id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 april 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.280 Rolnummer: A. 243588/IX-10588 Zaak: Arrest 266280 - Tucht (openbaar ambt) - 02/04/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-04-07 Raadplegingen: 114 - laatst gezien 2026-06-18 06:44 Fiche Arrest nr 266.280 van 2 april 2026 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Vernietiging Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 266.280 van 2 april 2026 in de zaak A. 243.588/IX-10.588 In zake : R.P. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Christophe Vangeel kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Lozanastraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VLAAMSE GEMEENSCHAP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Bart Staelens en Joost Hoste kantoor houdend te 8000 Brugge Gerard Davidstraat 46 bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, vertegenwoordigd door scholengroep 8 Brussel bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Marc Stommels en Jan Fransen kantoor houdend te 2630 Aartselaar Groenenhoek 61 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 26 november 2024, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de kamer van beroep voor het Gemeenschapsonderwijs van 10 september 2024 waarbij de aan verzoeker opgelegde tuchtmaatregel ‘ontslag’ wordt bevestigd. IX-10.588-1/22 II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Het Gemeenschapsonderwijs heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij, de tussenkomende partij en de verzoekende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 9 maart
- Staatsraad Jim Deridder heeft verslag uitgebracht. Advocaat Margot Dehaen, die loco advocaat Christophe Vangeel verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Noor Van Den Brande, die loco advocaten Bart Staelens en Joost Hoste verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Jan Fransen, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- IX-10.588-2/22 III. Feiten 3.
- Verzoeker is ten tijde van de bestreden beslissing werkzaam als vast benoemd leraar in de Kunsthumaniora Brussel, onderwijsinstelling behorend tot scholengroep 8 Brussel van het Gemeenschapsonderwijs. 3.
- Op 6 juni 2023 wordt ten aanzien van verzoeker een vaststellingsfiche opgesteld, naar aanleiding van een vermeende relatie met meerderjarige leerling XXX van het 7de jaar Musical. 3.
- Op 4 september 2023 beslist de algemeen directeur van de scholengroep om verzoeker preventief te schorsen bij hoogdringendheid. Verzoeker gehoord, beslist de algemeen directeur op 15 september 2023 om de preventieve schorsing te bekrachtigen en om een tuchtprocedure op te starten. 3.
- De onderzoekscel van het Gemeenschapsonderwijs wordt met het tuchtonderzoek belast. De onderzoekscel bezorgt op 26 februari 2024 een onderzoeksrapport aan de raad van bestuur van de scholengroep. 3.
- Verzoeker gehoord, beslist de raad van bestuur op 4 juni 2024 om aan verzoeker de tuchtstraf ‘ontslag’ op te leggen. 3.
- Op 9 juli 2024 dient verzoeker tegen die beslissing een beroep in bij de kamer van beroep voor het Gemeenschapsonderwijs (“de kamer van beroep”). De kamer van beroep beslist op 10 september 2024 dat de tuchtsanctie ‘ontslag’ wordt bevestigd en motiveert als volgt: “4.
- Wat de eerste tenlastelegging betreft, die naar het oordeel van de Kamer van Beroep in essentie betrekking heeft op het (herhaaldelijk) aanknopen van een relatie met een leerlinge, bestaat er geen twijfel over dit onderdeel van IX-10.588-3/22 de tenlastelegging. Uit het dossier blijkt immers dat de verzoekende partij minstens met twee leerlingen een relatie is gestart. De verzoekende partij ontkent deze relaties niet. In die zin kan dus gerust van een patroon gewag worden gemaakt. Verder oordeelt de Kamer van Beroep dat de verwerende partij in de bestreden beslissing, zich baserend op het onderzoeksrapport (zie o.a. p. 19, 63 en 70), terecht gewag heeft gemaakt van ‘flirterig gedrag’ ten aanzien van een leerlinge. Voor zover als nodig wijst de Kamer van Beroep erop dat verschillende feitelijkheden, zoals bijvoorbeeld de verklaring van een van de getuigen (c.q. leerlinge) dat ze zich niet bedreigd of onveilig zou hebben gevoeld door de démarches die de verzoekende partij ondernam, of de duur van de relaties, geen afbreuk doen aan deze tenlastelegging. Ook de discussie inzake de vermeende uitschrijving van de leerlinge waarmee de verzoekende partij een relatie is aangegaan, is in dit kader weinig dienend in zoverre partijen het erover eens zijn dat de relatie is aangevangen op het ogenblik dat de betrokkene een leerlinge was. Overigens wijst de Kamer van Beroep er voor zover als nodig op dat uit het dossier blijkt dat de betrokkene gedurende het hele schooljaar als leerlinge in de school ingeschreven is gebleven, zij het dat zij minder geregeld aanwezig was dan voorheen waardoor zij uiteindelijk ook het getuigschrift niet zou hebben behaald. De Kamer van Beroep oordeelt dat er in het dossier voldoende elementen voorhanden zijn om naar recht en redelijkheid te mogen aannemen dat de tenlasteleggingen in hoofde van de verzoekende partij bewezen zijn. 4.
- Wat de tweede tenlastelegging betreft, blijkt uit verschillende verklaringen die in het dossier zijn opgenomen dat de verwerende partij inderdaad redelijkerwijze vermocht af te leiden dat de verzoekende partij systematisch loog over het aanvangspunt van zijn relatie en over de uitschrijving van de betrokken leerlinge. In dit kader stelt de Kamer van Beroep bovendien vast dat de verzoekende partij het systematisch heeft nagelaten om zijn leidinggevende te verwittigen, in die mate zelfs dat laatstgenoemde zich eind mei 2023 genoodzaakt zag om de verzoekende partij met de feiten te confronteren. Wetende dat de feiten zich voordoen in een context waarin de verzoekende partij in het verleden reeds werd terechtgewezen voor soortgelijke feiten, stemt tot nadenken en kan bijkomend in hoofde van de verzoekende partij minstens als bijzonder onachtzaam worden bestempeld. De Kamer van Beroep stelt ook wat de tweede tenlastelegging betreft vast dat de feiten bewezen zijn omdat het verzamelde bewijsmateriaal consistent, geloofwaardig en gelijklopend is. De verzoekende partij haalt geen overtuigende argumenten aan die afbreuk doen aan het voorgelegde bewijs, met dien verstande dat naar het oordeel van de Kamer van Beroep de volgende zinsnede van de tenlastelegging ‘het aanzetten van zijn partner … en collega … om eveneens niet de waarheid te vertellen over deze aangelegenheid’, onvoldoende gestaafd is. Dit onderdeel van de tenlastelegging wordt derhalve niet weerhouden, al doet zulks geen afbreuk aan de essentie van deze tenlastelegging waarvoor de Kamer van Beroep de bevindingen zoals weergegeven in het onderzoeksrapport (p. 65 e.v.) onderschrijft. IX-10.588-4/22 4.
- De verzoekende partij wijst verder op zijn recht op privéleven en haalt in dit kader artikel 12octies van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs aan. Hij betoogt dat zijn relatie geen (tucht)maatregel verantwoordt omdat er geen weerslag is aangetoond van de feiten op de relatie tussen de leerling en de verzoekende partij, noch op het schoolleven. De Kamer van Beroep oordeelt dat uit het dossier genoegzaam blijkt dat een dergelijke weerslag wel degelijk voorhanden is ten gevolge van de relatie tussen hem en nota bene een leerlinge. Het dossier bevat verschillende verklaringen waaruit blijkt dat er een duidelijke weerslag is op o.a. de uitstraling van de richting naar de musicalwereld, en het vertrouwen van de leerlingen en hun ouders in de onderwijsinstelling, in die mate zelfs dat er sprake is van een schending van vertrouwen van het publiek. In dit verband verwijst de Kamer van Beroep eveneens naar het eerder aangehaalde decreet waarin de ambtsplichten zijn opgenomen (zie ook infra 4.6.). 4.
- De Kamer van Beroep oordeelt, in navolging van de verwerende partij, en rekening houdende met de licht aangepaste formulering van de tweede tenlastelegging, dat de tenlasteleggingen een inbreuk vormen op de plichtenleer, met name de artikelen 6 t.e.m. 8 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs. Hoewel de verzoekende partij meent dat er geen sprake is van een inbreuk op de plichtenleer, benadrukt de Kamer van Beroep dat genoegzaam uit voormelde bepalingen blijkt dat o.a. wordt verwacht dat hij zich in zijn omgang met de leerlingen op een correcte wijze gedraagt en dat hij alles moet vermijden dat het vertrouwen van het publiek kan schaden of afbreuk kan doen aan de eer of de waardigheid van zijn functie in het onderwijs. In navolging van de verwerende partij stelt de Kamer van Beroep vast dat de verzoekende partij door zijn rol als leraar en daarenboven o.a. coördinator voor 7 musical, een meer dan voor een leerkracht gebruikelijke gezagsverhouding tegenover leerlingen heeft. Hij heeft een voorbeeldfunctie en dient mede gelet op zijn opvoedende taak een mate van afstandelijkheid ten aanzien van zijn leerlingen te bewaren. Het aangaan van een relatie met een leerlinge lijkt moeilijk verzoenbaar met het voorgaande. Bovendien heeft deze relatie, zoals hiervoor onder supra 4.
- aangehaald, ertoe aanleiding gegeven dat het vertrouwen van het publiek geschaad is. Dat de relatie werd aangegaan met een meerderjarige leerlinge, ontslaat de verzoekende partij niet van zijn ambtsplichten. Dit geldt des te meer omdat in de richting waarin hij werkzaam is, het merendeel van de leerlingen meerderjarig is. Dergelijk onprofessioneel gedrag vormt aldus, in tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partij voorhoudt, wel degelijk een schending van de ambtsplichten en kan in een dergelijke context geenszins worden verschoond als zijnde in overeenstemming met de op hem rustende verplichtingen. De verzoekende partij heeft geen argumenten aangevoerd die de Kamer van beroep tot een ander oordeel zouden kunnen brengen. 4.
- Rekening houdende met het voorgaande is de Kamer van Beroep van oordeel dat de tenlasteleggingen bewezen zijn en – reeds elk afzonderlijk, minstens in samenhang met elkaar gelezen – als een inbreuk op de IX-10.588-5/22 plichtenleer (cf. Artt. 6 t.e.m. 8 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs) kunnen worden beschouwd. 4.
- Wat de strafmaat betreft, erkent de Kamer van Beroep dat de tenlasteleggingen ernstig zijn. De argumentatie van de verzoekende partij inzake de schending van het vertrouwens- en het redelijkheidsbeginsel kunnen niet overtuigen, wel integendeel. Gelet op het feit dat de verzoekende partij in het verleden reeds terecht is gewezen voor soortgelijke feiten, en het normaliserende karakter dat hij aan zijn houding toeschrijft, oordeelt de Kamer van Beroep dat er een redelijke verhouding bestaat tussen de feiten die aan dit specifieke dossier ten grondslag liggen en de strafmaat.” Dat is de bestreden beslissing. IV. Tussenkomst
- Met de bestreden beslissing bevestigt de kamer van beroep de tuchtsanctie die oorspronkelijk door de raad van bestuur van scholengroep 8 Brussel van het Gemeenschapsonderwijs aan verzoeker werd opgelegd. Aldus heeft het Gemeenschapsonderwijs belang erbij dat het beroep wordt afgewezen, zodat haar verzoek tot tussenkomst moet worden ingewilligd. V. Onderzoek van het enige middel Standpunt van de partijen
- In een “eerste” en, zo blijkt, ook enig middel voert verzoeker de schending aan van artikel 8 EVRM, artikel 22 van de Grondwet, artikel 12octies van het “decreet rechtspositie”, de formelemotiveringsplicht, de materiëlemotiveringsplicht, “minstens van het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel”. Verzoeker brengt voorts ook het evenredigheidsbeginsel ter sprake. De relatie met een leerling die hem wordt verweten, behoort volgens verzoeker tot zijn privéleven en kan zonder een aangetoonde weerslag op IX-10.588-6/22 het schoolleven geen aanleiding geven tot een tuchtsanctie. Die weerslag, zo stelt verzoeker, is in casu helemaal niet bewezen; meer nog, in het onderzoeksrapport wordt bevestigd dat er geen negatieve impact op het schoolleven of de schoolloopbaanbeleving van leerlingen is geweest. De tenlastelegging blijft daarover trouwens stilzwijgend en gaat enkel over de relatie an sich. Verzoeker stipt aan dat de kamer van beroep door die tenlastelegging is gebonden en dus de tuchtfeiten niet mag uitbreiden. Hij verwijst naar zijn argumentatie ten overstaan van de kamer van beroep met betrekking tot artikel 22 van de Grondwet, artikel 8 EVRM en artikel 12octies van het decreet van 27 maart 1991 ‘betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs’ (“rechtspositiedecreet”) en stelt dat de bestreden beslissing daarop niet antwoordt en dus de formelemotiveringsplicht schendt. Alleszins kon de kamer van beroep niet overwegen dat een impact op het schoolleven “wel degelijk voorhanden is” en dat het dossier verschillende verklaringen bevat waaruit blijkt dat er een duidelijke weerslag is op onder andere de uitstraling van de inrichting naar de musicalwereld en het vertrouwen van leerlingen en ouders in de onderwijsinstelling, “in die mate zelfs dat er sprake is van een schending van het vertrouwen van het publiek”. Dat die overwegingen onjuist zijn, kan volgens verzoeker eenvoudig worden vastgesteld aangezien niemand buiten de school werd bevraagd en dus over de musicalwereld of de ouders niets is aangetoond. Daarin ziet verzoeker een schending van de materiëlemotiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel. Zelfs indien uit het dossier zou blijken dat iemand heeft aangegeven moeite te hebben gehad met verzoekers relatie met een leerling, dan kan daaruit alleszins geen algemene schending van het vertrouwen worden afgeleid. Bovendien motiveert de kamer van beroep niet dat zij dáárin bewijs ziet van een aantasting van het vertrouwen van het publiek en motiveert zij de redelijkheid en evenredigheid van de sanctie enkel door de overweging dat verzoeker eerder reeds op zijn gedrag werd gewezen en door het “normaliserend gedrag” van verzoeker.
- De verwerende partij betoogt in de memorie van antwoord vooreerst dat verzoeker fout redeneert wanneer hij stelt dat hij een relatie had met een volwassen vrouw “die toevallig ook leerling van hem is”. De tuchtsanctie is immers ingegeven door het feit dat het niet aanvaardbaar is dat verzoeker, als IX-10.588-7/22 leerkracht, een relatie aangaat met een leerling, waarbij bijkomend wordt vastgesteld dat dit de tweede keer is en dat hij daarover geen open kaart speelt. Voorts stelt de verwerende partij dat in de bestreden beslissing duidelijk is aangegeven waarom verzoekers relatie in strijd is met de plichtenleer (formelemotiveringsplicht), dat de kamer van beroep bij die beoordeling over een discretionaire bevoegdheid beschikt en dat de materialiteit van de feiten duidelijk is (materiëlemotiveringsplicht). Het kan naar het oordeel van de verwerende partij ook niet onredelijk worden genoemd dat de tuchtoverheid overweegt dat een leraar hoe dan ook geen relatie met een leerling mag aangaan. Met de “normaliserende uitleg” wordt volgens de verwerende partij bedoeld dat verzoeker een en ander afwimpelt als zou het normaal zijn dat een leraar, en in casu zelfs voor een tweede keer, een relatie aangaat met een leerling. Verder argumenteert de verwerende partij dat het betoog van verzoeker dat artikel 12octies van het rechtspositiedecreet is geschonden, geen steek houdt. Precies omdat verzoeker een relatie is aangegaan met een leerling is er een onweerlegbaar verband met zijn ambt en met de school – en is er dus ook een weerslag op de school. De verwerende partij betoogt dat verzoekers privéleven het schoolleven doorkruist en dat dit in de bestreden beslissing afdoende is aangetoond. In het feit dat de leerling zelf haar studies heeft stopgezet in het besef dat het onhoudbaar was om tegelijk leerling en partner van verzoeker te zijn, ziet de verwerende partij een onweerlegbaar vermoeden inzake die weerslag. Dat de stopzetting van de opleiding niet op een rechtlijnige wijze gebeurde, is voor de verwerende partij des te meer het bewijs van de bijzonder grote weerslag op het schoolleven. Ook verzoekers betoog met betrekking tot artikel 8 EVRM en artikel 22 van de Grondwet overtuigt de verwerende partij niet. De meerderjarigheid van de betrokken leerling verzet zich niet ertegen dat de tuchtoverheid het onaanvaardbaar acht dat de pedagogische verhouding tussen een leraar en een leerling zou worden doorkruist door een partnerrelatie, die bovendien voor een groot stuk verborgen wordt gehouden voor de directie. Ook in dat opzicht is het voor de verwerende partij niet onredelijk dat een dergelijke partnerrelatie onverenigbaar is met de deontologie. Zij acht het “nogal duidelijk dat dit een weerslag heeft op het vertrouwen van het publiek” en begrijpt niet dat verzoeker IX-10.588-8/22 niet inziet dat het publiek vertrouwen kan verliezen in de school wanneer blijkbaar wordt aanvaard dat een leraar een relatie aangaat met een leerling. Voorts zet de verwerende partij uiteen dat in het onderzoeksrapport geenszins werd besloten dat er geen negatieve impact zou zijn geweest op het schoolklimaat of het vertrouwen van leerlingen, ouders of publiek. Zij stipt aan dat het onderzoeksrapport zowel à charge als à décharge is opgesteld en ook positieve elementen ten aanzien van verzoeker bevat. Uit die positieve elementen volgt hoe belangrijk verzoeker is voor de gehele opleiding, hoe belangrijk zijn visie is op de leerling waarmee hij een relatie heeft en hoe groot de weerslag was van een belangrijke leraar en coördinator op de gehele school. Bovendien verliest verzoeker uit het oog dat het de tweede keer is dat hij een relatie met een leerling aangaat en dat eveneens is vastgesteld dat hij flirterig gedrag heeft vertoond ten aanzien van een derde partij. In deze omstandigheden kan volgens de verwerende partij niet worden betoogd dat verzoeker geen inbreuk heeft gepleegd op de plichtenleer, zoals omschreven in de artikelen 6 tot en met 8 van het rechtspositiedecreet. Het heeft, zo besluit de verwerende partij, bij de straftoemeting ook een rol gespeeld dat verzoeker een tweede keer een relatie met een leerling aangaat en dat als normaal afwimpelt. In die omstandigheden kan de tuchtsanctie ‘ontslag’ niet onredelijk worden geacht, en ze is dat ook niet in het licht van het loutere feit dat binnen diezelfde redelijkheid ook een andere straf had kunnen worden opgelegd.
- De tussenkomende partij stelt dat verzoeker ten onrechte beweert dat de in aanmerking genomen feiten een louter privékarakter hebben. Artikel 8 van het rechtspositiedecreet schrijft voor dat de personeelsleden zich in hun dienstbetrekkingen en in hun omgang met de leerlingen, de ouders van de leerlingen en het publiek op een correcte wijze moeten gedragen en alles moeten vermijden dat het vertrouwen van het publiek kan schaden of afbreuk kan doen aan de eer of de waardigheid van hun functie in het onderwijs. Van dat voorschrift, dat een ‘wet’ is in de zin van artikel 8 EVRM, voert verzoeker niet aan dat het onbestaanbaar is met een hogere rechtsregel. Voorts wijst de tussenkomende partij erop dat verzoeker naast leraar ook coördinator is van 7 Musical, dat heel wat leerlingen na het zevende jaar doorstromen naar het conservatorium en dat verzoeker in die instelling gebruikelijk aanwezig is bij de toelatingsproeven – IX-10.588-9/22 elementen waaruit volgt dat verzoeker een meer dan gebruikelijke gezagsverhouding ten aanzien van de leerlingen heeft. De tussenkomende partij verwijst naar de verklaringen van YYY (met wie, toen zij leerling was, verzoeker eerder een relatie startte) en ZZZ (een gewezen leerling met wie verzoeker contact had) en stelt dat verzoekers handelwijze niet in overeenstemming kan worden gebracht met de ambtsplichten zoals ze in de artikelen 6 tot en met 8 van het rechtspositiedecreet zijn neergelegd. Zij betoogt dat verzoeker niet tuchtrechtelijk wordt vervolgd voor seksuele handelingen met een meerderjarige leerling, maar wel omwille van een stramien van flirterig gedrag tegenover leerlingen dat opnieuw heeft geleid tot een publiek gekende relatie. Met betrekking tot het standpunt dat verzoekers gedrag tijdens de relatie met XXX duidelijk níét tot zijn privéleven beperkt is gebleven, wijst de tussenkomende partij erop dat in de bestreden beslissing wordt aangestipt dat die relatie zowel bij personeelsleden als bij leerlingen gekend en besproken is en dat ze, door de uitschrijving van XXX, de school een leerling heeft gekost. Inzake de weerslag op de werkvloer verwijst de tussenkomende partij naar de verklaring van leraar B.B., die stelt dat hij het jammer vindt dat de zaken zo zijn gelopen, “ook omwille van de uitstraling van onze richting naar de musicalwereld toe” en naar de ouders, die zich de vraag stellen of ze hun kind wel naar de Kunsthumaniora kunnen sturen. In die verklaring ziet de tussenkomende partij het bewijs dat het vertrouwen van het publiek is geschaad. De weerslag op de dienst is volgens de tussenkomende partij des te meer aangetoond gelet op de “kunstgrepen” met betrekking tot het moment waarop de relatie met XXX begon, het verzwijgen ervan ten aanzien van het schoolteam, het moment van de uitschrijving van XXX en de vraag of zij nog voor attestering in aanmerking kwam. De tussenkomende partij verwijst ter zake naar de bevindingen van de onderzoekscel, onder meer de verklaring van leraar D.D.G. die stelt dat een andere leerling aangaf het moeilijk te hebben met de relatie tussen verzoeker en XXX en de verklaring van collega S.C. die melding maakt van speculaties binnen het lerarenteam en – via andere collega’s – van een ongemakkelijk gevoel bij andere leerlingen. De tussenkomende partij gaat vervolgens omstandig in op de uitschrijving van XXX en haar mogelijke kandidatuur voor een vacature op de school, waarin de kamer van beroep al evenzeer een weerslag op de dienst heeft kunnen zien, en besluit dat de bestreden beslissing dragende motieven bevat die IX-10.588-10/22 ook een antwoord bieden op verzoekers bezwaren tegen de initiële tuchtbeslissing. Tot slot gaat de tussenkomende partij nog in op de strafmaat.
- In haar laatste memorie betwist de verwerende partij dat de bestreden beslissing de materiëlemotiveringsplicht schendt. In het bijzonder betoogt de verwerende partij dat uit het bestaan van een relatie tussen een leraar en een leerling ipso facto een grote weerslag op het schoolgebeuren volgt. De beoordeling van die weerslag behoort volgens de verwerende partij tot de kern van de discretionaire beoordelingsruimte van de tuchtoverheid. Zij meent dat bezwaarlijk kan worden vereist dat de tuchtonderzoeker “een soort interviews zou afnemen van massa’s studenten, ouders, musicalliefhebbers, collega’s” om die weerslag te bepalen en ziet in de “zeer warrige omstandigheden” waarin XXX de school heeft verlaten verder bewijs van die weerslag.
- De tussenkomende partij stelt in haar laatste memorie dat in de bestreden beslissing uitdrukkelijk is gemotiveerd dat een weerslag op het schoolleven is aangetoond ten gevolge van verzoekers relatie met een leerling en zij treedt de verwerende partij bij in de stelling dat in die omstandigheden het verband met het schoolleven zelfs evident is. Wat de impact van de tuchtfeiten buiten de school betreft, herhaalt de tussenkomende partij dat uit de verklaring van leraar B.B. blijkt dat de feiten jammer zijn in het licht van de uitstraling van de richting naar de musicalwereld en de ouders. Zij ziet niet in waarom er dan ook verklaringen van buiten de school zouden moeten voorliggen; binnen haar discretionaire beoordelingsbevoegdheid mocht de kamer van beroep oordelen dat die verklaring volstond. Overigens, zo stelt de tussenkomende partij, mag niet uit het oog worden verloren dat verschillende geïnterviewde leraren ook een opdracht hebben aan het conservatorium en dat leerlingen die van de kunstacademie naar het conservatorium doorstromen ook “de musicalwereld” vormen, zodat de weerslag binnen die musicalwereld ook daarom evident is. Tot slot argumenteert de tussenkomende partij dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen enerzijds het stellen van handelingen die het vertrouwen van het publiek kunnen schenden (het eigenlijke tuchtfeit, zoals ook omschreven in artikel 8 van het IX-10.588-11/22 rechtspositiedecreet) en anderzijds de wetenschap dát het vertrouwen is geschonden – wat een bijkomend element is. Beoordeling 10.
- Hoofdstuk II van het rechtspositiedecreet bepaalt de plichten van het personeelslid. De artikelen 6, 7 en 8 luiden als volgt: “Artikel 6 De personeelsleden moeten het belang behartigen van het gemeenschapsonderwijs en van de instelling waarin zij tewerkgesteld zijn. Zij behartigen daarenboven het belang van de leerlingen, de cursisten en de consultanten. Artikel 7 De personeelsleden vervullen de taken die hun worden opgedragen, persoonlijk en nauwgezet, met inachtneming van de verplichtingen die hun door of krachtens de wet of het decreet of bij dienstorder zijn opgelegd. De personeelsleden respecteren daarbij de internationale en grondwettelijke beginselen inzake de rechten van de mens en van het kind in het bijzonder. Artikel
- De personeelsleden moeten zich in hun dienstbetrekkingen en in hun omgang met de leerlingen, de ouders van de leerlingen en het publiek op een correcte wijze gedragen. De personeelsleden moeten alles vermijden dat het vertrouwen van het publiek kan schaden of afbreuk kan doen aan de eer of de waardigheid van hun functie in het onderwijs. Het is de personeelsleden verboden rechtstreeks of door een tussenpersoon, zelfs buiten hun ambt doch omwille ervan, giften, geschenken, beloningen of enig ander voordeel aan te nemen.” Artikel 12octies van datzelfde decreet bepaalt: “Feiten uit het privéleven die geen weerslag hebben op de relatie tussen de leerling, cursist of consultant en het personeelslid, het schoolleven of op de werking van de centra kunnen geen aanleiding geven tot een maatregel vanwege de inrichtende macht.” 10.
- De formelemotiveringsplicht houdt in dat de bestreden beslissing de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die eraan ten grondslag liggen. Die motivering moet afdoende zijn teneinde de belanghebbende in staat te stellen terdege te oordelen of het zin heeft zich tegen de beslissing te verweren met de middelen die het recht hem ter beschikking stelt. IX-10.588-12/22 10.
- De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat elke administratieve rechtshandeling moet worden gedragen door motieven die in feite juist en in rechte aanvaardbaar zijn en die daarom, naar aanleiding van het wettigheidstoezicht, moeten kunnen worden gecontroleerd. Bij de beoordeling van de naleving van de materiëlemotiveringsplicht is de Raad van State niet bevoegd om zijn oordeel omtrent de feiten in de plaats te stellen van het oordeel van de administratieve overheid. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de administratieve overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen.
- De kamer van beroep verklaart twee tuchtfeiten die aan verzoeker worden verweten, bewezen: - het opnieuw aanknopen van een relatie met een leerling (XXX), nadat hij in het verleden reeds was aangesproken op gelijkaardig gedrag (relatie met YYY), wat een patroon blootlegt waarvan ook zijn flirterig gedrag ten aanzien van (ex-)leerling ZZZ kenmerkend is; - het systematisch liegen tegenover zijn directeur en de onderzoekers van de onderzoekscel van het Gemeenschapsonderwijs over het aanvangspunt van zijn relatie met XXX en over haar uitschrijving als leerling. Het tweede tuchtfeit brengt verzoeker in zijn verzoekschrift niet ter sprake, zodat de bestreden beslissing in dat opzicht geen onderzoek behoeft. Wanneer hierna wordt verwezen naar ‘het tuchtfeit’, dan wordt daarmee alleen het eerste hiervóór vermelde tuchtfeit bedoeld. 12.
- Verzoeker voert vooreerst aan dat de tuchtrechtelijke tenlastelegging niets vermeldt over de weerslag van zijn relatie op het schoolleven, zodat die beweerde weerslag geen tuchtfeit uitmaakt en de tenlastelegging in dat opzicht geen aanleiding kan geven tot een tuchtsanctie. IX-10.588-13/22 Daarmee verkijkt verzoeker zich op de mechaniek van de tuchtvordering. Een tuchtfeit is een gedrag – een handelen of nalaten te handelen – waardoor het personeelslid een inbreuk pleegt op zijn beroepsplichten. Dat gedrag is te dezen het feit dat verzoeker (opnieuw) een relatie met een leerling aangaat. Dat de tuchtoverheid in dat gedrag een tuchtfeit ziet, is verzoeker ter kennis gebracht in het aangetekend schrijven van de raad van bestuur van 3 mei 2024 waarbij verzoeker voor de tuchthoorzitting is uitgenodigd, zoals voorgeschreven in artikel 19, § 5, tweede lid, 1°, van het besluit van de Vlaamse regering van 22 mei 1991 ‘omtrent de evaluatie, maatregelen van orde en tucht in het gemeenschapsonderwijs’. De weerslag van verzoekers gedrag op de werking van de school is geen tuchtfeit op zich, maar wel – zoals hierna zal blijken, afhankelijk van de wijze waarop de bestreden beslissing moet worden gelezen – hetzij de verantwoording voorgeschreven in artikel 12octies van het rechtspositiedecreet, hetzij een overweging bij de beoordeling van de feiten en de strafmaat. Verzoekers betoog dat “de weerslag van de relatie” als tuchtfeit diende te worden vermeld, faalt. 12.
- Daarnaast stelt verzoeker dat het niet vermelden van de weerslag van de relatie op de school als tuchtfeit ertoe heeft geleid dat hij zijn middelen van verweer daarover ook niet heeft (kunnen) laten gelden in de tuchtprocedure. Die stelling mist feitelijke grondslag. Uit het dossier blijkt immers dat verzoeker in zijn schriftelijk verweer (ingediend door zijn raadsman) vóór de raad van bestuur van de scholengroep zelf meermaals aangeeft dat er van een impact of weerslag van zijn relatie op de school geen sprake is. Louter illustratief kan worden verwezen naar de volgende passages uit dat schriftelijk verweer: IX-10.588-14/22 “Het onderzoek heeft aangetoond dat de relatie op geen enkele manier een invloed heeft gehad op de schoolloopbaan van de leerlingen. […] In dat licht dient gewezen te worden op artikel 12octies van het decreet rechtspositie: […] Dergelijke weerslag blijkt nergens uit, wordt niet bewezen en wordt in de oproepingsbrief ook niet aangehaald. Het onderzoek spreekt dit ook expliciet tegen. […] Een extensieve interpretatie van de vermeende weerslag op de belangen van de school leidt immers tot een te restrictieve bescherming van het privé- leven. […] De notie ‘waardigheid van het ambt’ moet restrictief worden geïnterpreteerd en de tuchtoverheid zal steeds in concreto de feiten, in casu de vermeende weerslag van de relatie op het onderwijsgebeuren, moeten bewijzen. Er ligt in huidig dossier geen enkel bewijs voor van enige negatieve impact. Als er al iets negatieve impact zal gehad hebben op het schoolklimaat, is het wel het gevoerde onderzoek en de thans voorgestelde sanctie van het ontslag. Van niet strafbare gedragingen (zoals in casu de relatie) zal door de tuchtoverheid bewezen moeten worden dat zij in redelijkheid en in concreto het vertrouwen van het publiek en de onderwijsgebruiker in de leraar (en/of de school) beschamen.” In de omvangrijke schriftelijke nota die verzoeker daarnaast zelf neerlegt, gaat hij bovendien zeer uitvoerig in op de verklaringen van collega’s en (oud-)leerlingen over hoe zij verzoekers relatie hebben ervaren. Verzoeker heeft derhalve over dat aspect hoe dan ook zijn middelen van verdediging kunnen doen gelden.
- Vervolgens doet verzoeker gelden dat de kamer van beroep zijn verweer inzake de omschrijving van de tenlastelegging negeert en daardoor de formelemotiveringsplicht schendt. In de bestreden beslissing is te lezen: “4.
- De verzoekende partij wijst verder op zijn recht op privéleven en haalt in dit kader artikel 12octies van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs aan. Hij betoogt dat zijn relatie geen (tucht)maatregel verantwoordt omdat er geen weerslag is aangetoond van de IX-10.588-15/22 feiten op de relatie tussen de leerling en de verzoekende partij, noch op het schoolleven. De Kamer van Beroep oordeelt dat uit het dossier genoegzaam blijkt dat een dergelijke weerslag wel degelijk voorhanden is ten gevolge van de relatie tussen hem en nota bene een leerlinge. Het dossier bevat verschillende verklaringen waaruit blijkt dat er een duidelijke weerslag is op o.a. de uitstraling van de richting naar de musicalwereld, en het vertrouwen van de leerlingen en hun ouders in de onderwijsinstelling, in die mate zelfs dat er sprake is van een schending van vertrouwen van het publiek. In dit verband verwijst de Kamer van Beroep eveneens naar het eerder aangehaalde decreet waarin de ambtsplichten zijn opgenomen (zie ook infra 4.6.).” Hiermee heeft de kamer van beroep impliciet maar zeker geoordeeld dat de weerslag van verzoekers relatie op de werking van de school in rekening kan en moet worden gebracht, niet als tuchtfeit maar als element in de beoordeling van de tuchtfeiten. In zoverre het enige middel steunt op de formelemotiveringsplicht is het niet gegrond.
- Voorts voert verzoeker aan dat de door de tuchtoverheid bewezen geachte weerslag van de relatie op de school niet blijkt uit het dossier. Daarmee beroept verzoeker zich op de materiëlemotiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel. Verzoeker stelt dat uit het onderzoeksrapport veeleer blijkt dat níét is vastgesteld dat hij de vrije schoolloopbaan van de leerlingen heeft beïnvloed en dat de beweerde uitstraling naar de musicalwereld en de ouders uit niets blijkt, nu er niemand buiten de school werd bevraagd. Hij besluit dat wanneer de aangevoerde weerslag onbewezen blijft, de bestreden beslissing ook artikel 8 EVRM, artikel 22 van de Grondwet en artikel 12octies van het rechtspositiedecreet schendt omdat de relatie dan louter tot het privéleven behoort. 15.
- Om te kunnen nagaan of verzoekers beroep op de materiëlemotiveringsplicht en het daarmee verbonden zorgvuldigheidsbeginsel gegrond is, dient eerst te worden vastgesteld op welke rechtsgrond de kamer van beroep haar beslissing steunt. Het hangt immers van die rechtsgrond af welke feitelijke elementen door de tuchtoverheid moeten zijn aangetoond om op deugdelijke gronden tot een tuchtrechtelijke bestraffing te kunnen komen. IX-10.588-16/22 Het is daarbij in beginsel van tweeën één. Ofwel zijn de feiten die als tuchtfeit in aanmerking worden genomen níét louter te situeren in de privésfeer van het betrokken personeelslid. In dat geval kunnen de artikelen 6 en volgende van het rechtspositiedecreet autonoom worden toegepast en geldt, in het bijzonder wat artikel 8 betreft, dat het personeelslid alles moet vermijden dat het vertrouwen van het publiek kan schaden of afbreuk kan doen aan de eer of de waardigheid van de functie in het onderwijs. Het volstaat dan met andere woorden dat het aan het personeelslid verweten gedrag het risico inhoudt dat de voormelde nadelige gevolgen zich kunnen voordoen. Dat die weerslag zich inderdaad voordoet en de mate waarin, kan dan vervolgens een element zijn bij de straftoemeting, maar het is geen voorwaarde om tot het bestaan van een tuchtfeit te mogen besluiten. Ofwel, andere mogelijkheid, zijn de geviseerde gedragingen van het personeelslid wél louter in de privésfeer te situeren. In dat geval volgt uit artikel 12octies van het rechtspositiedecreet dat die feiten slechts tot een tuchtmaatregel aanleiding mogen geven wanneer zij een weerslag hebben op – in casu – de relatie leraar-leerling of het schoolleven. Die weerslag moet dan uiteraard ook worden aangetoond. 15.
- De Raad van State stelt vast dat de kamer van beroep dit onderscheid met minder dan de gewenste zuiverheid heeft gehanteerd in de motivering van de bestreden beslissing, waarbij de onduidelijkheid omtrent de toepasselijke rechtsnorm, zoals hiervóór is overwogen, afstraalt op de materiëlemotiveringsplicht. Het is namelijk niet duidelijk of de kamer van beroep artikel 12octies van het rechtspositiedecreet nu wel of niet van toepassing achtte. 16.
- De kamer van beroep gaat in op verzoekers betoog met betrekking tot zijn recht op eerbiediging van het privéleven. De kamer van beroep spreekt zich evenwel niet erover uit of verzoekers relatie met een meerderjarige leerling inderdaad als een feit uit het privéleven moet worden beschouwd – zij laat daarmee dus de essentiële voorwaarde voor de toepassing van artikel 12octies van het rechtspositiedecreet onbesproken. IX-10.588-17/22 Daargelaten de vraag of een relatie tijdens het schooljaar van een leraar met een van zijn leerlingen, zelfs meerderjarig, inderdaad als louter een feit uit het privéléven mag worden beschouwd, lijkt de kamer van beroep artikel 12octies wel in die zin te hebben toegepast, reden waarom zij onderzoekt of er sprake is van een weerslag op de professionele relatie leraar-leerling of op het schoolleven. 16.
- Daaromtrent overweegt de kamer van beroep het volgende: “De Kamer van Beroep oordeelt dat uit het dossier genoegzaam blijkt dat een dergelijke weerslag wel degelijk voorhanden is ten gevolge van de relatie tussen hem en nota bene een leerlinge. Het dossier bevat verschillende verklaringen waaruit blijkt dat er een duidelijke weerslag is op o.a. de uitstraling van de inrichting naar de musicalwereld, en het vertrouwen van de leerlingen en hun ouders in de onderwijsinstelling, in die mate zelfs dat er sprake is van een schending van het vertrouwen van het publiek. In dit verband verwijst de Kamer van Beroep eveneens naar het eerder aangehaalde decreet waarin de ambtsplichten zijn opgenomen. […] In navolging van de verwerende partij stelt de Kamer van Beroep vast dat de verzoekende partij door zijn rol als leraar en daarenboven o.a. coördinator voor 7 musical, een meer dan voor een leerkracht gebruikelijke gezagsverhouding tegenover leerlingen heeft. Hij heeft een voorbeeldfunctie en dient mede gelet op zijn opvoedende taak een mate van afstandelijkheid ten aanzien van zijn leerlingen te bewaren. Het aangaan van een relatie met een leerlinge lijkt moeilijk verzoenbaar met het voorgaande. Bovendien heeft deze relatie, zoals hiervoor onder supra 4.
- aangehaald, ertoe aanleiding gegeven dat het vertrouwen van het publiek geschaad is. Dat de relatie werd aangegaan met een meerderjarige leerlinge, ontslaat de verzoekende partij niet van zijn ambtsplichten. Dit geldt des te meer omdat in de richting waarin hij werkzaam is, het merendeel van de leerlingen meerderjarig is.” 16.
- De kamer van beroep besluit aldus dat het aangaan van een relatie met een leerling in casu een schending van de ambtsplichten uitmaakt, enerzijds omdat ze weegt op de uitstraling van de instelling naar de musicalwereld en anderzijds omdat ze het vertrouwen van de leerlingen en hun ouders in de onderwijsinstelling schaadt, in die mate zelfs dat er sprake is van een schending van het vertrouwen van het publiek. IX-10.588-18/22 Bewijs daarvan ziet de kamer van beroep in “verschillende verklaringen” in het dossier. 16.
- Verzoeker moet evenwel worden bijgevallen in zijn betoog dat uit het dossier allerminst blijkt dat de musicalwereld of de ouders van de leerlingen – laat staan in brede zin “het publiek” – door het tuchtfeit zijn geïmpacteerd en dat er sprake is van een schending van het vertrouwen dat zij in de school (moeten kunnen) stellen. De door de tussenkomende partij aangehaalde verklaring van leerkracht D.D.G die verwijst naar een leerling die stelt dat ze het moeilijk had met de relatie tussen verzoeker en XXX, of de verklaring van leerkracht S. C. die van andere leerkrachten had gehoord dat leerlingen zich ongemakkelijk voelden bij een relatie tussen een leerling en een leerkracht zonder dit rechtstreeks van leerlingen te hebben vernomen, tonen in ieder geval niet de impact op de musicalwereld en de ouders van de leerlingen aan. De enkele verklaring van verzoekers collega B.B. waarin volgens de tussenkomende partij “in het algemeen” het gevolg van het verzoekers gedrag wordt belicht, kan hiertoe niet volstaan. Voorts moet samen met verzoeker worden vastgesteld dat het onderzoeksrapport geen enkele verklaring bevat van iemand buiten de school waaruit kan worden opgemaakt dat het vertrouwen van “het publiek” in het algemeen, minstens van de ouders en de musicalwereld, is geschonden. Het feit dat één of meer collega’s van verzoeker ook een lesopdracht hebben aan het conservatorium en dat heel wat leerlingen van de Kunsthumaniora naar dat conservatorium doorstromen, laat – in tegenstelling tot wat de tussenkomende partij aanvoert – niet toe te besluiten dat die leraren en leerlingen als “de musicalwereld” kunnen worden beschouwd. IX-10.588-19/22 16.
- In de mate dat de kamer van beroep zich voor de verantwoording van de tuchtstraf met toepassing van artikel 12octies van het rechtspositiedecreet beroept op de weerslag van verzoekers relatie, moet dan ook worden vastgesteld dat de bestreden beslissing niet steunt op deugdelijke motieven. In die lezing van de bestreden beslissing is het enige middel in de aangegeven mate gegrond. 17.
- De verwerende partij voert onder meer aan dat de essentie van de zaak is dat de relatie zich niet afspeelde buiten de school en dat in alle redelijkheid door de kamer van beroep kan worden geoordeeld dat dit volstrekt onverenigbaar is met “een deontologisch te bewaken verhouding leraar-leerling”. Daarmee nodigt de verwerende partij ertoe uit om de bestreden beslissing aldus te lezen dat ze geen toepassing maakt van artikel 12octies van het rechtspositiedecreet – en de toepassingsvoorwaarden ter zake dus ook niet moet beoordelen – maar integendeel verzoekers gedrag enkel bestraft in het licht van de artikelen 6 tot en met 8 van het rechtspositiedecreet – die dan de enige rechtsgrond zouden vormen. Ook in die zin gelezen evenwel, ontsnapt de bestreden beslissing niet aan verzoekers kritiek op grond van de materiëlemotiveringsplicht. 17.
- De Raad van State kan er immers niet omheen dat de kamer van beroep in de verantwoording waarom zij de hiervóór vermelde bepalingen van de plichtenleer geschonden acht, niet alleen wijst op verzoekers gezagsverhouding en voorbeeldfunctie an sich, maar “bovendien” – en dus zonder ondergeschiktheid in de motieven – stelt dat “deze relatie, zoals hiervoor onder supra 4.4 aangehaald, ertoe aanleiding heeft gegeven dat het vertrouwen van het publiek geschaad is.” Wat met “supra 4.4” wordt bedoeld, is sub 3.6 reeds aangehaald. Het zijn precies die overwegingen – een weerslag op de uitstraling van de richting naar de musicalwereld, het vertrouwen van de leerlingen en hun ouders in de IX-10.588-20/22 onderwijsinstelling en een schending van het vertrouwen van het publiek – waarvan hiervóór reeds is aangenomen dat ze niet steunen op deugdelijk vastgestelde feiten en dus de materiëlemotiveringsplicht miskennen. Dit doet de Raad van State besluiten dat ook in die lezing van de bestreden beslissing het enige middel in de aangegeven mate gegrond is. Uit niets blijkt dat de kamer van beroep beoogde om het ontslag enkel op grond van het tweede tuchtfeit op te leggen.
- Voor zover verzoeker zich tot slot beroept op het redelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel, behoeft het middel vooralsnog geen onderzoek. Zulks zou voorbarig zijn, aangezien de vraag naar de schending van deze beginselen pas aan de orde kan komen nadat is vastgesteld dat de bestreden beslissing steunt op deugdelijke motieven. Hiervóór is vastgesteld dat zulks niet het geval is.
- Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, in de aangegeven mate gegrond. BESLISSING
- Het verzoek van het Gemeenschapsonderwijs tot tussenkomst wordt ingewilligd.
- De Raad van State vernietigt de beslissing van de kamer van beroep voor het Gemeenschapsonderwijs van 10 september 2024 waarbij de aan R.P. opgelegde tuchtmaatregel ‘ontslag’ wordt bevestigd.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd zijn aan de verzoekende partij. IX-10.588-21/22 De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op twee april tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Jurgen Neuts, staatsraad, Jim Deridder, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Geert Van Haegendoren IX-10.588-22/22 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.280 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div