id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 april 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.349 Rolnummer: A. 240064/VII-42621 Zaak: Arrest 266349 - Milieuvergunningen - 13/04/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-04-16 Raadplegingen: 86 - laatst gezien 2026-06-18 06:47 Fiche Arrest nr 266.349 van 13 april 2026 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 266.349 van 13 april 2026 in de zaak A. 240.064/VII-42.621 In zake :
(2b)waar de richtwaarden voor de dag en avond/nacht respectievelijk 48 dB(A) en 43 dB(A) zijn, kunnen de gezondheidseffecten op basis van het toetsingskader niet uitgesloten worden, doch er is een redelijke kans dat windturbinegeluid hier gemaskeerd wordt door industriegeluid. Verder kunnen eventuele knelpunten via milderende maatregelen op projectniveau beheerst worden. Een alternatief scenario is hier niet aan de orde gezien in de literatuur geen gezondheidseffecten worden aangetoond (algemene beoordeling). In de discipline geluid werden 2 opties besproken die ook in voorliggende discipline mens-gezondheid zullen worden beoordeeld: Optie 1: Verlaging normen voor 2a gebieden (andere dan woongebieden) op minder dan 500 m van industriegebied en bij laag achtergrondgeluid Hoewel het vanuit volksgezondheidskundig oogpunt niet beoordeeld wordt als een aanzienlijk effect, blijkt dat er in de praktijk dat indien er klachten zijn over windturbinegeluid, deze vaak te situeren zijn in gebieden (andere dan woongebieden) op minder dan 500 m van industriegebied waar het achtergrondgeluid laag is (LA95 Voor deze situaties wordt in de discipline geluid de optie onderzocht om de norm voor de avond en nacht te verlagen van 45 tot 43 dB(A). Volksgezondheidskundig wordt dit niet noodzakelijk geacht doch deze maatregel kan op lokaal niveau hinder en slaapverstoring beperken en bijgevolg zal de kans op gezondheidseffecten, voor zover hiervan het gevolg kunnen zijn, verminderen. Optie 2: Verlaging normen voor agrarische gebieden (gebied 10) bij laag achtergrondgeluid (LA95 Hoewel het vanuit volksgezondheidskundig oogpunt niet beoordeeld wordt als een aanzienlijk effect, blijkt dat er in de praktijk dat er indien er klachten zijn over windturbinegeluid, deze vaak te situeren zijn in agrarische gebieden waar het achtergrondgeluid laag is. Voor deze situaties wordt in de discipline geluid de optie onderzocht om de norm voor de avond en nacht te verlagen van 43 tot 39 dB(A). Volksgezondheidskundig wordt dit niet noodzakelijk geacht doch deze maatregel kan op lokaal niveau hinder en slaapverstoring beperken en bijgevolg zal de kans op gezondheidseffecten, voor zover hiervan het gevolg kunnen zijn, verminderen. VII-42.621-29/37 6.4.4.5 Besluit Toetsingswaarden geluid uit literatuur Algemeen kan men stellen na het literatuuronderzoek dat er geen gezondheidseffecten vastgesteld werden bij blootstelling aan windturbinegeluid tot 46 dB(A). Voor blootstelling aan geluidsniveaus boven deze waarde zijn er in de literatuur geen conclusies. De waarde van 46 dB(A) werd opgenomen in het toetsingskader, zie Tabel 6-16 doch deze werd bijgesteld naar 45 dB(A) om een conservatieve toetsing mogelijk te maken vandaar dat we opteren voor de term ‘geen vastgesteld effect niveau’. Wat betreft hinder, meer bepaald slaapverstoring in de nacht is er consensus over een toetsingswaarde van 40 dB(A). Deze kunnen we hanteren als ‘geen vastgestelde slaapverstoring’. Het in rekening brengen van het achtergrondgeluid om de normen te verhogen (bij hoog achtergrondgeluid en wanneer de afstand van de turbine tot de woningen driemaal groter is dan de rotordiameter) is aanvaardbaar gezien de frequentie van voorkomen. Het achtergrond geluid zal wel projectmatig beoordeeld moeten worden. Wanneer we het basisscenario (met sectorale voorwaarden) toetsen, zien we bij de belangrijkste bestemmingscontext, namelijk ‘woonzones’ (exclusief woonzones op minder dan 500 m van industriegebied), dat gezondheidseffecten uitgesloten zijn, dit geldt eveneens in de bestemmingscontext ‘7° andere gebieden’. In de andere bestemmingsgebieden zijn effecten niet uitgesloten doch niet aangetoond in de literatuur en indien aanwezig volksgezondheidskundig beperkt. Bovendien kan verwacht worden dat in woongebieden op minder dan 500 m van industriegebied het industriegeluid bepalend is voor het omgevingsgeluid waardoor de bijdrage van de windturbines beperkt is”. Tevens wordt in het plan-MER (p. 148) overwogen: “In de verschillende disciplines werd er beoordeeld dat er ‘GEEN AANZIENLIJKE EFFECTEN’ aanwezig zijn in het basisscenario (met de huidige sectorale voorwaarden). Er zijn dan ook geen milderende maatregelen op plan-niveau en ook geen ‘ALTERNATIEF VOORSTEL’ nodig. Evenwel werden er aanvullend enkele ‘opties’ onderzocht waardoor op lokaal niveau hinder en slaapverstoring zouden kunnen beperkt worden en bijgevolg de kans op gezondheidseffecten, voor zover deze hiervan het gevolg kunnen zijn, zal verminderen”. Beide opsomde aanbevelingen worden aldus “volksgezondheidskundig” niet noodzakelijk geacht. Bovendien blijkt dat deze aanbevelingen, weliswaar “waardevol” worden beschouwd, maar geenszins een verplichting inhouden voor de bevoegde overheid. VII-42.621-30/37
- In het verslag aan de Vlaamse regering wordt gemotiveerd waarom deze aanbevelingen niet gevolgd worden: “Doordat is aangetoond dat de huidige/gevalideerde sectorale voorwaarden géén aanzienlijke milieueffecten veroorzaken, worden deze sectorale voorwaarden opnieuw vastgesteld: […] - De geformuleerde aanbevelingen met betrekking tot het aanpassen van de geluidsnormen bij laag achtergrondgeluid, kunnen als waardevol beoordeeld worden, maar hebben slechts een zeer lokale doorwerking in welbepaalde specifieke omstandigheden. De specifieke impact op de bestaande installaties is niet gekend, het is ook niet aangewezen een onderscheid te maken tussen bestaande en nieuwe installaties. Dit algemeen formuleren en vastleggen in de sectorale voorwaarden verhoogt de complexiteit van het vergunningsverleningsproces voor alle toekomstige windturbines, vermits dit voor alle vergunningsplichtige windturbineprojecten langdurige metingen van het achtergrondgeluid impliceert en slechts in welbepaalde gevallen ook effectief relevant zou zijn. Eén en ander kan desgevallend worden beoordeeld in het kader van individuele vergunningsaanvragen op projectniveau, waarbij indien nodig – op gemotiveerde wijze - strengere bijzondere voorwaarden kunnen worden opgelegd […]”
- Uit het voorgaande blijkt dat in het plan-MER geconcludeerd wordt dat de aanbevelingen ‘volksgezondheidskundig’ niet noodzakelijk worden geacht, doch dat deze op lokaal niveau hinder en slaapverstoring kunnen beperken. Anders dan de verzoekende partijen het zien, betreft het argument dat het volgen van de aanbevelingen volksgezondheidskundig niet noodzakelijk wordt geacht, geen post factum motivering.. Het verslag aan de Vlaamse regering motiveert verder dat de “sectorale voorwaarden géén aanzienlijke milieueffecten veroorzaken” en “één en ander […] desgevallend [kan] worden beoordeeld in het kader van individuele vergunningsaanvragen op projectniveau, waarbij indien nodig – op gemotiveerde wijze - strengere bijzondere voorwaarden kunnen worden opgelegd”. Hiermee wordt afdoende verantwoord waarom met de aanbevelingen geen rekening wordt gehouden.
- De verzoekende partijen tonen de onjuistheid of onredelijkheid niet aan van de overweging in het plan-MER dat hinder van windturbines “meestal VII-42.621-31/37 geconcentreerd en zeer lokaal” blijkt te zijn, noch van de overweging in het verslag aan de Vlaamse regering dat de geformuleerde aanbevelingen met betrekking tot het aanpassen van de geluidsnormen bij laag achtergrondgeluid “slechts een zeer lokale doorwerking in welbepaalde specifieke omstandigheden” hebben. In die omstandigheden is het niet onredelijk om te overwegen dat één en ander “desgevallend [kan] worden beoordeeld in het kader van individuele vergunningsaanvragen op projectniveau” en dat “[p]roject-specifieke bijzondere voorwaarden kunnen opgelegd worden indien specifieke knelpunten op lokaal niveau in kader van de vergunningverlening opduiken”. De verzoekende partijen overtuigen niet van het tegendeel, noch overtuigen zij ervan dat de doorgevoerde beoordeling niet kon volstaan in het licht van het planniveau. Waar de verzoekende partijen opmerken dat “bij gebrek aan normerend en begrenzend kader […] niet inzichtelijk kan worden gemaakt hoe op het individuele vergunningsniveau daadwerkelijk de problematiek kan worden beoordeeld”, blijkt dat dit aan de hand van de “specifieke omstandigheden” zal dienen te gebeuren indien “specifieke knelpunten” opduiken.
- Het derde middel is ongegrond. D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel
- In een vierde middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van artikel 4.2.8, § 1 en § 6, DABM, alsook van de materiëlemotiveringsplicht.
- In het verzoekschrift zetten de verzoekende partijen het vierde middel als volgt uiteen. Uitgaande van de premisse van het plan-MER, met name dat het onderzoek naar milieueffecten veroorzaakt door de sectorale voorwaarden een theoretische inschatting op strategisch planniveau is, kan niet worden voorbijgegaan aan de vaststelling dat per effectgroep niet alle relevante regels worden betrokken. Wat betreft de discipline veiligheid liggen de regels en de VII-42.621-32/37 voorschriften voor het berekenen van het directe en indirecte veiligheidsrisico van windturbines vervat in het ‘Handboek Windturbines. Richtlijnen voor de risicoberekeningen wan windturbines’ (hierna: Handboek), dat in het plan-MER evenwel niet wordt betrokken en zelfs niet eens wordt vermeld bij de juridische en beleidsmatige randvoorwaarden. Het Handboek is toe te passen, zowel voor het uitwerken van de risico’s van de windturbine in het kader van een omgevingsvergunningsaanvraag als voor het uitwerken van de indirecte risico’s ten gevolge van een windturbine in een veiligheidsdocument voor een inrichting met Sevesostoffen. De verwerende partij kan zich niet verschuilen achter de redenering dat het plan-MER een theoretische inschatting op strategisch planniveau is, om alleen al wat het veiligheidsaspect betreft, slechts een beperkt deel van het wetgevend kader inzake windturbines te betrekken.
- In de memorie van wederantwoord wordt vastgesteld dat zowel de verwerende partij als de tussenkomende partij bevestigen dat een veiligheidsstudie deel moet uitmaken van het aanvraagdossier waarin de veiligheidsaspecten van windturbines worden onderzocht en verduidelijkt, conform het door de Vlaamse overheid aanvaarde beoordelingskader, zijnde het Handboek. In die context kan niet worden voorgehouden dat het Handboek enkel niet-bindende richtlijnen zou bevatten. Uitgaande van de premisse van het plan-MER dat het onderzoek naar milieueffecten veroorzaakt door de sectorale voorwaarden binnen het plan- MER, een theoretische inschatting op strategisch planniveau is, kan dan niet voorbij de vaststelling heen dat per effectgroep niet alle relevante regels worden betrokken. Dat het Handboek de wijze regelt waarop het veiligheidsaspect op projectniveau beoordeeld moet worden, doet hieraan geen afbreuk. Het begrip “plannen en programma’s” heeft immers betrekking op elke handeling die, door vaststelling van op de betrokken sector toepasselijke regels en controleprocedures, een groot pakket criteria en modaliteiten vaststelt voor de goedkeuring en de VII-42.621-33/37 uitvoering van één of meerdere projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben.
- In de laatste memorie voegen de verzoekende partijen toe dat via de “Bijlage 2 (addendabibliotheek)’ van het besluit van de Vlaamse regering van 27 november 2015 ‘tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning’ iedere vergunningsaanvraag voor windturbines op grond van het addendum ‘R20.1.6 Windturbines’ een veiligheidsstudie dient te bevatten. Hierin is voorzien dat in de aanvraag een veiligheidsstudie dient opgenomen te zijn, conform het door de Vlaamse overheid aanvaarde beoordelingskader. Dit beoordelingskader betreft het Handboek. In die context kan niet worden voorgehouden dat het Handboek niets meer dan niet-bindende richtlijnen zou bevatten. Beoordeling
- De verzoekende partijen betogen dat per effectgroep niet alle relevante regels werden betrokken. Meer in het bijzonder hekelen ze het feit dat het Handboek niet als relevante regel zou zijn betrokken in het kader van het plan- MER bij de beoordeling van de “effectgroep veiligheid”.
- Het Handboek bevat richtlijnen van ter zake deskundige instanties van de Vlaamse administratie, te weten de diensten van de afdeling Gebiedsontwikkeling, Omgevingsplanning en -projecten (GOP) van het departement Omgeving en inzonderheid het Team Externe Veiligheid, over de wijze waarop het veiligheidsaspect specifiek bij de beoordeling van vergunningsaanvragen voor windturbines zal worden beoordeeld. Dergelijke richtlijnen bevatten geen dwingende voorschriften en worden uitgevaardigd als een beleidslijn. Ze zetten uiteen op welke wijze het bestuur zich in beginsel in concrete dossiers zal gedragen en ze maken de individuele beslissingen die ernaar verwijzen niet onregelmatig, op voorwaarde dat ze niet als een dwingend voorschrift en zonder oog voor de concrete gegevens van het dossier, in de zaak betrokken zijn. VII-42.621-34/37 Het Handboek bevat aldus geen dwingende voorschriften en wordt toegepast op projectniveau. De verzoekende partijen maken niet concreet aannemelijk waarom de richtlijnen uit het Handboek relevant zouden zijn bij de beoordeling van de veiligheidsaspecten van windturbines op planniveau. In dit verband kan de overheid op planniveau volstaan met een beoordeling van de effecten die haar op dat ogenblik bekend zijn of kunnen zijn en voor het overige mag verwijzen naar het effectenonderzoek dat op projectniveau nog zal gebeuren. Uit het voorgaande volgt dat het Handboek geen relevante regelgeving is die op planniveau betrokken diende te worden voor wat de effectgroep veiligheid betreft.
- Het feit dat overeenkomstig de “Bijlage 2 (addendabibliotheek)’ van het besluit van de Vlaamse regering van 27 november 2015 ‘tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning’ iedere vergunningsaanvraag voor windturbines op grond van het addendum ‘R20.1.6 Windturbines’ een veiligheidsstudie dient te bevatten conform het door de Vlaamse overheid aanvaarde beoordelingskader, doet geen afbreuk aan de voorgaande vaststellingen en bevestigt integendeel dat de richtlijnen relevant zijn op projectniveau.
- In het plan-MER (p. 23) wordt gemotiveerd dat er geen onderzoek wordt gedaan van de milieueffecten van specifieke windturbineprojecten: “[…] De focus van het plan-MER zijn de Vlarem voorwaarden voor windturbines die van toepassing zijn op alle windturbineprojecten die in Vlaanderen gelegen zijn én die onder het toepassingsgebied van de rubriek 20.6.1 van de indelingslijst vallen. Het plan-MER beoogt dus geen onderzoek van de milieueffecten van specifieke windturbineprojecten, gepland of reeds in exploitatie. De meeste milieueffecten van windturbineprojecten zijn echter zeer plaats-afhankelijk en worden op projectniveau in de vergunningsaanvraag steeds o.b.v. de nodige onderzoeken beoordeeld. Het onderzoek naar milieueffecten veroorzaakt VII-42.621-35/37 door de sectorale voorwaarden binnen het plan-MER zal een theoretische inschatting zijn op strategisch planniveau.” Daarmee is ook impliciet maar zeker aangegeven waarom bij de bespreking van de effectgroep veiligheid geen melding wordt gemaakt van het Handboek.
- Het vierde middel is ongegrond. BESLISSING
- Het verzoek van de vzw Ode-Vlaanderen tot tussenkomst wordt ingewilligd.
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 4.400 euro, elk voor een tweeëntwintigste, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. VII-42.621-36/37 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op dertien april tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Francis Van Nuffel, staatsraad, Frédéric Vanneste, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-42.621-37/37 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.349 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div