id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 april 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.401 Rolnummer: A. 247180/XII-10022 Zaak: Arrest 266401 - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan - 17/04/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-04-20 Raadplegingen: 83 - laatst gezien 2026-06-18 06:48 Fiche Arrest nr 266.401 van 17 april 2026 Openbaar ambt - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.401 no lien 288756 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 266.401 van 17 april 2026 in de zaak A. 247.180/XII-10.022 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Crispyn kantoor houdend te 9030 Mariakerke Mazestraat 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken woonplaats kiezend bij de Federale politie DGR/JUR/CTX gevestigd te 1000 Brussel Koningsstraat 202A -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 28 januari 2026, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van “[h]et besluit dd. 28/10/2025 door […], directeur-generaal a.i. algemene directie van het middelenbeheer en de informatie, waarbij verzoeker […] een uitstel van pensioendatum na de leeftijd van 66 jaar is geweigerd”. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij beschikking van 25 februari 2026 werd de procedurekalender vastgesteld en werden de partijen opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 16 april
- XII-10.022-1/9 De nota met opmerkingen en het administratief dossier werden ingediend overeenkomstig de procedurekalender. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een verslag opgesteld. Staatsraad Ann Coolsaet heeft verslag uitgebracht. Advocaat Mats Mertens, die loco advocaat Peter Crispyn verschijnt voor verzoeker en adviseur Kirsten Peeters, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is eerste arts bij de Federale politie. Tot 25 november 2025 was hij diensthoofd. 3.
- Op 1 mei 2026 zal verzoeker de wettelijke pensioenleeftijd van 66 jaar bereiken. 3.
- Op 20 oktober 2025 dient verzoeker een aanvraag in “voor indiensthouding na de leeftijd van 66 jaar” voor de duur van één jaar. Op het aanvraagformulier vermeldt verzoeker dat hij eerste arts is en meer specifiek “[d]iensthoofd” van de vermelde dienst. 3.
- Op 22 oktober 2025 verstrekt de onmiddellijke hiërarchische meerdere het vereiste met redenen omklede advies, dat luidt: XII-10.022-2/9 “Wat de gepastheid van de indiensthouding voor de instelling betreft: Gebaseerd op de niet cumulatieve criteria, vastgelegd door de CG in nota 2022/3560N
- Advies sleutelfunctie uitoefenen
- Kennis expertise overdragen (nationaal/internationaal)
- Evaluatie bezitten: goed die bekwaamheid aanduidt
- Vervanging in functie voor optimale werking Om de optimale dienstverlening van de medische dienst te kunnen garanderen, is het noodzakelijk om deze functie te vervangen wanneer het diensthoofd in pensioen gaat (sleutelfunctie). In afwachting van statutair iemand, kan deze positie waargenomen worden door een andere arts uit het team. Ik heb geen kennis van een evaluatie die zijn bekwaamheid tot verlen[g]ing aangeeft. Belangrijk is hier tijdig in te voorzien, zodat de overdracht van kennis kan gebeuren. Mits deze maatregelen in plaats gesteld kunnen worden, is mijn advies voor verlenging negatief.” 3.
- Op 27 oktober 2025 verstrekt “de houder van de management- of staffunctie die het dichtst bij die van de aanvrager ligt of, bij ontstentenis daarvan, van de ambtenaar die de dienst leidt” eveneens het vereiste advies, dat luidt: “Wat de gepastheid van de indiensthouding voor de instelling betreft: Rekening houdend met de analyse en het advies van het afdelingshoofd, en gelet op de aangehaalde elementen met betrekking tot de functie en de vervangingsvoorwaarden, geef ik een negatief advies over een verlenging in deze functie.” 3.
- Eveneens op 27 oktober 2025, doch ondertekend op 28 oktober 2025, brengt de directeur-generaal a.i. van de algemene directie van het Middelenbeheer en de Informatie “een ongunstig advies uit over het verzoek tot verlenging, overeenkomstig de negatieve adviezen van de betrokken directie”. Dit advies is op het aanvraagformulier opgenomen onder de rubriek “met redenen omklede beslissing van de leidend ambtenaar”. Dit is de bestreden beslissing. 3.
- Op 25 november 2025 herplaatst de waarnemend commissaris- generaal van de Federale politie verzoeker naar een andere dienst in de hoedanigheid van raadgevend arts. XII-10.022-3/9 3.
- Bij brief van 28 januari 2026 wijst de raadsman van verzoeker in reactie op de bezorgde adviezen (zie supra, nrs. 3.4-3.6) erop dat verzoeker de functie van diensthoofd niet meer uitoefent doch werd herplaatst als “lid raadgevend arts”. Hij besluit dat een repliek op de adviezen daarom niet meer nuttig is, net zomin als de adviezen zelf. 3.
- Bij e-mail van 18 februari 2026 antwoordt het departementshoofd van de algemene directie van het Middelenbeheer en de Informatie – directie van het personeel – departement van het loopbaanbeheer van de Federale politie (hierna: het departementshoofd) aan de raadsman van verzoeker en verzoekt hij, gelet op de nieuwe functie van verzoeker als adviserend arts, om opnieuw een uitstel van de wettelijke pensioendatum aan te vragen en dit te motiveren in het kader van zijn “huidige rol”. Op 4 maart 2026 brengt het departementshoofd deze email in herinnering. 3.
- Op 19 maart 2026 stelt het auditoraat de volgende vraag aan de raadsman van verzoeker: “Geachte Meester, Het administratief dossier in bovenvermelde zaak bevat een email van 18 februari 2026 uitgaande van […] (die meeleest) waarin hij Uw cliënt verzoekt - gelet op zijn huidige functie als adviserend arts binnen […] – ‘een uitstel aan te vragen van zijn wettelijke pensioendatum en dit te motiveren in het kader van deze huidige rol’ (adm. doss., st. 5). Dat emailbericht wordt op 4 maart 2026 in herinnering gebracht (adm. doss., st. 6). Graag had ik van U vernomen of aan dit verzoek gevolg werd gegeven en wat de (eventuele) uiteindelijke beslissing is geworden. Mag ik U vragen mij de informatie uiterlijk woensdag 25 maart 2026 te bezorgen.” 3.
- In antwoord op de voormelde vraag van het auditoraat bezorgt de verwerende partij het antwoord dat het departementshoofd heeft ontvangen in reactie op het verzoek om een nieuwe aanvraag te doen. In dit antwoord vermeldt verzoeker onder meer: “Maar als ik nu een nieuwe aanvraag doe als raadgevend arts, geef ik hen een simpele reden om nee te zegen: de aanvraag was te laat.” XII-10.022-4/9 3.
- De raadsman van verzoeker antwoordt op 24 maart 2026 op de voormelde vraag van het auditoraat: “In aansluiting op het antwoord van mevr. [P.] kan ik [bevestigen dat verzoeker] aldus antwoord heeft gelaten aan dhr. [T.] doch dat er tot op heden nog geen beslissing is tussengekomen.” IV. Ontvankelijkheid van het beroep Uiteenzetting van de exceptie
- In de nota werpt de verwerende partij op dat de bestreden beslissing geen voor de Raad van State aanvechtbare beslissing is, maar een voorbereidende handeling die geen eigen negatieve rechtsgevolgen voor verzoeker met zich meebrengt. Zij wijst erop dat de commissaris-generaal van de Federale politie bevoegd is om te beslissen over de indiensthouding na het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd. De door verzoeker bestreden beslissing betreft het advies van de directeur-generaal a.i. van de algemene directie van het Middelenbeheer en de Informatie, dat volgens de verwerende partij verkeerdelijk in het vakje van de beslissing staat, hoewel het expliciet vermeldt dat het een advies betreft. Bestuurshandelingen die in de loop van een administratieve procedure worden gesteld met het oog op de totstandkoming van een bestuurlijke rechtshandeling, maar die zelf geen rechtsgevolgen hebben, zijn volgens de verwerende partij niet voor vernietiging vatbaar. Momenteel is er nog geen eindbeslissing van de commissaris-generaal van de Federale politie, omdat aan verzoeker, gelet op zijn herplaatsing, werd gevraagd om een nieuwe aanvraag in te dienen. Beoordeling
- De Raad van State kan in een kort geding slechts een beperkt onderzoek wijden aan ontvankelijkheidsexcepties. Een verzoekende partij kan er zich immers minder behoorlijk tegen verweren dan in een procedure ten gronde. Daarom past het in een kort geding dat de Raad van State deze excepties eerder XII-10.022-5/9 zou verwerpen dan aannemen, tenzij indien zijn beperkt onderzoek uitwijst dat een dergelijke exceptie een hoge graad van ernst vertoont.
- In de huidige stand van het geding wordt in dat verband vastgesteld dat verzoeker zich in zijn verzoekschrift in de rubriek betreffende de ontvankelijkheid van het beroep beperkt tot het standpunt dat de ontvankelijkheid ratione materiae evident is, daar de bestreden beslissing een voor vernietiging vatbare bestuurshandeling is. In de uiteenzetting van de feiten geeft verzoeker evenwel aan dat het bestuur hem in verwarring brengt door op het aanvraagformulier in de ruimte bestemd voor de beslissing een advies op te nemen. Volgens verzoeker is het onduidelijk of er nu al dan niet sprake is van een aanvechtbare eindbeslissing, dan wel of de aanvraag zich nog in de adviesfase bevindt. Verzoeker geeft aan – in die omstandigheden – met zijn beroep te willen vermijden dat hij tussen twee stoelen valt.
- Het auditoraat besluit tot de gegrondheid van de exceptie op grond van de volgende overwegingen: “2.
- Artikel 1 van het koninklijk besluit van 12 mei 1927 ‘betreffende de ouderdom van de oppensioenstelling van de ambtenaren, de beambten en het dienstpersoneel van den staat’ (hierna: het koninklijk besluit van 12 mei 1927) luidt: ‘De ambtenaren, de bedienden en het dienstpersoneel der beheeren van den Staat worden van ambtswege op pensioen gesteld en kunnen hunne rechten op het pensioen doen gelden, zoodra zij den vollen ouderdom van 65 jaar bereikt hebben. […].’ In afwijking van de principiële oppensioenstelling op de leeftijd van 65 jaar (lees : 66) bepaalt artikel 3 van het koninklijk besluit van 12 mei 1927: ‘Het in activiteit blijven boven de leeftijd van 65 jaar kan worden toegelaten door de leidend ambtenaar op aanvraag van de ambtenaar. De beslissing wordt met redenen omkleed. De periode van in activiteit blijven wordt bepaald voor de maximumduur van één jaar. Deze kan worden hernieuwd. De minister tot wiens bevoegdheid de Ambtenarenzaken behoren bepaalt de procedure.’ Voormeld artikel wordt uitgevoerd door het ministerieel besluit van 11 september 2012 ‘tot uitvoering van artikel 3 van het koninklijk besluit van 12 mei 1927 betreffende de ouderdom van de oppensioenstelling van de ambtenaren, de beambten en het dienstpersoneel van de Staat’. Het enig artikel luidt: ‘De ambtenaar die na het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd in dienst wenst te worden gehouden dient hiertoe ten vroegste achttien maanden voor deze datum en ten laatste zes maanden voor deze datum bij zijn onmiddellijke hiërarchische meerdere een aanvraag in door middel van het bij dit besluit gevoegde formulier. In geval van een aanvraag tot hernieuwing ingediend na het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd moet de aanvraag uiterlijk zes maanden voor het ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.401 XII-10.022-6/9 verlopen van de vorige verlenging ingediend worden. De termijn wordt gereduceerd tot drie maanden wanneer de duur van deze verlenging korter was dan zes maanden. De ambtenaar stuurt tegelijkertijd een kopie van zijn aanvraag, en eventueel van zijn aanvraag tot hernieuwing, naar de directeur van de stafdienst Personeel en Organisatie of, in de diensten waar deze functie niet is toegekend, naar de directeur of naar de verantwoordelijke van de dienst belast met het humanresourcesmanagement of, bij gebrek hieraan, naar de verantwoordelijke van de personeelsdienst. De hiërarchische meerdere bezorgt de aanvraag, binnen een termijn van vijftien dagen, alsook zijn met redenen omkleed advies aan de houder van de management- of staffunctie die het dichtst bij die van de aanvrager ligt, of, bij ontstentenis daarvan, aan de ambtenaar die de dienst leidt. De houder van de management- of staffunctie die het dichtst bij die van de aanvrager ligt of, bij ontstentenis daarvan, de ambtenaar die de dienst leidt, bezorgt op zijn beurt de aanvraag met het advies van de hiërarchische meerdere alsook zijn eigen advies, aan de leidend ambtenaar, binnen een termijn van vijftien dagen. De met redenen omklede adviezen hebben zowel betrekking op de gepastheid van de indiensthouding voor de instelling als op de meest geschikte duur voor deze indiensthouding. Indien een advies niet binnen de gestelde termijn is verstrekt, wordt de procedure vervolgd op initiatief van de in het derde lid bedoelde […] dienst. De leidend ambtenaar neemt een met redenen omklede beslissing binnen de dertig dagen na de ontvangst van het dossier.’. Uit de permanente nota van 19 juli 2022 (adm. doss., st. 7) blijkt dat de beslissing tot indiensthouding na het bereiken van de leeftijd van 65 (lees: 66) jaar wordt genomen door de commissaris-generaal, als leidend ambtenaar. Vastgesteld moet worden dat in voorliggend dossier geen dergelijke (eind)beslissing voorligt, hetgeen trouwens ook blijkt uit het antwoord van 24 maart 2026 van de raadsman van verzoeker. Daar waar in het vak ‘
- Met redenen omklede beslissing van de leidend ambtenaar’ die eindbeslissing zou moeten worden veruitwendigd, wordt er slechts het ongunstig advies van DGR vermeld. Dergelijk advies kan geenszins worden beschouwd als de eindbeslissing, en is om de redenen zoals weergegeven in de nota van de verwerende partij niet voor vernietiging vatbaar. 2.
- Louter volledigheidshalve kan nog de vraag worden gesteld welk belang verzoeker nog heeft bij voorliggend beroep nu hij zelf aangeeft dat een repliek op de verstrekte adviezen niet langer nuttig is, net zoals de adviezen zelf (adm. doss., st. 3). Hetzelfde kan derhalve worden gezegd van een eventueel te nemen eindbeslissing, reden waarom deze waarschijnlijk ook niet is genomen. Ten overvloede werd verzoeker de mogelijkheid geboden vanuit de functie waarin hij herplaatst werd, een nieuwe aanvraag te doen, hetgeen hij evenwel niet heeft gedaan. 2.
- De vordering is niet ontvankelijk.”
- Ter terechtzitting, dit is de eerste procedurele gelegenheid na kennisneming van het auditoraatsverslag, betwist verzoeker deze conclusie niet, maar sluit hij zich daarentegen aan bij de bevindingen van het auditoraatsverslag. Gelet op de door de verwerende partij gecreëerde onduidelijkheid vraagt verzoeker evenwel om de kosten ten laste te leggen van de verwerende partij. XII-10.022-7/9
- In die omstandigheden en na eigen onderzoek ziet de Raad van State geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en besluit, de redenering van het auditoraat bijvallend, dat de exceptie in de aangegeven mate gegrond is. Wat de vraag van verzoeker betreft om de kosten ten laste te leggen van de verwerende partij, merkt de Raad van State op dat overeenkomstig artikel 68, vierde lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ de kosten worden begroot en dat uitspraak wordt gedaan over de bijdrage in de betaling ervan in het arrest waarin uitspraak wordt gedaan over het verzoekschrift tot nietigverklaring. Conclusie
- Uit wat voorafgaat, volgt dat de exceptie van de verwerende partij de vereiste ernst vertoont opdat ze in de huidige stand van de zaak kan worden aangenomen en dat ze in de aangegeven mate gegrond is. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker niet bekendgemaakt. XII-10.022-8/9 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zeventien april tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Ann Coolsaet, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Ann Coolsaet XII-10.022-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.401 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div