaalde brief: ‘[…] Ik vestig er de aandacht op dat de huidige bedragen van de huurtarieven dus al van 14 november 2017 gekend zijn; op 18 juni 2018 werd alle ontwerp wetgeving en het ontwerp MB met de tarieven bezorgd aan de begeleidende stuurgroep. Ten gronde en na nauwkeurige lectuur van de aangehaalde grieven en de mondelinge toelichting die u op het overleg van 07 februari 2019 verschafte, kan ik u meedelen dat de Vlaamse regering niet wenst in te gaan op de wensen van uw cliënten, omwille van de volgende redenen: Huurtarieven De huurtarieven die opgenomen zijn in de regelgeving MOHM zijn onderbouwd op basis van de studie van U Hasselt ‘Studieopdracht naar de kostenefficientie van het rentingsysteem voor rolstoelen in de ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.279 XII-9725-9726-6/29 woonzorgcentra’. Bij de uitvoering van deze studie is gewerkt met informatie die werd aangeleverd door verstrekkers van MOHM. Na een tussentijdse presentatie van de resultaten van de studie is het rapport overigens verder aangescherpt op basis van bijkomende data uit de sector. Met deze studie werden de huurtarieven geobjectiveerd. Zoals hoger aangehaald is een laatste update van de tarieven al op 14 november 2017 kenbaar gemaakt aan de sector. De verstrekkers van rolstoelen in WZC hadden bijgevolg meer dan een jaar de tijd om zich voor te bereiden op het nieuwe beleid en desgevallend passende maatregelen te nemen. Blijkbaar hebben ze dat niet gedaan. Administratieve lasten In uw brief is sprake van een verhoging van de administratieve lasten. We menen integendeel dat het nieuwe Vlaamse beleid inzake mobiliteitshulpmiddelen heel wat opportuniteiten biedt tot administratieve vereenvoudiging en lastenvermindering. Hieronder volgt een niet exhaustieve opsomming: Aanvragen mobiliteitshulpmiddelen Met de 6de Staatshervorming worden de aanvullende tegemoetkomingen mobiliteitshulpmiddelen van het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap geïntegreerd in de Vlaamse sociale bescherming. Dat betekent dat voor een mobiliteitshulpmiddel niet langer twee aanvragen moeten ingediend worden, maar slechts één. Die aanvraag is gebaseerd op dezelfde regelgeving (vroeger twee regelgevingen) met dezelfde procedures, productenlijst en prestatiecodes. Verzekerbaarheid De verstrekker kan proactief nagaan of de gebruiker in orde is met de verzekerbaarheid. Via de applicatie eMOHM kan in real time nagegaan worden of een gebruiker aan de voorwaarden voor een tegemoetkoming mobiliteitshulpmiddelen voldoet. Hiermee vermijdt de verstrekker dat een hulpmiddel wordt afgeleverd dat onbetaald blijft. Aftoetsen aanvraag In de regelgeving mobiliteitshulpmiddelen worden hernieuwingstermijnen vastgelegd. Ook wordt - net als in de vroegere federale regelgeving - bepaald welke mobiliteitshulpmiddelen kunnen gecombineerd worden en welke niet (cumulverbod). De verstrekker kan via de digitale applicatie een aanvraag simuleren en zo nagaan of aan alle criteria voor tegemoetkoming wordt voldaan. Ook hier vermijdt de verstrekker dat een hulpmiddel wordt afgeleverd dat onbetaald blijft. Overlijden In de woonzorgcentra en voor 85+ers in de thuisomgeving worden manuele rolstoelen verhuurd. Bij overlijden van de gebruiker worden deze rolstoelen gerecupereerd en daarna opnieuw ingezet. Als de verstrekker niet systematisch en tijdig wordt ingelicht van een overlijden, gaan echter rolstoelen verloren. Ze kunnen dan niet meer gerecupereerd worden in het woonzorgcentrum of bij de gebruiker. Via de eMOHm applicatie wordt de verstrekker nu systematisch via een gegevensstroom uit het Rijksregister geïnformeerd over een overlijden, waardoor het verlies aan rolstoelen beperkt wordt. Doorlooptijden Dossiers voor bv. innovatieve hulpmiddelen of maatwerk worden behandeld door de Bijzondere Technische Commissie. Deze commissie komt in de plaats van de Bijzondere Bijstands Commissie (VAPH) en het college van geneesheren directeurs (RIZIV) voor wat maatwerk betreft. XII-9725-9726-7/29 De doorlooptijd voor deze commissie is vastgelegd op 45 werkdagen (doorlooptijd BBC vaak meer dan 6 maanden). Opvolging De status van een dossier kan geraadpleegd worden in de applicatie. De verstrekker weet dus ten allen tijde in welke fase een dossier zit. Hij kan bijgevolg de klant zonder bijkomende administratieve handeling informeren over de stand van zaken van een dossier. Geen papieren dossier Alle beslissingen komen digitaal bij de verstrekker en kunnen onmiddellijk in de eigen software verwerkt worden. Teller Onderhoud en Herstel De teller voor onderhoud en herstel is online raadpleegbaar. Er hoeft dus niet langer aan het VAPH gevraagd worden ofer nog middelen beschikbaar zijn voor het uitvoeren van onderhoud of een herstelling aan een rolstoel. De verstrekker is op die manier ook zeker dat de uitgevoerde werken vanuit de Vlaamse overheid zullen betaald worden. Uiteraard is het zo dat de realisatie van een dergelijk digitaliseringsproject gefaseerd verloopt en dat niet alle efficiëntiewinst van bij de start beschikbaar is. Tevens dient bij de voorbereiding van de digitalisering en tijdens de implementatie ervan door alle actoren een fase van change management doorlopen worden. Maar het is duidelijk dat er op korte termijn een significante efficiëntiewinst kan gerealiseerd worden, die werkelijk kostenbesparend is voor de sector. Voorts kan ik meedelen dat aanvraagformulieren gebaseerd zijn op de formulieren die vanuit het RIZIV werden opgelegd. Deze aanvraagformulieren werden enkel vertaald naar de Vlaamse context. Dit gebeurde in overleg met de beroepsorganisatie BBOT en, waar nodig, worden de sjablonen nog in overleg bijgestuurd. Het is mij bijgevolg niet duidelijk wat bedoeld wordt met 'zo wordt de motivatie, registratie en rapporteringsverplichting m.b.t. de aangevraagde of verstrekte mobiliteitshulpmiddelen belangrijk uitgebreid'. Digitalisering In uw schrijven haalt u ook 'signalen van de administratie Volksgezondheid' aan, waaruit zou blijken dat 'de digitale verwerking van al deze informatie niet op punt staat, zodat gedane inspanningen nog eens verloren zullen gaan. Ook het gebrek aan testgelegenheden van deze digitale verwerking zal ons tijdens en weken na de werkelijke start van nieuwe wetgeving veel kostbare tijd doen verliezen'. Bij de digitalisering van de sector mobiliteitshulpmiddelen zijn verschillende partijen en technische platformen en technologieën betrokken. De centrale eMOHM applicatie wordt gebouwd door de Vlaamse overheid en ter beschikking gesteld van de verstrekkers die zich daaraan moeten connecteren met hun eigen software en gegevens moeten uitwisselen. Dat is een complex project met veel afhankelijkheden. Daarom loopt er parallel met dit digitale traject een traject van change management dat voorziet in informatiesessies, opleidingen, helpdesk, handleidingen, procedure,... ten einde de nieuwe businesswerking en digitale toepassing op mekaar af te stemmen en zo vlot en correct mogelijk uit te rollen in de organisaties. Ondanks een aantal problemen, die geregistreerd staan, bevestigt de Vlaamse Overheid dat de centrale IT wet degelijk op punt staat en dat er momenteel geen aanwijzingen van vertraging in de facturatie. Er is nu effectief een periode van typische nazorg waarin onvoorziene problemen in nauw overleg met de betrokkenen snel worden aangepakt en opgelost. XII-9725-9726-8/29 Er zijn frequente releases van de software-oplossingen ten einde de verstrekkers niet te laten wachten en hun businessimpact minimaal te houden. Ook dit is niet anders dan voor andere digitale toepassingen, zowel in de publieke als de privésector, Maatregelen Vlaams beleid mobiliteitshulpmiddelen Ik wit er uw cliënten ook nog op wijzen dat het nieuwe Vlaamse beleid tal van maatregelen bevat met een positieve financiële impact op de verstrekkers. Hernieuwingstermijnen De hernieuwingstermijn voor rolstoelen in woonzorgcentra is verlengd van 6 jaar tot 7 jaar. Dit betekent dat de gedane investeringen vertraagd kunnen worden afgeschreven en dat er langer inkomsten genereerd worden. Indexering De tegemoetkomingen voor mobiliteitshulpmiddelen werden op het federale niveau jarenlang niet geïndexeerd. In 2018 en in 2019 heeft Vlaanderen deze tegemoetkomingen telkens wel geïndexeerd. Meer nog, de indexering is juridisch verankerd in het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming. Hier spreken we dus over een structurele maatregel en niet over een overgangsmaatregel. Onderhoud en Herstelling In de regelgeving van het VAPH was niet bepaald wie het onderhoud en de herstellingen aan mobiliteitshulpmiddelen kon uitvoeren. Naast de erkende verstrekker konden dus ook allerlei andere actoren deze werken uitvoeren. In de huidige regelgeving van de Vlaamse sociale bescherming is opgenomen dat enkel erkende verstrekkers deze taken mogen opnemen. Aanvullende tegemoetkomingen Tot eind 2018 kende het VAPH aanvullende tegemoetkomingen toe (bv. 2derolstoel) voor personen die erkend waren door het VAPH. De facto was de doelgroep hierdoor beperkt tot de min 65 jarigen. Deze beperking is sinds januari 2019 opgeheven. De toekenning van deze mobiliteitshulpmiddelen is vanaf nu leeftijdsonafhankelijk. Ook 65 +ers komen dus in aanmerking. Samengevat zijn we van oordeel dat de sector tijdig op de hoogte is gebracht van de huurtarieven, dat er op verschillende wijzen en op korte termijn efficiëntiewinst kan geboekt worden en dat er voldoende compenserende maatregelen zijn genomen voor de verstrekkers. Voorts willen we verder met de BBOT bespreken in welke mate wij ondersteunend kunnen optreden in een eerste overgangsfase. Uw cliënten kunnen zich daar desgevallend bij aansluiten, voor zover dit nog niet het geval zou zijn. We zijn ook bereid om, in overleg met alle actoren, verder de nodige inspanningen te leveren om de efficiëntiewinst sneller te realiseren. Het overleg dat we hierover reeds hadden, en waar we gezamenlijk tot enkele bijsturingen hebben beslist, willen we ook verderzetten.’” IV. Onderzoek van het tweede en het derde middel A. Vooraf
  25. In het tussenarrest nr. 258.931 van 26 februari 2024 worden ten XII-9725-9726-9/29 behoeve van de beoordeling van het tweede en het derde middel de volgende twee prejudiciële vragen gesteld aan het Grondwettelijk Hof: “A. ‘Schendt artikel 107 van het decreet van 18 mei 2018 'houdende Vlaamse sociale bescherming', artikel 23 van de Grondwet in zoverre die bepaling machtiging verleent aan de Vlaamse Regering om het bedrag van de tegemoetkomingen voor mobiliteitshulpmiddelen te bepalen en de voorwaarden vast te leggen waaraan moet zijn voldaan opdat een tegemoetkoming voor een mobiliteitshulpmiddel kan worden verleend en waarbij het bedrag van deze tegemoetkomingen van toepassing is op de huurcontracten in het kader van mobiliteitshulpmiddelen die vóór 1 januari 2019 zijn gesloten conform artikel 28, §8 van de bijlage bij het koninklijk besluit van 14 september 1984 ‘tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen’.’ B. ‘Schendt artikel 107 van het decreet van 18 mei 2018 'houdende Vlaamse sociale bescherming', artikel 23 van de Grondwet in zoverre die bepaling machtiging verleent aan de Vlaamse Regering om het bedrag van de tegemoetkomingen voor mobiliteitshulpmiddelen te bepalen en de voorwaarden vast te leggen waaraan moet zijn voldaan opdat een tegemoetkoming voor een mobiliteitshulpmiddel kan worden verleend en aldus geïnterpreteerd dat het de Vlaamse regering toekomt de minister ermee te belasten om de omvang van die tegemoetkomingen te bepalen?’.”
  26. Het Grondwettelijk Hof oordeelt in zijn arrest nr. 56/2025 van 3 april 2025 dat artikel 107 van het decreet van 18 mei 2018 bestaanbaar is met artikel 23 van de Grondwet op grond van de volgende overwegingen: “B.
  27. De prejudiciële vragen hebben betrekking op artikel 107 van het Vlaamse decreet van 18 mei 2018 ‘houdende de Vlaamse sociale bescherming’ (hierna : het decreet van 18 mei 2018), dat de tegemoetkoming voor mobiliteitshulpmiddelen betreft. B.
  28. Het decreet van 18 mei 2018 beoogt een Vlaamse sociale zekerheid uit te bouwen die complementair is aan de federale sociale zekerheid (Parl. St., Vlaams Parlement, 2017-2018, nr. 1474/1, p. 3). Het is een volksverzekering, waarbij rechten worden gekoppeld aan het betalen van een jaarlijkse premie (artikel 5 van het decreet van 18 mei 2018). Die volksverzekering bestaat uit verschillende pijlers, waaronder de mobiliteitshulpmiddelen (artikel 4 van het decreet van 18 mei 2018). Krachtens artikel 2, eerste lid, 20°, van het decreet van 18 mei 2018 zijn de mobiliteitshulpmiddelen ‘de hulpmiddelen die bedoeld zijn om de bewegingsfunctie te ondersteunen, namelijk rolstoelen, loophulpmiddelen, orthopedische driewielfietsen, stasystemen, zitkussens ter preventie van doorzitwonden, modulair aanpasbare systemen ter ondersteuning van de zithouding en onderstellen en de aanpassingen ervan. Een rolstoel, loophulpmiddel of orthopedische driewielfiets zijn speciaal ontworpen toestellen om personen te helpen zich binnenshuis en buitenshuis te verplaatsen’. Krachtens artikel 2, tweede lid, van het decreet van 18 mei 2018 kan de Vlaamse Regering die definitie van mobiliteitshulpmiddelen ‘uitbreiden met andere hulpmiddelen die als finaliteit hebben de ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.279 XII-9725-9726-10/29 bewegingsfunctie te ondersteunen’. Titel 4 van deel 2 van het decreet van 18 mei 2018 betreft ‘[de] tegemoetkoming voor mobiliteitshulpmiddelen’ en omvat de artikelen 105 tot
  29. Krachtens artikel 105, § 1, van het decreet van 18 mei 2018 ‘[bestaat de] financiering van mobiliteitshulpmiddelen in het kader van de Vlaamse sociale bescherming [...] uit de toekenning aan de gebruiker door de zorgkas van een tegemoetkoming [...] die via trekkingsrechten wordt uitbetaald’. Een trekkingsrecht is ‘het recht op een persoonsvolgend budget dat verloopt via een rechtstreekse betaling door de zorgkas aan de erkende zorgvoorziening of verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen die zorg verleent aan de gebruiker’ (artikel 2, eerste lid, 32°, van het decreet van 18 mei 2018). De gebruiker, zijnde de persoon die een beroep doet op de Vlaamse sociale bescherming, maakt dus geen aanspraak op een vrij besteedbare vergoeding, doch wel op de rechtstreekse betaling van een tegemoetkoming door de zorgkas aan de betreffende verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen (Parl. St., Vlaams Parlement, 2017-2018, nr. 1474/1, pp. 36 en 88). Die financiering voor mobiliteitshulpmiddelen neemt de vorm aan van tegemoetkomingen in het kader van de aankoop van mobiliteitshulpmiddelen, enerzijds, en van tegemoetkomingen in de vorm van periodieke huurforfaits, anderzijds (artikel 106, eerste lid, van het decreet van 18 mei 2018). Het in het geding zijnde artikel 107 van het decreet van 18 mei 2018 machtigt de Vlaamse Regering om het bedrag van de tegemoetkomingen voor mobiliteitshulpmiddelen te bepalen en de voorwaarden vast te leggen waaraan moet zijn voldaan opdat een tegemoetkoming voor een mobiliteitshulpmiddel kan worden verleend. Die bepaling luidt : ‘De Vlaamse Regering bepaalt het bedrag van de tegemoetkomingen voor mobiliteitshulpmiddelen en legt de voorwaarden vast waaraan moet zijn voldaan opdat een tegemoetkoming voor een mobiliteitshulpmiddel kan worden verleend. Daarvoor bepaalt de Vlaamse Regering onder meer : 1° het gebruiksdoel van de mobiliteitshulpmiddelen; 2° de functionele specificaties van de mobiliteitshulpmiddelen; 3° de hernieuwingscriteria voor de verschillende mobiliteitshulpmiddelen; 4° de vergoedingscriteria voor het mobiliteitshulpmiddel, het uitproberen van het mobiliteitshulpmiddel en de aanpassingen aan het mobiliteitshulpmiddel; 5° de mogelijke cumulaties van mobiliteitshulpmiddelen; 6° de vergoedingscriteria voor onderhoud en herstelling’. B.3.
  30. Beide prejudiciële vragen strekken ertoe van het Hof te vernemen of het in het geding zijnde artikel 107 van het decreet van 18 mei 2018 artikel 23 van de Grondwet schendt, ‘in zoverre die bepaling machtiging verleent aan de Vlaamse Regering om het bedrag van de tegemoetkomingen voor mobiliteitshulpmiddelen te bepalen en de voorwaarden vast te leggen waaraan moet zijn voldaan opdat een tegemoetkoming voor een mobiliteitshulpmiddel kan worden verleend’. In de eerste prejudiciële vraag refereert het verwijzende rechtscollege daarenboven aan het feit dat ‘het bedrag van deze tegemoetkomingen van toepassing is op de huurcontracten in het kader van mobiliteitshulpmiddelen die vóór 1 januari 2019 zijn gesloten conform artikel 28, § 8, van de bijlage bij het koninklijk besluit van 14 september 1984 'tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen'’. In de tweede prejudiciële vraag legt het verwijzende rechtscollege de in het geding zijnde bepaling aan het Hof voor in de interpretatie ‘dat het de Vlaamse regering toekomt de minister ermee te belasten om de omvang van die tegemoetkomingen te bepalen’. B.3.
  31. Gelet op hun samenhang, onderzoekt het Hof de beide prejudiciële ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.279 XII-9725-9726-11/29 vragen samen. B.
  32. Artikel 23, tweede lid en derde lid, 2°, van de Grondwet verplicht de bevoegde wetgever om het recht op sociale zekerheid te waarborgen en de voorwaarden voor de uitoefening van dat recht te bepalen. Die grondwetsbepaling verbiedt die wetgever echter niet machtigingen te verlenen aan de uitvoerende macht, voor zover die machtigingen betrekking hebben op de tenuitvoerlegging van maatregelen waarvan de wetgever het onderwerp heeft aangegeven. Die grondwetsbepaling verplicht de wetgever niet om alle essentiële elementen van het recht op sociale zekerheid te regelen en verbiedt hem niet om de uitvoerende macht ertoe te machtigen die te regelen. B.5.
  33. Het decreet van 18 mei 2018 voorziet in de financiering van mobiliteitshulpmiddelen in het kader van de Vlaamse sociale bescherming. Die financiering houdt in dat de zorgkas aan de gebruiker een tegemoetkoming toekent die rechtstreeks wordt betaald aan de betreffende verstrekker van mobiliteitshulpmiddelen en die de vorm aanneemt van tegemoetkomingen in het kader van de aankoop van mobiliteitshulpmiddelen, enerzijds, en van tegemoetkomingen in de vorm van periodieke huurforfaits, anderzijds. De decreetgever heeft in artikel 2, eerste lid, 20°, van het decreet van 18 mei 2018 bepaald welke mobiliteitshulpmiddelen onder het toepassingsgebied van die regeling vallen, waarbij de Vlaamse Regering die definitie van mobiliteitshulpmiddelen kan uitbreiden met andere hulpmiddelen die als finaliteit hebben de bewegingsfunctie te ondersteunen. Voorts wordt in artikel 119 van het decreet van 18 mei 2018 bepaald wie recht heeft op een tegemoetkoming voor mobiliteitshulpmiddelen, namelijk ‘[elke] gebruiker met een beperking van de mobiliteit, die een gevolg is van een fysieke, mentale, cognitieve of psychologische stoornis’. Het in het geding zijnde artikel 107 machtigt de Vlaamse Regering om het bedrag van de tegemoetkomingen voor mobiliteitshulpmiddelen te bepalen en om de voorwaarden vast te leggen waaraan moet zijn voldaan opdat een tegemoetkoming voor een mobiliteitshulpmiddel kan worden verleend. De decreetgever heeft daarbij verduidelijkt welke elementen de Vlaamse Regering dient te bepalen, onder meer

(1)het gebruiksdoel van de mobiliteitshulpmiddelen;
(2)de functionele specificaties van de mobiliteitshulpmiddelen;
(3)de hernieuwingscriteria voor de verschillende mobiliteitshulpmiddelen;
(4)de vergoedingscriteria voor het mobiliteitshulpmiddel, het uitproberen van het mobiliteitshulpmiddel en de aanpassingen aan het mobiliteitshulpmiddel;
(5)de mogelijke cumulaties van mobiliteitshulpmiddelen;
(6)de vergoedingscriteria voor onderhoud en herstelling. B.5.2. Aldus wordt door het decreet van 18 mei 2018 op duidelijke wijze het onderwerp aangegeven van de maatregelen die door de Vlaamse Regering ten uitvoer dienen te worden gelegd. B.5.3. Bovendien kon de decreetgever, door zulk een delegatie te verlenen, de Vlaamse Regering niet machtigen om bepalingen aan te nemen die zouden leiden tot een schending van het grondwettelijk recht op sociale zekerheid. Het komt de bevoegde rechter toe na te gaan of de Vlaamse Regering op een al dan niet wettige wijze gebruik heeft gemaakt van de delegatie die haar werd verleend. B.5.4. In zoverre de prejudiciële vragen voor het overige betrekking hebben op de onmiddellijke toepassing van het door de Vlaamse Regering bepaalde bedrag van de tegemoetkoming op de lopende huurcontracten voor mobiliteitshulpmiddelen evenals op een delegatie door de Vlaamse Regering aan de minister om de omvang van die tegemoetkomingen te bepalen, ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.279 XII-9725-9726-12/29 betreffen zij de uitvoering van de in het geding zijnde bepalingen, die niet onder de bevoegdheid van het Hof valt. B.6. Gelet op het voorgaande is artikel 107 van het decreet van 18 mei 2018 bestaanbaar met artikel 23 van de Grondwet.” B. Tweede middel in beide zaken Uiteenzetting van het middel 6. In het voornoemde arrest nr. 258.931 wordt het tweede middel als volgt weergegeven: “24. De verzoekende partijen voeren in het verzoekschrift de schending aan van artikel 23 van de Grondwet en het erin verankerde legaliteitsbeginsel, alsook van de artikelen 33, 105 en 108 van de Grondwet, io de artikelen 20 en 78 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 ‘tot hervorming der instellingen’ en van het redelijkheidsbeginsel. Na een algemene toelichting van de bepalingen en beginselen waarop het middel steunt, doen de verzoekende partijen gelden dat het decreet van 18 mei 2018 ‘houdende de Vlaamse sociale bescherming’ (hierna: het decreet van 18 mei 2018) het legaliteitsbeginsel schendt. Zij voeren aan dat dit decreet ‘bulkt van machtigingen aan de Vlaamse regering’, waarbij zij ‘er enkele uit[pikken]’, met name de door hen geciteerde artikelen 108, 107, eerste lid, 2, laatste lid, 57, 60 en 61 van dat decreet. Volgens de verzoekende partijen maken deze bepalingen ‘meteen duidelijk dat zeer ruime, nagenoeg onbeperkte machtigingen aan de Vlaamse regering werden verleend.’ De aangelegenheden betreffen evenwel sociale rechten waarvan de regeling, op grond van het legaliteitsbeginsel vervat in artikel 23 van de Grondwet, in beginsel door de decreetgever zelf moet gebeuren. Dit beginsel is weliswaar enigszins genuanceerd en het is niet geheel verboden bepaalde machtigingen aan de regering te geven, maar het staat vast dat het niet zonder meer aan de regering kan worden overgelaten om de draagwijdte, de toekenningsvoorwaarden en het personele toepassingsgebied van de sociale rechten te bepalen. Dit is volgens de verzoekende partijen echter precies wat de decreetgever in het decreet van 18 mei 2018 heeft gedaan. Volgens hen zijn elementen zoals het bedrag van de tegemoetkomingen voor mobiliteitshulpmiddelen, de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan opdat een tegemoetkoming voor een mobiliteitshulpmiddel kan worden verleend, zonder twijfel essentieel voor het sociale beschermingsbeleid die niet aan de regering gedelegeerd kunnen worden. De verzoekende partijen betogen dat het aan de decreetgever is om voor dergelijke elementen de beleidskeuzes te maken en de fundamentele beginselen vast te leggen, zodat duidelijk is welke criteria gevolgd moeten worden voor de verdere uitwerking. De decreetgever heeft te dezen echter geen enkel criterium bepaald. De bepaling van de omvang en voorwaarden voor de tegemoetkoming voor mobiliteitshulpmiddelen wordt volledig overgelaten aan de Vlaamse regering – die dit verder gedelegeerd heeft aan de minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, zie infra derde middel – terwijl van dergelijke essentiële elementen vereist is dat de decreetgever deze zelf vaststelt. Enkel ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.279 XII-9725-9726-13/29 de detailmatige uitwerking kan worden overgelaten aan de regering. Daartoe is een nauwkeurig omschreven machtiging noodzakelijk. De machtigingen die de decreetgever in het decreet van 18 mei 2018 aan de Vlaamse regering geeft zijn echter allesbehalve nauwkeurig. Het gaat niet over de detailmatige uitwerking van een regeling waarvan de decreetgever reeds de essentiële en fundamentele beginselen vastgelegd heeft. Het betreffen daarentegen essentiële beleidskeuzes die de decreetgever op quasi onbeperkte wijze aan de regering heeft gedelegeerd.” 7. In hun laatste memorie na het arrest van het Grondwettelijk Hof en het daaropvolgende aanvullend auditoraatsverslag laten de verzoekende partijen nog gelden: “5.1.3 Weerlegging van het standpunt van de Auditeur 23. Gelet op het arrest nr. 258.931 van 26 februari 2024 van het Grondwettelijk Hof moeten de verzoekende partijen aanvaarden dat artikel 107 van het VSB-Decreet verenigbaar is met het legaliteitsbeginsel vervat in artikel 23, 2e lid Gw. 24. Het Grondwettelijk Hof heeft wel duidelijk aangegeven dat Uw Raad nog steeds moet oordelen of de Vlaamse Regering op wettige wijze gebruik heeft gemaakt van de delegatie die haar werd verleend. 25. De verzoekende partijen menen dat dit niet het geval is. 26. De regeling uit artikel 262, §1 en §2 juncto artikel 648 van het bestreden besluit van de Vlaamse Regering heeft tot gevolg dat de door de Minister bepaalde – verlaagde – huurforfaits voor mobiliteitshulpmiddelen in de Woonzorgcentra op éénzelfde wijze worden toegepast op: - De verstrekkers van mobiliteitshulpmiddelen, die vóór 1 januari 2019 een huurovereenkomst afsloten op basis van de oude – gunstigere – federale (RIZIV) regeling; - De verstrekkers van mobiliteitshulpmiddelen, die vanaf 1 januari 2019 een nieuwe huurovereenkomst afsluiten op basis van de nieuwe Vlaamse (VSB) regeling. Iedere passende concrete overgangsregeling ontbreekt. Het is zelfs zo dat artikel 648 van het bestreden besluit bepaalt dat de lopende huurovereenkomsten niet meer opnieuw moeten ondertekend worden door de gebruikers en de verstrekkers van mobiliteitshulpmiddelen. Dit gebrek aan enige overgangsregeling leidt tot een vermindering van het beschermingsniveau. De verstrekkers van mobiliteitshulpmiddelen zien hun inkomsten dalen, waardoor de gebruikers ook hun zekerheid om te beschikken over het noodzakelijk hulpmiddel verliezen. De financiële impact van de veranderde regelgeving zou nl. tot een faling van de verstrekkers van de hulpmiddelen kunnen leiden. 27. Voor dit gebrek aan overgangsregeling wordt geen rechtmatig doel uitgedrukt in het bestreden besluit. Dit rechtmatig doel lijkt ook helemaal niet voorhanden te zijn: in zijn reactie van 20 februari 2019 slaagt de bevoegde Minister er niet in om ook maar één ‘rechtmatig doel’ aan te halen om dit door de verzoekende partijen opgeworpen gebrek aan een (passende) overgangsregeling te verantwoorden […]. Er bestaat geen objectieve verantwoording voor de gelijke behandeling van enerzijds de situatie waarbij verstrekkers van mobiliteitshulpmiddelen in het kader van de overeenkomsten die afgesloten zijn onder de oude gunstigere regeling in hun investeringsbeleid geen rekenschap hebben kunnen geven aan ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.279 XII-9725-9726-14/29 de gewijzigde regeling en, anderzijds, de situatie waarbij de verstrekkers van mobiliteitshulpmiddelen in het kader van de nieuwe huurovereenkomsten hun investeringsbeleid kunnen afstemmen op de tarieven die gelden vanaf 1 januari 2019. 28. Als (erkende) verstrekkers van mobiliteitshulpmiddelen maakten de verzoekende partijen aanspraak op ‘verworven rechten’, met name de rentingovereenkomsten voor mobiliteitshulpmiddelen in de woonzorgsector, die zij in de financiële context van gunstigere huurforfaits (RIZIV) hadden afgesloten. Door de nieuwe regeling, zonder adequate concrete overgangsbepalingen, zullen de verzoekende partijen deze ‘verworven rechten’ verliezen. Op basis van het standstillbeginsel (alsook het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel) moest de verwerende partij voorzien in een adequate overgangsregeling voor de lopende rentingcontracten. De verwerende partij zou enkel kunnen afzien van dergelijke adequate overgangsregeling, voor zover er dwingende redenen van algemeen belang voorhanden zijn, die het ontbreken van dergelijke overgangsregeling verantwoorden. Dergelijke ‘dwingende redenen van algemeen belang’ zijn in casu niet voorhanden. Zij zijn niet terug te vinden in de regelgeving of de voorbereidende stukken ervan. 29. Het middel blijft gegrond.” Beoordeling 8. Door het auditoraat wordt tot de ongegrondheid van het tweede middel besloten op grond van de volgende overwegingen: “Beoordeling 6. In het arrest nr. 258.931 van 26 februari 2024 werd besloten dat het middel enkel wordt beoordeeld in zoverre het gericht is tegen artikel 107 van het decreet van 18 mei 2018 in de mate dat die bepaling rechtsgrond biedt voor de regeling zoals die voortvloeit uit artikel 468, samen gelezen met artikel 262, §3 van het bestreden besluit van 18 mei 2018. Het middel wordt enkel onderzocht in het licht van het geschonden geachte artikel 23 van de Grondwet en van het daarin vervatte wettigheidsbeginsel. 7. Het hoger geciteerde arrest nr. 56/2025 van 3 april 2025 van het Grondwettelijk hof zegt voor recht dat artikel 107 van het Vlaams decreet van 18 mei 2018 ‘houdende de Vlaamse sociale bescherming’ artikel 23 van de Grondwet niet schendt. Het decreet van 18 mei 2018 geeft duidelijk het onderwerp aan van de maatregelen die door de Vlaamse Regering ten uitvoer dienen te worden gelegd. Het komt aan de bevoegde rechter toe om na te gaan of de Vlaamse regering op een al dan niet wettige wijze gebruik heeft gemaakt van de delegatie die haar werd verleend. Artikel 107 van het Vlaams decreet van 18 mei 2018 machtigt de Vlaamse regering om het bedrag van de tegemoetkomingen voor mobiliteitshulpmiddelen te bepalen en om de voorwaarden vast te leggen waaraan moet zijn voldaan opdat een tegemoetkoming voor een mobiliteitshulpmiddel kan worden verleend. De decreetgever heeft daarbij verduidelijkt welke elementen de Vlaamse Regering dient te bepalen, onder meer het gebruiksdoel van de mobiliteitshulpmiddelen, de functionele specificaties van de mobiliteitshulpmiddelen, de hernieuwingscriteria voor de ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.279 XII-9725-9726-15/29 verschillende mobiliteitshulpmiddelen de vergoedingscriteria voor het mobiliteitshulpmiddel, het uitproberen van het mobiliteitshulpmiddel en de aanpassingen aan het mobiliteitshulpmiddel, de mogelijke cumulaties van mobiliteitshulpmiddelen en tot slot de vergoedingscriteria voor onderhoud en herstellingen. Volgens de verzoekende partijen moet de reglementering inzake sociale rechten in principe bij wetskrachtige norm gebeuren. Het bedrag van de tegemoetkomingen voor mobiliteitshulpmiddelen en de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan opdat een tegemoetkoming voor een mobiliteitshulpmiddel kan worden verleend zijn essentieel voor het sociale beschermingsbeleid en betreffen bij uitstek aangelegenheden die niet aan de regering gedelegeerd kunnen worden. 8. Het Grondwettelijk Hof oordeelde dat het decreet van 18 mei 2018 op duidelijke wijze het onderwerp aangeeft van de maatregelen die door de Vlaamse Regering ten uitvoer dienen te worden gelegd. De decreetgever heeft door zulk een delegatie te verlenen, de Vlaamse Regering niet gemachtigd om bepalingen aan te nemen die zouden leiden tot een schending van het grondwettelijk recht op sociale zekerheid. Artikel 107 van het decreet van 18 mei 2018 is bestaanbaar met artikel 23 van de Grondwet. In tegenstelling tot wat de verzoekende partijen uiteenzetten, vervalt het decreet van 18 mei 2018 niet als basis voor de bestreden beslissing en is er een wettige rechtsgrond voorhanden voor de diverse bepalingen van de bestreden beslissing. 9. Uit het arrest nr. 258.931 van 26 februari 2024 volgt dat de verzoekende partijen enkel belang hebben bij de nietigverklaring van artikel 648 van het bestreden besluit van 30 november 2018 samen te lezen met artikel 262, §3 ervan in de mate dat de laatstgenoemde bepaling de rechtsgrond vormt voor de vaststelling van de huurforfaits die, zonder onderscheid, met ingang van 1 januari 2019 van toepassing zijn op de huurcontracten in het kader van de mobiliteitshulpmiddelen die voor 1 januari 2019 zijn gesloten conform artikel 28, §8, van de bijlage bij het koninklijk besluit van 14 september 1984 ‘tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen’ (A.227.518) Met betrekking tot het ministerieel besluit is het belang van de verzoekende partijen beperkt tot de nietigverklaring van het artikel 3, samen te lezen met de bijlage 2 van het bestreden besluit van 7 december 2018, met name in zoverre de met die bepalingen vastgestelde huurforfaits met ingang van 1 januari 2019 van toepassing zijn op de huurcontracten in het kader van mobiliteitshulpmiddelen die voor 1 januari 2019 zijn gesloten conform artikel 28, §8 van de bijlage bij het koninklijk besluit van 14 september 1984 ‘tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen’. In het arrest nr. 258.931 van 26 februari 2024 ( lees: het arrest nr.56/2025 van 3 april 2025) oordeelt het Grondwettelijk Hof dat het de bevoegde rechter toekomt om na te gaan of Vlaamse Regering op een al dan niet wettige wijze gebruik heeft gemaakt van de delegatie die haar werd verleend. De verzoekende partijen zetten in het tweede middel niet uiteen hoe deze bepalingen artikel 23 van de Grondwet schenden. Het tweede middel voert niet aan dat de Vlaamse Regering niet op een wettige wijze gebruik zou hebben gemaakt van de delegatie die haar werd verleend. In zoverre de prejudiciële vragen voor het overige betrekking hebben op de onmiddellijke toepassing van het bedrag van de tegemoetkoming op de lopende huurcontracten voor mobiliteitshulpmiddelen betreffen zij de ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.279 XII-9725-9726-16/29 uitvoering van de in het geding zijnde bepalingen die niet onder de bevoegdheid van het Hof vallen (B.5.4.) 10. Met betrekking tot de onmiddellijke toepassing van het bepaalde bedrag van de tegemoetkoming op de lopende huurcontracten voor mobiliteitshulpmiddelen wordt vooreerst verwezen naar de beoordeling van het eerste middel. In zoverre verzoekers zouden aanvoeren dat de onmiddellijke toepassing van de bedragen bepaald in bijlage 2 van het ministerieel besluit van 7 december 2018, artikel 23 van de Grondwet schendt, kan dit niet gevolgd worden om de volgende redenen: Artikel 23 van de Grondwet houdt een standstill-verplichting in, die inhoudt dat de overheid het regelgevend kader niet zo mag wijzigen dat het voorheen in dat kader voor die grondrechten verzekerde beschermingsniveau aanzienlijk wordt verminderd, behoudens indien dit gerechtvaardigd kan worden door redenen die verband houden met het algemeen belang (RvS, 28 februari 2018, nr. 240.831; RvS, 18 april 2017, nr. 237.945; RvS, 27 mei 2010, nr. 204.336). De verzoeker die de schending van de standstill- verplichting inroept moet de aanzienlijke vermindering van het beschermingsniveau aantonen, hetgeen impliceert dat de mogelijke gevolgen van het bestreden besluit duidelijk en concreet uiteengezet worden zodat kan beoordeeld worden of zij leiden tot een vermindering van het beschermingsniveau die als ‘aanzienlijk’ kan worden beschouwd en dat er daarvoor geen redenen zijn die verband houden met het algemeen belang. De overheid beschikt daarbij over een discretionaire bevoegdheid (RvS, 25 november 2010, nr. 209.222). Overeenkomstig artikel 648 van het besluit van 30 november 2018 zijn de huurforfaits vermeld in artikel 262, §3 van het besluit van 30 november 2018 vanaf 1 januari 2019 van toepassing op de huurovereenkomsten in het kader van mobiliteitshulpen die voor 1 januari 2019 zijn gesloten conform artikel 28, §8 van de bijlage bij het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen. Verzoekers wensen om van de oudere gunstigere federale regeling te genieten voor de lopende contracten. Hierbij wordt niet ingegaan op de indexering die werd genomen in het decreet van 18 mei 2018 en de verlenging van de huurperiode van 6 jaar naar 7 jaar en de gevolgen dat dit heeft op de lopende huurovereenkomsten. Verzoekers tonen niet aan dat er sprake is van een vermindering van het beschermingsniveau, laat staan dat het een aanzienlijke vermindering van het beschermingsniveau zou betreffen. Er wordt zelfs niet uiteengezet dat er concreet sprake is van de vermindering van het beschermingsniveau. Deze vaststelling volstaat om te besluiten dat het in artikel 23 van de Grondwet vervatte standstill-beginsel niet geschonden wordt. Het tweede middel is niet gegrond.” 9. De verzoekende partijen betwisten deze conclusie doch hebben na de kennisgeving van het aanvullend auditoraatsverslag, niet de gelegenheid benut die een laatste memorie biedt om een andere visie op de beoordeling door het auditoraat te geven. In zoverre de verzoekende partijen voor het eerst in hun laatste memorie na het aanvullend auditoraatsverslag aanvoeren dat
  1. i)iedere passende overgangsmaatregeling ontbreekt;
  2. ii)voor dit gebrek aan ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.279 XII-9725-9726-17/29 overgangsregeling geen rechtmatig doel wordt uitgedrukt in het bestreden besluit; iii) zij, als (erkende) verstrekkers van mobiliteitshulpmiddelen aanspraak maken op “verworven rechten”, met name de rentingovereenkomsten voor mobiliteitshulpmiddelen in de woonzorgsector, die zij in de financiële context van gunstigere huurforfaits (RIZIV) hadden afgesloten en zij zonder adequate concrete overgangsbepalingen, deze “verworven rechten” zullen verliezen en
  3. iv)de verwerende partij enkel van een adequate overgangsregeling kan afzien, voor zover er dwingende redenen van algemeen belang voorhanden zijn, wat te dezen niet het geval is, voeren zij een nieuwe argumentatie aan waarvan zij niet aantonen waarom zij deze niet reeds in het verzoekschrift hadden kunnen ontwikkelen. Aldus geven de verzoekende partijen op laattijdige en niet-ontvankelijke wijze een nieuwe grondslag aan het middel. Die argumenten en kritieken kunnen derhalve niet tot nietigverklaring leiden. 10. In die omstandigheden en na een eigen onderzoek, ziet de Raad van State geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het tweede middel ongegrond. C. Derde middel in beide zaken Uiteenzetting van het middel 11. In het voornoemde arrest nr. 258.931 wordt het derde middel als volgt weergegeven: “33. De verzoekende partijen voeren in het verzoekschrift machtsoverschrijding aan, de schending van de artikelen 20 en 78 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 ‘tot hervorming der instellingen’ en van het redelijkheidsbeginsel, doordat het bestreden besluit van 30 november 2018 ‘een hele reeks bevoegdheden die aan de Vlaamse regering werden gedelegeerd verder delegeert aan de minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin’, terwijl artikel 20 van de wet van 8 augustus 1980 ‘tot hervorming der instellingen’ bepaalt dat de verordeningsbevoegdheid toekomt aan de regering en niet aan de individuele ministers. De verzoekende partijen lichten toe dat het bestreden besluit van 30 november 2018 talrijke machtigingsbepalingen bevat die een zeer ruime bevoegdheid aan de minister delegeren, waarbij zij in het bijzonder wijzen op de bepalingen inzake de mobiliteitshulpmiddelen, met name artikel 288, § 2, artikel 309, artikel 331, § 1, artikel 336 en artikel 342, § 2, tweede lid. Zij betogen dat al deze XII-9725-9726-18/29 bepalingen zijn uitgevoerd in het bestreden besluit van 7 december 2018 en dat in alle ernst niet kan worden gesteld dat de elementen geregeld in dat laatste besluit van bijkomstige aard of van beperkt belang zijn. Integendeel, zaken zoals de omvang van de tegemoetkomingen raken volgens de verzoekende partijen de kern van het socialebeschermingsbeleid en betreffen in feite elementen die omwille van hun essentieel karakter door de decreetgever zelf moeten worden vastgesteld. Minstens moet de decreetgever de beleidskeuze hierin maken en de fundamentele beginselen bepalen, zodat er nauwkeurige criteria voorhanden zijn die de verdere uitwerking richting kunnen geven. Het delegeren van die materies is, zo betogen de verzoekende partijen, reeds problematisch indien het een delegatie van de decreetgever aan de regering zou betreffen maar, te dezen, gaat volgens hen de problematiek nog verder nu de Vlaamse regering op haar beurt deze elementen ‘verder heeft gedelegeerd naar de minister’. De Vlaamse regering heeft de bevoegdheid die aan haar werd gedelegeerd bij artikel 107 van het decreet van 18 mei 2018 om het bedrag van de tegemoetkomingen voor mobiliteitshulpmiddelen te bepalen, zonder meer verder gedelegeerd aan de minister. Dergelijke delegatie kan – hoewel die op zich onverenigbaar is met artikel 20 van de wet van 8 augustus 1980 ‘tot hervorming der instellingen” – volgens de verzoekende partijen enkel toelaatbaar worden geacht wanneer het gaat om bijkomstige en aanvullende uitvoeringsmaatregelen. Aangezien het bedrag van een tegemoetkoming volgens de verzoekende partijen bezwaarlijk als bijkomstig element beschouwd kan worden – het raakt immers aan de kern van de sociale bescherming –, kon de Vlaamse regering dit niet delegeren aan een individuele minister.” 12. In hun laatste memorie na het arrest van het Grondwettelijk Hof en het daaropvolgende aanvullend auditoraatsverslag laten de verzoekende partijen nog gelden: “5.2.3 Weerlegging van het standpunt van de Auditeur 36. De Eerste Auditeur stelt in de eerste plaats dat het middel enkel wordt onderzocht in het licht van het geschonden geachte artikel 20 BWHI wat de machtiging betreft bepaald in artikel 262, §3 van het bestreden besluit van 30 november 2018. De verzoekende partijen blijven erbij dat deze bepaling getuigt van machtsoverschrijding maar dit is niet de enige bepaling die een te verregaande delegatie aan de Minister inhoudt. 37. De verzoekende partijen wijzen in het bijzonder op de bepalingen inzake de mobiliteits-hulpmiddelen, met name: - Artikel 288, §2 van het besluit van de Vlaamse regering van 30 november 2018: ‘De omvang van de tegemoetkomingen voor de aankoop van een mobiliteitshulpmiddel als vermeld in het eerste lid, wordt bepaald door de minister.’ - Artikel 309: ‘De omvang van de forfaitaire tegemoetkomingen en de nadere regels voor de forfaitaire tegemoetkoming worden bepaald door de minister.’ - Artikel 331, §1: ‘Als een gebruiker nood heeft aan een tegemoetkoming voor een mobiliteitshulpmiddel, zich in een uitzonderlijke situatie bevindt en geen tegemoetkoming voor een mobiliteitshulpmiddel kan verkrijgen op basis van ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.279 XII-9725-9726-19/29 de andere aanvraagprocedures waarin dit besluit voorziet, kan hij een aanvraag van een tegemoetkoming indienen bij de zorgkas waarbij hij is aangesloten, mits omstandige motivering van de aanvraag. De minister kan nader bepalen wat moet worden verstaan onder een uitzonderlijke situatie, vermeld in het eerste lid. De minister kan bepalen welke documenten de gebruiker bij de aanvraag moet voegen.’ - Artikel 336: ‘De omvang van de tegemoetkomingen, vermeld in artikel 334, eerste lid [het gaat om de tegemoetkoming voor een tweede rolstoel], wordt bepaald door de minister.’ - Artikel 342: ‘§ 1 De facturen die ingediend worden conform artikel 338, moeten correct en volledig worden ingevuld. Als dat niet het geval is, worden ze geweigerd en teruggestuurd naar de verstrekker van mobiliteitshulp-middelen in kwestie of in voorkomend geval de onderneming in kwestie. §2 De factuur moet in overeenstemming zijn met de voorwaarden inzake de toekenning van de gefactureerde tegemoetkoming voor het mobiliteitshulpmiddel of de aanpassing in kwestie, die zijn opgenomen in het decreet van 18 mei 2018 en in dit besluit. De facturen of onderdelen van facturen die niet in overeenstemming zijn met de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, worden verworpen. Bundels facturen waarvan het aantal verworpen onderdelen een door de minister bepaald aandeel bereikt, worden in hun geheel geweigerd. Andere facturen worden uitbetaald door de zorgkas binnen zes weken vanaf de datum van de ontvangst van de correct en volledig ingevulde factuur, met uitzondering van de tegemoetkomingen waarop de verworpen onderdelen betrekking hebben.’ Al deze bepalingen werden uitgevoerd in het Ministerieel besluit van 7 december 2018 betreffende de uitvoering van de Vlaamse sociale bescherming, wat de mobiliteitshulpmiddelen betreft. De verwerende partij heeft de bevoegdheid die aan haar werd gedelegeerd in artikel 107 van het VSB-Decreet om de bovengenoemde elementen vast te stellen, zonder verdere instructies, verder gedelegeerd aan de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin. De Eerste Auditeur verengt de situatie echter naar één enkele bepaling, waardoor de aandacht wordt afgeleid van het systematisch delegeren van belangrijke aspecten van de tegemoetkoming voor mobiliteitshulpmiddelen, zonder dat er nauwkeurige criteria voorhanden zijn die de verdere uitwerking richting kunnen geven. 38. De verzoekende partijen wensen vervolgens in te gaan op de verwijzing naar het advies 64.367/1 van de afdeling Wetgeving van de Raad van State. In dit advies wordt er, geheel in het begin, een algemene opmerking geformuleerd: ‘1. Met toepassing van artikel 84, § 3, eerste lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, heeft de afdeling Wetgeving zich toegespitst op het onderzoek van de bevoegdheid van de steller van de handeling, van de rechtsgrond, alsmede van de vraag of aan de te vervullen vormvereisten is voldaan. Gelet op het uitzonderlijk hoge aantal adviesaanvragen die met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State aanhangig zijn gemaakt en op de uitzonderlijke omvang en techniciteit van het ontwerp, heeft de afdeling Wetgeving zich bovendien ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.279 XII-9725-9726-20/29 noodgedwongen moeten beperken tot een summier onderzoek van het ontwerp, zelfs met betrekking tot de in artikel 84, § 3, eerste lid, van die wetten opgesomde punten. Uit de vaststelling dat over een bepaling in dit advies niets wordt gezegd, mag niet zonder meer worden afgeleid dat er niets over gezegd kan worden en, indien er wel iets over wordt gezegd, dat er niets meer over te zeggen valt.’ (…) De Raad heeft hiermee klaarblijkelijk geanticipeerd op eventuele betwistingen over de rechtsgrond, door te verduidelijken dat zij zich moest beperken tot een summier onderzoek. Meer nog, zij concludeert expliciet dat ‘uit de vaststelling dat over een bepaling in dit advies niets wordt gezegd, niet zonder meer [mag] worden afgeleid dat er niets over gezegd kan worden’. Bijgevolg mag uit het niet benoemen van een bepaling als problematisch, niet worden afgeleid dat er zich geen wettigheidsprobleem stelt. 39. Verder wordt op pagina 11 van het advies, bij het onderzoek van de tekst, de volgende algemene opmerking geformuleerd: ‘10. Het ontwerp bevat talrijke bepalingen waarbij verordenende bevoegdheid wordt verleend aan de minister bevoegd voor bijstand aan personen. Zoals de Raad van State, afdeling Wetgeving, in het verleden reeds meermaals heeft opgemerkt, kan het toekennen van een verordenende bevoegdheid door de Vlaamse Regering aan één van haar leden, enkel toelaatbaar worden geacht in zoverre die delegatie slechts regels van bijkomstige aard of van beperkt belang betreft. De talrijke vrij ruim omschreven delegaties ‘“de minister bepaalt de nadere regels ...’) die in het ontwerp voorkomen,[…] dienen in het licht van het voornoemde beginsel te worden begrepen en zullen derhalve niet kunnen worden aangewend om bijvoorbeeld in een ministerieel besluit bijkomende toepassingsvoorwaarden van de ontworpen regeling op te leggen of om erin aangelegenheden te regelen die niet als zijnde bijkomstig of detailmatig vallen aan te merken. Het gegeven dat de betrokken aangelegenheid in voorkomend geval slechts summier is geregeld in het voorliggende ontwerp kan geen verantwoording bieden voor een ruimere uitlegging van de aldus aan de minister gedelegeerde bevoegdheden. De stellers van het ontwerp doen er goed aan om na te gaan of sommige delegatie-bepalingen wel beantwoorden aan hetgeen voorafgaat en of deze niet het best nauwer worden afgebakend of erin niet beter moet worden tot uitdrukking gebracht dat de aan de minister gedelegeerde bevoegdheid effectief beperkt van aard is.”[…] Hoewel de Raad zich noodgedwongen moest beperken tot een summier onderzoek, heeft zij de verwerende partij opgedragen om na te gaan of de delegaties wel beantwoorden aan de voorwaarde dat ze slechts betrekking mogen hebben op elementen van bijkomstige of detailmatige aard. De Raad bevestigde nogmaals dat een delegatie aan een minister slechts toelaatbaar is in zoverre die delegatie regels van bijkomstige aard of beperkte belang betreft. 40. Uit het advies van de Afdeling Wetgeving mag dus op geen enkele manier mag worden afgeleid dat een delegatie die het bepalen van de omvang en voorwaarden voor de tegemoetkoming voor mobiliteitshulpmiddelen volledig overlaat aan de Vlaamse Regering, die dit op haar beurt verder gedelegeerd heeft aan de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, in overeenstemming met de Grondwet en de bevoegdheidsverdelende regels zou zijn. 41. In dit geval vindt er een onwettige subdelegatie plaats, omdat de Vlaamse Minister een vrijgeleide kreeg om de omvang van de huurforfaits te bepalen. De Eerste Auditeur stelt dat het besluit van de Vlaamse regering criteria vastlegt waaraan de Minister zich bij de verdere uitwerking moet houden ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.279 XII-9725-9726-21/29 maar de elementen die in artikel 262, §1 worden genoemd (de huurforfaits dekken de maandelijkse huur van het mobiliteitshulpmiddel, met inbegrip van alle kosten die samengaan met de verstrekking, het onderhoud, de herstelling en de reconditionering van de rolstoel, alsook de vereiste aanpassingen, vermeld in de prestatielijst, en de verplaatsingskosten) kunnen niet beschouwd worden als afdoende afgebakende krijtlijnen. De hoogte van de tegemoetkoming is allesbehalve een detail. Artikel 107 van het Vlaams decreet van 18 mei 2018 machtigt de Vlaamse regering ook uitdrukkelijk om het bedrag van de tegemoetkomingen voor mobiliteitshulpmiddelen te bepalen. Met andere woorden komt die bevoegdheid aan de voltallige regering en niet aan een individuele minister toe. Zelfs in zoverre Uw Raad zou oordelen dat de hoogte van de tegemoetkoming flexibel moet kunnen worden aangepast afhankelijk van bepaalde ontwikkelingen (zoals de verwerende partij eerder opwierp), is er geen concreet kader vastgelegd waarbinnen deze bedragen moeten worden bepaald. De Vlaamse Regering heeft in artikel 262, §1 weliswaar opgenomen dat een huurforfait kostendekkend moet zijn maar heeft daarbij geen onder- of bovengrens vastgesteld. Er is met name niets voorzien over de marge die verstrekkers van mobiliteitshulpmiddelen – die vaak handelsondernemingen gericht op het maken van winst zijn – nog kunnen verwachten te hebben. De discretionaire marge die normaliter aan de Vlaamse Regering (en in feite bij de decreetgever) toekomt, werd derhalve zonder het aangeven van enige concrete afbakening, gedelegeerd aan de Minister. 42. Het bestreden besluit dat deze delegaties is daarmee genomen met overschrijding van macht en in strijd met het legaliteitsbeginsel. 43. Het middel blijft gegrond.” Beoordeling 13. Door het auditoraat wordt tot de ongegrondheid van het derde middel besloten op grond van de volgende overwegingen: “Beoordeling 12. In het arrest nr. 258.931 van 26 februari 2024 oordeelde de Raad dat het middel enkel ontvankelijk is in zoverre het is gericht tegen de machtiging voorzien in artikel 262, §3 van het bestreden besluit van 30 november 2018, waarbij de bevoegdheid om de omvang van de huurforfaits te bepalen, wordt gedelegeerd aan de minister. Ten gronde wordt het middel enkel onderzocht in het licht van het geschonden geachte artikel 20 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 ‘tot hervorming der instellingen’ wat de machtiging betreft bepaald in artikel 262, §3 van het bestreden besluit van 30 november 2018. Artikel 20 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen bepaalt: ‘De [Regering] maakt de verordeningen en neemt de besluiten die voor de uitvoering van de decreten nodig zijn, zonder ooit de decreten zelf te mogen schorsen of vrijstelling van hun uitvoering te mogen verlenen.’ Artikel 262, §3 van het besluit van 30 november 2018 bepaalt: ‘§3. De omvang van de huurforfaits, vermeld in paragraaf 1, wordt bepaald door de minister.’ ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.279 XII-9725-9726-22/29 Het toekennen van een verordenende bevoegdheid door de Vlaamse Regering aan één van haar leden, kan enkel toelaatbaar worden geacht in zoverre die delegatie slechts regels van bijkomstige aard of van beperkt belang betreft. 13. Het gaat om een subdelegatie van een machtiging, bij artikel 107, van het decreet van 18 mei 2018 aan de Vlaamse Regering voor het bepalen van het bedrag van de tegemoetkomingen voor mobiliteitshulpmiddelen en het vastleggen van de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan opdat een tegemoetkoming voor een mobiliteitshulpmiddel kan worden verleend. Hierbij heeft de decreetgever verduidelijkt welke elementen de Vlaamse Regering dient te bepalen, onder meer
(1)het gebruiksdoel van de mobiliteitshulpmiddelen;
(2)de functionele specificaties van de mobiliteitshulpmiddelen;
(3)de hernieuwingscriteria voor de verschillende mobiliteitshulpmiddelen;
(4)de vergoedingscriteria voor het mobiliteitshulpmiddel, het uitproberen van het mobiliteitshulpmiddel en de aanpassingen aan het mobiliteitshulpmiddel;
(5)de mogelijke cumulaties van mobiliteitshulpmiddelen;
(6)de vergoedingscriteria voor onderhoud en herstellingen.
  1. Het besluit van 30 november 2018 bepaalt dat de financiering voor mobiliteitshulpmiddelen de vorm aanneemt van tegemoetkomingen in het kader van de aankoop van mobiliteitshulpmiddelen dan wel van tegemoetkomingen in de vorm van periodieke huurforfaits (artikel 241, §1). Voorliggend verzoekschrift heeft enkel betrekking op verhuur van mobiliteitshulpmiddelen voor woonzorgcentra (zoals blijkt uit de uiteenzetting van het belang van de verzoekende partijen). De bepalingen hieromtrent zijn opgenomen in hoofdstuk 1, afdeling
  2. Artikel 262, §1 van het besluit van 30 november 2018 bepaalt dat de tegemoetkomingen voor een rolstoel worden toegekend in de vorm van periodieke huurforfaits. De huurforfaits dekken de maandelijkse huur van het mobiliteitshulpmiddel, met inbegrip van alle kosten die samengaan met de verstrekking, het onderhoud, de herstelling en de reconditionering van de rolstoel, alsook de vereiste aanpassingen, vermeld in de prestatielijst, en de verplaatsingskosten. Paragraaf 2 bepaalt in welk geval er een vergoeding voor de transportkosten kunnen worden aangerekend. Bijgevolg blijkt dat de elementen (maandelijkse huur en opgesomde kosten) die deel uitmaken van de huurforfaits worden vastgelegd door de Vlaamse regering. Artikel 262, §3 delegeert de bevoegdheid om de omvang van deze huurforfaits te bepalen aan de minister.
  3. Artikel 3 van het bestreden ministerieel besluit van 7 december 2018 bepaalt dat de omvang van de tegemoetkomingen voor mobiliteitshulpmiddelen is vastgelegd in bijlage
  4. Bijlage 2 is een tabel met tegemoetkomingen. Dit zijn de bedragen van de tegemoetkoming per mobiliteitshulpmiddel. Bijgevolg is de delegatie van de bevoegdheid aan de minister om de omvang van de huurforfaits te bepalen beperkt tot het bepalen van het concrete bedrag.
  5. In het advies nr. 64.367/1 van de Raad van State, afdeling wetgeving wordt een opmerking geformuleerd in verband met de delegaties aan de minister. ‘
  6. Het ontwerp bevat talrijke bepalingen waarbij verordenende bevoegdheid wordt verleend aan de minister bevoegd voor bijstand aan personen. Zoals de Raad van State, afdeling Wetgeving, in het verleden reeds meermaals heeft opgemerkt, kan het toekennen van een verordenende bevoegdheid door de Vlaamse regering aan één van haar leden, enkel toelaatbaar worden geacht in zoverre die delegatie slechts regels van bijkomstige aard of van beperkt belang betreft.[…] De talrijke vrij ruim omschreven delegaties (de minister bepaalt de nadere ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.279 XII-9725-9726-23/29 regels …’) die in het ontwerp voorkomen, (voetnoot 14 somt een aantal machtigingen op), dienen in het licht van het voornoemde beginsel te worden begrepen en zullen derhalve niet kunnen worden aangewend om bijvoorbeeld in een ministerieel besluit bijkomende toepassingsvoorwaarden van de ontworpen regeling op te leggen of om erin aangelegenheden te regelen die niet als zijnde bijkomstig of detailmatig vallen aan te merken. Het gegeven dat de betrokken aangelegenheid in voorkomend geval slechts summier is geregeld in het voorliggend ontwerp kan geen verantwoording bieden voor een ruimere uitlegging van de aldus aan de minister gedelegeerde bevoegdheden. De stellers van het ontwerp doen er goed aan om na te gaan of sommige delegatiebepalingen wel beantwoorden aan hetgeen voorafgaat en of deze niet het best nauwer worden afgebakend of erin niet beter moet worden tot uitdrukking gebracht dat de aan de minister gedelegeerde bevoegdheid effectief beperkt van aard is.’ Uit de opmerking kan worden afgeleid dat deze eerder betrekking heeft op de delegaties waarbij de bevoegdheid wordt gedelegeerd om ‘nadere regels te bepalen’. Dit neemt niet weg dat de aan de minister gedelegeerde bevoegdheid effectief slechts beperkt van aard kan zijn.
  7. Artikel 22 van het bijzonder decreet van 7 juli 2006 ‘over de Vlaamse instellingen’ (hierna BDVI) luidt: ‘Onverminderd de door haar toegestane delegaties, beraadslaagt de Vlaamse Regering collegiaal, volgens de procedure van consensus, over alle zaken die tot haar bevoegdheid behoren.’ Volgens artikel 20 BWHI is het maken van de verordeningen die voor de uitvoering van de decreten nodig zijn, in beginsel zaak van de regering. Artikel 22 BDVI verwoordt daarenboven het principe dat de Vlaamse Regering een collegiaal orgaan is en dat, in beginsel, beslissingen over alle zaken die tot haar bevoegdheid behoren, door de regering moeten worden genomen. De individuele regeringsleden hebben, eveneens in beginsel, alleen de bevoegdheid om dit beslissingen voor te bereiden en uit te voeren; zij hebben in principe geen beslissingsmacht. Gelet op het eerste zinsdeel van de voormelde bepaling, geldt dit ‘onverminderd de door haar toegestane delegaties’. Met andere woorden hebben de individuele regeringsleden beslissingsbevoegdheid in de mate dat zij over ‘door haar [lees: de Vlaamse regering] toegestane delegaties beschikken.’ Afwijkingen van de principiële regeling, waarbij de Vlaamse regering verordenende bevoegdheid delegeert aan een minister, worden evenwel slechts toelaatbaar geacht voor zover de toegestane delegaties betrekking hebben op het vaststellen van uitvoeringsmaatregelen van bijkomstige of detailmatige aard. De machtiging aan de Vlaamse regering om het bedrag en de voorwaarden van de tegemoetkomingen te bepalen werd omschreven aan de hand van de elementen opgesomd in artikel 107, 1° tot 6° van het decreet van 18 mei 2018 zoals hoger uiteengezet. Op basis hiervan heeft Vlaamse regering in artikel 262 van het besluit 30 november 2018 bepaalt met welke elementen dient rekening te worden gehouden om de omvang van de huurforfaits vast te leggen. Anders dan dat verzoekers het zien, zijn de hoofdelementen in verband met de huurforfaits bepaald in het decreet van 18 mei 2018 en in het besluit van de Vlaamse regering van 30 november
  8. Het besluit van de Vlaamse regering legt criteria vast waaraan de Minister zich bij de verdere uitwerking moet houden. De huurforfaits dekken de maandelijkse huur van het mobiliteitshulpmiddel, met inbegrip van alle kosten die samengaan met de verstrekking, het onderhoud, de herstelling en de reconditionering van de rolstoel, alsook de ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.279 XII-9725-9726-24/29 vereiste aanpassingen, vermeld in de prestatielijst, en de verplaatsingskosten. Paragraaf 2 bepaalt in welk geval er een vergoeding voor de transportkosten kunnen worden aangerekend. Verzoekers zetten enkel uiteen dat het bedrag van een tegemoetkoming bezwaarlijk als bijkomstig element beschouwd kan worden en het niet kan gedelegeerd worden aan een individuele minister. Verzoekers zetten niet uiteen dat de criteria die werden opgenomen niet volstaan of dat de minister deze criteria niet heeft gerespecteerd. Het ministerieel besluit van 7 december 2018 heeft aan de kwestieuze delegatie uitvoering gegeven. In bijlage 2 wordt de omvang van de huurforfaits bepaald door de minister. Verzoekers tonen niet aan dat dit niet binnen de perken omschreven door het decreet en het besluit van de Vlaamse regering zou zijn gebeurd. Aangezien de onwettigheid van het besluit van de Vlaamse regering van 30 november 2018 niet werd aangetoond is er geen reden om het ministerieel besluit van 7 december 2018 buiten toepassing te laten op basis van artikel 159 van de Grondwet. Het middel is niet gegrond.”
  9. In hun laatste memorie bekritiseren de verzoekende partijen de redenering in het auditoraatsverslag. In zoverre de verzoekende partijen hierin andermaal herhalen dat het bestreden besluit van 30 november 2018 talrijke machtigingsbepalingen bevat die een zeer ruime bevoegdheid aan de minister delegeren, waarbij zij in het bijzonder wijzen op de bepalingen inzake de mobiliteitshulpmiddelen, met name artikel 288, § 2, artikel 309, artikel 331, § 1, artikel 336 en artikel 342, § 2, tweede lid, volstaat de vaststelling dat in het tussenarrest nr. 258.931 van 26 februari 2024 de Raad van State oordeelde dat het middel enkel ontvankelijk is in zoverre het is gericht tegen de machtiging voorzien in artikel 262, § 3 van het bestreden besluit van 30 november 2018, waarbij de bevoegdheid om de omvang van de huurforfaits te bepalen, wordt gedelegeerd aan de minister. Bijgevolg wordt het middel ten gronde enkel onderzocht in het licht van het geschonden geachte artikel 20 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 ‘tot hervorming der instellingen’ wat de machtiging betreft bepaald in artikel 262, § 3 van het bestreden besluit van 30 november
  10. In zoverre de door de verzoekende partij aangevoerde argumentatie verder gaat dan het in het voornoemde tussenarrest ontvankelijk bevonden voorwerp van het beroep, is deze argumentatie bijgevolg niet-ontvankelijk. In zoverre de verzoekende partijen “wensen […] in te gaan op de verwijzing naar het advies 64.367/1 [van 12 november 2018], van de afdeling ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.279 XII-9725-9726-25/29 Wetgeving van de Raad van State” en een eigen interpretatie wensen te geven aan de draagwijdte van de inhoud van het advies waar zij stellen dat de Raad van State klaarblijkelijk heeft geanticipeerd op eventuele betwistingen over de rechtsgrond, door te verduidelijken dat hij zich moest beperken tot een summier onderzoek en dat uit het niet benoemen van een bepaling als problematisch, niet kan worden afgeleid dat er zich geen wettigheidsprobleem stelt, stelt de Raad van State vast dat dit argument pas voor een eerste maal in de laatste memorie na het aanvullend verslag wordt aangevoerd. Immers, na de kennisgeving van het auditoraatsverslag van 17 april 2023, waarin bij de beoordeling van het derde middel, eveneens dezelfde opmerking uit het advies 64.367/1 van 12 november 2018, van de afdeling Wetgeving van de Raad van State werd geciteerd, hebben de verzoekende partijen niet de gelegenheid benut om in hun laatste memorie van 18 mei 2023 inhoudelijk hierop reageren, laat staan een eigen interpretatie te geven over de draagwijdte van de geciteerde opmerking uit advies nr. 64.367/1 van de afdeling Wetgeving van de Raad van State. Bijgevolg voeren de verzoekende partijen een nieuwe argumentatie aan waarvan zij niet aantonen waarom zij deze niet reeds in hun laatste memorie van 18 mei 2023 als repliek op het auditoraatsverslag van 17 april 2023 had kunnen ontwikkelen. Aldus geven de verzoekende partijen op laattijdige en niet-ontvankelijke wijze een nieuwe grondslag aan het middel. Deze argumentatie kan derhalve niet tot nietigverklaring leiden. In zoverre de verzoekende partijen uiteenzetten dat het bedrag van een tegemoetkoming bezwaarlijk als bijkomstig element beschouwd kan worden en het niet kan gedelegeerd worden aan een individuele minister, kan hun betoog evenmin worden bijgevallen. De machtiging aan de Vlaamse regering om het bedrag en de voorwaarden van de tegemoetkomingen te bepalen wordt omschreven aan de hand van de elementen opgesomd in artikel 107, 1° tot 6°, van het decreet van 18 mei
  11. Deze bepalingen luiden: “De Vlaamse Regering bepaalt het bedrag van de tegemoetkomingen voor mobiliteitshulpmiddelen en legt de voorwaarden vast waaraan moet zijn voldaan opdat een tegemoetkoming voor een mobiliteitshulpmiddel kan worden verleend. Daarvoor bepaalt de Vlaamse Regering onder meer : XII-9725-9726-26/29 1° het gebruiksdoel van de mobiliteitshulpmiddelen; 2° de functionele specificaties van de mobiliteitshulpmiddelen; 3° de hernieuwingscriteria voor de verschillende mobiliteitshulpmiddelen; 4° de vergoedingscriteria voor het mobiliteitshulpmiddel, het uitproberen van het mobiliteitshulpmiddel en de aanpassingen aan het mobiliteitshulpmiddel; 5° de mogelijke cumulaties van mobiliteitshulpmiddelen; 6° de vergoedingscriteria voor onderhoud en herstelling.” Zoals terecht wordt aangegeven in het auditoraatsverslag, wordt op grond van de voornoemde bepalingen door de Vlaamse regering in artikel 262 van het bestreden besluit van 30 november 2018 bepaald met welke elementen rekening dient te worden gehouden om de omvang van de huurforfaits vast te leggen. Luidens artikel 262, § 1, van het voornoemde besluit van de Vlaamse regering worden de tegemoetkomingen voor een standaardrolstoel, een modulaire rolstoel of een verzorgingsrolstoel die worden aangevraagd door gebruikers als vermeld in afdeling 1, toegekend in de vorm van periodieke huurforfaits en dekken de huurforfaits de maandelijkse huur van het mobiliteitshulpmiddel, met inbegrip van alle kosten die samengaan met de verstrekking, het onderhoud, de herstelling en de reconditionering van de rolstoel, alsook de vereiste aanpassingen, vermeld in de prestatielijst, en de verplaatsingskosten. Paragraaf twee van het voornoemde artikel regelt in welk geval een vergoeding voor de transportkosten kan worden aangerekend. Paragraaf drie ervan stelt dat de omvang van de huurforfaits, vermeld in paragraaf één door de minister wordt bepaald. Het bestreden besluit van 7 december 2018 geeft uitvoering aan de in paragraaf drie verleende delegatie. Deze aan de minister uitdrukkelijk toegewezen bevoegdheid kan, zoals reeds herhaaldelijk werd aangegeven, enkel betrekking hebben op een bijkomstige of detailmatige aangelegenheid, wat impliceert dat die aangelegenheid exhaustief wordt vermeld. Uit het voorgaande volgt dat, anders dan de verzoekende partijen het zien, de bevoegdheid tot het vaststellen van de omvang van de huurforfaits uitdrukkelijk aan de bevoegde minister werd toegewezen en niet door de voltallige regering moest worden uitgeoefend. Te dezen bepaalt artikel 3, eerste lid, van het bestreden besluit van 7 december 2018 dat de omvang van de tegemoetkomingen voor mobiliteitshulpmiddelen is vastgelegd in bijlage 2 die bij dat besluit is gevoegd. Niet blijkt op grond van voorgaande vaststellingen dat de minister, zoals wordt aangevoerd door de verzoekende partijen, een vrijgeleide krijgt om de huurforfaits te bepalen. Door de verzoekende partijen wordt niet aangetoond dat ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.279 XII-9725-9726-27/29 de in het bestreden besluit van 30 november 2018 vastgestelde criteria, welke door de minister bij de verdere uitwerking ervan dienen te worden gerespecteerd, onvoldoende gespecifieerd waren om de aan hem uitdrukkelijk toegewezen bevoegdheid te kaderen, noch dat de in het bestreden besluit van 7 december 2018 uitgewerkte regeling - en bij uitbreiding de in bijlage 2 vastgestelde omvang van de tegemoetkomingen voor mobiliteitshulpmiddelen - de perken van een delegatie aan de minister, zoals hoger omschreven, te buiten gaan. In zoverre de verzoekende partijen tot slot voor het eerst in hun laatste memorie aanvoeren dat er geen concreet kader is vastgelegd waarbinnen de bedragen moeten worden bepaald en er niets is voorzien over de marge die verstrekkers van mobiliteitshulpmiddelen nog kunnen verwachten, voeren zij een nieuwe argumentatie aan waarvan zij niet aantonen waarom zij deze niet reeds in hun verzoekschrift had kunnen ontwikkelen. Aldus geven de verzoekende partijen op laattijdige en niet-ontvankelijke wijze een nieuwe grondslag aan het middel. Die argumenten en kritieken kunnen derhalve niet tot nietigverklaring leiden.
  12. In die omstandigheden en na een eigen onderzoek, ziet de Raad van State geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het derde middel ongegrond. BESLISSING
  13. De Raad van State verwerpt de beroepen.
  14. De verzoekende partijen worden, elk voor een vierde, verwezen in de kosten van de beroepen tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 1600 euro, een bijdrage van 160 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 1540 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. XII-9725-9726-28/29 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op twee april tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Chantal Bamps kamervoorzitter, Peter Sourbron, staatsraad, Ann Coolsaet, staatsraad, bijgestaan door Ilse Anné, griffier. De griffier De voorzitter Ilse Anné Chantal Bamps XII-9725-9726-29/29 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.279 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.931 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.