id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 april 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.388 Rolnummer: A. 247853/XII-10087 Zaak: Arrest 266388 - Sluitingen van vestigingen - 16/04/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-04-17 Raadplegingen: 87 - laatst gezien 2026-06-18 06:48 Fiche Arrest nr 266.388 van 16 april 2026 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Sluitingen van vestigingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 266.388 van 16 april 2026 in de zaak A. 247.853/XII-10.087 In zake:
- de BV KÖFTE & CO
- C.T. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Verbelen kantoor houdend te 2000 Antwerpen Amerikalei 122/14 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de STAD LOKEREN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Cies Gysen en Jory Brabants D’Hooghe kantoor houdend te 2800 Mechelen Antwerpsesteenweg 16-18 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 9 april 2026, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “het besluit van de burgemeester van de stad Lokeren genomen op 07/04/2026 waarbij de tijdelijke sluiting werd bevolen van Köfte & Co gelegen te 9160 Lokeren, Vierschaarstraat 2, gedurende 4 weken vanaf zaterdag 11/04/2026 tot en met zaterdag 06/05/2026”. XII-10.087-1/14 II. Verloop van de rechtspleging
- Bij beschikking van 10 april 2026 werd de procedurekalender vastgesteld en werden de partijen opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 16 april
- De nota met opmerkingen en het administratief dossier werden ingediend overeenkomstig de procedurekalender. Staatsraad Ann Coolsaet heeft verslag uitgebracht. Advocaat Hanne Lambreghts, die loco advocaat Bart Verbelen verschijnt voor de verzoekende partijen en advocaat Jory Brabants D’Hooghe, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Daniël Plas heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De eerste verzoekende partij, opgericht door tweede verzoeker, baat de handelszaak Köfte & Co – een snack- en shishabar – uit te Lokeren. 3.
- Op 16 februari 2026 beslist de burgemeester van de stad Lokeren om de voornmelde inrichting in toepassing van artikel 134ter van de nieuwe gemeentewet tijdelijk te sluiten van 19 februari 2026 tot 25 februari
- De aanleiding tot deze bestuurlijke maatregel zijn “o.a.” vaststellingen inzake de XII-10.087-2/14 overtreding van het rookverbod en de verkoop van niet-conform geëtiketteerde losse waterpijptabak. 3.
- Op 25 februari 2026 voert de lokale politie een controle uit op de naleving van de hiervoor vermelde bestuurlijke maatregel. 3.
- Op 17 maart 2026 bezorgt de korpschef van de lokalepolitiezone aan de burgemeester een bestuurlijk verslag over de vaststellingen tijdens de bestuurlijke sluiting van de handelszaak van de eerste verzoekende partij. Het verslag vermeldt: “Op 25/02/2026 omstreeks 22.48 uur merken Inspecteurs [C.] en [R.] een groot aantal geparkeerde voertuigen op ter hoogte van de tankstations Q8 en Total (Kruispunt Zelebaan – Vierschaarstraat). De parkings situeren zich in de onmiddellijke nabijheid van Köfte en Co, waardoor de inspecteurs het vermoeden hebben dat er een bijeenkomst is in deze zaak. Ze begeven zich vervolgens naar de shishabar en stellen vast dat de voordeur is afgeplakt met papier. Via een spleet kunnen ze naar binnen kijken en zien ze mensen in de bar zitten. Vervolgens openen ze de niet-slotvaste voordeur, betreden ze de zaak en maken ze zich kenbaar. De inspecteurs stellen vast dat er een 20 à 25-tal bezoekers zijn die naast elkaar op stoelen zitten, terwijl ze naar een voetbalwedstrijd van de Turkse club Galatasaray op een scherm zitten te zien. Een aantal onder hen rookt shisha en dit in de algemene ruimte (niet-rokerszone). De zaakvoerder [T. C. B.] (°12/04/1992 – zaakvoerder) is eveneens ter plaatse en deelt de inspecteurs mee dat zijn vrienden/klanten hem overtuigd hebben om in de zaak de wedstrijd te kunnen volgen. Hij ging in op hun voorstel omdat hij geen financieel verlies wilde lijden. Later in het gesprek past hij zijn verhaal aan en zegt hij dat het om een privéaangelegenheid gaat waarbij de genodigden gratis konden verteren.” 3.
- Bij aangetekende brief gedateerd 23 maart 2026 wordt de tweede verzoeker in zijn hoedanigheid van bestuurder van de eerste verzoekende partij uitgenodigd om te worden gehoord door de burgemeester op 2 april
- Op 2 april 2026 hoort de burgemeester de verzoekende partijen met bijstand van hun raadsman. Hiervan wordt een proces-verbaal opgesteld. XII-10.087-3/14 3.
- Op 7 april 2026 beslist de burgemeester om de handelszaak Köfte & Co te sluiten voor de duur van vier weken met ingang van 11 april 2026 tot 9 mei
- Dit is de bestreden beslissing. De bestreden beslissing is, na de beschrijving van de “[b]evoegdheid”, de “[f]eitelijke context”, de “[j]uridische context” en de “[p]rocedurele vereisten” als volgt formeel gemotiveerd: “Argumentatie De hierboven vermelde herhaaldelijke overtredingen dienen als zeer ernstig te worden beschouwd, met een aanzienlijk risico voor de openbare gezondheid en orde. Op basis van de verslagen van de Hoofdcommissaris - Korpschef PZ Lokeren is het voorstel om KÖFTE&CO opnieuw tijdelijk te sluiten en ditmaal voor 4 weken omwille van volgende reden: • De regelgeving rond rookverbod en tabaksverkoop wordt herhaaldelijk genegeerd ondanks het verkrijgen van een vergunning. • De vastgestelde inbreuken hebben rechtstreekse impact op de volksgezondheid. • De nieuwe vaststellingen tonen volgens de burgemeester aan dat de uitbater de regels structureel en bewust niet naleeft. • De nieuwe maatregel van tijdelijke sluiting past binnen de bevoegdheid van de burgemeester krachtens artikel 134ter van de Nieuwe Gemeentewet; De raadsman haalt aan dat een nieuwe sluiting aanleiding zal geven tot onherroepelijke financiële gevolgen die het voortbestaan van de zaak in het gedrang brengen en vormt een financieel verlies. Volgens de raadsman werd er gerookt in de niet-rokersruimte net omdat het in de privésfeer was en de zaak niet open was voor het publiek. Deze nieuwe bestuurlijke maatregel komt er wegens het niet naleven van de bestuurlijke maatregelen opgelegd door het ambt van de burgemeester bij besluit van 16.02.2026 en de inbreuk op het rookverbod in afgesloten ruim[t]en die toegankelijk zijn voor het publiek, zelfs als ze niet in gebruik zijn. Gezien • de vaststellingen opgenomen in het bestuurlijk verslag van 07/11/2025, 20/11/2025, en 30/01/2026; • het niet naleven van de bestuurlijke maatregelen opgelegd door het ambt van de burgemeester bij besluit van 16.02.2026, • het PV met nummer DE.62.L6.[…] dd.17/03/2026 dat werd overgemaakt aan de FOD Volksgezondheid met afschrift aan de Procureur des Konings. Voornoemd proces-verbaal betreft de inbreuk op het rookverbod in afgesloten ruimten die toegankelijk zijn voor het publiek, zelfs als ze niet in gebruik zijn. • het feit dat KÖFTE & CO, ondanks het verkrijgen van een vergunning voor de uitbating van een waterpijpbar, de vigerende regelgeving betreffende rookverbod, rookruimtes en verkoop van tabaksproducten herhaaldelijk naast zich neerlegt; XII-10.087-4/14 • de negatieve effecten van deze herhaaldelijke inbreuken op de openbare orde, en in het bíjzonder op de openbare gezondheid, gelet op de aard en de ernst van de overtredingen; • dat uit de vaststellingen van onder andere FOD Volksgezondheid blijk dat deze inbreuken rechtstreeks indruisen tegen de regelgeving die specifiek tot doel heeft de volksgezondheid te beschermen; • GAS-PV met nummer DE.92.L6.[…] dd. 05/03/2026 dat werd overgemaakt naar de sanctionerend ambtenaar van de Stad Lokeren, betreft de inbreuk op Art.3 § 1 van het Algemeen Politiereglement: Iedereen moet de besluiten van de burgemeester, de politieverordeningen en alle reglementen en verordeningen bekrachtigd door de gemeenteraad naleven; een sluiting van 4 weken gerechtvaardigd is, en dat er geen elementen werden aangebracht die van die aard zijn om tot andersluidende conclusies te komen. De sluiting dient onverwijld te gebeuren en dat rekening houdend met de betekening van onderhavig besluit het redelijk is de sluiting te laten ingaan op zaterdag 11 april
- De sluitingsmaatregel dient op de eerstvolgende vergadering van het college van burgemeester en schepenen bevestigd te worden; Er zullen de komende maanden nieuwe controles ingepland worden teneinde na te gaan of rookwetgeving effectief wordt nageleefd en dit in het belang van de volksgezondheid.” 3.
- De bestreden beslissing wordt ter kennis gegeven aan de verzoekende partijen bij brief van 7 april 2026 afgegeven tegen ontvangstbewijs. 3.
- Op 13 april 2026 heeft het college van burgemeester en schepenen van de verwerende partij de bestreden beslissing bekrachtigd. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
- De verzoekende partijen dienen de dag van de terechtzitting een aanvullend stuk in. De toepasselijke procedureregeling voorziet niet in de mogelijkheid tot de neerlegging van aanvullende stukken. Dit geldt te dezen des te meer nu het duidelijk een stuk betreft, waarover de verzoekende partijen op het ogenblik van het indienen van het verzoekschrift beschikten. Het aanvullend neergelegde stuk wordt uit het debat geweerd. XII-10.087-5/14 V. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van de bestreden beslissing prima facie kan worden verantwoord. Overeenkomstig paragraaf 5 van datzelfde artikel wordt de zaak behandeld bij uiterst dringende noodzakelijkheid en derhalve binnen een termijn van vijftien dagen of minder, wanneer zulks in het opschrift wordt vermeld. VI. Uiterst dringende noodzakelijkheid Uiteenzetting van de uiterst dringende noodzakelijkheid
- De verzoekende partijen zetten uiteen dat er sprake is van uiterst dringende noodzakelijkheid omdat de sluitingsmaatregel betrekking heeft op een periode van vier weken vanaf 11 april
- Na erop te hebben gewezen dat de inrichting een nieuwe snack- en shishabar betreft, waarin veel is geïnvesteerd en die hoge kosten moet dragen, zetten de verzoekende partijen uiteen dat de bestreden beslissing de handelsactiviteiten van de eerste verzoekende partij onmogelijk maakt en haar reputatie onherroepelijk zal aantasten. De eerste verzoekende partij zou immers, vanwege het gebrek aan inkomsten en de hoge kosten, een periode van vier weken financieel niet kunnen overbruggen. Voorts wijzen de verzoekende partijen op het verlies aan cliënteel gedurende deze periode en de onmogelijkheid om het personeelsbestand te behouden bij gebrek aan inkomsten. Tevens wijzen de verzoekende partijen op verschillende kosten die verband houden met nutsvoorzieningen, onderhoud, loonkosten, bijdragen aan het FAVV en SABAM, verzekeringen, belastingen en bankwezen. Zij besluiten dat de schorsing na afwikkeling van de normale schorsingsprocedure onherroepelijk te XII-10.087-6/14 laat zou komen. Beoordeling
- De schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid houdt een ernstige verstoring in van het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, herleidt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en beperkt in aanzienlijke mate de uitoefening van de rechten van verdediging van de verwerende partij. De aanwending van die procedure moet dan ook zeer uitzonderlijk blijven in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak meteen voor iedereen zonder meer duidelijk is, of door de verzoekende partij op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond. Luidens artikel 8, § 1, tweede lid, 2°, van het koninklijk besluit van 19 november 2024 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding en tot wijziging van diverse besluiten betreffende de procedure voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’, bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”. Dit impliceert dat een verzoekende partij aan de hand van precieze en concrete gegevens aannemelijk maakt dat de schorsing van de tenuitvoerlegging, indien ze pas na het afwikkelen van de gewone schorsingsprocedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen of de belangen van de verzoekende partij veilig te stellen. De uiterst dringende noodzakelijkheid kan daarenboven niet voortkomen uit de enkele omstandigheid dat ingevolge de doorlooptijd van de zaak een uitspraak volgens de gewone schorsingsprocedure of een uitspraak ten gronde XII-10.087-7/14 zou tussenkomen in een min of meer verre toekomst, waardoor de gewone schorsings- of annulatieprocedure een verzoekende partij niet toelaat een arrest te verkrijgen voordat de bestreden handeling haar volledige uitwerking heeft gehad. Opdat aan de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid voldaan zou zijn, moet deze vaststelling ten minste gepaard gaan met andere feitelijke gegevens die eigen zijn aan de voorliggende zaak en die aantonen dat de uiterst dringende noodzakelijkheid eraan inherent is. Niet minder dan het geval is in de gewone schorsingsprocedure, is daartoe vereist dat de verzoekende partij het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten om haar beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen.
- Bij de concrete uitwerking van de uiterst dringende noodzakelijkheid moet een verzoekende partij er zich voor hoeden dat begrip niet op een algemene wijze te omschrijven. Algemene beschouwingen die niet worden ondersteund door concrete elementen kunnen niet in aanmerking worden genomen. Het bewijs van de uiterst dringende noodzakelijkheid mag zich niet beperken tot een theoretische uiteenzetting, doch vereist het aanreiken van concrete, specifiek op de verzoekende partij betrekking hebbende en verifieerbare gegevens dat zij het resultaat van de procedure tot nietigverklaring of de gewone schorsingsprocedure niet kan afwachten op straffe van zich in een toestand te bevinden met ernstige, onherroepelijke schadelijke gevolgen, wat, zoals hierna zal blijken, de verzoekende partijen te dezen nalaten te doen.
- Hoewel de Raad van State te dezen geen reden ziet die ertoe noopt te besluiten dat de verzoekende partijen niet met gepaste spoed en diligentie hun vordering hebben ingesteld eenmaal zij van de bestreden beslissing kennis kregen, volstaat dit evenwel op zich niet om de uiterst dringende noodzakelijkheid aan te tonen. Diligent optreden bij het inleiden van een procedure tot schorsing bij XII-10.087-8/14 uiterst dringende noodzakelijkheid is weliswaar een noodzakelijke, maar geen voldoende voorwaarde opdat aan het vereiste van de uiterst dringende noodzakelijkheid zou zijn voldaan.
- De verzoekende partijen voeren vooreerst aan dat de sluiting van de handelszaak gedurende vier weken een financiële doodsteek betekent, ingevolge een gebrek aan inkomsten, terwijl zij wel hoge kosten moeten dragen. Zij beroepen zich derhalve op een financieel nadeel. Hoewel het zich laat verstaan dat de bestreden beslissing voor de verzoekende partijen ingrijpende gevolgen heeft op financieel vlak, dan nog is vereist dat zij, willen zij spoedeisendheid en te dezen een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid verantwoorden, concreet aantonen aan de hand van verifieerbare gegevens en stavingsstukken dat de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, indien ze pas na het afwikkelen van de gewone schorsingsprocedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen of de belangen van de verzoekende partijen veilig te stellen. Een financieel-economisch nadeel verantwoordt immers in de regel niet de spoedeisendheid – laat staan de uiterst dringende noodzakelijkheid – tenzij de verzoekende partijen concreet kunnen aantonen in een zodanige penurie te zitten dat zij de normale afloop van de schorsingsprocedure niet kunnen afwachten; bewijs dat, zoals hierna zal blijken, door de verzoekende partijen niet wordt geleverd.
- Ter staving van het financieel nadeel benadrukken de verzoekende partijen meermaals dat zij gedurende de sluiting van vier weken geen inkomsten kunnen genereren. Zoals hiervoor is uiteengezet, volstaat het loutere ontberen van inkomsten op zich evenwel niet, opdat voldaan is aan de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid. XII-10.087-9/14
- Voorts voeren de verzoekende partijen aan dat bij het heropenen van de handelszaak na vier weken de negatieve financiële gevolgen onomkeerbaar zullen zijn en de handelszaak definitief zal moeten sluiten. Dit standpunt overtuigt evenwel niet om aan te tonen dat er sprake is van uiterst dringende noodzakelijkheid. Het komt immers de verzoekende partijen toe, wanneer zij zich zoals te dezen, beroepen op de onomkeerbaarheid van de financiële impact van de bestreden beslissing, om door middel van geloofwaardige stukken, een globaal en, zodoende, betrouwbaar inzicht te geven in hun bestaande financiële toestand, zodat de Raad van State dit met kennis van zaken kan beoordelen. De verzoekende partijen doen dit niet. Zij leggen weliswaar enkele stukken neer die enig inzicht in de passiva van de eerste verzoekende partij bieden, doch blijven in gebreke om een globaal inzicht te geven in hun financiële situatie en in hun financiële reserves.
- De verzoekende partijen leggen vooreerst een “Actief passief resultatenbalans” neer. Een eerste vaststelling is dat de verzoekende partijen evenwel enkel “Pagina 2/6” van dat document neerleggen, dat enkel inzicht geeft in het passief van de eerste verzoekende partij. De verzoekende partijen verzuimen daarmee om een volledige en actuele balans of staat van activa en passiva neer te leggen waarbij inzicht wordt geboden in het geheel van activa, passiva en de (verwachte) resultaten van de eerste verzoekende partij. Evenmin bieden de verzoekende partijen een voldoende inzicht in de liquiditeitspositie van de eerste verzoekende partij. Nochtans zijn dergelijke gegevens essentieel om, wat de vennootschapsvorm van de eerste verzoekende partij betreft, desgevallend een balanstest met betrekking tot het netto actief of een liquiditeitstest uit te voeren om de financiële toestand, alsook de verdere continuïteit en instandhouding van het vermogen van de eerste verzoekende partij, te kunnen inschatten. Voorts leidt de Raad van State uit het voorgelegde stuk – de pagina 2/6 hiervoor vermeld – en bij gebrek aan verdere toelichting in het XII-10.087-10/14 verzoekschrift, af dat de financiële situatie van de eerste verzoekende partij niet zo uitzichtloos is als de verzoekende partijen willen doen geloven. Daargelaten dat het overzicht van het passief slechts betrekking heeft op 2025, blijkt uit dat stuk dat er onder de rubriek die de schulden op meer dan één jaar weergeeft, geen enkele schuld wordt vermeld. Voorts blijkt het saldo van het krediet aangegaan voor de aankoop van beroepsuitrusting, waarvan de verzoekende partijen een afzonderlijk stuk neerleggen, geheel opgenomen onder de schulden op meer dan één jaar die binnen het jaar vervallen, terwijl uit het neergelegde stuk betreffende het krediet blijkt dat dit krediet loopt tot 3 maart
- Voorts zijn de vermelde passiva hoofdzakelijk de gebruikelijke handels- en andere schulden verbonden aan de exploitatie van een handelszaak, zoals schulden aan leveranciers en te betalen btw, waartegenover uiteraard ook inkomsten staan, waarin de Raad van State evenwel geen inzicht wordt geboden. Daar de verzoekende partijen het stilzwijgen bewaren over hun globale financiële situatie en in het bijzonder hun inkomsten en financiële reserves, tonen de verzoekende partijen met dit stuk niet aan in een zodanige penurie te zitten dat zij de normale afloop van de schorsingsprocedure niet kunnen afwachten.
- Voorts leggen de verzoekende partijen een stuk neer dat zij een “Overzicht rekening” noemen. Het betrokken stuk levert dan wel het bewijs dat de eerste verzoekende partij uitgaven heeft gedaan in de maanden februari, maart en april 2026 en dat die uitgaven een negatief saldo ten belope van 9.984,26 euro op een rekening van de eerste verzoekende partij hebben veroorzaakt, doch ook dit stuk biedt geen inzicht in de inkomsten van de eerste verzoekende partij in de corresponderende periode. Niettemin moet worden vastgesteld dat de eerste verzoekende partij zelf aangeeft in de periode van 1 februari 2026 tot en met 13 maart 2026, waarin zij ingevolge een eerdere bestuurlijke maatregel (zie supra, nr. 3.2) alvast één week gesloten was, inkomsten ten belope van minstens 16.353 euro te hebben kunnen optekenen. De Raad van State stelt opnieuw vast dat in het geheel van de inkomsten evenwel geen inzicht wordt geboden. De verzoekende partijen tonen met dit stuk derhalve evenmin aan in een zodanige penurie te zitten dat zij de normale afloop van de schorsingsprocedure niet kunnen afwachten. XII-10.087-11/14
- Ten slotte verwijzen de verzoekende partijen naar een stuk waarmee zij willen aantonen dat zij tijdens de periode van één week sluiting (zie supra, nr. 3.2) al een inkomensverlies hebben geleden. Het betreft een handgeschreven overzicht van de ontvangsten in de periode van 1 februari 2026 tot en met 12 maart
- Daargelaten dat grote gedeelten van dat stuk niet of zeer moeilijk leesbaar zijn, laat het op zich niet toe om te besluiten dat de eerste verzoekende partij ten gevolge van de bestreden beslissing niet langer in staat zal zijn om haar activiteiten verder te zetten. Los van de vraag of uit dit stuk kan worden afgeleid dat een sluiting na heropening leidt tot een blijvend verlies aan inkomsten – de sterk wisselende ontvangsten van dag tot dag blijken zich immers ook al voor de eerste sluiting te hebben voorgedaan –, maakt het stuk wel duidelijk dat de eerste verzoekende partij nog steeds kan worden geacht in staat te zijn om na een sluiting inkomsten te generen.
- Ook de overige neergelegde stukken, die overigens niet worden betrokken in de uiteenzetting van de uiterst dringende noodzakelijkheid, doen niet anders oordelen en doen niet besluiten dat de bestreden beslissing leidt tot financiële problemen die het voortbestaan of het financieel evenwicht van de handelszaak in ernstige mate in het gedrang brengen.
- Uit wat voorafgaat, volgt dat de verzoekende partijen niet aannemelijk maken dat zij door de bestreden beslissing in een dermate precaire financiële situatie terechtkomen dat zij de duur, die een gewone vordering tot schorsing in beslag neemt, en die zou verantwoorden dat hun vordering bij voorrang dient te worden behandeld, niet zullen kunnen dragen.
- Voorts menen de verzoekende partijen dat er sprake is van uiterst dringende noodzakelijkheid omdat na vier weken sluiting het cliënteel een nieuwe bar zal hebben gevonden, de reputatie van de eerste verzoekende partij onherroepelijk zal zijn aangetast, en ook het personeel zal vertrekken. Dit standpunt overtuigt evenmin. XII-10.087-12/14 Vooreerst merkt de Raad van State op dat het verlies aan cliënteel gedurende de maand van de sluiting in wezen ook een financieel, en dus in principe herstelbaar, nadeel is. Hiervoor werd reeds uiteengezet waarom het aangevoerde financiële nadeel niet van die aard is dat het de schorsing van de bestreden beslissing bij uiterst dringende noodzakelijkheid zou verantwoorden. Er wordt naar verwezen. Voorts merkt de Raad van State op dat in de mate dat de verzoekende partijen reputatieschade aanvoeren, dit in wezen een moreel nadeel betreft. De verzoekende partijen maken te dezen evenwel niet aannemelijk dat die beweerde morele schade van die aard is dat de bestreden beslissing, in afwachting van een uitspraak volgens de gewone schorsingsprocedure, hen in een schadelijke toestand brengt, die niet te verdragen valt. Het volstaat immers niet te wijzen op de nadelige gevolgen van de bestreden beslissing en aan te voeren dat enkel een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid de verzoekende partijen voor reputatieschade kan behoeden. Tevens moet worden aangetoond dat de nadelen van die aard en omvang zijn dat de verzoekende partijen ze niet kunnen lijden totdat over een gewone vordering tot schorsing van de zaak uitspraak wordt gedaan. De verzoekende partijen leggen geen enkel objectief stuk neer dat dit ook maar enigszins aannemelijk maakt. Voorts maken de verzoekende partijen geenszins aannemelijk dat zij de personeelsleden waarop zij thans een beroep doen, zullen verliezen door de sluiting van de handelszaak gedurende één maand. Die vrees lijkt uiterst voorbarig en louter hypothetisch. VII. Conclusie
- Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 5, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. XII-10.087-13/14 BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- De verzoekende partijen worden, elk voor de helft, verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 26 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zestien april tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Ann Coolsaet, staatsraad, waarnemend voorzitter bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Ann Coolsaet XII-10.087-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.388 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div