← België

Arrest 266342 - Rusthuizen - 10/04/2026

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 april 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.342 Rolnummer: A. 243958/XII-9837 Zaak: Arrest 266342 - Rusthuizen - 10/04/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-04-16 Raadplegingen: 164 - laatst gezien 2026-06-18 06:46 Fiche Arrest nr 266.342 van 10 april 2026 Sociale zaken en volksgezondheid - Rusthuizen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XII KAMER nr. 266.342 van 10 april 2026 in de zaak A. 243.958/XII-9837 In zake : de BV SENIORS CARE-ION bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Kristiaan Caluwaerts en Jorge Chávez Aréstegui kantoor houdend te 2600 Berchem Potvlietlaan 6 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : 1. de BICOMMUNAUTAIRE DIENST VOOR GEZONDHEID, BIJSTAND AAN PERSONEN EN GEZINSBIJSLAG (IRISCARE) 2. de GEMEENSCHAPPELIJKE GEMEENSCHAPS- COMMISSIE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Anthony Poppe kantoor houdend te 9052 Gent Bollebergen 2A, bus 20 bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Michel Kaiser en Pierre Bellemans kantoor houdend te 1040 Brussel Louis Schmidtlaan 56 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 13 januari 2025, strekt tot de nietigverklaring van de “[m]inisteriële beslissing van 12 november 2024 met betrekking tot de aanpassing van het totaal aantal erkenningen voor de ouderenvoorziening Clos Regina”. XII-9837-1/27 II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Anja Somers heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 26 maart 2026. Kamervoorzitter Chantal Bamps heeft verslag uitgebracht. Advocaat Jorge Chávez Aréstegui, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Pieter Cnudde, die loco advocaten Anthony Poppe, Michel Kaiser en Pierre Bellemans verschijnt voor de verwerende partijen, zijn gehoord. Eerste auditeur Anja Somers heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. XII-9837-2/27 III. Regelmatigheid van het procedureverloop 3. Het is de eerste verwerende partij, Iriscare, die de bestreden beslissing heeft genomen. Ook de beslissing om het bezwaar af te wijzen en de initiële beslissing te bevestigen, werd genomen door de eerste verwerende partij. Artikel 15, § 1, tweede lid, van de ordonnantie van 24 april 2008 ‘betreffende de voorzieningen voor ouderen’ (hierna: ordonnantie van 24 april 2008) bepaalt dat “[h]et verval van de erkenningen […] door Iriscare [wordt] vastgesteld op 15 april van elk jaar”. De tweede verwerende partij, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, moet bijgevolg buiten de zaak worden gesteld. De eerste verwerende partij wordt verder “de verwerende partij” genoemd. IV. Feiten 4.1. De ordonnantie van 24 april 2008 bevat de regels in verband met de programmering en de erkenning van de voorzieningen voor ouderen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest die vallen onder de bevoegdheid van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie (hierna: GGC). Ze is van toepassing op alle categorieën van voorzieningen voor ouderen. 4.2. De sector van de ouderenvoorzieningen wordt gereguleerd door deze ordonnantie zodat niemand een voorziening die speciaal bestemd is voor de huisvesting of de opvang van bejaarden in gebruik mag nemen, exploiteren, bouwen, uitbreiden, ombouwen, vervangen of van bestemming veranderen noch hulp of zorg aanbieden in een voorziening of in een ermee verbonden voorziening, zowel gratis als tegen betaling, tenzij dat in overeenstemming is met de ordonnantie van 24 april 2008 en met de beslissingen die krachtens deze ordonnantie zijn uitgevaardigd. XII-9837-3/27 4.3. De ordonnantie van 24 april 2008 voorziet in een programmering om de evolutie van het aanbod inzake opvang, huisvesting of verzorging van de bejaarden te beheersen, rekening houdend met de evolutie van de behoeften van de Brusselse bevolking. De programmering wordt uitgewerkt met het systeem van de “specifieke vergunning tot ingebruikneming en exploitatie” (hierna: SVIE). Deze vergunning is noodzakelijk om een ouderenvoorziening te exploiteren, of een uitbreiding van de opvang- of huisvestingscapaciteit van een van die bestaande voorzieningen in gebruik te nemen of te exploiteren. De SVIE wordt verleend voor een concreet aantal bedden of plaatsen die op de SVIE vermeld worden. Voor rusthuizen gaat het om de volgende types bedden: - De ROB (rustoord voor bejaarden) bedden; - De RVT (rust- en verzorgingstehuis) bedden. 4.4. Om de voorziening te kunnen exploiteren, moet een beheerder ook een erkenning bekomen. Een dergelijke voorafgaande erkenning is vereist in geval van uitbating van een rusthuis. Deze erkenning werd in het verleden verleend door het Verenigd College voor een periode van maximum zes jaar die kon hernieuwd worden. Met het invoeren van de ordonnantie van 15 december 2022 ‘tot wijziging van de ordonnantie van 24 april 2008 betreffende de voorziening voor opvang of huisvesting van bejaarde personen’ (hierna: ordonnantie van 15 december 2022) wordt deze erkenning voor onbepaalde duur toegekend. De beslissing tot erkenning legt het maximumaantal ouderen vast die in de voorziening kunnen gehuisvest of opgevangen worden. Om erkend te worden moet de voorziening beantwoorden aan normen opgelegd door de bevoegde federale overheid en aan de normen die het Verenigd College kan opleggen. Vervolgens kent het Verenigd College een voorlopige werkingsvergunning toe aan de voorzieningen die over een SVIE beschikken en die een eerste aanvraag tot erkenning indienen, wanneer deze aanvraag aan bepaalde ontvankelijkheidsvoorwaarden voldoet. Deze vergunning wordt verleend XII-9837-4/27 voor een jaar, termijn die eenmaal hernieuwbaar is. Ze bepaalt het maximumaantal ouderen die in de voorziening kunnen worden gehuisvest of opgevangen. Tijdens de duur van de voorlopige werkingsvergunning gaat de inspectiedienst na of de voorziening overeenkomstig alle toepasselijke normen wordt geëxploiteerd. 4.5. De regels inzake de programmering van de ouderenvoorzieningen, werden nog niet uitgewerkt door het Verenigd College. Wel werd met de ordonnantie van 13 juli 2017 ‘strekkende tot instelling van een moratorium van het aantal bedden voor bepaalde voorzieningen voor opvang of huisvesting van bejaarde personen’ (hierna: ordonnantie van 13 juli 2017) een principieel moratorium ingevoerd op het bekomen van bijkomende SVIE’s zoals bedoeld in artikel 6 van de ordonnantie van 24 april 2008 voor: - Rusthuizen en centra voor kortverblijf; - Bedden in een rust- en verzorgingstehuis dat gevestigd is in een erkend rustoord voor bejaarden of in een ziekenhuis of gedeelte van een ziekenhuis dat omgeschakeld is tot verblijfsdienst voor de opneming van personen die behoefte hebben aan zorgverlening. Deze maatregel alleen volstond niet om de bestaande gebreken van het systeem te herstellen. 4.6. Als gevolg daarvan worden een reeks maatregelen genomen met de ordonnantie van 15 december 2022. Met deze ordonnantie wordt beoogd om structureel onbezette bedden op een graduele manier te recupereren. Tevens heeft Iriscare, onder meer bevoegd voor de erkenning en financiering van rusthuizen en bijstand aan ouderen, haar ondersteuning versterkt van alternatieve manieren van huisvestiging en verzorging voor ouderen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, wordt het contingent van thuishulp met 8 % verhoogd en worden de forfaits die deze XII-9837-5/27 personen kunnen toepassen verhoogd. Tot slot wordt bij artikel 36 van de ordonnantie van 15 december 2022, de ordonnantie van 13 juli 2017 opgeheven met ingang van 11 april 2024. 4.7. Eveneens heeft het Verenigd College de wil om de financiering van rust- en verzorgingstehuisbedden (RVT-bedden) te verhogen. In dat kader worden de volgende concrete maatregelen genomen:

  1. i)de financiering wordt verhoogd van de subdelen B2 en F van het forfait van rusthuisbedden en RVT- bedden (vanaf 2022);
  2. ii)nieuwe vergunningen voor RVT-bedden worden toegekend door middel van reconversie waardoor deze bedden beter gefinancierd worden en iii) de financiering voor het reactiveringspersoneel in de rustoorden voor bejaarden en de RVT’s wordt verhoogd waardoor er een aanvullende financiering wordt toegekend voor 0,7 VTE per 30 inwoners. Deze maatregel strekt ertoe de omkadering van de bewoners te verbeteren. 4.8. Tegen de ordonnantie van 15 december 2022 wordt op 30 maart 2023 een vordering tot schorsing van tenuitvoerlegging en een beroep tot nietigverklaring ingediend bij het Grondwettelijk Hof gekend onder rolnummer 7963. De vordering tot schorsing werd verworpen door het Grondwettelijk Hof bij arrest nr. 107/2023 van 29 juni 2023 (ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.107). Het beroep tot nietigverklaring werd verworpen bij arrest nr. 84/2024 van 18 juli 2024 (ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.084). In dit arrest oordeelde het Grondwettelijk Hof dat gelijkaardige argumenten als in de huidige procedure met betrekking tot de vermeende schending door de ordonnantie van 15 december 2022 van het gelijkheidsbeginsel, de vrijheid van ondernemen en de vrijheid van diensten, vervat in het VWEU, ongegrond waren. Op 27 juli 2023 en 28 juli 2023 worden vernietigingsberoepen ingesteld bij het Grondwettelijk Hof, tegen sommige bepalingen van de ordonnantie van 15 december 2022, gekend onder de rolnummers 8069 en 8070. XII-9837-6/27 De voornoemde zaken worden gevoegd. Concreet wordt de nietigverklaring gevorderd van de volgende artikelen van de ordonnantie van 15 december 2022: - artikel 5, 9°: de invoering van een onderscheid op basis van de soort sector waartoe een beheerder behoort (publieke sector, private sector zonder winstoogmerk of met winstoogmerk); - artikel 9, c): het verwijderen van de mogelijkheid om vergunde plaatsen van een voorziening over te hevelen naar een andere voorziening; - artikel 10,
  3. a)en b): de invoering van nieuwe criteria voor de toekenning van een specifieke vergunning tot ingebruikneming en exploitatie, en de bepaling dat voor ouderenvoorzieningen beheerd door een rechtspersoon behorende tot de private sector met winstoogmerk geen nieuwe specifieke vergunningen meer zouden worden toegekend zolang die sector meer dan 50 % van de erkende rusthuisplaatsen vertegenwoordigt; - artikel 18: de mogelijkheid van het verval van erkenningen voor plaatsen in geval van zogenaamde ‘onbezette’ plaatsen. Bij arrest nr. 116/2024 van 7 november 2024 (ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.116) heeft het Grondwettelijk Hof de beroepen verworpen. 4.9. De Verenigde Vergadering van de GGC heeft op 22 december 2023 de ordonnantie ‘houdende diverse bepalingen betreffende gezondheid, bijstand aan personen en gezinsbijslagen’ (hierna: ordonnantie van 22 december 2023) aangenomen. Deze ordonnantie wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 11 januari 2024 en is dezelfde dag in werking getreden. Artikel 10 van de ordonnantie van 22 december 2023 wijzigt artikel 15, § 1, van de ordonnantie van 24 april 2008, zoals gewijzigd door artikel 18 van de ordonnantie van 15 december 2022. XII-9837-7/27 Deze wijziging wordt als volgt, verantwoord: “Dit artikel herschrijft de bepalingen van artikel 15, § 1, van de ordonnantie van 24 april 2008, voor meer leesbaarheid. De wijzigingen die daaraan worden aangebracht, zijn uitsluitend formeel, met uitzondering van drie materiële correcties. De eerste betreft de datum waarop de diensten van Iriscare het verval vaststellen (15 april van elk jaar T). De tweede is een correctie die moet worden toegepast als er een sterke stijging is van de bezettingsgraad van de voorziening tussen de referentieperiode in kwestie (1 juli van het jaar T-2 tot en met 30 juni van het jaar T-1) en de datum van toepassing van het vervalmechanisme (15 april van het jaar T) (nieuw ontwerpartikel 15, § 1, derde lid). Die correctie is bedoeld om te voorkomen dat de vaststelling van het verval van de erkenning betrekking heeft op plaatsen die bezet zijn op het tijdstip waarop het mechanisme wordt toegepast. De laatste materiële correctie bestaat erin centra voor kortverblijf uit te sluiten van het mechanisme voor het vervallen van de erkenning van onbezette plaatsen. Het lijkt erop dat de bezettingsgraad in deze categorie ouderenvoorzieningen te sterk onderhevig is aan seizoensgebonden schommelingen om het mechanisme te kunnen toepassen. Centra voor kortverblijf, net zoals centra voor dagverzorging (al uitgesloten van hetzelfde mechanisme), behoren tot de alternatieven voor ouderenzorg in rusthuizen en rust- en verzorgingstehuizen, waarvan het Verenigd College de uitbreiding wil aanmoedigen.” (Ontwerp van ordonnantie houdende diverse bepalingen betreffende gezondheid, bijstand aan personen en gezinsbijslagen, Parl.St. Ver.Verg.Gem.Gem.Comm. 2023-2024, nr. B-172/1, 4) Er worden beroepen tot nietigverklaring, onder meer door de verzoekende partij, ingediend bij het Grondwettelijk Hof gekend onder de rolnummers 8273, 8274, 8275, 8276, 8277, 8278 en 8282. Concreet vorderen de verzoekende partijen de vernietiging van artikel 10 van de ordonnantie van 22 december 2023 dat artikel 15, § 1, van de ordonnantie van 24 april 2008 wijzigt. Te dezen worden vergelijkbare grieven, als deze opgeworpen in het voorliggende beroep, aangevoerd. Bij arrest nr. 91/2025 van 19 juni 2025 (ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.091) heeft het Grondwettelijk Hof de zaken gevoegd en de beroepen verworpen. 4.10. Artikel 15, § 1, van de ordonnantie van 24 april 2008, zoals gewijzigd door de ordonnanties van 15 december 2022 en 22 december 2023, omvat een systeem waarbij erkenningen voor plaatsen die een jaar lang onbezet zijn gebleven automatisch vervallen volgens de vastgestelde procedures. XII-9837-8/27 Op 15 april van elk jaar (bekend als ‘T’) verliezen de voorzieningen automatisch de erkenning voor de helft van het gemiddelde aantal onbezette plaatsen tijdens de periode van 1 juli van het jaar T-2 tot 30 juni van het jaar T-1. Volgens artikel 15, § 1, tweede lid, van de ordonnantie van 24 april 2008 wordt het “gemiddelde aantal [onbezette] plaatsen” berekend op basis van de “jaarlijkse gemiddelde niet-bezettingsgraad van elke voorziening”. Overeenkomstig artikel 15, § 1, eerste lid, 2°, van de ordonnantie van 24 april 2008 wordt de “gemiddelde niet-bezettingsgraad” gedefinieerd als “de niet- bezettingsgraad van een voorziening, zoals beschikbaar in de toepassing voor de tegemoetkomingsberekening, die wordt berekend op basis van het gewogen gemiddelde aantal plaatsen van de voorziening tijdens een bepaalde periode”. De bedoelde “toepassing voor de tegemoetkomingsberekening” is de applicatie Curas. Iriscare staat in voor de inrichting ervan en voor de driemaandelijkse invoer van de werkelijk gefactureerde dagen, in toepassing van de artikelen 32, 1bis°, en 33 van het ministerieel besluit van 6 november 2003 ‘tot vaststelling van het bedrag en de voorwaarden voor de toekenning van de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 37, § 12, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, in de rust- en verzorgingstehuizen en in de rustoorden voor bejaarden’. De gegevens die de verwerende partij gebruikt voor de berekening van het aantal erkende plaatsen dat automatisch vervalt, zijn dus de gegevens “zoals beschikbaar in de toepassing voor de tegemoetkomingsberekening” (artikel 15, § 1, eerste lid, 2°, van de ordonnantie van 24 april 2008) op het moment dat de berekening wordt gemaakt. Deze gegevens hebben betrekking op een “bepaalde periode”. De verwerende partij is dus wettelijk verplicht om zich uitsluitend te baseren op de gegevens die met deze periode overeenstemmen. Deze laatste periode is ofwel de “referentieperiode” bedoeld in artikel 15, § 1 , eerste lid, 4°, van de ordonnantie van 24 april 2008, ofwel het laatste kwartaal van het jaar dat voorafgaat aan het jaar waarin de terugvordering wordt uitgevoerd overeenkomstig artikel 15, § 1 , derde lid, van de XII-9837-9/27 voornoemde ordonnantie. In elk geval moeten de betrokken gegevens op kwartaalbasis in aanmerking worden genomen, aangezien zij op die manier in de Curas-toepassing moeten worden ingevoerd. 4.11. Op 29 februari 2024 verzendt de leidend ambtenaar een omzendbrief over de wijze waarop Iriscare de vervallen erkenningen zal becijferen. 4.12. Op het principe van automatisch verlies van erkenningen naar rato van de helft van de onbezette bedden worden de volgende afwijkingen voorzien: 1. Er wordt voorrang gegeven aan de gegevens die betrekking hebben op het laatste kwartaal van het jaar voorafgaand aan het kwartaal waarin de terugvordering plaatsvindt. Artikel 15, §1, derde lid, van de ordonnantie van 24 april 2008 luidt: “In afwijking van het tweede lid heeft, wanneer het aantal plaatsen waarvan het verval van de erkenning zou moeten worden vastgesteld hoger is dan het gemiddelde aantal onbezette plaatsen tijdens het laatste kwartaal van het jaar T-1, het verval alleen betrekking op het gemiddelde aantal onbezette plaatsen tijdens het laatste kwartaal van het jaar T-1.” Uit de voornoemde bepaling blijkt dat slechts in één geval bij de berekening van het aantal onbezette plaatsen rekening wordt gehouden met de gegevens over de niet-bezetting in het laatste kwartaal van het jaar voorafgaand aan het terugvorderingsjaar, met name in de situatie waarin het gemiddelde aantal erkende onbezette plaatsen in het laatste kwartaal lager is dan het aantal onbezette plaatsen waarvan de erkenning moet worden geacht te zijn verlopen bij toepassing van het standaardmechanisme, d.w.z. de helft van de onbezette plaatsen. Daarom moet worden nagegaan of het totale aantal onbezette plaatsen tijdens het laatste kwartaal in kwestie minder is dan de helft van het aantal onbezette plaatsen tijdens de referentieperiode. Als dit het geval is, moet rekening worden gehouden met het aantal onbezette plaatsen in het laatste kwartaal in kwestie. XII-9837-10/27 Uit de parlementaire werkzaamheden van de ordonnantie van 22 december 2023 blijkt dat het doel van deze afwijking bedoeld is om “te voorkomen dat de vaststelling van het verval van de erkenning betrekking heeft op plaatsen die bezet zijn op het tijdstip waarop het mechanisme wordt toegepast” (Ontwerp van ordonnantie houdende diverse bepalingen betreffende gezondheid, bijstand aan personen en gezinsbijslagen, Parl.St. Ver.Verg.Gem.Gem.Comm. 2023-2024, nr. B-172/1, 4). 2. De toepassing van een reserve van 5 % van de erkende bezettingscapaciteit of drie plaatsen. Artikel 15, § 1, vierde lid, van de ordonnantie van 24 april 2008 luidt: “In afwijking van het tweede en het derde lid mag elke voorziening over onbezette plaatsen ten belope van vijf procent van haar plaatsen beschikken, met een minimum van drie onbezette plaatsen. […].” De parlementaire voorbereiding bij de ordonnantie van 15 december 2022 verduidelijkt dat het begrip “plaatsen”, overeenkomt met de impliciet erkende “totale capaciteit” van elke voorziening: “na de toepassing van het automatisch verval van de erkenning van 50 % van de onbezette plaatsen (afgerond naar beneden) moet elke voorziening 5 % van zijn totale capaciteit aan onbezette plaatsen kunnen behouden (afgerond naar boven), met een minimum van drie erkende onbezette plaatsen; dit minimum wordt op 25 gebracht, indien het RVT-plaatsen betreft, aangezien een RVT-voorziening verplicht is minimum 25 RVTplaatsen te exploiteren; in het tegenovergestelde geval zou het verlies van een onbezet RVT-plaats tot gevolg kunnen hebben dat de andere bezette RVT-plaatsen hun statuut verliezen en ROB-plaatsen worden, hetgeen in het nadeel is van de ouderen die zorgbehoevend zijn.” (Ontwerp van ordonnantie tot wijziging van de ordonnantie van 24 april 2008 betreffende de voorzieningen voor opvang of huisvesting van bejaarde personen, Parl.St. Ver.Verg.Gem.Gem.Comm. 2022-2023, nr. B-132/1, 14) 3. Het principe wordt pas van kracht in het zesde jaar nadat de eerste voorlopige werkingsvergunning is verkregen. XII-9837-11/27 Artikel 15, § 1, achtste lid, van de ordonnantie van 24 april 2008 luidt: “Het tweede lid is niet van toepassing gedurende de eerste vijf jaar na de toekenning van de eerste voorlopige werkingsvergunning van de voorziening, noch gedurende de eerste vijf jaar na de toekenning van een voorlopige werkingsvergunning voor een uitbreiding met meer dan 20% van de erkende capaciteit van de voorziening.” De ordonnantie stelt een bufferperiode in waarin geen bedden worden teruggevorderd, ongeacht de bezettingsgraad van de voorziening in kwestie. Deze periode valt ofwel samen met de eerste vijf jaar van effectieve uitbating van een inrichting, ofwel met de eerste vijf jaar na een uitbreiding met minstens 20 % van de effectieve capaciteit. De parlementaire voorbereiding bevestigt dat een eventuele terugvordering van erkenningen van niet-bezette plaatsen pas mogelijk wordt in het zesde jaar nadat een van de twee gebeurtenissen in kwestie heeft plaatsgevonden: “- Het verval van de onbezette erkende plaatsen zal pas van toepassing zijn in het zesde jaar na het bekomen van de allereerste voorlopige werkingsvergunning, om de opstart van nieuwe voorzieningen toe te staan. - Als een voorziening haar erkende capaciteit met minstens 20 % uitbreidt, zullen de niet-bezette erkende plaatsen pas vervallen in het zesde jaar nadat de eerste voorlopige werkingsvergunning voor deze plaatsen is verkregen. Die aanvullende regel werd ingevoegd naar aanleiding van het advies van de Beheerraad voor Gezondheid en Bijstand aan Personen van 22 februari 2022.” (Ontwerp van ordonnantie tot wijziging van de ordonnantie van 24 april 2008 betreffende de voorzieningen voor opvang of huisvesting van bejaarde personen, Parl.St. Ver.Verg.Gem.Gem.Comm. 2022-2023, nr. B-132/1, 14) 4.13. Verder heeft de terugvordering van erkende plaatsen in principe tot gevolg dat de SVIE automatisch wordt gewijzigd naar rato van het aantal bedden waarvoor de erkenning is teruggevorderd. Hierop wordt een uitzondering gemaakt wanneer de leegstand wordt gerechtvaardigd door werkzaamheden. XII-9837-12/27 4.14. De verzoekende partij is een privaatrechtelijke beheerder van vijf zorgvoorzieningen voor ouderen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Eén van die voorzieningen is de voorziening ‘Clos Regina’ aan de Ninoofsesteenweg 534, 1070 Anderlecht. Tijdens de referentieperiode van 1 juli 2022 tot 30 juni 2023 heeft de voorziening 100 erkende bedden. Tijdens deze periode stonden er gemiddeld 39 bedden leeg. In het laatste kwartaal van 2023 daalde dit aantal tot 11. 4.15. Op 31 januari 2024 heeft de verwerende partij een omzendbrief gestuurd ter verduidelijking van de wijzigingen die met ingang van 1 januari 2024 zijn ingevoerd voor de codering van gegevens met betrekking tot het laatste kwartaal van 2023 en de daaropvolgende kwartalen. Meer in het bijzonder bepaalt deze omzendbrief het volgende: “Ziehier een overzicht van de wijzigingen die werden aangebracht in de regelgeving: • Iriscare vraagt de gefactureerde dagen van T3 en T4 2023 op vanaf 01/01/2024, en geeft de voorzieningen tijd tot en met 29/02/2024 om deze gegevens te bevestigen in Curas. Om sancties te vermijden, stuurt Iriscare op 15/02/2024 een herinnering. Het betreft hier eenmalig de aanlevering van gegevens voor twee trimesters. • Iriscare vraagt de gefactureerde dagen per trimester vanaf T1 2024 en verdere trimesters telkens op vanaf de eerste werkdag na het betreffende trimester, en geeft de voorzieningen telkens de tijd tot en met de 28ste dag van de tweede maand na het betreffende trimester om deze gegevens te bevestigen in Curas. Om sancties te vermijden, stuurt Iriscare telkens een herinnering op de 15de dag van de tweede maand na het trimester. ᴏ Bijvoorbeeld: T1 2024 wordt opgevraagd vanaf 01/04/2024 en de voorzieningen hebben tijd om te bevestigen in Curas tot en met 28/05/2024. Ze krijgen een herinnering op 15/05/2024.” Uiterlijk op 29 februari 2024 moeten de instellingen de gegevens voor het laatste kwartaal van 2023 hebben ingevoerd. 4.16. Op 4 maart 2024 hebben de diensten van de verwerende partij de gegevens voor het laatste kwartaal van 2023 opgehaald. Vanaf die datum worden XII-9837-13/27 deze gegevens gebruikt om het aantal in te vorderen erkende plaatsen voor elke vestiging aan te passen. Op 15 maart 2024 heeft de verwerende partij via e-mail de verklaring van werken die werden uitgevoerd tijdens de eerste referentieperiode in de voorziening van de verzoekende partij ontvangen. Daarin verklaart de verzoekende partij dat er in de betreffende voorziening een totale renovatie van het gebouw is voorzien in een project van 3 jaar. De werken zijn gestart in november 2021 en eindigen in juli 2024. 4.17. Bij e-mail van 3 april 2024 vraagt de verwerende partij verduidelijking betreffende de overgemaakte tabel van bezette bedden. Met een e-mail van eveneens 3 april 2024 verduidelijkt de verzoekende partij dat de tabel het totale aantal erkende plaatsen die in gebruik zijn tijdens de aangegeven periode weergeeft. Op 5 april 2024 deelt de verwerende partij aan de verzoekende partij mee dat de verklaring van werken niet correct werd ingevuld en dat zij daardoor niet in staat is om de nodige berekeningen uit te voeren. Bij deze mail wordt een bijlage gevoegd waarin gedetailleerd wordt uitgelegd hoe de tabel moest worden ingevuld. De tabel moet vervolgens uiterlijk op 9 april 2024 om 12.00 uur worden doorgestuurd naar de verwerende partij op straffe van niet- ontvankelijkheid van de aanvraag. Op 15 april 2024 stuurt de verzoekende partij via e-mail deze tabel ingevuld terug. Volgens de verzoekende partij kan zij niet eerder antwoorden omwille van het verblijf van de gedelegeerd bestuurder in het buitenland. 4.18. Bij schrijven van 19 april 2024 wordt de verzoekende partij in kennis gesteld van het feit dat ze zes erkende plaatsen verliest op basis van artikel 15, § 1, van de ordonnantie van 24 april 2008. In de bij deze brief gevoegde XII-9837-14/27 bijlage wordt uiteengezet hoe het verval van de bedden concreet werd berekend (vrije vertaling in de memorie van antwoord): “Bij de berekening van de bezetting is rekening gehouden met de volgende elementen: • Het aantal erkende plaatsen en het gemiddelde aantal bezette plaatsen tijdens de referentieperiode 2022-2023; • Het aantal erkende plaatsen en het gemiddelde aantal bezette plaatsen tijdens het vierde kwartaal van 2023. In het geval van wijzigingen in het aantal erkende plaatsen tijdens een van de betrokken perioden, wordt het gewogen gemiddelde gebruikt voor de berekening. Plaatsen met een voorlopige werkingsvergunning worden ook in aanmerking genomen en worden bij de berekening van de bezettingsgraad behandeld als erkende plaatsen. Het aantal plaatsen tijdens de referentieperiode 2022-2023 houdt rekening met het aantal plaatsen die niet beschikbaar waren wegens werkzaamheden (tot 30/06/2023) of die tijdelijk gesloten waren. Voor de berekening van bezette plaatsen wordt rekening gehouden met de volgende bewoners: • Begunstigden; • Niet-begunstigden; • In T4 2023: gehospitaliseerde bewoners. De berekeningsmethode wordt hieronder uitgelegd. In principe wordt 50% van de niet-bezette plaatsen voor de referentieperiode 2022-2023 gerecupereerd. Er zijn echter enkele correcties op dit principe: • Als het gemiddelde aantal onbezette plaatsen in je vestiging in Q4 2023 lager is dan het aantal terug te vorderen plaatsen op basis van de referentieperiode 2022-2023, wordt het aantal onbezette plaatsen niet-bezette plaatsen in Q4 2023 in aanmerking genomen voor de berekening. Op deze manier worden geen plaatsen die gemiddeld bezet zijn in Q4 2023 […] teruggevorderd. • 5% van het totale aantal goedgekeurde ruimtes (gewogen gemiddelde van Q4 2023) mag onbezet blijven en behouden blijven, met een minimum van 3 onbezette plaatsen. Tijdelijk geëxploiteerde plaatsen worden behandeld als goedgekeurde plaatsen. • 25 MRS-plaatsen (erkend of met voorlopige werkingsvergunning) kunnen worden behouden, ongeachte de bezetting. Het aantal terug te vorderen plaatsen wordt indien nodig verminderd om dit te garanderen. • Voor instellingen die na 15 april 2019 een voorlopige werkingsvergunning hebben ontvangen voor een nieuwe inrichting of een verhoging van hun aanvankelijke goedgekeurde capaciteit […] met ten minste 20% wordt een uitzondering gemaakt: het mechanisme voor het vervallen van onbezette […] erkende plaatsen is op 15 april 2024 niet van toepassing op deze inrichtingen. Al hun van hun erkende plaatsen (of plaatsen met een voorlopige werkingsvergunning) worden niet beïnvloed. Onderstaande tabel toont de situatie van uw voorziening tijdens de twee betrokken perioden: No. Beschrijving berekening 2022-2023 Q4 2023 XII-9837-15/27

(1)Gewogen gemiddelde van erkende 100 100 plaatsen (voorlopige functionele werkingsvergunningen inbegrepen)
(2)Waarvan onbeschikbaar door 0 werken
(3)Gewogen gemiddelde van erkende 100 100 plaatsen, gecorrigeerd voor werken (
(1)-
(2))
(4)Aantal gemiddelde bezette plaatsen 61,3890410 88,5326087 (begunstigden, niet-begunstigden en Q4 2023, gehospitaliseerde bewoners[)]
(5)Aantal niet-bezette plaatsen (
(3)- 38,6109590 11,4673913
(4)) Het aantal plaatsen dat wordt gerecupereerd werd als volgt berekend: No. Beschrijving berekening Resultaat
(6)50% van de niet-bezette plaatsen 19 2022-2023
(7)Eventuele correctie voor Q4 11 2023 (minimum van
(5)voor Q4 2026 en
(6))
(8)Te bewaren onbezette plaatsen 0,46739130 na correctie Q4 2023 (
(5)-
(7))
(9)5 % van de erkende plaatsen 5 kunnen onbezet blijven (5 % van
(3)voor Q4 2023), met een minimum van 3 plaatsen
(10)Te bewaren onbezette plaatsen 5 (maximum van
(8)en
(9))
(11)Aantal te recupereren plaatsen 6 (
(5)voor Q4 2023 –
(10)
(12)Aantal recent erkende plaatsen / NON verhoging van de capaciteit met en minste 20 %
(13)Aantal te recupereren plaatsen, 6 gecorrigeerd met de recent erkende plaatsen (
(11)-
(12)) .” 4.
  1. Deze informatie wordt ook per e-mail aan de verzoekende partij ter kennis gebracht. 4.
  2. Op 7 mei 2024 wordt door de verzoekende partij bezwaar ingediend tegen deze mededeling. XII-9837-16/27 4.
  3. Bij e-mail van 7 juni 2024 wordt het bezwaar van de verzoekende partij afgewezen en wordt de initiële beslissing bevestigd door de verwerende partij. Tegen de voormelde mededelingen dient de verzoekende partij een beroep tot nietigverklaring in gekend onder zaaknummer A. 242.184/XII- 9526, dat bij arrest nr. 266.340 van heden wordt verworpen. 4.
  4. Artikel 15, § 1, van de ordonnantie van 24 april 2008 impliceert dat de terugvordering van erkende plaatsen van onbezette bedden ook het indirecte gevolg heeft dat de SVIE voor onbezette bedden automatisch wordt gewijzigd naar rato van het aantal bedden waarvoor de erkenning is teruggevorderd. 4.
  5. Het lid van het Verenigd College bevoegd voor Welzijn en Gezondheid heeft bij brief van 26 augustus 2024 aan de verzoekende partij het feit meegedeeld dat haar SVIE automatisch werd gewijzigd naar rato van de zes plaatsen waarvoor de erkenning vervallen was op basis van artikel 15, § 1, van de ordonnantie van 24 april
  6. Eveneens wordt meegedeeld dat zij vanaf 15 april 2024 over een SVIE voor 94 ROB-plaatsen, waarvan 50 RVT, beschikt. Bij een apart schrijven van dezelfde datum en uitgaande van hetzelfde lid van het Verenigd College bevoegd voor Welzijn en Gezondheid, wordt de verzoekende partij andermaal gewezen op de, op basis van artikel 15, § 1, van de ordonnantie van 24 april 2008, zes vervallen plaatsen en wordt eveneens medegedeeld dat zij over een erkenning van onbepaalde duur beschikt voor 94 plaatsen vanaf 15 april
  7. Tegen de voormelde mededelingen dient de verzoekende partij een beroep tot nietigverklaring in gekend onder zaaknummer A. 243.332/XII- 9781, dat bij arrest nr. 266.341 van heden wordt verworpen. XII-9837-17/27 4.
  8. Op 27 juli 2022 ontvangt de dienst Hulp- en Zorginstellingen van Iriscare een aanvraag voor een voorlopige werkingsvergunning van de ouderenvoorziening Clos Regina. Op verzoek van de verzoekende partij voert de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp (hierna: DBDMH) een inspectiebezoek uit bij de ouderenvoorziening Clos Regina. De DBDMH merkt op dat de ouderenvoorziening in voldoende mate voldoet aan de brandveiligheidsnormen in de bijlage bij het koninklijk besluit van 12 maart 1974 ‘tot vaststelling van de veiligheidsnormen waaraan de rustoorden voor bejaarden moeten voldoen’ (hierna: koninklijk besluit van 12 maart 1974). De DBDMH levert op 2 oktober 2023 een gunstig preventieverslag af voor de ouderenvoorziening Clos Regina. Bij schrijven van 25 januari 2024 ontvangt de verzoekende partij van de burgemeester van de gemeente Anderlecht een attest waarin wordt verklaard dat de ouderenvoorziening Clos Regina voldoet aan de brandveiligheidsnormen zoals vastgelegd in de bijlage van het koninklijk besluit van 12 maart 1974, voor de opvang van maximaal 100 bedden verdeeld over 4 verdiepingen. Dit attest is geldig voor een periode van 6 jaar. Bij beslissing van het lid van het Verenigd College bevoegd voor Welzijn en Gezondheid van 8 februari 2024 wordt een voorlopige werkingsvergunning van 20 RVT-bedden toegekend aan de ouderenvoorziening Clos Regina voor de periode van 21 oktober 2022 tot 20 oktober 2023 en voor de periode van 21 oktober 2023 tot 20 oktober
  9. Op 21 augustus 2024 stelt de dienst Hulp- en Zorginstellingen van Iriscare een definitief controle- en inspectieverslag op met betrekking tot de ouderenvoorziening Clos Regina. Uit het verslag volgt dat Iriscare zich positief opstelt ten aanzien van het verlenen van een definitieve erkenning voor 20 RVT- bedden. XII-9837-18/27 In het voorstel van besluit van 22 oktober 2024 verleent de Beheerraad voor Gezondheid en Bijstand aan Personen van Iriscare een positief advies met betrekking tot het verlenen van een erkenning voor onbepaalde tijd vanaf 15 april 2024 voor 20 RVT-plaatsen voor de ouderenvoorziening Clos Regina. Bij beslissing van het lid van het Verenigd College bevoegd voor Welzijn en Gezondheid van 12 november 2024 wordt definitief het aantal erkenningen voor de ouderenvoorziening Clos Regina vastgesteld. De verzoekende partij beschikt over 94 plaatsen waarvan 50 RVT-plaatsen. Dit is de bestreden beslissing. V. Samenvoeging
  10. De verzoekende partij vraagt in het verzoekschrift, wat zij in de memorie van wederantwoord en de laatste memorie herhaalt, de samenvoeging van de voorliggende zaak met de voormelde zaken gekend onder nummers A. 242.184/XII-9526 en A. 243.332/XII-
  11. Het betreft drie verschillende beslissingen. In de voorliggende zaak vraagt de verzoekende partij de nietigverklaring van de beslissing van het lid van het Verenigd College bevoegd voor Welzijn en Gezondheid van 12 november 2024 met betrekking tot de aanpassing van het totaal aantal erkenningen voor de ouderenvoorziening Clos Regina. In de zaak A. 242.184/XII-9526 vraagt dezelfde verzoekende partij de vernietiging van de mededeling van 19 april 2024 van de berekening met betrekking tot het verval van de erkenning voor zes plaatsen in de ouderenvoorziening Clos Regina, alsook van de bevestigende beslissing van 7 juni
  12. In de zaak A. 243.332/XII-9781 vraagt de verzoekende partij de vernietiging van de mededeling van 26 augustus 2024 met betrekking tot de aanpassing van de specifieke vergunning tot ingebruikneming en exploitatie voor de ouderenvoorziening Clos Regina en de vaststelling, na aanpassing, van het aantal XII-9837-19/27 plaatsen waarvoor de verzoekende partij over een erkenning vanaf 15 april 2024 beschikt, alsook van de bevestigende beslissing van dezelfde datum.
  13. Het komt aan de Raad van State toe om te oordelen of er grond is om, met toepassing van artikel 60 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’, de samenvoeging ervan te bevelen in het belang van een goede rechtsbedeling.
  14. De inhoud van respectievelijk de mededeling van 19 april 2024, die het voorwerp uitmaakt van een beroep tot nietigverklaring gekend onder zaaknummer A. 242.184/XII-9526 en van de mededeling van 26 augustus 2024, die het voorwerp uitmaakt van een beroep tot nietigverklaring gekend onder zaaknummer A. 243.332/XII-9781, is niet identiek aan de inhoud van de beslissing waarvan de vernietiging wordt gevraagd met het thans voorliggende beroep. Het gegeven dat de verzoekende partij aanvoert dat de onwettigheid van het verval van de erkenningen eveneens de wettigheid van de aanpassing van de specifieke vergunning aantast en zij feitelijk en juridisch een zeer gelijklopende argumentatie heeft ontwikkeld ter ondersteuning van haar vernietigingsberoepen tegen de beide mededelingen, vormt geen reden om de beroepen samen te voegen. Evenmin is de gevraagde samenvoeging in het belang van een efficiënte afhandeling van de beroepen. De samenvoeging is niet noodzakelijk. Te dezen volstaat het, wat ook is gebeurd, dat mede om proceseconomische redenen, beide zaken samen ter terechtzitting worden behandeld.
  15. Het verzoek tot samenvoeging wordt geweigerd. XII-9837-20/27 VI. Ontvankelijkheid van het beroep Exceptie ratione materiae Standpunt van de partijen
  16. De verwerende partij werpt in de memorie van antwoord de niet- ontvankelijkheid ratione materiae van het voorliggende beroep op. Dienaangaande laat zij gelden: “
  17. De herleiding van de erkenning en de automatische wijziging van de SVIE naar rato van het aantal bedden waarvoor de erkenning werd herleid, vastgesteld door Iriscare, volgt uit het van rechtswege verval van de helft van de onbezette erkende plaatsen op jaarbasis overeenkomstig artikel 15, § 1 van de ordonnantie van 24 april
  18. Het verval van de erkenningen op 15 april 2024 leidt, in dezelfde verhouding, tot een vermindering van het aantal plaatsen waarop de SVIE van de verzoekende partij betrekking heeft. Dit wordt ook bevestigd in het arrest van het Grondwettelijk Hof van 7 november 2024: “Het verval van de erkenningen, en dus onrechtstreeks van de SVIE’s, betreffende die onbezette plaatsen maakt het (…)”[…]. En ‘Het enige gevolg dat de versie van artikel 15 van de ordonnantie van 24 april 2008 die voortvloeit uit de wijziging ervan bij het bestreden artikel 18 van de ordonnantie van 15 december 2022 had kunnen hebben, bestaat in het verval van rechtswege van de erkenning, en dus van de SVIE, betreffende de helft van de onbezette plaatsen in elke ouderenvoorziening die onderworpen is aan een definitieve of overgangsprogrammering.’
  19. De bestreden beslissing zorgt ervoor dat 20 van de 50 RVT-plaatsen, waarvoor een voorlopige werkingsvergunning verleend was overeenkomstig artikel 13 van de Ordonnantie van 24 april 2008, definitief erkend worden. Deze beslissing creëert dan ook geen rechtsgevolgen waar zij het totaal aantal erkende plaatsen vaststelt op
  20. Op dat punt kan zij dan ook niet worden aangevochten aangezien het op dat vlak een handeling betreft die louter de rechtstoestand vaststelt die reeds van rechtswege bestond sinds 15 april 2024.[…]
  21. De verzoekende partij verwijst in haar verzoekschrift, ter ondersteuning van de vermeende ontvankelijkheid, naar een arrest van uw Raad van 11 februari 1983 met nr. 22.
  22. In dit arrest wordt eveneens bevestigd dat het moet gaan om een handeling die tot gevolg heeft dat de rechtstoestand van de betrokkene gewijzigd wordt, zij het door een van rechtswege ontstaan rechtsgevolg: ‘Overwegende dat het onderhavige beroep onder meer hierdoor wordt gekenmerkt dat de bestreden bestuurshandelingen zich voordoen als de vaststelling van een rechtseffect -het beëindigd zijn van verzoekers XII-9837-21/27 hoedanigheid van vastbenoemd docent in een door het Rijk opgerichte onderwijsinstelling-, rechtseffect dat geacht wordt krachtens artikel 1, lid 4, van de wet van 6 augustus 1931 van rechtswege te zijn gevolgd uit het feit dat verzoeker op 11 januari 1979 de eed van senator heeft afgelegd; dat elke overheid die in de uitoefening van haar opdracht rekening moet houden met een van rechtswege ontstaan rechtseffect, daarin de bevoegdheid vindt om uitdrukkelijk dat rechtseffect vast te stellen, met het gevolg dat, ten aanzien van degen wiens rechtstoestand door dat van rechtswege ontstane rechtseffect gewijzigd is, die vaststelling, voor zover ze hem regelmatig is aangezegd, uitwerking heeft in de betrekking tussen die persoon en de belanghebbende overheid, onder voorbehoud, uiteraard, van het annulatieberoep dat degene voor wie de vaststelling geldt, binnen de normale beroepstermijn kan instellen, en, meer in het bijzonder, onder aanvoering van het rechtmatigheidsbezwaar dat de regel, die door de overheid geacht werd van rechtswege effect te hebben, dat effect niet heeft, of onder aanvoering van het rechtmatigheidsbezwaar dat de rechtsregel op hem niet van toepassing is; dat de door verzoeker ingediende beroepen derhalve ontvankelijk zijn;’ Zoals hierboven uiteengezet, leidt de bestreden beslissing in de huidige zaak niet tot een wijziging in de rechtstoestand van de verzoekende partij op het vlak van het aantal erkende plaatsen. Haar rechtstoestand werd reeds gewijzigd door de beslissing van Iriscare van 19 april 2024 waarin haar het aantal vervallen erkende plaatsen werd meegedeeld […]. Het voormelde arrest kan dan ook niet aangewend worden om tot de ontvankelijkheid van het beroep te doen besluiten.
  23. Het beroep is dan ook onontvankelijk.” In haar laatste memorie laat de verwerende partij nog gelden; “Het standpunt van de verzoekende partij kan niet worden gevolgd. De vernietiging van de thans bestreden ministeriële beslissing zou er immers niet toe leiden dat het verlies van de zes erkenningen ongedaan wordt gemaakt. Dat rechtsgevolg vloeit rechtstreeks voort uit de eerste en tweede bestreden beslissing, die op zich niet door de vernietiging van de huidige beslissing zouden worden aangetast. De derde bestreden beslissing heeft, zoals uiteengezet in de memorie van antwoord, enkel tot gevolg dat de 20 RVT-plaatsen waarvoor een voorlopige werkingsvergunning werd verleend definitief worden erkend. Het beroep is dan ook onontvankelijk.”
  24. Anticiperend betoogt de verzoekende partij in het verzoekschrift wat de ontvankelijkheid van het beroep ratione materiae betreft, wat volgt: “
  25. Overeenkomstig artikel 14, § 1, van de Gecoördineerde wetten op de Raad van State, doet de Raad van State, afdeling bestuursrechtspraak, uitspraak over de beroepen tot nietigverklaring wegens overtreding van hetzij substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, overschrijding of afwending van macht, ingesteld tegen de akten en reglementen van administratieve overheden.
  26. Hoewel de bestreden beslissing volgens een deel van haar bewoordingen XII-9837-22/27 louter een mededeling betreft waarbij het aantal erkende plaatsen wordt meegedeeld, kan de bestreden mededeling niet worden opgevat als een zuiver declaratieve handeling of materiële handeling, maar wel als een rechtshandeling die vatbaar is voor beroep voor Uw Raad.
  27. In dat kader verwijst de verzoekende partij naar de bestaande rechtspraak van Uw Raad daaromtrent, en i.h.b. een arrest van 11 februari 1983, nr. 22931 (De Rouck) waarin werd bevestigd dat ook de ‘vaststelling’ van een rechtstoestand, zelfs al zou het rechtseffect louter zijn voortgevloeid uit de regelgeving, ook het onderwerp kon zijn van een annulatieberoep door de rechtsonderhorige (…): Overwegende dat het onderhavige beroep onder meer hierdoor wordt gekenmerkt dat de bestreden bestuurshandelingen zich voordoen als de vaststelling van een rechtseffect -het beëindigd zijn van verzoekers hoedanigheid van vastbenoemd docent in een door het Rijk opgerichte onderwijsinstelling-, rechtseffect dat geacht wordt krachtens artikel 1, lid 4, van de wet van 6 augustus 1931 van rechtswege te zijn gevolgd uit het feit dat verzoeker op 11 januari 1979 de eed van senator heeft afgelegd; dat elke overheid die in de uitoefening van haar opdracht rekening moet houden met een van rechtswege ontstaan rechtseffect, daarin de bevoegdheid vindt om uitdrukkelijk dat rechtseffect vast te stellen, met het gevolg dat, ten aanzien van degen wiens rechtstoestand door dat van rechtswege ontstane rechtseffect gewijzigd is, die vaststelling, voor zover ze hem regelmatig is aangezegd, uitwerking heeft in de betrekking tussen die persoon en de belanghebbende overheid, onder voorbehoud, uiteraard, van het annulatieberoep dat degene voor wie de vaststelling geldt, binnen de normale beroepstermijn kan instellen, en, meer in het bijzonder, onder aanvoering van het rechtmatigheidsbezwaar dat de regel, die door de overheid geacht werd van rechtswege effect te hebben, dat effect niet heeft, of onder aanvoering van het rechtmatigheidsbezwaar dat de rechtsregel op hem niet van toepassing is; dat de door verzoeker ingediende beroepen derhalve ontvankelijk zijn; Aangezien ook in het onderhavige geval het effect dat de overheid meent te kunnen ‘vaststellen’, om verscheidene redenen onjuist is, kan de handeling toch worden aangevochten.
  28. Bovendien is de rechtshandeling uitdrukkelijk aangemerkt als een beslissing, en werden beroepstermijnen om de rechtshandeling voor Uw Raad aan te vechten ook in de beslissing opgenomen.” In de memorie van wederantwoord repliceert de verzoekende partij als volgt op de door de verwerende partij aangevoerde exceptie: “
  29. De verwerende partijen schijnen tevens de ontvankelijkheid ratione materiae te betwisten. Meer bepaald betwisten zij dat de bestreden handeling een rechtsgevolg zou doen ontstaan en dus de rechtstoestand van de verzoekende partij zou wijzigen. Die argumentatie wordt gestoeld op het feit dat de aanpassing van de specifieke vergunning tot ingebruikneming en exploitatie noodzakelijk en van rechtswege zou voortvloeien uit het voorafgaande verval van de erkenningen voor de helft van de zogenaamd ‘onbezette’ plaatsen.
  30. De verwerende partijen schijnen te willen beargumenteren dat de bestreden beslissing een loutere mededeling betreft van een rechtstoestand die reeds van rechtswege bestond vanaf 15 april 2024 (datum van verval van de XII-9837-23/27 erkenningen) en geen bijzondere eigen rechtsgevolgen kan hebben. 10.Zoals reeds aangehaald in het inleidende verzoekschrift kan die redenering niet worden aangenomen. Daarvoor werd, en wordt nogmaals verwezen naar een arrest van Uw Raad d.d. 11 februari 1983 (nr. 22.931), het arrest De Rouck. Daarin werd bevestigd dat ook de ‘vaststelling’ van een rechtstoestand, zelfs al zou het rechtseffect louter zijn voortgevloeid uit de regelgeving, ook het onderwerp kon zijn van een annulatieberoep door de rechtsonderhorige […]
  31. De verwerende partijen verwijzen ook naar het onderhavige arrest en benadrukken de zinsnede “met het gevolg dat, ten aanzien van degene wiens rechtstoestand door dat van rechtswege ontstane rechtseffect gewijzigd is”. De reden hiervan is verzoekende partijen niet bekend, aangezien dit arrest nu juist de ontvankelijkheid van het beroep bevestig[t]. Het betrof een vaststelling van een beweerd rechtseffect (het einde van de hoedanigheid als vastbenoemd docent) dat van rechtswege zou voortvloeien uit de toepassing van de wet (ten gevolge de aflegging van de eed als senator). Hoewel het dus een zogenaamde vaststelling van een rechtseffect betrof, werden de beroepen daartegen toch als ontvankelijk beschouwd door de Raad van State.
  32. Verder verwijzen verwerende partijen nog naar de rechtspraak van de Raad van State m.b.t. louter bevestigende beslissingen. De ministeriële beslissing zou in die zin een loutere bevestigende beslissing uitmaken van de eerdere beslissing inzake de intrekking van de erkenningen.
  33. Dergelijke redeneerwijze kan evenwel niet worden aangenomen. Opdat sprake is van een loutere bevestigende beslissing is namelijk vereist dat het voorwerp van de tweede beslissing identiek is aan dat van de eerste, met dezelfde draagwijdte en dezelfde gevolgen. Uiteraard is dat niet het geval nu de mededelingen andere voorwerpen hebben: namelijk enerzijds de erkenningen en anderzijds de specifieke vergunning tot ingebruikneming en exploitatie, en vervolgens opnieuw het totaal aantal erkenningen.
  34. Bovendien, en daarover reppen de verwerende partijen met geen woord, werd in de bestreden akte zelf al verwezen naar de beroepsmogelijkheid voor de Raad van State. Het is fundamenteel ongeloofwaardig dat de verwerende partijen eerst pretenderen dat een beroep voor de Raad van State mogelijk zou zijn, om vervolgens de onontvankelijkheid te op te werpen en te beweren dat een beroep tegen de beslissing niet mogelijk zou zijn.” In haar laatste memorie laat de verzoekende partij wat de exceptie ratione materiae betreft nog gelden dat zij het standpunt in het auditoraatsverslag niet kan bijtreden, en volhardt in hetgeen reeds was uiteengezet in haar eerdere memories. Voorts verwijst de verzoekende partij andermaal naar het arrest nr. 22.931 van 11 februari
  35. XII-9837-24/27 Beoordeling
  36. Door het auditoraat wordt tot de gegrondheid van de exceptie besloten op grond van de volgende overwegingen: “Beoordeling Op 8 februari 2024 werd aan de verzoekende partij een voorlopige werkingsvergunning verleend voor 20 plaatsen […]. Op 21 augustus 2024 werd een definitief controle- en inspectieverslag opgesteld met betrekking tot de ouderenvoorziening. Uit het verslag blijkt dat Iriscare zich positief opstelt ten aanzien van het verlenen van een definitieve erkenning voor 20 RVT- bedden. De bestreden beslissing zet aldus de voorlopige werkingsvergunning voor 20 bedden om in een definitieve erkenning. Opdat tegen een bestuurshandeling een beroep tot nietigverklaring zou kunnen worden ingesteld, moet het gaan om een beslissing die rechtsgevolgen sorteert, dit wil zeggen een beslissing die de rechtstoestand van iemand wijzigt of verhindert dat een wijziging in de rechtstoestand tot stand komt. De grieven van de verzoekende partij zijn niet gericht tegen de bestreden beslissing namelijk waarbij de voorlopige werkingsvergunning voor 20 bedden wordt omgezet in een definitieve erkenning voor 20 bedden. De grieven van de verzoekende partij zijn gericht tegen de beslissing waarbij het verval van zes erkende plaatsen werd vastgesteld en bevestigd (beslissing van 19 april 2024) wat leidde tot een vermindering van het aantal plaatsen waarop de SVIE van de verzoekende partij betrekking heeft, namelijk
  37. Het bestreden besluit creëert geen rechtsgevolgen waar zij het totale aantal erkende plaatsen vaststelt op
  38. De rechtstoestand van de verzoekende partij werd reeds gewijzigd door de beslissing van Iriscare van 19 april 2024 en niet door de beslissing van12 november 2024.”
  39. In haar laatste memorie beperkt de verzoekende partij zich tot het aangeven dat zij de conclusie in het auditoraatsverslag niet kan bijtreden en het louter volharden in het verzoekschrift en de memorie van wederantwoord zonder inhoudelijk te repliceren op de beoordeling in het auditoraatsverslag. Los van dat gegeven stelt de Raad van State vast dat de verzoekende partij in het voorliggende beroep inhoudelijk identieke middelen aanvoert als in de beroepen gericht tegen enerzijds het verval van de erkenning voor zes plaatsen in de ouderenvoorziening Clos Regina en anderzijds de aanpassing van de specifieke vergunning tot ingebruikneming en exploitatie voor deze ouderenvoorziening, die respectievelijk bij arrest nr. 266.340 en 266.341 van heden worden verworpen. Niet blijkt, noch wordt op enigerlei wijze aannemelijk gemaakt, laat staan aangetoond, dat de thans aangevoerde grieven gericht zijn tegen een beslissing die een louter bevestigende beslissing te buiten gaat, temeer nu met de aangevochten mededeling van XII-9837-25/27 26 augustus 2024 de verzoekende partij op de hoogte werd gebracht dat zij vanaf 15 april 2024 over een SVIE voor 94 ROB-plaatsen, waarvan 50 RVT, beschikt (zaak gekend onder nr. A. 243.332/XII-9781, waarbij het beroep wordt verworpen bij arrest nr. 266.341 van heden) en zij met het thans voorliggende beroep de beslissing aanvecht waarbij het aantal erkenningen voor de ouderenvoorziening Clos Regina definitief wordt vastgesteld op 94 ROB-plaatsen, waarvan 50 RVT.
  40. In die omstandigheden en na een eigen onderzoek, ziet de Raad van State geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het beroep niet-ontvankelijk. Het beroep is niet-ontvankelijk. VII. Kosten en rechtsplegingsvergoeding
  41. In de gegeven omstandigheden past het om de kosten, met inbegrip van een rechtsplegingsvergoeding, ten laste van de verwerende partij te leggen aangezien die in de bestreden beslissing ten onrechte heeft gesteld dat het beroep diende te worden ingeleid bij de Raad van State. BESLISSING
  42. De Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie wordt buiten de zaak gesteld.
  43. De Raad van State verwerpt het beroep.
  44. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. XII-9837-26/27 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op tien april tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Chantal Bamps, kamervoorzitter, Peter Sourbron, staatsraad, Ann Coolsaet, staatsraad, bijgestaan door Ilse Anné, griffier. De griffier De voorzitter Ilse Anné Chantal Bamps XII-9837-27/27 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.342 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.107 ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.084 ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.116 ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.091 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.