id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 april 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.343 Rolnummer: A. 247789/X-19288 Zaak: Arrest 266343 - Wegenwezen - 13/04/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-04-13 Raadplegingen: 85 - laatst gezien 2026-06-18 06:47 Fiche Arrest nr 266.343 van 13 april 2026 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Wegenwezen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE Xe KAMER nr. 266.343 van 13 april 2026 in de zaak A. 247.789/X-19.288 In zake:
- M.M.
- N.M. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Astrid Gelijkens kantoor houdend te 2000 Antwerpen Scheldestraat 9 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de GEMEENTE RIJKEVORSEL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Sven Vernaillen en Enya Hicquet kantoor houdend te 2600 Antwerpen Borsbeeksebrug 36 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 1 april 2026, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van het besluit van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Rijkevorsel van 26 januari 2026 “Belemmeren gebruik fietspad […] Opleggen van last tot herstel”. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij beschikking van 2 april 2026 werd de procedurekalender vastgesteld. X-19.288-1/7 De verwerende partij heeft een nota met opmerkingen en een administratief dossier ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 10 april 2026, om 10.00 uur. Kamervoorzitter Jan Clement heeft verslag uitgebracht. Advocaat Wannes Op de Becq, die loco advocaat Astrid Gelijkens verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Enya Hicquet, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Evelien De Taeye heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Langs het woonperceel van verzoekers loopt een tweerichtingsfietspad. 3.
- Met een schrijven van 26 november 2025 vraagt de verwerende partij aan verzoekers om langs hun woonperceel de overhangende begroeiing over het fietspad van de daar aanwezige klimop- en coniferenhaag te snoeien, opdat de trage weggebruikers opnieuw op een vlotte en veilige manier gebruik zouden kunnen maken van het tweerichtingsfietspad. Gevraagd wordt dat verzoekers binnen de 48 uur zouden bevestigen dat zij hiervoor het nodige zullen doen. X-19.288-2/7 3.
- Met een bericht van 27 november 2025 wordt namens verzoekers meegedeeld dat zij de situatie ter plaatse zullen controleren en dat zij in het komende weekend “desgevallend het nodige [zullen] doen”. 3.
- Met een bericht van 18 december 2025 deelt de verwerende partij aan verzoekers mee dat er geen gevolg werd gegeven aan haar verzoek om snoeiwerken uit te voeren, zodat zij genoodzaakt is hen “een laatste maal” te vragen het nodige te doen. 3.
- Met een bericht van 22 december 2025 delen verzoekers aan de verwerende partij mee dat zij ter plaatse zijn gegaan en vastgesteld hebben dat er geen sprake is van overhangende begroeiing die het veilige gebruik van het fietspad zou belemmeren, zodat er geen snoeiwerken werden uitgevoerd. 3.
- Met een besluit van 26 januari 2026 legt het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Rijkevorsel aan verzoekers een last tot herstel op om binnen de veertien dagen de terugsnoei van de haag uit te voeren tot een breedte die een afstand laat van 0,50 meter tussen de rand van de groenvoorziening en de rand van het fietspad (hierna: de opgelegde last tot herstel). Dit is het bestreden besluit, waarin uitdrukkelijk bepaald is dat indien de werken niet tijdig worden uitgevoerd, de gemeentelijke diensten dit zullen doen, waarna de kosten op verzoekers zullen worden verhaald. 3.
- Met een e-mail en aangetekend schrijven van 5 februari 2026 delen verzoekers aan de verwerende partij mee dat zij op 2 februari 2026 kennis hebben genomen van de opgelegde last tot herstel, maar dat zij “met klem” tegenspreken dat het veilige gebruik van het fietspad belemmerd zou worden door de overhangende begroeiing. Volgens verzoekers is er geen enkele grondslag voor de opgelegde last tot herstel, zodat zij vragen om het besluit van 26 januari 2026 “uiterlijk op 28 februari 2026” in te trekken. Zij voegen eraan toe dat bij gebreke van intrekking op die datum zij genoodzaakt zullen zijn om dit besluit formeel te bestrijden en uit het rechtsverkeer te doen verdwijnen. Verzoekers wijzen er ook X-19.288-3/7 op dat er onderhoudswerken aan de haag zijn uitgevoerd die “reeds langer ingepland [stonden] en [losstaan] van uw besluit d.d. 26 januari 2026, […] en […] dus op geen enkele manier enige […] naleving [van dit besluit uitmaken]”. 3.
- Op 1 april 2026 deelt de verwerende partij aan verzoekers mee dat de gemeentelijke diensten ’s anderdaags de snoeiwerken zullen uitvoeren, wat effectief is gebeurd. IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van de bestreden beslissing prima facie kan worden verantwoord. Overeenkomstig paragraaf 5 van datzelfde artikel wordt de zaak behandeld bij uiterst dringende noodzakelijkheid en derhalve binnen een termijn van vijftien dagen of minder, wanneer zulks in het opschrift wordt vermeld. V. Uiterst dringende noodzakelijkheid
- Verzoekers voeren aan dat het van doorslaggevend belang is dat zij na hun aangetekend schrijven van 5 februari 2026 geen enkele reactie van de verwerende partij meer hebben ontvangen. Zij hebben wel degelijk snoeiwerken laten uitvoeren, met name in het kader van het periodieke onderhoud dat zij tweemaal per jaar laten verrichten. De verwerende partij heeft nadien evenwel noch op die uitgevoerde snoeiwerken, noch op het verzoek tot intrekking in hun schrijven van 5 februari 2026 gereageerd. Door dit stilzitten werd minstens het redelijke verwachtingspatroon gecreëerd dat niet, minstens niet op zeer korte termijn, tot uitvoering door de gemeentediensten zou worden overgegaan, of X-19.288-4/7 althans dat verzoekers voorafgaandelijk en tijdig van een dergelijk voornemen in kennis zouden worden gesteld. Op 1 april 2026 troffen verzoekers geheel onverwacht een nieuw schrijven van de verwerende partij in hun brievenbus aan, waarin werd meegedeeld dat de gemeentediensten reeds daags nadien zelf tot de snoeiwerken zouden overgaan. Daaruit blijkt dat de verwerende partij plots en zonder voorafgaande, tijdige verwittiging het bestreden besluit wenst uit te voeren. In die omstandigheden kan verzoekers bezwaarlijk worden verweten niet eerder een vordering bij uiterst dringende noodzakelijkheid bij de Raad van State te hebben ingesteld. Verzoekers vervolgen dat de hinder en nadelen die zij zullen ondervinden, aanzienlijk zijn. Vooreerst is er uiteraard een belangrijk financieel nadeel. Het grootste nadeel is evenwel van feitelijke aard. De snoeiwerken kunnen immers niet worden uitgevoerd op de wijze zoals die door het bestreden besluit worden opgelegd, minstens niet zonder ernstige en quasi onherstelbare schade aan de bestaande haag, omheining en groenstructuur te veroorzaken. De haag vervult verschillende nuttige functies. Ze sluit vooreerst uiteraard het terrein van verzoekers af. Dat is niet enkel nuttig en noodzakelijk voor verzoekers’ privacy, maar is ook van belang voor de veiligheid, nu de vijver op hun terrein op sommige plaatsen tot bijna tegen de haag komt. Zij biedt daarnaast ook beschutting, nestgelegenheid en voedselmogelijkheden voor vogels, insecten en andere kleine dieren, en draagt aldus bij tot de plaatselijke biodiversiteit. De haag zelf zal kapotgaan indien er – zoals het bestreden besluit voorschrijft – tot op de draad wordt gesnoeid: immers groeien de stammen van de klimop inmiddels door de draad en dus ook aan de straatzijde.
- De verwerende partij stelt dat er geen sprake is van een uiterst dringende noodzakelijkheid daar verzoekers al meer dan acht weken kennis hadden van het bestreden besluit. X-19.288-5/7 Beoordeling 7.
- De procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid houdt een ernstige verstoring in van het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, herleidt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en beperkt in aanzienlijke mate de uitoefening van het recht van verdediging van de verwerende partij. Het is om die reden dat de Raad van State met een zekere gestrengheid de voorwaarden beoordeelt die vervuld moeten zijn opdat deze vordering kan worden ingewilligd. De aanwending van die procedure moet dan ook zeer uitzonderlijk blijven, in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak door de verzoekende partij op onbetwistbare wijze wordt aangetoond. Een verzoekende partij moet diligent optreden bij het inleiden van een vordering bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Diligent optreden – dit wil zeggen dat de eisende partij al het nodige heeft gedaan om de zaak zo spoedig mogelijk aanhangig te maken bij de Raad van State – is immers een vereiste die vervat is in de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid. Met andere woorden moet een verzoekende partij die claimt dat er met haar vordering een uiterst dringende noodzakelijkheid gemoeid is, zich daar ook naar gedragen, op gevaar af de beweerde uiterste urgentie zelf te ontkrachten. 7.
- Verzoekers hebben de voorliggende vordering ingediend meer dan acht weken nadat zij kennis hebben genomen van de bestreden beslissing. Voor dat tijdsverloop wordt geen afdoende rechtvaardiging verschaft. X-19.288-6/7 Het feit dat zij op 5 februari 2026 de verwerende partij hebben aangeschreven om met name te verzoeken het bestreden besluit in te trekken, kan niet verschonen dat zij na kennisname van het bestreden besluit meer dan acht weken hebben getalmd om hun vordering in te stellen. Een dergelijk gedraal maakt de negatie uit van de aangevoerde uiterst dringende noodzakelijkheid. 7.
- Hieruit volgt dat aan alvast één van de voorwaarden voor een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid niet is voldaan. Dit volstaat om de vordering te verwerpen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op dertien april tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Jan Clement, kamervoorzitter, bijgestaan door Karin Meerschaut, griffier. De griffier De voorzitter Karin Meerschaut Jan Clement X-19.288-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.343 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div