← België

Arrest 266407 - Tucht (openbaar ambt) - 20/04/2026

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 april 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.407 Rolnummer: A. 242253/XII-9722 Zaak: Arrest 266407 - Tucht (openbaar ambt) - 20/04/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-04-20 Raadplegingen: 84 - laatst gezien 2026-06-18 06:48 Fiche Arrest nr 266.407 van 20 april 2026 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 266.407 van 20 april 2026 in de zaak A. 242.253/XII-9722 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Rob Trips kantoor houdend te 9900 Maldegem Mottedreef 10 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken woonplaats kiezend bij de Federale politie DGR/JUR/CTX gevestigd te 1000 Brussel Koningsstraat 202A -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 20 juni 2024, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de hogere tuchtoverheid van 19 april 2024 waarbij aan verzoeker de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege is opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij arrest nr. 261.018 van 11 oktober 2024 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. Verzoeker heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. XII-9722-1/30 De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. Verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 26 maart
  3. Staatsraad Ann Coolsaet heeft verslag uitgebracht. Advocaat Rob Trips, die verschijnt voor verzoeker en adviseur Jana Mouton, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten
  5. In het arrest nr. 261.018 van 11 oktober 2024, waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing is verworpen, worden de feiten als volgt weergegeven: “3.
  6. Verzoeker was eerste inspecteur van politie bij de Federale politie. 3.
  7. Op 22 december 2022 deelt verzoekers diensthoofd aan de gewone tuchtoverheid van verzoeker mee dat lastens verzoeker een huiszoeking werd XII-9722-2/30 uitgevoerd op de werkplaats. Het diensthoofd deelt tevens mee dat de Algemene Inspectie van de federale politie en van de lokale politie (hierna: de Algemene Inspectie) heeft gevraagd alle gerechtelijke dossiers met parketcode 60 (drugs) waarin verzoeker betrokken was voor de jaren 2020 tot 2022 te bezorgen en dat hij verder de draagwijdte van het dossier niet kent. 3.
  8. Op 22 december 2022 richt de gewone tuchtoverheid een brief aan de procureur des Konings met het verzoek om meer informatie te bekomen. 3.
  9. Op 29 december 2022 antwoordt de procureur des Konings aan de gewone tuchtoverheid als volgt: ‘Met verwijzing naar artikel 26 van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten en met verwijzing naar uw brief van 22 december 2022 stel ik U ervan in kennis dat mijn ambt een opsporingsonderzoek heeft geopend lastens […] wegens feiten die werden gekwalificeerd als handel en bezit verdovende middelen. In kader van voormeld onderzoek werd op 22 december 2022 een huiszoeking uitgevoerd zowel op de werkplaats als in de privé woning van betrokkene. Bij de zoeking werden bezitshoeveelheden drugs aangetroffen met name twee enveloppen met mogelijk cocaïne. Betrokkene verklaarde ook drugs te gebruiken. Het onderzoek inzake eventuele handel dient verder gevoerd te worden. Er kan vermeld worden dat er tevens een PV werd opgesteld inzake mogelijk bezit kinderpornografie […] alsook een PV inzake een eventuele Verontrustende Opvoedingssituatie van de kinderen […]. Zoals aangegeven in uw brief lijken in de huidige stand van zaken de thans genomen maatregelen (intrekking bewapening en geen toegang tot de politionele databanken) te volstaan. U zal oordelen of gelet voormelde feiten een schorsing zich opdringt. Gelet op het geheim van het onderzoek wordt aan de tuchtoverheid op dit ogenblik nog geen inzage toegestaan en worden geen afschriften van stukken overgemaakt. Tevens is er bezwaar tegen het voeren van een parallel’. 3.
  10. Met een nota van 5 januari 2023 wordt de zaak aanhangig gemaakt bij de hogere tuchtoverheid. 3.
  11. De hogere tuchtoverheid beslist op 15 februari 2023 om toepassing te maken van artikel 56, tweede lid, van de wet van 13 mei 1999 ‘houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten’ (hierna: de tuchtwet). 3.
  12. Op 3 maart 2023 vraagt de dienst Toezicht op de interne werking en kwaliteit van de Federale politie (hierna: de dienst TIWK) aan de procureur des Konings om een afschrift van het strafdossier te mogen ontvangen, haar in te lichten over de gevolgen verleend aan het strafdossier en of er nog steeds bezwaar is tegen het voeren van een parallel onderzoek. 3.
  13. Op 20 maart 2023 antwoordt de procureur des Konings dat gelet op de stand van zaken geen afschrift van het dossier wordt overgemaakt, dat het opsporingsonderzoek nog lopende is en dat er bezwaar is tegen het voeren van een parallel voorafgaand onderzoek door de tuchtoverheid. 3.
  14. Bij brief van 24 april 2023 bezorgt de procureur des Konings een afschrift van het strafdossier aan de dienst TIWK, met de vermelding dat de zaak zonder gevolg is geklasseerd wegens voorrang aan de tuchtrechtelijke afhandeling. 3.
  15. Op 10 oktober 2023 stelt de hogere tuchtoverheid het inleidend verslag op met daarin het voornemen om de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen. 3.
  16. Verzoeker dient een schriftelijk verweer in en wordt mondeling gehoord op 13 november
  17. 3.
  18. Op 21 november 2023 stelt de hogere tuchtoverheid voor de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen. 3.
  19. Op 30 november 2023 dient verzoeker tegen dat voorstel een verzoek tot heroverweging in bij de Tuchtraad. XII-9722-3/30 3.
  20. Op 19 maart 2024 adviseert de Tuchtraad: ‘In hoofdorde: dat het gepast voorkomt voor de tuchtoverheid af te zien een straf op te leggen wegens voor het feit betreffende het bezit en chronisch gebruik van cocaïne, het instellen van de tuchtvordering buiten de termijn zoals voorzien door artikel 56, lid 1 van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten, zodat de tuchtvordering voor dit feit is komen te vervallen en voor het feit betreffende het raadplegen van het telefoonnummer […], het gegeven dat niet is bewezen dat het om een tuchtvergrijp gaat; In ondergeschikte orde: in zoverre de tuchtoverheid het vervallen zijn van de tuchtvordering krachtens artikel 56 van voormelde Wet niet volgt, dat de feiten van het bezit en het chronisch gebruik van drugs bewezen zijn en aan verzoeker dienen te worden toegerekend; dat deze feiten een tuchtinbreuk uitmaken in de zin van artikel 3 van de Wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten; dat de voorgestelde straf van het ontslag van ambtswege voor deze feiten alleen een gepaste straf is.’ 3.
  21. Op 2 april 2024 formuleert de hogere tuchtoverheid het voornemen om af te wijken van het advies van de Tuchtraad. 3.
  22. Op 19 april 2024 beslist de hogere tuchtoverheid om aan verzoeker de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen. Dit is de bestreden beslissing.” IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  23. Verzoeker voert in het eerste middel in het verzoekschrift de schending aan van artikel 56 van de wet van 13 mei 1999 ‘houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten’ (hierna: tuchtwet) en van de redelijketermijneis. Verzoeker zet uiteen dat van een kennisneming of vaststelling van de tuchtfeiten in de zin van artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet sprake is op het ogenblik dat de tuchtoverheid over voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige gegevens beschikt. Verzoeker sluit zich aan bij het standpunt van de Tuchtraad dat de gewone tuchtoverheid reeds op 29 december 2022 een duidelijk beeld had van de feiten van druggebruik en over voldoende elementen beschikte om de tuchtvordering in te leiden. Volgens verzoeker zijn de feiten aldus XII-9722-4/30 verjaard. Voorts wijst verzoeker erop dat artikel 56 van de tuchtwet de tuchtoverheid wel de mogelijkheid biedt, maar niet de verplichting oplegt, om het onderzoek van de gerechtelijke overheden af te wachten. Een verwijzing naar artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet kan het uitstel van de tuchtvordering slechts verantwoorden wanneer de tuchtoverheid op grond van een eigen onderzoek geen voldoende klaarheid in de zaak heeft kunnen brengen. Volgens verzoeker heeft de hogere tuchtoverheid te dezen ten onrechte de gerechtelijke eindbeslissing afgewacht, omdat ze had kunnen overgaan tot een administratief verhoor. Na de mededeling door de procureur des Konings op 24 april 2023 dat de feiten zonder gevolg werden gerangschikt, duurde het bovendien nog tot 12 oktober 2023 alvorens de hogere tuchtoverheid het inleidend verslag betekende. Volgens verzoeker schendt de bestreden beslissing daarom de redelijketermijneis.
  24. In de memorie van wederantwoord herneemt verzoeker zijn argumentatie zoals uiteengezet in het verzoekschrift, waarbij hij benadrukt dat uit de brief van de procureur des Konings van 29 december 2022 blijkt dat verzoeker bekend had drugs te gebruiken, zodat de tuchtoverheid een eigen onderzoek had kunnen voeren en dus geen gebruik kon worden gemaakt van artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet. Verzoeker onderbouwt dit standpunt met een analyse van diverse arresten van de Raad van State en verwijst naar het auditoraatsverslag opgesteld over de vordering tot schorsing. Voorts repliceert verzoeker op het standpunt van de verwerende partij. Hij herhaalt dat de procureur des Konings een betrouwbare bron is en dat de tuchtoverheid verzoeker had kunnen verhoren en een eigen onderzoek had kunnen voeren, ook naar de aard van de drugs die verzoeker had gebruikt. Verzoeker wijst erop dat uit de brief van de procureur des Konings van 29 december 2022 blijkt dat alleen het onderzoek naar handel in verdovende middelen nog moest worden gevoerd en dat het onderzoek inzake bezit en gebruik dus was afgehandeld, zodat het onderzoek naar het gebruik van drugs al had kunnen worden gevoerd. Voorts voert verzoeker aan dat de procureur des Konings geen instructies kan geven aan de tuchtoverheid om al dan niet een eigen onderzoek te voeren. Verzoeker wijst er in dat verband op dat het tuchtrecht en het strafrecht een andere finaliteit hebben. Verzoeker werd uiteindelijk tuchtrechtelijk vervolgd voor dezelfde feiten als waarvoor hij bekentenissen heeft afgelegd, zodat een klein XII-9722-5/30 en eenvoudig onderzoek door de tuchtoverheid had volstaan. Tot slot wijst verzoeker erop dat het volstaat dat de tuchtoverheid over “voldoende” nauwkeurige en bewijskrachtige gegevens moet beschikken en dus niet over een volledige kennis moet beschikken. Dat was volgens verzoeker het geval, daar hij de feiten had bekend en een bekentenis een bewijskrachtig gegeven is. Wat de ernst van de feiten betreft, wijst verzoeker erop dat hij had bekend dat hij “een aantal maanden” drugs heeft gebruikt. Een aantal maanden meer of minder is volgens verzoeker niet relevant “gezien het over cocaïne gaat”.
  25. In de laatste memorie gaat verzoeker omstandig in op de analyse gemaakt in het auditoraatsverslag, waarbij hij zich aansluit. In repliek op de laatste memorie van de verwerende partij voert verzoeker voorts aan dat de verwerende partij zich ten onrechte blijft verschuilen achter het bezwaar van de procureur des Konings tegen een parallel onderzoek en benadrukt hij nogmaals dat uit de brief van de procureur des Konings duidelijk blijkt dat hij had bekend drugs te gebruiken. Verzoeker blijft derhalve van mening dat de verwerende partij een eigen administratief onderzoek had moeten voeren en verwijst ter zake naar rechtspraak van de Raad van State. Beoordeling Vooraf
  26. Verzoeker voert in één middel op basis van dezelfde feitelijke gegevens zowel de schending aan van artikel 56 van de tuchtwet, waarmee verzoeker in wezen aanvoert dat de tuchtvordering verjaard is, alsook de schending van de redelijketermijneis, in wezen omdat de tuchtoverheid geen eigen onderzoek heeft gevoerd, maar zonder meer toepassing heeft gemaakt van artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet. De beoordeling van de redelijketermijneis dient zich pas aan, indien de voorwaarden om toepassing te maken van artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet vervuld zijn – en de tuchtoverheid dus niet over voldoende XII-9722-6/30 nauwkeurige en bewijskrachtige gegevens beschikt om op zorgvuldige wijze de tuchtvordering in te stellen – waarbij de tuchtoverheid derhalve de gerechtelijke eindbeslissing afwacht om de tuchtvordering in te stellen. Beschikt de tuchtoverheid daarentegen over voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige gegevens om op zorgvuldige wijze de tuchtvordering in te stellen, dan vergt dit geen beoordeling van de vraag of door dit afwachten er een schending is van de redelijketermijneis, maar wel van de vraag of de tuchtvordering alsnog tijdig is ingesteld. Bijgevolg wordt hierna eerst de grief betreffende de verjaring van de tuchtvordering onderzocht. Enkel indien die ongegrond zou blijken, moet de aangevoerde schending van de redelijketermijneis worden onderzocht. Eerste grief: schending van artikel 56 van de tuchtwet - verjaring
  27. Artikel 56, eerste en tweede lid, van de tuchtwet luidt: “Art.
  28. De betekening van het inleidend verslag aan het personeelslid moet geschieden binnen zes maanden na de kennisneming of vaststelling van de feiten door een bevoegde tuchtoverheid. Bij ontstentenis en onder voorbehoud van het tweede lid, kan geen tuchtvordering meer worden ingesteld. In het geval dat een opsporingsonderzoek loopt of de strafvervolging is ingesteld voor dezelfde feiten, begint die termijn te lopen de dag dat de tuchtoverheid door de gerechtelijke overheid ervan in kennis gesteld wordt dat er een gerechtelijke eindbeslissing werd genomen of dat het dossier geseponeerd is dan wel de strafvordering vervallen is.” Artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet verplicht de tuchtoverheid om binnen een bepaalde termijn de tuchtprocedure op te starten, hetgeen gebeurt met de kennisgeving van het inleidend verslag aan de betrokkene. Het gaat om een vervaltermijn waarna geen tuchtvordering meer kan worden ingesteld. Deze bepaling garandeert de politieambtenaar dat hij korte tijd nadat de tuchtoverheid op de in de wet bepaalde wijze kennis heeft van de feiten, uitsluitsel krijgt over zijn onzekere situatie. Van een kennisneming of vaststelling van tuchtfeiten in de zin van artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet is slechts sprake op het ogenblik dat de tuchtoverheid met betrekking tot die feiten over voldoende nauwkeurige en XII-9722-7/30 bewijskrachtige gegevens beschikt. Het is ook pas dan dat deze verjaringstermijn ingaat. Artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet biedt de tuchtoverheid de mogelijkheid – maar niet de verplichting – om de tuchtrechtelijke vervolging uit te stellen tot de gerechtelijke overheden hun onderzoek hebben beëindigd. Het maakt het de tuchtoverheid mogelijk om, wanneer zij twijfels heeft over de wezenlijke elementen die in een tuchtzaak aan de orde zijn – het bewijs van de feiten die de betrokkene gepleegd heeft, de ernst van de feiten en schuld van de betrokkene, de tuchtrechtelijke kwalificatie en de weerslag van de feiten op de werking van de dienst –, een definitieve uitspraak van de strafrechter af te wachten. De verwijzing naar artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet kan evenwel slechts deugdelijk het uitstel van de tuchtvordering verantwoorden wanneer de tuchtoverheid op grond van een eigen onderzoek geen voldoende klaarheid in de zaak heeft kunnen brengen. De tuchtoverheid heeft immers de verplichting om een tuchtzaak binnen een redelijke termijn af te handelen en het bestaan van een strafonderzoek is op zich geen deugdelijke reden om de tuchtvordering niet op te starten. Er is slechts reden om de tuchtvordering uit te stellen wanneer de tuchtoverheid er niet in slaagt om met een eigen onderzoek een duidelijk zicht te krijgen op het bestaan en de ernst van de feiten en om zich aldus een beeld te vormen van de noodzaak van een tuchtrechtelijke vervolging. De mogelijkheid om de tuchtvordering uit te stellen moet derhalve worden opgevat als een uitzondering op de regel, waarvan slechts gebruik mag worden gemaakt wanneer de tuchtoverheid op basis van een eigen onderzoek er niet in slaagt om alle gegevens die van wezenlijk belang kunnen zijn voor het tuchtrechtelijk optreden te achterhalen. Een en ander heeft tot gevolg dat de Raad van State, wanneer een verzoeker aanvoert dat de tuchtvordering ten onrechte gekoppeld is aan de afloop van de gerechtelijke procedure, desgevraagd nagaat of de tuchtoverheid niet op grond van het eigen onderzoek over voldoende gegevens beschikte om op correcte wijze de tuchtvordering in te stellen en of zij wel voldoende inspanningen heeft geleverd om zelf klaarheid in de zaak te brengen. XII-9722-8/30 Bij de beoordeling van de vraag wanneer de gegevens waarover de (hogere) tuchtoverheid beschikt, volstaan om de tuchtvordering op te starten en daartoe een inleidend verslag op te stellen, met andere woorden wanneer de tuchtoverheid zich een duidelijk beeld kan vormen omtrent het bestaan en de ernst van de feiten en de toerekening ervan aan de politieambtenaar, beschikt deze overheid over een ruime beoordelingsbevoegdheid. De Raad van State is bij de beoordeling hiervan enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de tuchtoverheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen. Het is voorts aan verzoeker, die de schending van artikel 56 van de tuchtwet aanvoert, om het bewijs te leveren dat de door die bepaling voorgeschreven verjaringstermijn niet werd nageleefd.
  29. Niet wordt betwist dat de hogere tuchtoverheid daadwerkelijk de kennisneming van de gerechtelijke eindbeslissing heeft afgewacht alvorens de tuchtprocedure op te starten. Zij maakte aldus toepassing van artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet. Verzoeker van zijn kant, stelt zich op het standpunt dat de tuchtoverheid reeds vroeger over voldoende gegevens beschikte om op correcte wijze de tuchtvordering in te stellen, met name op 29 december 2022, ingevolge de mededeling door de procureur des Konings van de resultaten van de uitgevoerde huiszoeking.
  30. Centraal staat derhalve de vraag of op het door verzoeker aangehaalde tijdstip de (hogere) tuchtoverheid de vereiste voldoende zekerheid had om de tuchtvordering op te starten en daartoe een inleidend verslag op te stellen, met andere woorden of de tuchtoverheid zich op dat ogenblik een duidelijk beeld kon of moest vormen omtrent het bestaan en de ernst van de feiten en de toerekening ervan aan verzoeker derwijze dat er op dat ogenblik sprake was van een kennisneming in de zin als hiervoor is gesteld. XII-9722-9/30
  31. Te dezen stelt de Raad van State vast dat op 29 december 2022 de tuchtoverheid met betrekking tot de ten laste gelegde tuchtfeiten kennis heeft van de volgende gegevens: 1) er loopt een opsporingsonderzoek lastens verzoeker wegens “feiten die werden gekwalificeerd als handel en bezit verdovende middelen”, 2) er werden huiszoekingen uitgevoerd op de werkplaats en in de privéwoning “waarbij bezitshoeveelheden drugs [werden] aangetroffen met name twee enveloppen met mogelijk cocaïne” , 3) betrokkene “verklaarde ook drugs te gebruiken”, en 4) het onderzoek inzake eventuele handel moet verder worden gevoerd.
  32. Ter adstructie van het standpunt dat zij hiermee niet over voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige gegevens beschikte, wijst de hogere tuchtoverheid in de bestreden beslissing onder meer op het volgende: “Louter op basis van deze kennisgeving kon mijn ambt geen standpunt over de feiten innemen. Het was op dat ogenblik bijvoorbeeld niet onomstotelijk vastgesteld dat er zich daadwerkelijk een psychotrope stof bevond in de enveloppes die bij de huiszoeking werden aangetroffen. Ook de loutere melding dat u verklaarde drugs te gebruiken, zonder enige juiste context en een volledige lezing van de verklaring, kan niet aanzien worden als voldoende informatie. Mijn ambt dient nauwkeurig en met de nodige voorzichtigheid te handelen. Hierbij is het essentieel om ambtshalve te kunnen onderzoeken of de uitspraak die gedaan werd naar aanleiding van uw verklaring bij de gerechtelijke overheden, voor mijn ambt rechtsgeldig is. Dit kan alleen maar gebeuren door de volledige verklaring te lezen in verhouding met de elementen die deel uitmaken van het strafdossier. Anderzijds kan gesteld worden dat het woord ‘drugs’ een grote verzameling omvat van zowel illegale alsook legale, psychoactieve stoffen die de wijze waarop iemand zich voelt en gedraagt beïnvloeden. Zeker in de context waarin u zich bevond, waarbij u als enkele keren in contact was gekomen met zowel het gerecht alsook mijn ambt, met gedragingen die onder invloed van medicatie (op voorschrift) en/of alcohol plaatsvonden. Voor mijn ambt is het onder meer essentieel te weten om welk soort ‘drugs’ het gaat en in hoeverre dit legaal dan wel illegaal is. Een appreciatie of het gebruik kortstondig of gespreid in de tijd plaatsvond, kon niet correct worden ingeschat. Ook de wijze waarop u deze stof verkreeg is in relatie tot uw toenmalige plaats van tewerkstelling […] een relevant gegeven in de beoordeling. Het eventuele tuchtvergrijp was dus niet alleen niet specifiek en niet concreet, maar tevens niet in tijd en ruimte te specifiëren op dat ogenblik. Ik was dus niet op de hoogte van de volledige omvang van de feiten. Dit alles speelt mee in de formulering van het eventuele tuchtvergrijp en bij de bepaling van de mogelijke tuchtstraf, iets wat mijn ambt op dat ogenblik onmogelijk op accurate wijze kon bewerkstelligen.”
  33. Verzoeker betrekt deze concrete motivering evenwel niet in de uiteenzetting van zijn middel in het verzoekschrift en zet niet uiteen waarom de XII-9722-10/30 hogere tuchtoverheid – ondanks deze pertinente overwegingen in de bestreden beslissing – op 29 december 2022 toch over voldoende bewijskrachtige en nauwkeurige gegevens beschikte om de tuchtvordering in te leiden. Verzoekers argument dat hij van in het begin in alle transparantie heeft toegeven dat hij eind 2022 sporadisch cocaïne heeft gebruikt, is te dezen niet pertinent, daar hij verwijst naar een verklaring afgelegd in het kader van het strafonderzoek en de hogere tuchtoverheid op 29 december 2022 niet over die verklaring beschikte. De hogere tuchtoverheid moest het stellen met een brief van de procureur des Konings waarin zonder verdere specificering wordt vermeld dat er “bezitshoeveelheden drugs” werden aangetroffen, “mogelijk” cocaïne – maar dus evengoed mogelijk iets anders –, alsook dat verzoeker in het kader van het opsporingsonderzoek had verklaard “drugs te gebruiken”, opnieuw zonder enige concrete duiding en zonder over de verklaring van verzoeker zelf te beschikken. Het argument van verzoeker dat de tuchtoverheid op dat ogenblik de “uitdrukkelijke bevestiging” had dat verzoeker had bekend cocaïne te gebruiken, mist dus feitelijke grondslag. Dezelfde vaststelling geldt voor het argument dat het “overduidelijk” was dat bij verzoeker “drugs (cocaïne) werd gevonden” en dat het gebruik en bezit ervan vaststond, nu de “mogelijk” in de brief van de procureur des Konings doet blijken dat de aard van de aangetroffen substantie kennelijk geenszins vaststond. Voorts voert verzoeker aan dat de procureur des Konings een betrouwbare bron is, zodat er geen reden was om te twijfelen aan de waarachtigheid van de inlichting over het feit dat verzoeker bekend had drugs te gebruiken. Met verzoeker kan worden aangenomen dat de procureur des Konings een betrouwbare bron is, doch dit betekent van de weeromstuit nog niet dat de tuchtoverheid op basis van de door de procureur des Konings bezorgde inlichtingen over voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige gegevens beschikt, opdat de verjaringstermijn zou beginnen lopen. Uit de brief van de procureur des Konings blijkt immers dat hij is gestuurd in toepassing van artikel 26 van de tuchtwet, dat luidt: “Wanneer een tuchtoverheid door de in het tweede lid bedoelde overheden in kennis wordt gesteld van feiten die mogelijks een tuchtvergrijp uitmaken, dan is zij XII-9722-11/30 verplicht te onderzoeken of die feiten aanleiding dienen te geven tot het aanspannen van een tuchtprocedure en die overheden in te lichten omtrent het aan hun informatie gegeven gevolg. De in het vorige lid bedoelde overheden zijn: […] 3° de federale procureur en de bevoegde procureur-generaal, procureur des Konings of onderzoeksrechter; […] Indien de overheden bedoeld in het tweede lid er door de gewone tuchtoverheid van op de hoogte worden gebracht dat deze meent dat de feiten niet van aard zijn om tot een tuchtstraf te leiden, dan kunnen zij de zaak voor de hogere tuchtoverheid brengen die zich dan richt naar de bepalingen van het eerste lid.” Een brief van de procureur des Konings aan de tuchtoverheid op grond van de voormelde bepaling heeft tot doel een onderzoek op gang te brengen door de tuchtoverheid ter beantwoording van de vraag of de gemelde feiten aanleiding moeten geven tot het starten van een tuchtprocedure. Het loutere gegeven dat de procureur des Konings een dergelijke brief verstuurt en dat hij moet worden geacht betrouwbaar te zijn, volstaat dus niet om te besluiten dat de tuchtoverheid daarmee over voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige gegevens beschikt, opdat de verjaringstermijn zou starten. Verzoeker – op wie de bewijslast van de verjaring rust – toont niet aan dat dit te dezen wel het geval zou zijn. De verwerende partij verwijst ter terechtzitting in dit verband terecht naar de omzendbrief nr. 04/2003 van het College van procureurs-generaal bij de hoven van beroep betreffende de tuchtwet (hierna: omzendbrief COL 04/2003), waaruit zij afleidt dat de procureur des Konings in beginsel zou hebben gewacht om de tuchtoverheid in te lichten, maar dat dit te dezen niet mogelijk was, daar er een huiszoeking op de werkplaats had plaatsgevonden en de tuchtoverheid naar aanleiding daarvan meteen bij de procureur des Konings had geïnformeerd naar lopende onderzoeken lastens verzoeker, zodat de procureur des Konings wel moest antwoorden. Uit de omzendbrief COL 04/2003 blijkt immers dat de procureur des Konings de bevoegde tuchtoverheid pas inlicht wanneer de feiten “reeds voldoende en objectief konden worden gestaafd” of “zodra de onderzoekshandelingen de waarheid voldoende aan het licht gebracht hebben”. Uit het gegeven dat de procureur des Konings de tuchtoverheid nog niet spontaan had ingelicht in toepassing van artikel 26 van de tuchtwet en de omzendbrief COL 04/2003 en de vermelding in de brief van 29 december 2022 dat “[g]elet op het geheim van het XII-9722-12/30 onderzoek […] aan de tuchtoverheid op dit ogenblik nog geen inzage [wordt] toegestaan en […] geen afschriften van stukken [worden] overgemaakt”, alsook dat “er bezwaar tegen het voeren van een parallel [onderzoek]” bestaat, volgt dat de tuchtoverheid terecht van oordeel kon zijn dat zij met die brief nog niet over voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige gegevens beschikte.
  34. In de mate dat verzoeker in de memorie van wederantwoord en de laatste memorie nieuwe argumenten ter adstructie van het middel aanvoert, bemerkt de Raad van State dat verzoeker die reeds had kunnen aanvoeren en ontwikkelen in het verzoekschrift. In die mate geeft verzoeker aldus in wezen, op laattijdige en niet-ontvankelijke wijze, een nieuwe grondslag aan het middel. Ze zijn derhalve laattijdig en niet ontvankelijk.
  35. Verzoeker toont derhalve niet aan dat de hogere tuchtoverheid – door op grond van de hiervoor weergegeven motivering te oordelen dat zij op 29 december 2022 niet over voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige gegevens beschikte om de tuchtvordering in te leiden – niet binnen de perken van haar ter zake ruime beoordelingsbevoegdheid is gebleven.
  36. Uit wat voorafgaat, volgt dat verzoeker het bewijs niet levert dat de door artikel 56 van de tuchtwet voorgeschreven verjaringstermijn niet werd nageleefd.
  37. In de mate dat verzoeker de verjaring van de tuchtfeiten opwerpt, is het middel ongegrond. Tweede grief: de schending van de redelijketermijneis
  38. In wat als een tweede grief kan worden beschouwd, voert verzoeker de schending van de redelijketermijneis aan.
  39. Zoals hiervoor is uiteengezet (zie supra, nr. 8) heeft de tuchtoverheid de verplichting om een tuchtzaak binnen een redelijke termijn af te XII-9722-13/30 handelen en is het bestaan van een strafonderzoek op zich geen deugdelijke reden om de tuchtvordering niet op te starten. Er is slechts reden om de tuchtvordering uit te stellen wanneer de tuchtoverheid er niet in slaagt om met een eigen onderzoek een duidelijk zicht te krijgen op het bestaan en de ernst van de feiten en om zich aldus een beeld te vormen van de noodzaak van een tuchtrechtelijke vervolging.
  40. Daar hiervoor is vastgesteld dat de hogere tuchtoverheid op 29 december 2022 niet over voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige gegevens beschikte om de tuchtvordering te kunnen inleiden (zie supra, nrs. 8-17), rijst de vraag of de tuchtoverheid de redelijketermijneis heeft geschonden door geen eigen onderzoek te voeren om zelf klaarheid in de zaak te brengen. Verzoeker voert in dat verband aan dat de hogere tuchtoverheid niet zonder meer de gerechtelijke eindbeslissing mocht afwachten, maar een eigen administratief onderzoek moest voeren en, meer in het bijzonder, tot een administratief verhoor van verzoeker kon en moest overgaan.
  41. Ter adstructie van het standpunt dat zij geen eigen administratief onderzoek kon voeren, wijst de hogere tuchtoverheid in de bestreden beslissing onder meer op het volgende: “Mijn ambt kan de Tuchtraad niet volgen in de redenering dat ik deze elementen zelf had kunnen laten onderzoeken door het voeren van een voorafgaand onderzoek. Hiertoe werd geen goedkeuring verleend door het openbaar ministerie. De Tuchtraad voert hierbij aan dat het tuchtonderzoek een autonoom onderzoek betreft en dat een bezwaar van het openbaar ministerie daartoe geen belet vormt. Mijn ambt heeft hieromtrent een andere mening en redenering. Noch de gewone tuchtoverheid, noch mijn ambt waren in de mogelijkheid om een onderzoek op te starten dat zou kunnen leiden tot correcte en nauwkeurige elementen betreffende de juiste toedracht, onder andere met betrekking tot de context, de juiste omstandigheden, uw rol en de volledige tenlastelegging t.a.v. uw persoon, om met kennis van zaken een tuchtprocedure lastens u te kunnen voeren. Uit de inhoud van de brief van 22 december 2022 uitgaande van de gewone tuchtoverheid kan bovendien afgeleid worden dat de tuchtoverheid een onderzoek wou opstarten, maar er werd uit voorzorg aan de procureur des Konings gemeld dat dit onderzoek zou kunnen interfereren met het lopende opsporingsonderzoek. Als reactie hierop liet de procureur des Konings op 29 december weten dat er een bezwaar is voor het voeren van een parallel onderzoek. Hierdoor was het duidelijk voor de tuchtoverheid dat administratieve onderzoeksdaden, die zouden kunnen interfereren met het lopende strafrechtelijk onderzoek, niet aan de orde waren. De tuchtoverheid hield in deze dus ook rekening met het belang van het lopende opsporingsonderzoek. XII-9722-14/30 […] Zelfs het afnemen van de verklaring van u alleen zou niet kunnen leiden tot een juiste kijk op de situatie en zou niet leiden tot voldoende elementen om het dossier correct te beoordelen. Enkel de elementen die voorhanden zijn bij de gerechtelijke overheid kunnen een correct beeld geven van de situatie en/of kunnen de tuchtoverheid de nodige elementen verschaffen die nodig zijn om een administratief onderzoek te kunnen voeren. […] Het respecteren van de beslissing van de procureur des Konings en het voorrang verlenen aan het gerechtelijk onderzoek heeft tot doel de waarheidsvinding te waarborgen, hetgeen in het belang is van zowel de gerechtelijke overheid als de tuchtoverheid.”
  42. Verzoeker betrekt deze concrete motivering evenwel niet in de uiteenzetting van zijn middel in het verzoekschrift en zet niet uiteen waarom het voor de hogere tuchtoverheid – ondanks deze pertinente overwegingen in de bestreden beslissing – toch mogelijk zou zijn, eensdeels om een eigen administratief onderzoek te voeren, anderdeels om daarmee voldoende bewijskrachtige en nauwkeurige gegevens te verzamelen om de tuchtvordering te kunnen inleiden. Verzoekers argument dat de tuchtoverheid een administratief verhoor van hem had kunnen afnemen, overtuigt niet. Vooreerst wordt het standpunt, verwoord in de bestreden beslissing, bijgevallen dat, gelet op de te dezen ten laste gelegde feiten, een administratief verhoor niet zou hebben volstaan om een “juiste kijk op de situatie te krijgen” en “niet [zou] leiden tot voldoende elementen om het dossier correct te beoordelen”. Voorts gaat verzoeker met dat argument voorbij aan het bezwaar tegen het voeren van een parallel voorafgaand onderzoek dat de procureur des Konings op 29 december 2022 formuleerde en herhaalde in zijn brief van 20 maart
  43. Gelet op dat herhaalde bezwaar kon de tuchtoverheid redelijkerwijze oordelen dat een eigen administratief onderzoek, dat het gerechtelijk onderzoek dreigde te doorkruisen wat de waarheidsvinding niet ten goede zou komen, niet wenselijk was. Het is één zaak dat verzoeker desbetreffend een andere mening is toegedaan en dat hij oordeelt dat de tuchtoverheid het bezwaar van de procureur des Konings tegen een parallel onderzoek kon en moest negeren, daarmee toont verzoeker evenwel nog niet aan dat de tuchtoverheid, door zich wel naar dat bezwaar te schikken, de grenzen van haar discretionaire beoordelingsbevoegdheid is te buiten gegaan. De verwerende partij wijst in dat XII-9722-15/30 verband terecht op de vertrouwensband die bestaat tussen het parket en de politiediensten, die de opdrachten van het parket moeten uitvoeren. Evenzeer terecht wijst de verwerende partij ter terechtzitting naar de omzendbrief COL 04/2003 waaruit zij afleidt dat het niet de standaardprocedure is dat het parket een parallel tuchtonderzoek weigert, maar dat gelet op het geheim van het strafonderzoek de procureur des Konings niet kon motiveren waarom hij zich verzette tegen een parallel tuchtonderzoek. Uit de COL 04/2003 blijkt inderdaad dat het parket “stelselmatig [moet] nagaan of het tuchtonderzoek het strafrechtelijk onderzoek niet belemmert”, dat “[w]anneer het strafdossier elementen bevat waar het verdachte lid van de politiediensten niet van op de hoogte mag worden gebracht, […] de inzage van het dossier immers aan de tuchtoverheid [moet] worden ontzegd”, alsook dat “[d]eze procedure […] evenwel de uitzondering [zal] blijven”.
  44. Voorts stelt de Raad van State vast dat vanaf het tijdstip waarop de procureur des Konings de tuchtoverheid informeert over het bestaan van een opsporingsonderzoek – 29 december 2022 – en het tijdstip waarop de tuchtoverheid in het bezit is gesteld van een afschrift van het strafdossier – 24 april 2023 – nog geen vier maanden zijn verstreken en dat de tuchtoverheid in tussentijd – op 3 maart 2023 – opnieuw aan de procureur des Konings vroeg om een afschrift van het strafdossier, waarmee zij blijk gaf van een diligente opvolging van het dossier. Deze vaststelling op zich volstaat om te besluiten dat van een schending van de redelijketermijneis geen sprake is.
  45. In de mate dat verzoeker verwijst naar rechtspraak van de Raad van State om zijn grief kracht bij te zetten, stelt de Raad van State vast dat, daargelaten dat het Belgisch recht geen precedentenwerking kent, zodat verzoeker er derhalve geen leer uit kan halen, die rechtspraak niet anders doet oordelen.
  46. Voorts voert verzoeker aan dat de redelijketermijneis geschonden is omdat, hoewel de hogere tuchtoverheid op 24 april 2023 vernam dat het parket de feiten had geseponeerd, het nog tot 12 oktober 2023 duurde alvorens de hogere tuchtoverheid een inleidend verslag betekende. XII-9722-16/30 Aan de orde in het voorliggende middelonderdeel is dus de vraag of, ondanks de vaststelling dat de in artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet bepaalde termijn van zes maanden is nageleefd, de hogere tuchtoverheid, door bijna de volledige verjaringstermijn te benutten alvorens de tuchtprocedure op te starten, niet de nodige zorgvuldigheid heeft betracht, zodat de redelijketermijneis zou zijn geschonden.
  47. De redelijkheid van de duur van een tuchtprocedure moet niet alleen worden beoordeeld aan de hand van de totale duur van de procedure, maar ook aan de hand van de zorgvuldigheid waarmee de tuchtoverheid deze in de tussenliggende fasen heeft gevoerd, in functie van de concrete omstandigheden van de zaak, de aard en de complexiteit van de zaak, het gedrag van verzoeker en dat van de tuchtoverheid. In elke fase van de procedure moet worden nagegaan of er in het licht van deze factoren sprake is van niet-gerechtvaardigde vertraging van de procedure. De politieambtenaar weet krachtens artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet dat tegen hem een tuchtprocedure kan worden ingeleid binnen de zes maanden nadat de tuchtoverheid kennis heeft gekregen van de feiten, en dat na het verstrijken van deze termijn, geen tuchtvordering meer kan worden ingesteld – behalve wanneer het tweede lid van de voornoemde bepaling van toepassing is – waardoor de wetgever aldus zelf de eerbiediging heeft gewaarborgd van het rechtszekerheidsbeginsel, waarvan de redelijketermijneis een corollarium is. Wanneer het inleidend verslag binnen de wettelijke termijn is betekend en de tuchtoverheid met de nodige voortvarendheid heeft gehandeld om de tuchtzaak, rekening houdend met de specifieke gegevens ervan, haar beslag te geven, kan haar dus niet worden verweten dat zij de redelijketermijneis heeft geschonden op de enkele grond dat zij gedurende de verjaringstermijn die haar voor het (desgevallend) verrichten van haar vooronderzoek en het betekenen van haar inleidend verslag was verleend, gedurende een bepaalde periode erin inactief is geweest. Dit zou anders zijn, indien de tuchtoverheid, naast dit tijdelijk stilzitten, in de andere fasen van de tuchtprocedure niet met de nodige voortvarend had opgetreden om de tuchtprocedure af te ronden. In dat geval zou het tijdelijk XII-9722-17/30 stilzitten tijdens de betrokken verjaringstermijn van zes maanden in aanmerking worden genomen bij de beoordeling of het tijdsverloop tussen de kennisneming van feiten die een tuchtprocedure kunnen rechtvaardigen en de eindbeslissing, als gevolg van het gebrek aan voortvarendheid van de tuchtoverheid, de redelijketermijneis schendt.
  48. Te dezen voert het middelonderdeel, zoals het in het verzoekschrift is geformuleerd, uitsluitend de schending aan van de redelijketermijneis binnen de wettelijke verjaringstermijn van zes maanden. Het verzoekschrift bevat geen grief over de stappen die zijn ondernomen na de vaststelling van het inleidend verslag. Uit wat hiervoor is vastgesteld, volgt dat het inleidend verslag tijdens de wettelijke verjaringstermijn van zes maanden is betekend aan verzoeker. Het feit dat de hogere tuchtoverheid de bijna volledige verjaringstermijn van zes maanden heeft benut om de tuchtprocedure op te starten, kan op zich geen schending van de redelijketermijneis opleveren, daar verzoeker de hogere tuchtoverheid geen gebrek aan voortvarendheid verwijt met betrekking tot de fasen van de tuchtprocedure na de betekening van het inleidend verslag op 12 oktober
  49. In de mate dat verzoeker in de memorie van wederantwoord en de laatste memorie nieuwe argumenten ter adstructie van het middel aanvoert, bemerkt de Raad van State dat verzoeker die reeds had kunnen aanvoeren en ontwikkelen in het verzoekschrift. In die mate geeft verzoeker aldus in wezen, op laattijdige en niet-ontvankelijke wijze, een nieuwe grondslag aan het middel. Ze zijn derhalve laattijdig en niet ontvankelijk.
  50. In de mate dat verzoeker de schending van de redelijketermijneis aanvoert, is het middel ongegrond. XII-9722-18/30 Conclusie
  51. Het eerste middel is ongegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  52. Verzoeker voert in het tweede middel in het verzoekschrift de schending aan van het zorgvuldigheidsbeginsel, de materiëlemotiveringsplicht en het evenredigheidsbeginsel. Wat de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel betreft, voert verzoeker in wezen aan dat dit beginsel geschonden is omdat de bestreden beslissing geen rekening houdt met de ziektetoestand van verzoeker die gekend was en blijkt uit medische attesten en die in een causaal verband staat met de tuchtfeiten. Uit de medische attesten blijkt dat verzoeker kampte met een ernstige depressie en dat er een causaal verband bestaat met het middelengebruik. Verzoekers medische toestand werd ten onrechte niet in aanmerking genomen, noch als verschoningsgrond, noch als verzachtende omstandigheid bij het bepalen van de strafmaat. Gezien zijn medische toestand diende de tuchtoverheid een gedegen onderzoek te voeren naar de juiste omstandigheden. Voorts motiveert de tuchtoverheid niet waarom zij de deskundigheid van de huisarts in twijfel trekt. Verzoeker verwijst ook naar de medische attesten gevoegd bij zijn verweerschrift tegen het tweede voorstel van zware tuchtstraf, waarover de hogere tuchtoverheid zich niet heeft uitgesproken, daar zij oordeelde dat dit verweer te laat kwam. Verder bekritiseert verzoeker zijn detachering naar een andere politiedienst na afloop van de voorlopige schorsing en zijn verdere tewerkstelling daar zonder doorverwijzing naar de arbeidsarts, noch re-integratietraject. Daar verzoeker blijkbaar “goed genoeg” was om verder te werken in een ander dienst, kan de hogere tuchtoverheid geen gewag maken van een definitieve en onherstelbare vertrouwensbreuk. Verzoeker besluit dat de hogere tuchtoverheid onoordeelkundig tot haar XII-9722-19/30 beoordeling kwam dat er geen causaal verband bestaat tussen de depressie, de werkdruk en stress en het gebruik van cocaïne. Wat de schending van de materiëlemotiveringsplicht betreft, voert verzoeker aan dat de hogere tuchtoverheid in gebreke blijft wat de motivering van de strafmaat betreft. Verzoeker kan niet uitmaken waarom de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege wordt opgelegd. Wanneer de tuchtoverheid feiten uit het privéleven tuchtrechtelijk bestraft, moet zij genoegzaam motiveren waarom die feiten de waardigheid van het ambt in het gedrang brengen of een weerslag hebben op de goede werking van de dienst. Wat de schending van het evenredigheidsbeginsel betreft, voert verzoeker aan dat uit de motivering de motieven voor de strafmaat moeten blijken en dat die straf ook proportioneel moet zijn in relatie tot de feiten en de opgeworpen contextuele omstandigheden.
  53. In de memorie van wederantwoord herhaalt verzoeker op parafraserende wijze wat hij in het verzoekschrift aanvoert. Verzoeker citeert uitvoerig uit medische verslagen en verslagen van de psycholoog om te benadrukken dat er wel degelijk een causaal verband bestaat tussen zijn depressie en het middelengebruik en dat de hogere tuchtoverheid dit niet zorgvuldig heeft beoordeeld. Voorts voert verzoeker aan dat, hoewel de bestreden beslissing dit wel vermeldt, uit niets blijkt dat de gezondheidstoestand in rekening werd gebracht bij de straftoemeting. Tot slot verwijst verzoeker naar zijn veerkracht. Zijn mentale weerbaarheid heeft ervoor gezorgd dat verzoeker niet opgaf en zich heeft herpakt, wat volgens verzoeker ook blijkt uit de medische verslagen.
  54. In de laatste memorie verwijst verzoeker integraal naar het verzoekschrift en de memorie van wederantwoord, waaraan hij niets toe te voegen heeft. XII-9722-20/30 Beoordeling Eerste grief: schending van het zorgvuldigheidsbeginsel
  55. Krachtens het zorgvuldigheidsbeginsel moet elk bestuur zich gedragen zoals een voorzichtig en redelijk handelend bestuur, geplaatst in dezelfde omstandigheden. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt onder meer in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. Het bestuur is onder meer verplicht om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat het met kennis van zaken kan beslissen. Het komt aan verzoeker toe om met concrete gegevens aannemelijk te maken dat de handelwijze van de hogere tuchtoverheid niet doet blijken van het vereiste zorgvuldig handelen. Het formuleren door verzoeker van eigen aannames, veronderstellingen en kritieken zonder enig begin van bewijs, volstaat niet om aannemelijk te maken dat de bestreden beslissing op een onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen.
  56. In essentie voert verzoeker aan dat de hogere tuchtoverheid geen rekening heeft gehouden met de door haar gekende en bovendien door verzoeker geattesteerde gezondheidsproblemen, met name een ernstige depressie die in een causaal verband staat tot de tuchtfeiten, zodat verzoekers ziekte als een verschoningsgrond, minstens een verzachtende omstandigheid in aanmerking moest worden genomen. XII-9722-21/30
  57. In de bestreden beslissing citeert de hogere tuchtoverheid in verband met de vraag of de gezondheidstoestand van verzoeker een verschoningsgrond, dan wel een verzachtende omstandigheid is, het advies van de Tuchtraad over verzoekers middel desbetreffend: “Indien de verzoeker zich beroept op een schulduitsluitingsgrond, die de tuchtstrafwaardigheid van de feiten opheft, dan berust evenwel op hem een aanvoeringslast, die inhoudt dat hij op een geloofwaardige wijze deze grond moet inroepen. Enkel wanneer de ingeroepen bewering niet is ontbloot van elk moment van geloofwaardigheid, rust op de overheid de noodzaak tot onderzoek ervan en tot het naleven van de zorgvuldigheidsplicht bij het onderzoek van dit gegeven […]. Bij nazicht van het voorstel van zware tuchtstraf van 21 november 2023 blijkt dat de hogere tuchtoverheid met de aangevoerde schulduitsluitingsgrond rekening heeft gehouden, deze uitgebreid afgewogen heeft en er op heeft geantwoord. Dat door de geestestoestand van verzoeker zijn oordeelsvermogen of de controle over zijn daden in die mate was aangetast dat hij zich geen rekenschap meer kon geven van de ernst en de aard van de feiten, zoals ook onder meer inzake het bezit en gebruik van drugs, is niet aangetoond. Dit is ook niet aangetoond door de bij de behandeling voor de Tuchtraad (en ervoor) voorgelegde medische attesten, die niet aantonen dat ieder beoordelingsvermogen bij verzoeker in die mate was aangetast dat zijn oordeelsvermogen over de feiten of de controle over zijn daden uitgeschakeld was. Bezwaarlijk kan, in ondergeschikte orde, die geestestoestand in aanmerkingen genomen worden als een ‘verzachtende omstandigheid’ gezien de aard en de ernst van feiten, temeer daar enkel sprake is van een mogelijk probleem inzake draagkracht, stressreductie en depressieve klachten waarvoor blijkbaar reeds een medische vraag naar behandeling bestond, zoals ook hierna wordt overwogen.” De bestreden beslissing vervolgt: “Zoals eerder vermeld volg ik de Tuchtraad in haar definitief advies met betrekking tot dit element. Ik wens hierbij nog een aanvulling te doen. Ik heb uw gezondheidstoestand meegenomen in de overweging van het feit of u een tuchtstraf zou moeten krijgen en zo ja dewelke. Uw gezondheidstoestand wordt niet in vraag gesteld. Wat wel in vraag wordt gesteld is het causaal verband. Het is niet omdat u een attest bijbrengt van een huisarts waaruit een causaal verband zou moeten blijken tussen uw depressie en uw middelengebruik, dat dit inhoudt dat ik deze moet bijvallen. De Raad van State oordeelde reeds eerder dat ik hiermee de redelijke uitoefening van mijn beoordelingsvrijheid niet te buiten ga […]. Ik ben het er niet mee eens dat iemand die een depressie doormaakt dit onvermijdelijk zou compenseren met middelengebruik, laat staan dat u niet ten alle tijden daarin een vrije keuze zou hebben gehad. Er is immers steeds de keuze om dit te compenseren op een andere, legale manier (sporten, meditatie, gebruik legale medicatie, …). Ik blijf bovendien de mening toegedaan dat uw gezondheidstoestand, dewelke zoals hierboven vermeld niet in twijfel wordt getrokken, niet van die aard was dat dit een verschoningsgrond zou kunnen uitmaken voor de door u ten laste gelegde tuchtvergrijpen.” XII-9722-22/30 Voorts valt de bestreden beslissing de beoordeling van de toerekenbaarheid van de feiten door de Tuchtraad bij: “Deze feiten zijn dus gezien het bewijs ervan evenzeer toerekenbaar, mede gelet op het hierna staande inzake de gezondheidstoestand van verzoeker op het ogenblik der feiten. Verzoeker heeft wel degelijk wetens en willens de feiten betreffende bezit en gebruik van drugs gesteld. Zijn gezondheidstoestand zoals gestaafd met medische attesten laat niet toe aan te nemen dat zijn oordeelsvermogen nopens het wederrechtelijk karakter van het zichzelf toedienen van drugs ‘ter behandeling’, uitgeschakeld was, in die zin dat hij geen onderscheid meer zou hebben kunnen maken tussen het legaal en illegaal karakter van zijn handelen op dat punt, minstens, wat het illegale karakter betreft, als tuchtvergrijp. Zelfs een depressieve toestand en ook één waarbij een behandeling geldt met medicijnen, toont niet aan dat het oordeels- en inschattingsvermogen van verzoeker verminderd was, laat staan dat hij zich geen rekenschap kon geven van het negatief tuchtrechtelijk karakter van zijn drugsgebruik en - bezit. Bezwaarlijk kan worden volgehouden dat medicijnen tegen een depressieve toestand het beoordelingsvermogen zouden verminderen, integendeel, of dat een depressieve toestand zou leiden tot het uitschakelen van de eigen wil nopens drugsbezit en -gebruik. Daarenboven toont verzoeker dit in het geheel niet aan. De feiten zijn, wat dit aspect betreft, hem derhalve toerekenbaar.” Onder de titel “bewijs en toerekening van de feiten” tot slot verwijst de bestreden beslissing naar de repliek op het eerder gevoerde verweer en het voorstel van zware tuchtstraf, waarin eveneens een uitgebreid antwoord wordt geformuleerd op de verweerelementen die verband houden met verzoekers gezondheidstoestand.
  58. Wat het argument betreft dat de hogere tuchtoverheid verzoekers ziektetoestand niet in overweging heeft genomen, blijkt uit de formele motivering van de bestreden beslissing dat de hogere tuchtoverheid wel degelijk verzoekers gezondheidstoestand in aanmerking heeft genomen. De bestreden beslissing overweegt dit uitdrukkelijk en erkent dat de gezondheidstoestand op zich niet in vraag wordt gesteld. Wat de bestreden beslissing wel in vraag stelt is het door verzoeker aangevoerde causaal verband. Dat de hogere tuchtoverheid de gezondheidstoestand van verzoeker in haar beoordeling heeft betrokken, houdt evenwel niet in dat de tuchtoverheid het persoonlijk standpunt van verzoeker, zoals dat uit de medische attesten een “associatie” blijkt tussen de gezondheidstoestand en het middelenmisbruik, alsook dat de “problematiek die aanleiding gaf tot een verantwoordelijkheidsverminderende contextuele medische toestand” XII-9722-23/30 onvoldoende in aanmerking werd genomen, moet bijvallen. Ook blijkt uit de formele motivering van de bestreden beslissing dat de hogere tuchtoverheid de door verzoeker voorgelegde attesten in haar beoordeling heeft betrokken, hetgeen evenmin moet inhouden dat zij die moet bijvallen. Door te overwegen dat de hogere tuchtoverheid niet de mening deelt dat iemand die een depressie doormaakt dit onvermijdelijk zou compenseren met middelengebruik, laat staan dat de betrokkene niet te allen tijde daarin een vrije keuze zou hebben gehad, zet de bestreden beslissing ook uiteen waarom verzoekers standpunt, niettegenstaande de voorgelegde attesten, niet wordt bijgevallen. Het door de hogere tuchtoverheid verwoorde standpunt is overigens niet onverenigbaar met de diverse doorheen de procedure voorgelegde attesten in hun geheel bekeken, waaronder ook het attest van de klinisch psycholoog van 17 april 2024 dat niet in de bestreden beslissing werd betrokken, omdat het volgens de hogere tuchtoverheid laattijdig was ingediend. Verzoeker maakt aldus niet aannemelijk dat de hogere tuchtoverheid door in die zin te oordelen de grenzen van een redelijke uitoefening van haar beoordelingsvrijheid zou zijn te buiten gegaan. Verzoeker verdedigt weliswaar een ander feitelijk standpunt ter zake, maar hij maakt hiermee op zich niet aannemelijk dat de hogere tuchtoverheid in verband met haar beoordeling van het causaal verband tussen verzoekers gezondheidstoestand en het chronisch gebruik van cocaïne, tot een conclusie is gekomen waaruit de schending zou moeten blijken van het zorgvuldigheidsbeginsel. Verzoeker verzuimt overigens de hiervoor vermelde overwegingen uit het advies van de Tuchtraad, waarbij de hogere tuchtoverheid zich expliciet heeft aangesloten, bij zijn kritiek te betrekken.
  59. In de mate dat verzoeker aanvoert dat de hogere tuchtoverheid, indien hij “tracht te bewijzen” dat de feiten te verklaren zijn door zijn gezondheidstoestand, dit probleem voorafgaandelijk moet onderzoeken, gaat verzoeker eraan voorbij dat wie aanvoert dat zijn gezondheidstoestand een verschoningsgrond vormt voor de ten laste gelegde tuchtvergrijpen, daarvan de bewijslast draagt. Dit betekent dat de betrokkene het bewijs van de als verschoningsgrond aangevoerde gezondheidstoestand moet leveren, alsook het XII-9722-24/30 bewijs dat de ten laste gelegde tuchtvergrijpen, op het ogenblik dat ze werden gepleegd, daadwerkelijk worden verschoond door de aangevoerde gezondheidstoestand. Van een verschoningsgrond kan slechts sprake zijn, wanneer de betrokkene aantoont dat de ten laste gelegde feiten te wijten zijn aan omstandigheden die volledig buiten zijn wil gelegen zijn. Zoals hiervoor werd uiteengezet, faalt verzoeker in deze bewijslast en toont hij geenszins aan dat de hogere tuchtoverheid bij de beoordeling van de door hem voorgelegde attesten onzorgvuldig heeft gehandeld (zie supra, nrs. 36-37).
  60. In de mate dat verzoeker zijn detachering naar een andere politiedienst na afloop van de voorlopige schorsing bekritiseert, alsook zijn verdere tewerkstelling aldaar zonder doorverwijzing naar de arbeidsarts, noch re- integratietraject, valt de Raad van State de verwerende partij bij dat deze argumenten geen verband houden met de bestreden beslissing. Verzoeker maakt geenszins aannemelijk dat deze maatregelen of het gebrek eraan tot de conclusie zouden moeten leiden dat de hogere tuchtoverheid bij het nemen van de bestreden beslissing de zorgvuldigheidsplicht heeft miskend.
  61. Verzoekers argument dat hij blijkbaar goed genoeg was om verder te werken, weze het na detachering op een andere dienst, waaruit hij afleidt dat de hogere tuchtoverheid dan geen gewag kan maken van een definitieve en onherstelbare vertrouwensbreuk, wordt evenmin bijgevallen. De Raad van State stelt immers vast dat verzoeker geenszins uiteenzet waarom de hogere tuchtoverheid door hem verder te laten werken het zorgvuldigheidsbeginsel zou schenden, noch waarom het opleggen van de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege wegens een definitieve en onherstelbare vertrouwensbreuk slechts mogelijk zou zijn indien verzoeker voordien reeds uit de dienst zou zijn verwijderd. Bovendien blijkt uit de formele motivering van de bestreden beslissing dat de definitieve en onherstelbare vertrouwensbreuk wordt afgeleid uit “het feit dat het bezitten en chronisch gebruiken van een illegale drug van die aard is om de kern van de politionele deontologie te raken” en werden ten aanzien van verzoeker wel degelijk ordemaatregelen getroffen in het belang van de dienst en in afwachting XII-9722-25/30 van de afwikkeling van de tuchtprocedure. Verzoeker betrekt deze motivering en deze gegevens evenwel niet in zijn kritiek.
  62. In de mate dat verzoeker de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel aanvoert, is het middel ongegrond. Tweede grief: schending van de materiëlemotiveringsplicht
  63. De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Bij de beoordeling van de naleving van de materiëlemotiveringsplicht is de Raad van State niet bevoegd om zijn oordeel omtrent de feiten in de plaats te stellen van het oordeel van het bestuur. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of het bestuur is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of het die correct heeft beoordeeld en of het op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot zijn besluit is kunnen komen. Voorts mag enkel met de formeel uitgedrukte motieven rekening worden gehouden. Aan een overheidsonderzoek kleeft het vermoeden van wettigheid. Om de onwettigheid van de motieven van de beslissing van het bestuur aan te tonen, mag een verzoeker niet volstaan met het louter ontkennen of in vraag stellen van de feitelijke elementen waarop de beoordeling door het bestuur berust. Het is zaak van verzoeker om aanwijzingen te verschaffen die het vermoeden wettigen of aantonen dat de door het bestuur in aanmerking genomen gegevens niet juist zijn.
  64. Verzoeker voert aan dat hij niet kan uitmaken waarom de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege wordt opgelegd, noch waarom de tuchtfeiten, die verband houden met het privéleven van verzoeker, de waardigheid van het ambt in het gedrang brengen of een weerslag hebben op de goede werking van de dienst. XII-9722-26/30
  65. Nadat de bestreden beslissing verwijst naar het advies (in ondergeschikte orde) van de Tuchtraad inzake de strafmaat, motiveert zij de gehanteerde strafmaat als volgt: “Gelet op het feit dat u als personeelslid van de politie te allen tijde een voorbeeldfunctie heeft, dat het aan u ten laste gelegde feit dan ook niet kan worden getolereerd en dat tuchtrechtelijke gevolgen zich opdringen; Gelet dat een zware tuchtsanctie te verantwoorden is aangezien het tuchtvergrijp te zwaarwichtig is om bestraft te worden met enkel een aanmaning of een formele afkeuring in de zin van de Tuchtwet. De doelstellingen van een lichte tuchtsanctie lijken onmogelijk verzoend te kunnen worden met de aard en de ernst van het tuchtvergrijp; Gelet op het definitief advies van de Tuchtraad, waarin ik de visie volg dat er tevens rekening moet gehouden worden met de weerslag van de feiten inzake drugsgebruik en -bezit op de werking van de dienst en de weerslag van de feiten op het aanzien van de dienst bij het publiek; Gelet op het feit dat het bezitten en chronisch gebruiken van een illegale drug van die aard is om de kern van de politionele deontologie te raken en te leiden tot een definitieve en onherroepelijke vertrouwensbreuk in hoofde van de overheden; Gelet op de felicitatie in uw persoonlijk dossier d.d. 3 mei 2019; Overwegende de functioneringsnota in uw persoonlijk dossier d.d. 28 juli 2022; Overwegende de beide niet-uitgewiste zware tuchtsancties op uw tuchtblad; Overwegende uw medische situatie en uw inspanningen om uw depressie en uw middelengebruik onder controle te krijgen; Overwegende uw schuldinzicht en uw spijtbetuiging en de getuigenissen van collega’s, door u aangebracht als verweerelementen; overwegende dat het niet uw volledige carrière bij de Geïntegreerde Politie is die beoordeeld of in vraag wordt gesteld; Gelet dat de zware tuchtsanctie ‘ontslag van ambtswege’ mij een gepaste tuchtstraf lijkt te zijn voor het tuchtvergrijp gelet op voornoemde elementen, waaronder hoofdzakelijk uw beide niet-uitgewiste zware tuchtsancties op uw tuchtblad; gelet op het aantal waarden, normen of fundamentele principes eigen aan de Geïntegreerde Politie die u geschonden hebt; dat u uw beroepsplichten niet hebt nageleefd, waaronder uw voorbeeldfunctie, de integriteitsplicht en de plicht om de wetten en reglementen na te leven en gelet op het feit dat u de waardigheid van het ambt in het gedrang hebt gebracht, meer bepaald het vertrouwen dat de publieke opinie dient te hebben in een politieambtenaar; Gelet dat ik meen dat geen andere, lichtere tuchtstraf dan het ontslag van ambtswege kan worden opgelegd, rekening houdend met de onherroepelijke, totale vertrouwensbreuk met u die het tuchtvergrijp onder meer in mijn hoofde teweegbracht;”.
  66. Verzoeker verzuimt de hiervoor vermelde formele motivering bij zijn kritiek te betrekken. Anders dan hoe verzoeker het ziet, verschaft die formele motivering hem voldoende duidelijkheid waarom de hogere tuchtoverheid in concreto meent dat de tuchtsanctie “ontslag van ambtswege” moet worden opgelegd, alsook waarom de tuchtfeiten de waardigheid van het ambt in het XII-9722-27/30 gedrang brengen en een weerslag hebben op de goede werking van de dienst. Dat volstaat in het licht van de door verzoeker geschonden geachte materiëlemotiveringsplicht, temeer daar verzoeker zich in het middel zoals ontwikkeld in het verzoekschrift, beperkt tot het formuleren van een algemene kritiek dat de bestreden beslissing met betrekking tot de motivering van de strafmaat in gebreke blijft, zonder bij die kritiek de concrete overwegingen uit de formele motivering te betrekken. Dat verzoeker zich niet in deze motieven kan vinden impliceert nog niet dat de hogere tuchtoverheid, door dit anders te zien dan verzoeker, tot een conclusie is gekomen die de grens van haar beoordelingsbevoegdheid te buiten zou gaan, waardoor de materiëlemotiveringsplicht zou zijn geschonden. Het komt aan verzoeker toe concreet aan te duiden waarom dit het geval zou zijn, wat hij niet doet. Het argument van verzoeker dat hij uit de motivering niet zou kunnen opmaken waarom hem de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege wordt opgelegd, mist aldus feitelijke grondslag.
  67. In de mate dat verzoeker de schending van de materiëlemotiveringsplicht aanvoert, is het middel ongegrond. Derde grief: schending van het evenredigheidsbeginsel
  68. Een schending van het redelijkheidsbeginsel (of van het evenredigheidsbeginsel dat er een bijzondere toepassing van is) als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, veronderstelt dat het bestuur bij het nemen van de beslissing onredelijk heeft gehandeld, met andere woorden dat het de hem toegekende discretionaire beoordelings- of beleidsvrijheid onjuist heeft gebruikt. Van een schending van het redelijkheidsbeginsel (en van het evenredigheidsbeginsel) kan slechts sprake zijn wanneer een beslissing, waarvan is vastgesteld dat ze berust op deugdelijke grondslagen, inhoudelijk dermate afwijkt van het normale beslissingspatroon of, nog, er een zodanige wanverhouding bestaat tussen die motieven en de inhoud van de beslissing, dat het niet denkbaar is dat een ander zorgvuldig handelend bestuur in dezelfde XII-9722-28/30 omstandigheden tot die besluitvorming zou komen of die beslissing zou nemen. De Raad van State is in de uitoefening van zijn wettigheidstoezicht enkel bevoegd om, desgevraagd, na te gaan of het bestuur op grond van de juiste en correct beoordeelde feitelijke gegevens, in redelijkheid tot de bestreden beslissing is kunnen komen. Het komt de Raad van State evenwel niet toe zijn beoordeling in de plaats te stellen van die van het bevoegde bestuur. De Raad van State gaat bij de beoordeling van de redelijkheid of de evenredigheid van de bestreden beslissing uit van de feiten zoals ze blijken uit de bestreden beslissing en waarvan verzoeker de onwettigheid niet heeft aangetoond, getoetst aan de door verzoeker in het middel aangevoerde argumenten die volgens verzoeker doen blijken dat de bestreden beslissing het redelijkheids- of evenredigheidsbeginsel miskent.
  69. Wat die door verzoeker aangevoerde argumenten betreft, beperkt verzoeker zich in het verzoekschrift tot het opwerpen dat uit de motivering de motieven voor de strafmaat moeten blijken en dat die straf ook proportioneel moet zijn in relatie tot de feiten en de opgeworpen contextuele omstandigheden. Daarmee verzuimt verzoeker om op voldoende concrete wijze uiteen te zetten waarom er tussen de in aanmerking genomen feiten en de opgelegde sanctie geen redelijk verband van evenredigheid bestaat. Het komt voorts, zoals hiervoor is gesteld, niet aan de Raad van State toe om deze beoordeling te maken. Dit verzuim kan verzoeker niet goedmaken door in de memorie van wederantwoord alsnog feitelijke elementen betreffende zijn persoonlijke toestand en zijn loopbaan aan te voeren. Verzoeker had die reeds kunnen aanvoeren en ontwikkelen in het verzoekschrift. In die mate geeft verzoeker aldus in wezen, op laattijdige en niet-ontvankelijke wijze, een nieuwe grondslag aan het middelonderdeel. Verzoekers argumentatie in de memorie van wederantwoord is derhalve laattijdig en niet ontvankelijk.
  70. In de mate dat verzoeker de schending van het evenredigheidsbeginsel aanvoert, is het middel ongegrond. XII-9722-29/30 Conclusie
  71. Het tweede middel is ongegrond. BESLISSING
  72. De Raad van State verwerpt het beroep.
  73. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro en een bijdrage van 48 euro.
  74. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op twintig april tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Chantal Bamps, kamervoorzitter, Peter Sourbron, staatsraad, Ann Coolsaet, staatsraad, bijgestaan door Ilse Anné, griffier. De griffier De voorzitter Ilse Anné Chantal Bamps XII-9722-30/30 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.407 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.018 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.