← België

Arrest 266298 - Milieuvergunningen - 07/04/2026

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 april 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.298 Rolnummer: A. 241306/VII-42418 Zaak: Arrest 266298 - Milieuvergunningen - 07/04/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-04-10 Raadplegingen: 117 - laatst gezien 2026-06-18 06:45 Fiche Arrest nr 266.298 van 7 april 2026 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 266.298 van 7 april 2026 in de zaak A. 241.306/VII-42.418 In zake : T.V. tegen : de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD VAN OOST-VLAANDEREN Tussenkomende partij : R.H. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Celine Van De Velde en Jan Beleyn kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 20 februari 2024, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de deputatie van de provincieraad van Oost- Vlaanderen van 14 december 2023 dat het beroep van verzoeker tegen het besluit van het college van burgemeester en schepenen van Sint-Laureins van 29 juli 2016 dat een milieuvergunning verleent voor het verder exploiteren en het veranderen van een veeteeltinrichting, gedeeltelijk inwilligt. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. VII-42.418-1/21 Met een verzoekschrift van 11 mei 2024 heeft de tussenkomende partij gevraagd om in het geding te mogen tussenkomen. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft op 31 december 2024 een verslag opgesteld. Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De tussenkomende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 maart 2026. Staatsraad Francis Van Nuffel heeft verslag uitgebracht. Christophe Wille, die verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Celine Van De Velde, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Tussenkomst 3. De tussenkomende partij heeft belang bij de uitkomst van het beroep. Bijgevolg moet het verzoek tot tussenkomst worden ingewilligd. VII-42.418-2/21 IV. Feiten 4.1. Verzoeker is eigenaar van een perceel landbouwgrond, dat hij wenst te gebruiken voor biologische landbouw. 4.2. De tussenkomende partij dient op 1 juni 2016 een vergunningsaanvraag in voor het hernieuwen en veranderen van een bestaand landbouwbedrijf, gelegen in de omgeving van de grond van verzoeker. Bij besluit van 29 juli 2016 verleent het college van burgemeester en schepenen van Sint- Laureins aan de tussenkomende partij de milieuvergunning voor het stallen van 35 runderen, de opslag van 170 m³ dierlijke mest (bestaande uit 100 m³ stalmest en 70 m³ mengmest) en een grondwaterwinning. 4.3. Verzoeker dient een bestuurlijk beroep in tegen de vergunningsbeslissing van 29 juli 2016. In zijn beroepschrift betoogt hij onder meer: “Als aanpalende eigenaar wil ik er nadrukkelijk op wijzen dat er een open mestvaalt ligt op enkele meters van het woonhuis waar mevr. [A.V.] verblijft. Mijn bezwaar in verband met de milieuverontreiniging werd niet beantwoord. De vaste dierlijke mest wordt niet gestort op een mestdichte vloerplaat met drie mestdichte aansluitende wanden. De mestvloeistoffen lopen rechtstreeks in de grond (open mestvaalt) of in de naastliggende gracht voor de overloop aan de rundveestal. Er zijn geen mestkelders in beton of andere mestdichte opslagcapaciteit voor mengmest. De overtollige mengmest loopt in het oppervlaktewater en op het naastliggende perceel waarvan ik eigenaar ben. Gezien de wetgeving reeds jarenlang bestaat is het duidelijk dat er geen enkele intentie is om de mistoestand op het terrein te verbeteren. Zonder de nodige aanpassingen kan de vervuiling niet gestopt worden. Ik wens in elk geval dat de wettelijke voorschriften gevolgd worden en de vervuiling gestopt wordt.” 4.4. Met een brief van 14 november 2016 deelt de tussenkomende partij mee dat zij de mestvaalt die in de aanvraag was begrepen, buiten gebruik stelt, en de in de inrichting geproduceerde mest zal opslaan op haar bedrijf dat verder langs de straat aan het nummer 27 is gelegen. VII-42.418-3/21 4.5. Bij besluit van 12 januari 2017 willigt de verwerende partij het beroep gedeeltelijk in en bevestigt voor het overige de beroepen vergunningsbeslissing. Dit besluit wordt door de Raad van State vernietigd bij arrest nr. 248.518 van 8 oktober 2020. 4.6. De verwerende partij herneemt de beroepsprocedure, en willigt bij besluit van 8 april 2021 het beroep opnieuw gedeeltelijk in, en bevestigt voor het overige de beroepen vergunningsbeslissing. Dit besluit wordt door de Raad van State vernietigd bij arrest nr. 256.711 van 8 juni 2023, op grond van volgende motieven: “Op basis van de in de bestreden beslissing opgegeven redengeving staat vast dat op de vergunde inrichting de door het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 ‘houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne’ (hierna: Vlarem II) vastgestelde sectorale milieuvoorwaarden omtrent de kwantitatieve en de kwalitatieve opslag van mengmest, niet kunnen worden nageleefd. De onmogelijkheid om deze milieuvoorwaarden na te leven moet in beginsel leiden tot de weigering van de gevraagde milieuvergunning voor het verder exploiteren van de betrokken veeteeltinrichting. Zelfs indien aangenomen zou worden dat in de vergunningsbeslissing op individuele wijze kan afgeweken worden van deze voorwaarden door de afvoer van de vaste mest naar een andere veeteeltinrichting van de exploitant als gelijkwaardig alternatief in aanmerking te nemen, blijkt uit de bestreden beslissing niet, minstens niet afdoende, dat de verwerende partij met de in rechte vereiste zorgvuldigheid heeft onderzocht of op die veeteeltinrichting voldoende mestopslagcapaciteit aanwezig is die voldoet aan de door Vlarem II gestelde milieuvoorwaarden.” 4.7. De verwerende partij herneemt opnieuw de beroepsprocedure en wint adviezen in. Met het bestreden besluit van 14 december 2023 willigt zij het beroep deels in. Aan de tussenkomende partij wordt de milieuvergunning verleend voor de stallen met plaatsen voor 35 runderen, het stallen van drie bedrijfsvoertuigen en/of aanhangwagens, en een grondwaterwinning met een debiet van maximaal 282 m³/jaar. De milieuvergunning wordt geweigerd voor de opslag van 70 m³ dierlijke mest en een grondwaterwinning met een debiet van maximaal 307,2 m³/jaar. Aan de vergunning voor de stallen worden volgende bijzondere milieuvoorwaarden verbonden:

  1. a)Alle stallen moeten volledig worden ingericht conform de stalexploitatie VII-42.418-4/21 van “volledig ingestrooide loopstallen voor rundvee (potstallen)” (Vlarem II - Bijlage 5.28 - Opslagplaatsen voor meststoffen - Hoofdstuk VII - Richtlijnen voor de opslagcapaciteit voor dierlijke mest - §4).
  2. b)Elke afleiding van gier of mengmest naar opvang binnen en/of buiten de stalgebouwen moet hermetisch/waterdicht worden afgesloten of worden ontmanteld/gesupprimeerd.
  3. c)De opvangbak buiten naast stal 1 met potentiële overloop naar de gracht moet worden verwijderd.
  4. d)De bestaande mengmestopslag van 70 m³ mag niet langer worden gebruikt en moet worden leeggemaakt (ontdaan van mengmest). Het besluit bevat volgende motieven met betrekking tot de mestopslagcapaciteit: “Conform artikel 5.9.2.2 VLAREM II dient een inrichting waar vaste dierlijke mest geproduceerd wordt, te beschikken over één of meer mestopslagplaatsen voor vaste dierlijke mest met een totale capaciteit die voldoende is om ten minste de hoeveelheid vaste dierlijke mest te stockeren die gedurende een periode van 6 maanden wordt geproduceerd door de dieren die op basis van het aantal dierplaatsen in de stal(len) kunnen worden gehouden. Voor stalmest bedraagt voormelde periode slechts 3 maanden. De runderen worden thans gestald in volledig ingestrooide loopstallen voor rundvee ‘Potstallen’ (Vlarem II - Bijlage 5.28. - Opslagplaatsen voor meststoffen - Hoofdstuk VII - Richtlijnen voor de opslagcapaciteit voor dierlijke mest - §4). Het benodigde volume wordt berekend conform de richtlijnen voor opslagcapaciteit voor mest vermeld in Vlarem II - Bijlage 5.28. - Opslagplaatsen voor meststoffen - Hoofdstuk VII - Richtlijnen voor de opslagcapaciteit voor dierlijke mest - §4. Er wordt geacht voldaan te zijn aan voormelde verplichting indien de exploitant aantoont op een andere reglementaire manier gedurende de beschouwde periode te kunnen voorkomen dat de voormelde mesthoeveelheid of een gedeelte ervan op cultuurgrond wordt opgebracht. Dat kan ook door mest af te voeren naar een andere inrichting die wel over voldoende opslagcapaciteit beschikt. In de vernietigde beslissing was sprake van 125 m³, maar dit klopt niet. Er wordt immers nog uitgegaan van een opslagcapaciteit van 3,5 m³ voor runderen tussen 1-2 jaar en 5,8 m³ voor zoogkoeien, maar sinds de VLAREM-trein van 2013 (in werking getreden in oktober 2014) werd de noodzakelijke opslagcapaciteit teruggebracht naar 3 m³ en dit voor beide soorten. (bijlage 5.28. VLAREM II inzake opslagcapaciteit voor dierlijke mest (hoofdstuk VII). VII-42.418-5/21 De minimale behoefde mestopslagcapaciteit voor vaste mest gedurende de voorgeschreven periode van 3 maanden bedraagt derhalve: 16 runderen 1 jaar x 1,5 m³ + 4 runderen 1-2 jaar x 3 m³ + 15 zoogkoeien x 3 m³ = 81 m³. In de stallen is er ongeveer 30 m³ niet-vergunningsplichtige opslagcapaciteit voor vaste mest die in rekening kan worden gebracht. Derhalve dient er nog voor het saldo van ca. 51 m³ een andere ‘reglementaire manier’ van opslag in rekening te worden gebracht. De stallen hebben een volledig ingestrooide lig- en loopruimte. De urine wordt volledig geabsorbeerd door het stro. Er dient bijgevolg geen afzonderlijke gier- of mengmestopslag te worden voorzien. Het stroverbruik bedraagt 0,6 à 1 kg/dag/m² ingestrooide oppervlakte. De loop- en ligruimte dient zodanig te worden uitgevoerd dat het strooisel niet eerder dan na 3 maanden dient te worden verwijderd. Daar deze ruimte blijft dienst doen als ligplaats voor de dieren wordt zij niet beschouwd als ‘een opslagplaats voor dierlijke mest’ zoals bedoeld in rubriek 28.2 van de indelingslijst van de als hinderlijk beschouwde inrichtingen. Er is niet langer een aparte mestvaalt aanwezig. De vaste mest aanwezig in de stallen is niet vergunningsplichtig, maar kan wel in rekening worden gebracht voor het berekenen van de mestopslagcapaciteit. De mestopslagcapaciteit in de ingestrooide loopstallen bedraagt ongeveer 30 m³. Voor de ingestrooide loopstallen is geen minimaal behoefde mestopslagcapaciteit nodig voor mengmest. Bij het ruimen van de stallen wordt de vaste mest rechtstreeks uitgespreid op het land overeenkomstig de bepalingen van het Mestdecreet of afgevoerd naar de andere vergunde veeteeltinrichting van de exploitant, gelegen [in dezelfde straat op nummer] 27. Opslag op de kopakker is geen permanente opslagmogelijkheid en geldt dus niet als optie. Naar aanleiding van het beroepsschrift in eerste aanleg deelt de exploitant op 14 november 2016 via een schrijven mee dat de aangevraagde mestvaalt [gelegen op nummer] 12 buiten gebruik wordt gesteld. De vaste mest zal worden afgevoerd naar het rundveebedrijf [in dezelfde straat op nummer] 27. Op de site van de exploitant [nummer] 27 is er volgens de berekeningen nood aan een minimale opslagcapaciteit van 888,9 m³. Op [nummer] 27 is een mestvaalt van 500 m³ aanwezig en een opslagcapaciteit van 615 m³ niet vergunningsplichtige vaste mest in de stallen zelf; de totale opslagcapaciteit vaste mest bedraagt 1.115 m³. Derhalve is er op [nummer] 27 voldoende opslagcapaciteit om met een overschot van 226,1 m³ het saldo mestopslagcapaciteit van 51 m³ van [nummer] 12 te stockeren. Rekening houdend met de voorgaande cijfers is er op de site [nummer] 27 ruim voldoende capaciteit om de mest van zowel de exploitatie op [nummer] 27 als de exploitatie op [nummer] 12 voor een periode van 3 maanden op te slaan. Desgevallend en overeenkomstig de bepalingen van het Mestdecreet kan de mest van de exploitatie op [nummer] 12 ook rechtstreeks op de omliggende akkers worden uitgereden. De mestvaalt op [nummer] 27 betreft NIET degene waarover appellant zich eerder al heeft beklaagd (en waarvan werd aangegeven dat er van daaruit mestsappen werden geloosd richting de woning van zijn moeder [A.V.]). De VII-42.418-6/21 betreffende mestvaalt op [nummer] 27 voldoet wel volledig aan de ter zake geldende normen en is zowel stedenbouwkundig als vanuit milieurechtelijk oogpunt vergund. Er valt niet in te zien hoe de inzet van die mestvaalt voor de opslag van de vaste mest van de site [nummer] 12 hinder zou kunnen veroorzaken naar het perceel van appellant toe. Minstens werd en wordt dit niet uiteengezet door appellant. In een systeem met volledig ingestrooide loopstallen, zoals dat in deze het geval is, dient er in principe geen afzonderlijke gier- of mengmestopslag te worden voorzien. Gezien er reeds een mestkelder aanwezig was op de exploitatiesite werd deze nog wel opgenomen in de aanvraag als opslagplaats voor mengmest. Om tegemoet te komen aan de verzuchtingen van appellant inzake de lekdichtheid van die mestkelder en de stalvloer (van het gebouw het dichtste bij het perceel van appellant) werd in de vernietigde beslissing -mede op voorstel van de exploitant- bij wijze van bijzondere milieuvoorwaarde opgelegd dat (
  5. a)de bestaande mestkelder buiten gebruik moet worden gesteld en moet worden leeggemaakt en (
  6. b)de opvang van eventuele mestsappen/mestuitloging uit het stalgebouw moet gebeuren in een nieuw te plaatsen lekdichte/waterdichte citerne van 10 m³ zonder overloop. De voorwaarde om de mestkelder buiten gebruik te stellen en leeg te maken komt er dus op neer dat dit deel van de aanvraag wordt geweigerd gezien het niet helemaal zeker is of deze nog kan voldoen aan de ter zake geldende sectorale milieuvoorwaarden. De voorwaarde om een nieuwe lekdichte/waterdichte citerne te plaatsen zonder overloop is overbodig gelet de bepalingen dat voor volledig ingestrooide loopstallen, zoals in deze het geval, in principe geen afzonderlijke gier- of mengmestopslag moet worden voorzien. Uit het voorgaande blijkt dat op de inrichting de sectorale milieuvoorwaarden inzake stallen en de kwantitatieve en kwalitatieve opslag van mest wel degelijk kunnen worden nageleefd, mits het opleggen van de noodzakelijke bijzondere milieuvoorwaarden.” V. Ontvankelijkheid Exceptie 5. De tussenkomende partij werpt op dat het verzoekschrift tot nietigverklaring niet werd ingesteld binnen de termijn van 60 dagen die wordt voorgeschreven door artikel 4 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: algemeen procedurereglement), zodat het beroep niet ontvankelijk is. VII-42.418-7/21 Zij wijst erop dat het bestreden besluit zowel aan verzoeker als aan haarzelf werd betekend met een gewone aangetekende brief. Vermits zij die brief heeft ontvangen op 21 december 2023 is het volgens de tussenkomende partij zeer waarschijnlijk dat de brief op dezelfde dag door de post ook werd aangeboden aan verzoeker. Ook wijst de tussenkomende partij erop dat verzoeker zelf verklaart dat hij de aangetekende zending is gaan afhalen in het postkantoor op 23 december 2023, waarmee hij erkent dat er op zijn adres een bericht werd achtergelaten dat hem toeliet de zending op te halen. Vermits de beroepstermijn aanvangt bij de aanbieding van de zending met achterlating van een bericht en niet bij de afhaling van de zending in het postkantoor, is de termijn volgens de tussenkomende partij beginnen te lopen op 22 december 2023 zodat het verzoekschrift dat pas op 22 februari 2024 werd ingediend, laattijdig is. 6. Bij haar laatste memorie voegt de tussenkomende partij de “track & trace” gegevens die zij heeft verkregen van bpost, die aangeven dat de zending aan verzoeker werd verzonden op 20 december 2023, op 21 december 2023 vruchteloos werd aangeboden met achterlating van een bericht, en op 30 december 2023 in het postkantoor werd opgehaald. Verder betoogt de tussenkomende partij dat artikel 4, § 2, derde lid, van het algemeen procedurereglement, dat bepaalt dat de termijn begint te lopen op de derde werkdag na het verzenden van de brief, behoudens bewijs van het tegendeel door de geadresseerde, niet geldt wanneer de datum dat de brief werd aangeboden, kan worden aangetoond. De omstandigheid dat de bestemmeling de mogelijkheid wordt geboden het bewijs te leveren dat de zending pas later werd aangeboden, betekent niet dat omgekeerd niet mag aangetoond worden dat de zending hem vroeger werd aangeboden. VII-42.418-8/21 Beoordeling 7. Verzoeker heeft het verzoekschrift bij de Raad van State ingediend met een ter post aangetekende brief van 20 februari 2024. De tussenkomende partij gaat ten onrechte ervan uit dat het beroep pas op 22 februari 2024 werd ingediend. 8. De bestreden beslissing werd met een gewone aangetekende brief aan verzoeker betekend. Artikel 4, § 2, derde lid, van het algemeen procedurereglement luidt: “Wanneer de in paragraaf 1 genoemde kennisgeving geschiedt bij gewone aangetekende brief, is de eerste dag van de termijn voor het indienen van het verzoekschrift de derde werkdag die volgt op de verzending van de brief, behoudens bewijs van het tegendeel door de geadresseerde, en is die dag inbegrepen in de termijn.” In geval van een kennisgeving bij gewone aangetekende brief, begint de termijn aldus te lopen op de derde werkdag die volgt op de verzending van de brief. Slechts in het geval de bestemmeling het bewijs levert dat de kennisgeving pas op een latere dag is gebeurd, zal de termijn pas vanaf die latere dag starten. De omstandigheid dat het bewijs wordt geleverd dat de aangetekende zending aan de bestemmeling werd aangeboden vóór de derde werkdag die volgt op de verzending van de brief, betekent niet dat de termijn al vanaf die vroegere dag begint te lopen. 9. Uit de door de tussenkomende partij voorgelegde gegevens, die door de andere partijen niet worden tegengesproken of in twijfel getrokken, blijkt afdoende dat de gewone aangetekende brief waarmee de bestreden beslissing ter kennis werd gebracht van verzoeker, verzonden werd op woensdag 20 december 2023. Zaterdagen, zondagen en feestdagen worden niet beschouwd als werkdagen in de zin van artikel 4, § 2, derde lid, van het algemeen procedurereglement. De derde werkdag die volgt op de verzending van de brief was bijgevolg dinsdag 26 december 2023. Door zijn verzoekschrift op 20 februari 2024 in te dienen, heeft verzoeker dan ook tijdig gehandeld. VII-42.418-9/21 10. De exceptie wordt verworpen. VI. Onderzoek van de middelen tot nietigverklaring 11. In zijn verzoekschrift tot nietigverklaring zet verzoeker zijn “middelen” uiteen in een doorlopende tekst met verschillende tussentitels. De verwerende partij heeft hierin vijf afzonderlijke middelen ontwaard. De Raad van State volgt hierna die indeling. A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 12. In het verzoekschrift tot nietigverklaring zet verzoeker uiteen: “Onvoldoende mestopslagcapaciteit Conform artikel 5.9.2.2, § 5 VLAREM II dient een inrichting waar vaste dierlijke mest wordt geproduceerd te beschikken over één of meer mestopslagplaatsen voor dierlijke mest en dit met voldoende capaciteit teneinde de vaste dierlijke mest die er wordt geproduceerd door de dieren die op basis van het aantal dierplaatsen in de stal kan worden gehouden, te kunnen stockeren gedurende een bepaalde periode. Voor vaste stalmest bedraagt deze opslagperiode 3 maanden. […] Op de site [nummer] 12 kan niet worden voldaan aan de eisen van een kwantitatieve en kwalitatieve opslag van mengmest zoals bepaald in de sectorale milieuvoorwaarden (VLAREM II). Volgens Art. 5.9.2.2 van VLAREM II zou op [nummer] 27 een mestopslagplaats met een opslagcapaciteit van 800 m³ moeten zijn terwijl deze in realiteit slechts 500 m³ is. De definitie van opslagplaats voor vaste dierlijke mest stelt dat het moet gaan om een permanente stapelplaats voor vaste dierlijke mest. In artikel 5.9.2.2 van VLAREM II is er wel degelijk sprake van dat er een opslagplaats voor 3 maanden moet zijn. Er is in deze een opslagplaats van meer dan 800 m³ nodig op de bedrijfszetel van [nummer] 27 indien de vaste mest daarheen moet gebracht worden. Mest in de stallen aanwezig kan niet beschouwd worden als een permanente opslagplaats. Er is een permanent gebrek aan opslagplaats voor dierlijke mest [op nummer] 27 waar op diverse plaatsen op de achterliggende cultuurgrond grote hoeveelheden niet afgedekte vaste mest zijn gestort. Opslag op de kopakker is geen permanente opslag en geldt niet als optie. De afvoer van vaste mest naar een andere veeteeltinrichting, de bedrijfszetel VII-42.418-10/21 [op nummer] 27 van de exploitant voldoet allerminst. Ook op die plaats is er een schromelijk tekort aan mestopslag. Schending van de Formele Motiveringswet Het besluit van de Deputatie miskent op die manier artikel 149 van de Grondwet, de artikelen 2 en 3 van de Formele Motiveringswet (wegens onwettige interpretatie ervan) en de aangehaalde bepalingen van VLAREM II. De interpretatie van de mest in de stal als opslagcapaciteit ‘die in rekening kan worden gebracht’ voor het bepalen van de totale capaciteit opslagplaats voor vaste dierlijke mest is niet correct. Vergunningshistoriek [nummer] 27 Voor een goed begrip is het ook relevant te wijzen op de bijzonder problematische vergunningshistoriek voor het nabijgelegen rundveebedrijf van [de tussenkomende partij op nummer] 27 […]. [Zij] baat momenteel een industriële vetmesterij uit op voormeld adres. In 1990 werd [op nummer] 27 een eerste rundveestal zonder vergunning opgericht. Naderhand gevolgd door andere gebouwen en uitgebreide betonverhardingen waarvoor een regularisatie werd aangevraagd in 2008. De voorwaarden voor deze regularisatie werden nooit uitgevoerd en de stallen kunnen niet als geregulariseerd worden beschouwd. In 2008 werd ook nog een bijkomende industriële loods, dit keer met vergunning, opgetrokken op het adres [nummer] 27 en waar zich de zetel van het bedrijf en de bedrijfswoning van [de tussenkomende partij] bevinden. De voorbije jaren heeft [de tussenkomende partij] heel wat pogingen ondernomen om een -zeer hinderlijke open- mestvaalt geregulariseerd te krijgen, hetgeen heeft geleid tot meerdere vernietigingsarresten. Bij besluit van 18 juni 2009 verleent de deputatie van Oost-Vlaanderen in administratief beroep aan [de tussenkomende partij] een stedenbouwkundige vergunning voor het ‘regulariseren van de mestvaalt, het slopen van de koepelloods en het verlengen van de rundveestal met een loods’ op dezelfde vermelde percelen. - Deze vergunning van 18 juni 2009 werd door [de] Raad van State vernietigd bij vernietigingsarrest nr. 214.004 van 20 juni 2011 […]. [De] Raad kwam tot deze vaststelling dat de deputatie van Oost-Vlaanderen zelf had erkend dat de voorgestelde inplantingsplaats van de mestvaalt ‘eerder ongelukkig is gelet op de korte afstand tot de zijdelingse perceelsgrens’. - De vergunning voor de mestvaalt werd vervolgens geweigerd bij besluit van 1 september 2011. Vervolgens werd een nieuwe poging voor de regularisatie van de mestvaalt ingediend. Ook dit gaf aanleiding tot meerdere vernietigingsarresten van de Raad voor Vergunningsbetwistingen: - Bij arrest nr. A/2014/0106 van 4 februari 2014 vernietigde de RvVb het vergunningsbesluit van 20 september 2012 verleend door de deputatie van Oost-Vlaanderen […]. - Bij arrest nr. RvVb/A/1617/0245 van 8 november 2016 vernietigde de RvVb het vergunningsbesluit van 5 juni 2014 […]. - Bij arrest nr. RvVb-A-1819-0189 van 16 oktober 2018 vernietigde de RvVb het vergunningsbesluit van 16 maart 2017 […]. Deze vernietigingsarresten hadden telkens een regularisatievergunning voor de mestvaalt aan [nummer] 27 tot voorwerp. De betrokken mestvaalt op VII-42.418-11/21 nr. 27 is inmiddels buiten werking gesteld, zoals ook wordt erkend door de aanvrager zelf.” 13. In de memorie van wederantwoord voegt verzoeker hieraan toe: “Op de exploitatiesite nr. 27 kan niet worden voldaan aan de kwantitatieve en kwalitatieve eisen van opslag van vaste mest conform VLAREM II. Hiervoor verwijs ik nadrukkelijk naar de eerdere vernietigingsarresten van [de Raad van State]. Verder meen ik dat de afvoer van vaste mest naar het bedrijf op [nummer] 27 niet mogelijk is, gezien de enige vergunde mestopslagplaats daar onvoldoende mestcapaciteit heeft. [De toelichting met foto’s] toont aan dat de afvoer van de vaste mest van nr. 12 naar nr. 27 in dezelfde straat daar waar het bestaande bedrijf gevestigd is, problematisch is, gezien dit bedrijf geen voldoende grote mestopslag heeft. Een van de opslagplaatsen naast een gracht en dichtbij een woonhuis mag niet meer gebruikt worden vanwege de overlast van geur, insecten, ongedierte en overloop mestsappen in de gracht (vaststelling door de Milieudienst Vlaamse Overheid). Mestproblemen van een site uitbreiden naar een bijkomende site is geen oplossing. Het creëeren van meer stalplaatsen voor dieren, het uitbreiden van het aantal runderen kan evengoed op het bestaande bedrijf gebeuren [op nummer] 27. Het is een keuze geweest van [de tussenkomende partij] om het voormalig bedrijf (nr. 12) te verlaten om een nieuw bedrijf op te richten op nr. 27, hij deed dit trouwens op die laatste plaats zonder enige vergunning of bouwaanvraag. Achteraf probeerde [zij] sommige zaken recht te trekken met een regularisatie-aanvraag. […] Het grondwater in de omgeving [van nummer] 27 is verontreinigd met ammonium, een indicator voor vervuiling door mest. Dit blijkt uit het beproevingsverslag […]. […] [De interpretatie in het bestreden besluit dat op nummer 27 voldoende capaciteit is om met een overschot van 226,1 m³ het saldo van 51 m³ van nummer 12 te stockeren] is niet correct. Het gaat over de totale capaciteit van de mestopslagplaats om ten minste de hoeveelheid vaste dierlijke mest te stockeren die gedurende een periode van 3 maanden wordt geproduceerd. De loop- en ligruimte wordt niet beschouwd als een opslagplaats voor dierlijke mest. Indien er werkelijk een totale capaciteit 1115 m³ zou zijn, dan zou ook artikel 5.28.2.3 [van Vlarem II] met betrekking tot de uitvoering van de opslagplaatsen van toepassing zijn. […] Het structurele tekort aan opslagcapaciteit van de opslagplaats voor dierlijke mest op [nummer] 27 bedraagt 388,9 m³ en bijgevolg kan niet worden voorkomen dat de voormelde mesthoeveelheid of een gedeelte ervan op cultuurgrond wordt gebracht gedurende de beschouwde periode. Dit leidt tot VII-42.418-12/21 verontreiniging van het oppervlakte- en grondwater in de omgeving. 81 m³ vaste dierlijke mest overbrengen van [nummer] 12 naar [nummer] 27 kan in geen geval beschouwd worden als een reglementaire manier om gedurende de beschouwde periode te kunnen voorkomen dat de voormelde mesthoeveelheid op cultuurgrond wordt gebracht. De inrichtingen op [nummer] 12 en [nummer] 27 voldoen beiden niet aan artikel 5.9.2.2 § 5 van Vlarem II. […] De discussie gaat niet over de opslagcapaciteit van het gehele bedrijf maar over de capaciteit van de mestopslagplaats zoals bedoeld in Vlarem subrubriek 28.2 De inrichting dient te beschikken over een mestopslagplaats met totale capaciteit die voldoende is om ten minste de hoeveelheid vaste dierlijke mest te stockeren die gedurende een periode van 3 maanden wordt geproduceerd. De mest in de stallen kan niet in mindering gebracht worden voor het bepalen van de totale capaciteit van de mestopslagplaats vaste dierlijke mest.” Beoordeling 14. Artikel 5.9.2.2, § 5, van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 ‘houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne’ (Vlarem II) luidt: “§5. Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit dient de inrichting, ingeval op de inrichting vaste dierlijke mest geproduceerd wordt, te beschikken over één of meer mestopslagplaatsen voor vaste dierlijke mest met een totale capaciteit die voldoende is om ten minste de hoeveelheid vaste dierlijke mest te stockeren die gedurende een periode van 6 maanden wordt geproduceerd door de dieren die op basis van het aantal dierplaatsen in de stal(len) kunnen worden gehouden. Ten laatste op 31 december 2011 wordt deze capaciteit op een hoeveelheid overeenstemmend met 9 maanden gebracht voor dieren die reeds op stal staan. In afwijking van voorgaande bepalingen bedraagt voor stalmest de periode ten minste 3 maanden. Het benodigde volume dient berekend te worden op basis van de richtlijnen voor opslagcapaciteit voor mest vermeld in bijlage 5.28, hoofdstuk 7. Aan deze bepalingen wordt eveneens geacht voldaan te zijn wanneer de exploitant van de inrichting aantoont op een andere reglementaire manier gedurende de beschouwde periode te kunnen voorkomen dat de voormelde mesthoeveelheid of een gedeelte ervan op cultuurgrond wordt opgebracht.” Het naleven van de algemene, sectorale en bijzondere exploitatievoorwaarden is een zaak van toezicht en niet van wettigheid van een VII-42.418-13/21 milieuvergunningsbesluit. De eventuele omstandigheid dat de vergunde inrichting zou worden uitgebaat in overtreding van artikel 5.9.2.2 van Vlarem II leidt dan ook niet tot de onwettigheid van het vergunningsbesluit. Wanneer het evenwel vaststaat dat de inrichting onmogelijk kan voldoen aan de milieuvoorwaarden, moet de aangevraagde vergunning in beginsel geweigerd worden. 15. Het bestreden besluit bevat een uiteenzetting op grond waarvan wordt besloten dat de tussenkomende partij de aangevraagde inrichting kan uitbaten zonder artikel 5.9.2.2 van Vlarem II te overtreden. De verwerende partij stelt daarbij vooreerst vast dat de runderen worden gestald in volledig ingestrooide loopstallen (“potstallen”) in de zin van § 4 van hoofdstuk VII “Richtlijnen voor de opslagcapaciteit voor dierlijke mest” van bijlage 5.28 van Vlarem II. De bestreden vergunningsbeslissing bevat in dat verband uitdrukkelijk de voorwaarde dat de stallen volledig worden ingericht conform de stalexploitatie van de in deze § 4 bedoelde “volledig ingestrooide loopstallen voor rundvee (potstallen)”. In voormelde § 4 wordt uiteengezet dat in dergelijke stallen de urine volledig wordt geabsorbeerd door het stro, zodat geen afzonderlijke gier- of mengmestopslag wordt voorzien. De bewering van verzoeker dat de vergunde inrichting niet kan voldoen aan de eisen van een kwantitatieve en kwalitatieve opslag van mengmest, wordt hierdoor tegengesproken. 16. Met betrekking tot de vaste mest of “stalmest” stelt het bestreden besluit, aan de hand van de cijfers in de tabel van voormelde § 4, vast dat de runderen die in de stallen verblijven gedurende de in overweging te nemen periode van 3 maanden 81 m³ mest produceren. Deze vaststelling wordt door verzoeker niet betwist. VII-42.418-14/21 Verzoeker betwist evenmin de vaststelling in het bestreden besluit dat de stallen zelf een opslagcapaciteit hebben van 30 m³. Hij voert weliswaar aan dat deze stallen niet kunnen worden beschouwd als permanente opslagplaats in de zin van artikel 5.9.2.2 van Vlarem II, doch gaat hier voorbij aan de omstandigheid dat artikel 5.9.2.2 van Vlarem II slechts voorwaarden bepaalt voor opslagplaatsen “buiten de stal”, en aan voormelde § 4 waarin wordt gesteld dat de stallen die dienst doen als ligplaats voor de dieren niet beschouwd worden als opslagplaatsen voor dierlijke mest zoals bedoeld in rubriek 28.2 van de indelingslijst. Ook het uitgangspunt van verzoeker dat de mest die wordt opgeslagen in de stallen niet in mindering mag worden gebracht voor het bepalen van de totale opslagcapaciteit waarover het bedrijf buiten de stallen moet beschikken, wordt hierdoor tegengesproken. Verzoeker maakt overigens niet duidelijk wat de wettelijke grondslag van zijn uitgangspunt zou zijn. Ook betwist verzoeker niet de vaststelling van het bestreden besluit dat het bedrijf van de tussenkomende partij dat verderop is gelegen aan nr. 27 van dezelfde straat, nood heeft aan een minimale opslagcapaciteit van 888,9 m³, waarvan 615 m³ kan worden opgeslagen in de stallen, en het overschot op de ter plaatse aanwezige mestvaalt. Ten slotte voert verzoeker geen betwisting over de vaststelling dat de mestvaalt op het bedrijf gelegen aan nummer 27 een capaciteit heeft van 500 m³ zodat er voor het overschot van 51 m³ dat geproduceerd wordt in de inrichting op nr. 12 nog voldoende capaciteit is op deze mestvaalt. Verzoeker wijst weliswaar op de problematische vergunningshistoriek met betrekking tot een mestvaalt op het bedrijf op nr. 27, maar erkent daarbij zelf dat het hier gaat om een inmiddels buiten gebruik gestelde mestvaalt. Hij betwist niet dat er zich op dat bedrijf een andere, behoorlijk vergunde, mestvaalt bevindt met een capaciteit van 500 m³. Artikel 5.9.2.2, § 5, vijfde lid, Vlarem II bepaalt uitdrukkelijk dat de exploitant aan de verplichting om voldoende opslagacapaciteit te voorzien, kan voldoen door aan te tonen dat hij kan voorkomen dat er mest op cultuurgrond wordt VII-42.418-15/21 opgebracht. Verzoeker maakt niet aannemelijk dat de tussenkomende partij met het opslaan op de mestvaalt van het bedrijf nr. 27 van het op het bedrijf nr. 12 geproduceerde overschot van 51 m³ niet zou kunnen aantonen dat hij voorkomt dat er mest op cultuurgrond wordt opgebracht. De bewering van verzoeker dat er onvoldoende opslagcapaciteit is voor de mest die geproduceerd wordt in de vergunde inrichting, zodat niet kan voldaan worden aan artikel 5.9.2.2 van Vlarem II, wordt bijgevolg niet gestaafd. 17. Met betrekking tot de aangevoerde schending van artikel 149 van de Grondwet volstaat de vaststelling dat deze bepaling betrekking heeft op de rechterlijke motiveringsplicht, en als zodanig niet van toepassing is op organen van het actief bestuur zoals verwerende partij. 18. In zoverre verzoeker uit zijn kritiek een schending afleidt van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (“formele motiveringswet”) kan worden volstaan met de vaststelling dat het bestreden besluit op afdoende wijze de feitelijke en juridische elementen uiteenzet op grond waarvan blijkt dat de vergunde inrichting kan voldoen aan artikel 5.9.2.2 van Vlarem II. De kritiek mist dan ook feitelijke grondslag. 19. Het eerste middel is ongegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 20. Verzoeker zet uiteen: “Laattijdige aanvraag voor vernieuwing Een hernieuwing van een bestaande milieuvergunning moet aangevraagd worden tussen de 18 en 12 maanden voor het verval ervan. De aanvraag werd op 10 juni 2016 ten onrechte ontvankelijk verklaard door de gemeente. De bestaande vergunningstoestand bij besluit van de gemeente VII-42.418-16/21 van 10 januari 1991 voor een veeteeltinrichting van 35 runderen en de opslag van 60 m³ dierlijke mest liep tot en met 31 augustus 2016. De hernieuwing had ten laatste voor eind augustus 2015 moeten gebeuren.” Beoordeling 21. Uit de gegevens van het dossier blijkt dat de tussenkomende partij beschikte over een exploitatievergunning die verstreek op 31 augustus 2016. Op grond van artikel 18, § 3, van het decreet van 28 juni 1985 ‘betreffende de milieuvergunning’ moet een nieuwe vergunning aangevraagd worden tussen de 18e en de 12e maand vóór het verstrijken van de lopende vergunning. Anders dan verzoeker dit ziet, leidt de loutere omstandigheid dat de nieuwe vergunning minder dan 12 maanden vóór 31 augustus 2016 werd aangevraagd, niet tot de onontvankelijkheid van de aanvraag, noch tot de onwettigheid van de milieuvergunning die op basis van de aanvraag wordt verleend. De laattijdigheid van de aanvraag heeft enkel tot gevolg dat de exploitant het voordeel verliest dat hij bij het verstrijken van de lopende vergunning de exploitatie mag verderzetten tot over de aanvraag is beslist (artikel 39, § 4, van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 ‘houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning’ (Vlarem I)). Het middel is ongegrond. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel 22. Verzoeker zet uiteen: “De milieuvergunning is van rechtswege vervallen De site [aan nummer 12] is al jarenlang in onbruik. Bij geen enkel plaatsbezoek werden dieren in een van de verkrotte stallen aangetroffen. Dat op een kleine aanpalende weide een drietal runderen een paar maand per jaar buiten grazen verandert niets aan de zaak. Overeenkomstig artikel 28 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de VII-42.418-17/21 milieuvergunning vervalt de milieuvergunning van rechtswege o.m. wanneer: de inrichting niet in gebruik werd genomen binnen de opgelegde termijn van ingebruikstelling; de inrichting gedurende twee opeenvolgende jaren niet werd geëxploiteerd. Met zekerheid werd bij diverse bezoeken vastgesteld en genoteerd door onder meer de provinciale milieu-ambtenaar (op 10.03.2021 geen sporen van dieren en algehele verouderde situatie) dat de site vervallen is. Het verslag van 15 november 2023 staat daar haaks op en is niet gestaafd door een plaatsbezoek of foto’s van aanwezige dieren of enige stalinrichting en kan zonder meer leugenachtig worden genoemd. […] De exploitatiesite van het actieve landbouwbedrijf bevindt zich op [nummer 27 van de straat]. Waarom zou [de tussenkomende partij] die over goed ingerichte nieuwe stallen (op nr. 27 […]) beschikt zijn vee in deze verkrotte en onveilige bouwvallige plaatsen onderbrengen? Het vee in de industriële vetmesterij komt niet buiten en wordt in de stallen gevoederd, iets wat op de onaangepaste site (nr. 12 […]) niet mogelijk is. De inrichting is niet alleen onvoldoende maar ronduit gevaarlijk. […]” Beoordeling 23. De in artikel 28, § 1, 1°, van het decreet van 28 juni 1985 ‘betreffende de milieuvergunning’ bedoelde termijn om een inrichting in gebruik te nemen, vangt slechts aan wanneer de vergunning voor de houder ervan een zeker en definitief gegeven is, en dus niet meer het voorwerp uitmaakt van een beroep dat kan leiden tot de weigering of vernietiging van de vergunning. De eventuele omstandigheid dat de inrichting niet (volledig) in gebruik werd genomen vóór de datum van de bestreden vergunningsbeslissing, die in graad van bestuurlijk beroep werd genomen, kan dan ook in beginsel niet leiden tot de onwettigheid van de bestreden beslissing. De eventuele omstandigheid dat de inrichting in de periode tussen de beslissing in eerste administratieve aanleg en de beslissing over het bestuurlijk beroep gedurende twee opeenvolgende jaren niet werd geëxploiteerd kan in beginsel evenmin leiden tot het verval van de in eerste bestuurlijke aanleg verleende vergunning. Het bestreden besluit stelt overigens vast dat de bestaande stallen nog sporadisch worden gebruikt als quarantainestal of als stalplaats voor jonge runderen, dat er omwille van de gevoerde beroepsprocedures niet werd geïnvesteerd in de bestaande toestand, en dat het sporadisch gehouden jongvee VII-42.418-18/21 wordt gestald in volledig ingestrooide stallen. Verzoeker toont met zijn beweringen niet de onjuistheid aan van die vaststellingen. Het blijkt dan ook niet dat het bestreden besluit ten onrechte heeft aangenomen dat de in eerste bestuurlijke aanleg verleende vergunning ten tijde van het bestreden besluit niet was vervallen. Het derde middel is ongegrond. D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel 24. Verzoeker zet uiteen: “Afvalstoffen Kadavers van runderen moeten afgeschermd worden bewaard vooraleer ze worden opgehaald door een destructiebedrijf. Ook hiervoor zijn geen voorzieningen aanwezig op [de vergunde site].” Beoordeling 25. Overeenkomstig artikel 2, § 1, 3°, van het algemeen procedurereglement moet het beroep een uiteenzetting bevatten van de middelen. Onder een middel in de zin van deze bepaling wordt verstaan een voldoende duidelijke omschrijving van de overtreden rechtsregel of het overtreden rechtsbeginsel, en van de wijze waarop die regel of dat beginsel werd geschonden. De kritiek van verzoeker met betrekking tot de afscherming van kadavers wordt geformuleerd op een wijze die niet kan worden beschouwd als een middel in de zin van voormeld artikel 2, § 1, 3°. Het “middel” is niet ontvankelijk. VII-42.418-19/21 E. Vijfde middel Uiteenzetting van het middel 26. Verzoeker zet uiteen: “Omgevingsvergunning Dat het onmogelijk is om op de vervallen site stallen in gebruik te nemen voor rundervetmesterij heeft ertoe geleid dat [de tussenkomende partij] een aanvraag indiende voor een omgevingsvergunning voor de bouw van een industriële loods [op het adres nummer 12] op een vijfhonderd meter van de bedrijfszetel. In het kader daarvan is een aparte milieuvergunning voor de onaangepaste inrichting momenteel weinig zinvol.” Beoordeling 27. De uiteenzetting van verzoeker kan niet worden beschouwd als een middel in de zin van voormeld artikel 2, § 1, 3°, van het algemeen procedurereglement. Het “middel” is niet ontvankelijk. BESLISSING 1. Het verzoek van R.H. tot tussenkomst wordt ingewilligd. 2. De Raad van State verwerpt het beroep. 3. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 24 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. VII-42.418-20/21 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zeven april tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Francis Van Nuffel, staatsraad, Frédéric Vanneste, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-42.418-21/21 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.298 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.