← België

Arrest 266294 - Dierenwelzijn - 03/04/2026

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 april 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.294 Rolnummer: A. 247169/XII-10021 Zaak: Arrest 266294 - Dierenwelzijn - 03/04/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-04-07 Raadplegingen: 116 - laatst gezien 2026-06-18 06:07 Fiche Arrest nr 266.294 van 3 april 2026 Sociale zaken en volksgezondheid - Dierenwelzijn Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 266.294 van 3 april 2026 in de zaak A. 247.169/XII-10.021 In zake: P.T. waar woonplaats wordt gekozen bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Joke Feytons kantoor houdend te 3840 Tongeren-Borgloon Nielstraat 26A tegen: het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Steve Ronse en Elliott Missault kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 20 januari 2026, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestemmingsbeslissing van het departement Omgeving van de Vlaamse overheid, afdeling Dierenwelzijn van 5 januari 2026 waarbij tien honden in volle eigendom worden gegeven aan een erkend dierenasiel. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij beschikking van 6 februari 2026 werd de procedurekalender vastgesteld en werden de partijen opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 2 april
  3. XII-10.021-1/10 De nota met opmerkingen en het administratief dossier werden ingediend overeenkomstig de procedurekalender. Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een verslag opgesteld over het beroep tot nietigverklaring met toepassing van artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’, en over de vordering tot schorsing met toepassing van artikel 17 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. Staatsraad Ann Coolsaet heeft verslag uitgebracht. Advocaat Matias Osorio Olivera, die loco advocaat Joke Feytons verschijnt voor verzoekster, en advocaat Elliott Missault, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten 3.
  6. Op 7 november 2025 doet de lokale politie – naar aanleiding van een kennisname via het Communicatie- en Informatiecentrum (CIC) – vaststellingen inzake overtredingen op het dierenwelzijn met betrekking tot twintig honden van verzoekster en haar partner. 3.
  7. Op 7 november 2025 worden elf honden bestuurlijk in beslag genomen. Voor vijf van de negen overblijvende honden worden voorwaarden opgelegd. XII-10.021-2/10 3.
  8. Op 10 november 2025 wordt één hond, na toestemming van het afdelingshoofd van het departement Omgeving van de Vlaamse overheid, geëuthanaseerd. 3.
  9. Op 20 november 2025 wordt de partner van verzoekster strafrechtelijk verhoord. Zowel verzoekster als haar partner hebben een schriftelijk verweer ingediend, dat volgens de bestreden beslissing door de verwerende partij werd ontvangen op respectievelijk 31 en 30 december
  10. 3.
  11. Op 5 januari 2026 beslist het afdelingshoofd Dierenwelzijn van het departement Omgeving van de Vlaamse overheid in toepassing van artikel 72, § 3, van de Vlaamse Codex Dierenwelzijn om de tien honden in volle eigendom te geven aan het erkend asiel waar de dieren op dat ogenblik verblijven. Dit is de bestreden beslissing. 3.
  12. Volgens de verwerende partij zijn de tien honden inmiddels door derden ‘geadopteerd’. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Uiteenzetting van de exceptie
  13. De verwerende partij werpt op dat het beroep niet ontvankelijk is in de mate dat het betrekking heeft op de hond Marie, daar zij werd geëuthanaseerd, zodat een schorsing dan wel vernietiging verzoekster geen voordeel meer kan opleveren. XII-10.021-3/10 Beoordeling
  14. Uit de bestreden beslissing blijkt dat de hond Marie werd geëuthanaseerd voorafgaand aan de bestemmingsbeslissing en dat deze beslissing enkel de overige tien in beslag genomen honden betreft. De exceptie mist aldus feitelijke grondslag. De exceptie wordt verworpen. V. Toepassing kortedebattenprocedure Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  15. In het verzoekschrift voert verzoekster in het eerste middel de schending aan van het recht van verdediging, “inzonderheid de hoorplicht”. Zij zet uiteen dat de vermelding in de formele motivering van de bestreden beslissing, dat verzoekster niet kon worden verhoord wegens haar verblijf in de gevangenis, niet correct is. De politie kan een gedetineerde immers op elk ogenblik verhoren in de gevangenis. Door deze “nalatige houding” van de verwerende partij is de verdediging van verzoekster beperkt tot haar schriftelijke verklaring. Voorts voert verzoekster aan dat ook het vermoeden van onschuld is geschonden, daar de verwerende partij haar “sanctioneert” vooraleer zij werd verhoord in het kader van het strafonderzoek. Beoordeling
  16. Het recht van verdediging geldt, behoudens andersluidend voorschrift, in beginsel enkel in strafzaken en tuchtzaken. Het is derhalve niet van XII-10.021-4/10 toepassing op de bestreden beslissing die een louter bestuurlijke maatregel is ter behartiging van het dierenwelzijn. In de mate dat verzoekster ervan uitgaat dat de bestreden beslissing een bestraffende maatregel is, en derhalve, dat het recht van verdediging en het vermoeden van onschuld van toepassing zijn, faalt het in rechte.
  17. In de mate dat verzoekster aanvoert dat de hoorplicht werd miskend, mist het middel feitelijke grondslag. Uit het administratief dossier blijkt dat de verwerende partij, voorafgaand aan de bestreden beslissing, aan verzoekster de mogelijkheid heeft geboden een schriftelijk verweer in te dienen, een mogelijkheid waarvan verzoekster overigens heeft gebruikgemaakt. De hoorplicht houdt niet in dat verzoekster bovendien ook mondeling moest worden gehoord.
  18. Of verzoekster al dan niet werd verhoord in het kader van de mogelijke strafrechtelijke afhandeling van de vastgestelde inbreuken op het dierenwelzijn, doet niet ter zake om de wettigheid te beoordelen van de bestreden beslissing, die – zoals hiervoor reeds vastgesteld – een louter bestuurlijke maatregel is ter behartiging van het dierenwelzijn.
  19. Het eerste middel is ongegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  20. In het verzoekschrift voert verzoekster in het tweede middel de schending aan van het zorgvuldigheidsbeginsel, daar de bestreden beslissing niet steunt op een behoorlijke en correcte feitenvinding en gebaseerd is op onwaarheden. Volgens verzoekster deed zij het nodige om de dieren tijdig aan te bieden voor controle bij de dierenarts. Voorts voert verzoekster aan dat de verwerende partij had moeten onderzoeken of haar verklaringen en die van haar partner overeenstemden met de werkelijkheid. XII-10.021-5/10 Beoordeling
  21. Krachtens het zorgvuldigheidsbeginsel moet elk bestuur zich gedragen zoals een voorzichtig en redelijk handelend bestuur, geplaatst in dezelfde omstandigheden. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt onder meer in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten, die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. Het bestuur is onder meer verplicht om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat het met kennis van zaken kan beslissen. Het komt aan verzoekster toe om met concrete gegevens aannemelijk te maken dat de handelwijze van het bestuur niet doet blijken van het vereiste zorgvuldig handelen. Het formuleren door verzoekster van eigen aannames, veronderstellingen en kritieken zonder enig begin van bewijs, volstaat niet om aannemelijk te maken dat de bestreden beslissing op een onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen.
  22. Aan een overheidsonderzoek kleeft het vermoeden van wettigheid. Om de onwettigheid van de motieven van de beslissing van het bestuur aan te tonen, mag een verzoeker niet volstaan met het louter ontkennen of in vraag stellen van de feitelijke elementen waarop de beoordeling door het bestuur berust. Het is zaak van verzoekster om aanwijzingen te verschaffen die het vermoeden wettigen of aantonen dat de door het bestuur in aanmerking genomen gegevens niet juist zijn.
  23. Uit wat voorafgaat, volgt dat verzoekster – om de onwettigheid van de bestreden beslissing aan te tonen – niet kan volstaan met de loutere bewering dat zij wel degelijk het nodige deed om tijdig met de dieren naar de dierenarts te gaan en dat de verwerende partij maar moest onderzoeken of de verklaringen van verzoekster en haar partner overeenstemmen met de werkelijkheid. XII-10.021-6/10 Uit de bestreden beslissing blijkt dat deze onder meer steunt op de vaststellingen gedaan in het proces-verbaal van 7 november 2025 en op de verslagen van de dierenarts over elk van de honden. Verzoekster betrekt deze stukken noch de inhoud ervan in de uiteenzetting van het middel, laat staan dat zij aannemelijk maakt dat deze stukken “onwaarheden” zouden bevatten. Uit de bestreden beslissing blijkt tevens dat het schriftelijk verweer van verzoekster en van haar partner in overweging werd genomen, alsook waarom dit de verwerende partij niet kon overtuigen. Verzoekster verduidelijkt voorts niet welke elementen van dat verweer nader hadden moeten worden onderzocht.
  24. Verzoekster faalt derhalve om aannemelijk te maken dat de bestreden beslissing op een onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen.
  25. Het tweede middel is ongegrond. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
  26. In het verzoekschrift voert verzoekster in het derde middel de schending aan van het redelijkheids- en het evenredigheidsbeginsel. Volgens verzoekster is de inbeslagname van de dieren niet redelijk. Zij zet uiteen dat zij wel degelijk goed voor haar honden zorgt en dat andere maatregelen konden worden genomen. Zij besluit met de vraag in hoeverre de bestreden beslissing dan proportioneel is. Beoordeling
  27. Een schending van het redelijkheidsbeginsel (of van het evenredigheidsbeginsel, dat er een bijzondere toepassing van is) als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, veronderstelt dat het bestuur bij het nemen van de XII-10.021-7/10 beslissing onredelijk heeft gehandeld, met andere woorden dat zij de haar toegekende discretionaire beoordelings- of beleidsvrijheid onjuist heeft gebruikt. Van een schending van het redelijkheidsbeginsel (en van het evenredigheidsbeginsel) kan slechts sprake zijn wanneer een beslissing, waarvan is vastgesteld dat ze berust op deugdelijke grondslagen, inhoudelijk dermate afwijkt van het normale beslissingspatroon of, nog, er een zodanige wanverhouding bestaat tussen die motieven en de inhoud van de beslissing, dat het niet denkbaar is dat een ander zorgvuldig handelend bestuur in dezelfde omstandigheden tot die besluitvorming zou komen of die beslissing zou nemen. De Raad van State is in de uitoefening van zijn wettigheidstoezicht enkel bevoegd om, desgevraagd, na te gaan of het bestuur op grond van de juiste en correct beoordeelde feitelijke gegevens, in redelijkheid tot de bestreden beslissing is kunnen komen. Het komt de Raad van State evenwel niet toe zijn beoordeling in de plaats te stellen van die van het bevoegde bestuur. De Raad van State gaat bij de beoordeling van de redelijkheid of de evenredigheid van de bestreden beslissing uit van de feiten zoals ze blijken uit de bestreden beslissing en waarvan verzoeker de onwettigheid niet heeft aangetoond, getoetst aan de door verzoeker in het middel aangevoerde argumenten die volgens verzoeker doen blijken dat de bestreden beslissing het redelijkheids- of het evenredigheidsbeginsel miskent.
  28. In de mate dat verzoekster aanvoert dat de beslissing tot inbeslagname niet redelijk is, stelt de Raad van State vast dat de inbeslagname niet het voorwerp vormt van de bestreden beslissing noch van verzoeksters beroep. Meer nog, uit artikel 72, § 4, van de Vlaamse Codex Dierenwelzijn volgt dat het beslag ingevolge de bestreden beslissing van rechtswege werd opgeheven. Deze kritiek kan derhalve niet tot de nietigverklaring leiden.
  29. Voorts voert verzoekster aan dat zij “aantoont” dat zij wel degelijk goed zorgt voor haar honden. Waaruit dat zou moeten blijken, verduidelijkt verzoekster evenwel niet. Deze niet gestaafde bewering volstaat niet XII-10.021-8/10 om aannemelijk te maken dat de verwerende partij niet in redelijkheid tot de bestreden beslissing is kunnen komen. Met het argument dat ook andere maatregelen hadden kunnen worden genomen, maakt verzoekster evenmin aannemelijk dat de verwerende partij niet in redelijkheid tot de bestreden beslissing is kunnen komen. Zij toont daarmee immers niet aan dat het niet denkbaar is dat een ander zorgvuldig handelend bestuur in dezelfde omstandigheden dezelfde bestemmingsbeslissing zou nemen. Tot slot stelt verzoekster de vraag in hoeverre de bestreden beslissing proportioneel is. Zij lijkt de Raad van State daarmee uit te nodigen zijn beoordeling over de proportionaliteit in de plaats te stellen van die van het bevoegde bestuur. Zoals hiervoor is uiteengezet, komt dit de Raad van State niet toe (zie supra, nr. 18). Ingevolge de op haar rustende stelplicht komt het verzoekster toe in het verzoekschrift de argumenten aan te voeren die volgens haar doen blijken dat de bestreden beslissing het evenredigheidsbeginsel miskent. Uit wat voorafgaat, is gebleken dat verzoekster geen schending van het redelijkheids- of het evenredigheidsbeginsel aantoont.
  30. Het derde middel is ongegrond. D. Conclusie
  31. Het auditoraat heeft terecht gemeend dat de zaak met korte debatten een oplossing kan krijgen. De verwerping van het beroep tot nietigverklaring heeft tot gevolg dat de door verzoekster ingediende vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing geen voorwerp meer heeft. XII-10.021-9/10 BESLISSING
  32. De Raad van State verwerpt het beroep.
  33. De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing.
  34. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring en de vordering tot schorsing, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 26 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op drie april tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Ann Coolsaet, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Ann Coolsaet XII-10.021-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.294 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.