id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 april 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.443 Rolnummer: A. 242040/XII-9964 Zaak: Arrest 266443 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 21/04/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-04-23 Raadplegingen: 85 - laatst gezien 2026-06-18 06:07 Fiche Arrest nr 266.443 van 21 april 2026 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 266.443 van 21 april 2026 in de zaak A. 242.040 /XII-9964 In zake : de INTERGEMEENTELIJKE VERENIGING VOOR BEHEER VAN AFVALSTOFFEN VLAAMSE ARDENNEN (I.VL.A.) bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Carlos De Wolf kantoor houdend te 9680 Maarkedal Etikhovestraat 6 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tom De Sutter kantoor houdend te 9000 Gent Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partijen: 1. de INTERGEMEENTELIJKE MAATSCHAPPIJ VOOR OPENBARE GEZONDHEID IN ZUID-WEST-VLAANDEREN (IMOG) bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dirk Van Heuven en Guillaume Vyncke kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen 2. de GEMEENTE KRUISEM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dirk Van Heuven en Guillaume Vyncke kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Elias Gits kantoor houdend te 8500 Kortrijk President Kennedypark 31A -------------------------------------------------------------------------------------------------- XII-9964-1/22 I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 30 mei 2024, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse regering van 22 maart 2024 waarbij aan de Intergemeentelijke Maatschappij voor Openbare Gezondheid in Zuid-West-Vlaanderen (hierna: IMOG) een definitieve afwijking wordt toegestaan van de principes van regioconform samenwerken. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. IMOG en de gemeente Kruisem hebben een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. Eerste auditeur Iris Verheven heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij en de tussenkomende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 januari 2026. Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Carlos De Wolf, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Tom De Sutter, die verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Dirk Van Heuven, die eveneens loco advocaat Guillaume Vyncke verschijnt voor de eerste tussenkomende partij, en die eveneens loco advocaten XII-9964-2/22 Guillaume Vyncke en Elias Gits verschijnt voor de tweede tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Iris Verheven heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Regelgevend kader en feiten 3.1. Met het decreet van 3 februari 2023 ‘over regiovorming en tot wijziging van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur’ (hierna: Regiodecreet van 3 februari 2023) wordt het Vlaamse Gewest ingedeeld in referentieregio’s (artikel 5). Een referentieregio is volgens de begripsomschrijving van artikel 3, 4°, van het Regiodecreet van 3 februari 2023 “een gebiedsafbakening van verschillende gemeenten samen”. Elke gemeente behoort tot één van de referentieregio’s. Overeenkomstig artikel 6, § 1, van hetzelfde decreet dienen de gemeenten hun intergemeentelijke samenwerkingsverbanden in beginsel te organiseren binnen de grenzen van hun referentieregio. Artikel 6, § 2, van het decreet laat echter toe om van dit basisprincipe af te wijken: de gemeenten kunnen hun intergemeentelijke samenwerkingsverbanden immers ook organiseren via supraregionale samenwerking. Artikel 7 van het Regiodecreet van 3 februari 2023 luidt als volgt: “§ 1. In dit artikel wordt verstaan onder het bevoegde orgaan van het intergemeentelijk samenwerkingsverband: 1° de algemene vergadering bij een dienstverlenende of opdrachthoudende vereniging; XII-9964-3/22 2° de raad van bestuur bij een projectvereniging. § 2. Bij de Vlaamse Regering kan een gemotiveerde aanvraag tot tijdelijke of definitieve afwijking van de principes, vermeld in artikel 6, ingediend worden door de volgende actoren: 1° een intergemeentelijk samenwerkingsverband; 2° de verschillende gemeenten die willen deelnemen aan een intergemeentelijk samenwerkingsverband dat wordt opgericht. De aanvraag, vermeld in het eerste lid, bevat minstens al de volgende elementen: 1° in het geval, vermeld in het eerste lid, 1°, de beslissing van het bevoegde orgaan van het intergemeentelijk samenwerkingsverband; 2° in het geval, vermeld in het eerste lid, 2°, de gemeenteraadsbeslissingen van alle gemeenten die willen deelnemen aan het samenwerkingsverband; 3° een motivatie waarom het intergemeentelijk samenwerkingsverband hetzelfde doel niet kan bereiken binnen een intergemeentelijk samenwerkingsverband dat voldoet aan de principes, vermeld in artikel 6. De gemeente die deelneemt aan een intergemeentelijk samenwerkingsverband, kan bij het bevoegde orgaan van dat intergemeentelijk samenwerkingsverband een gemotiveerd verzoek indienen om een aanvraag als vermeld in het eerste lid, 1°, in te dienen. Het bevoegde orgaan van het intergemeentelijk samenwerkingsverband neemt een gemotiveerde beslissing over het verzoek. Als het intergemeentelijk samenwerkingsverband het verzoek steunt, dient het een aanvraag als vermeld in het eerste lid, 1°, in. § 3. De Vlaamse Regering bepaalt of ze de afwijking toekent binnen negentig dagen vanaf de dag na de dag waarop de aanvraag, vermeld in paragraaf 2, is verzonden. Het besluit van de Vlaamse Regering bevat minstens al de volgende elementen: 1° het al dan niet toestaan van de afwijking; 2° de motivering van de beslissing conform artikel 2 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; 3° de tijdelijke of definitieve aard van de toegestane afwijking; 4° in geval van een tijdelijk toegestane afwijking: de termijn waarin het intergemeentelijke samenwerkingsverband in overeenstemming wordt gebracht met de principes, vermeld in artikel 6 van dit decreet, en de datum waarop de afwijking eindigt. § 4. De Vlaamse Regering bepaalt op welke wijze de communicatie met de aanvrager of aanvragers, vermeld in paragraaf 2, verloopt.” 3.2. De verzoekende partij is een intercommunale vereniging die instaat voor het inzamelen en verwerken van het afval van de gemeenten Lierde, Oudenaarde, Ronse, Wortegem-Petegem, Maarkedal, Horebeke, Brakel en Zwalm. Elk van deze gemeenten behoort tot de referentieregio Vlaamse Ardennen. De eerste tussenkomende partij is een opdrachthoudende vereniging die instaat voor de inzameling en verwerking van het afval van de gemeenten Anzegem, Avelgem, Deerlijk, Harelbeke, Kortrijk, Kruisem, Kuurne, Spiere-Helkijn, Waregem, Wielsbeke en Zwevegem. Alle gemeenten behoren tot XII-9964-4/22 de referentieregio Zuid-West-Vlaanderen, behoudens de gemeenten Kruisem en Wielsbeke die respectievelijk bij de referentieregio’s Vlaamse Ardennen en Midwest zijn ingedeeld. 3.3. Op 22 december 2023 dient de eerste tussenkomende partij bij de Vlaamse regering een gemotiveerde aanvraag in, die ertoe strekt een definitieve afwijking te verkrijgen van de principes van regioconform samenwerken. Concreet vraagt zij dat haar activiteiten voortgezet zouden kunnen worden op het grondgebied van twee niet-regioconforme vennoten, zijnde de gemeente Wielsbeke die tot de referentieregio Midwest behoort en de gemeente Kruisem die tot de referentieregio Vlaamse Ardennen behoort. Zij meent dat de indeling in referentieregio’s overeenkomstig het Regiodecreet van 3 februari 2023 tot gevolg zou hebben dat “de gehele werking van het intergemeentelijk samenwerkingsverband volstrekt ontwricht wordt, uit elkaar wordt getrokken en opgedeeld wordt in stukken”. 3.4. Op 22 maart 2024 beslist de Vlaamse regering om aan de eerste tussenkomende partij een definitieve afwijking toe te staan op het principe van regioconform samenwerken, zoals opgelegd door artikel 6 van het Regiodecreet van 3 februari 2023. Dit is de bestreden beslissing. IV. Verzoek tot uitstel 4. In het verzoekschrift tot tussenkomst nodigen de tussenkomende partijen de verzoekende partij uit om “zich akkoord te verklaren met een bemiddeling door een erkende bemiddelaar over de RENEWI-kwestie en bij uitbreiding over het vernietigingsberoep”. Als op dat voorstel wordt ingegaan, vragen zij dat de verdere behandeling van het beroep voor onbepaalde tijd wordt uitgesteld. XII-9964-5/22 5. De Raad van State neemt akte van de formele afwijzing door de verzoekende partij van het voorstel tot bemiddeling. Het verzoek tot uitstel is doelloos. V. Ontvankelijkheid van het beroep A. Exceptie met betrekking tot de gemeente Wielsbeke Standpunt van de partijen 6. De verwerende partij merkt op dat de gemeente Wielsbeke niet aangesloten is bij de verzoekende afvalintercommunale zodat het belang bij de gevorderde nietigverklaring zich niet uitstrekt tot voormelde gemeente. 7. In haar memorie van wederantwoord stelt de verzoekende partij dat zij zich bij het standpunt van de verwerende partij kan aansluiten, indien wordt aangenomen dat de bestreden beslissing deelbaar is. Tegelijk merkt zij echter op dat het verlenen van de definitieve afwijking steunt op een “globale motivering” waarbij geen onderscheid wordt gemaakt tussen de gemeenten Wielsbeke en Kruisem. Beoordeling 8. De verwerende partij voert in wezen geen grond van niet- ontvankelijkheid van de vordering aan, maar maakt voorbehoud bij de draagwijdte van een gebeurlijk vernietigingsarrest ten aanzien van de gemeente Wielsbeke. 9. Aangezien hierna besloten wordt tot de verwerping van het beroep, behoeft het voorbehoud van de verwerende partij geen verder onderzoek. XII-9964-6/22 B. Exceptie afgeleid uit “het berusten in de voorbeslissingen van 13 mei 2019, 6 november 2023 en 19 december 2023” Standpunt van de partijen 10. De tussenkomende partijen wijzen erop dat de verzoekende partij verscheidene beslissingen, die genomen zijn ter voorbereiding van de bestreden beslissing, niet heeft aangevochten. Meer in het bijzonder refereren zij aan de beslissing van de gemeenteraad van Kruisem van 13 mei 2019 waarbij werd gekozen voor “een volledige beheersoverdracht naar IMOG”, de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kruisem van 6 november 2023 houdende goedkeuring voor “een aanvraag tot definitieve afwijking van de referentieregio’s zoals voorzien in het regiodecreet (Kruisem ingedeeld onder regio Vlaamse Ardennen) voor de intergemeentelijke samenwerking inzake afvalbeleid waarbij Kruisem aangesloten blijft bij IMOG”, op 11 december 2023 bekrachtigd door de gemeenteraad, en de beslissing van de bijzondere algemene vergadering der aandeelhouders van IMOG van 19 december 2023 waarbij wordt beslist tot het indienen van een “Afwijkingsaanvraag tot definitieve afwijking regiovorming conform art. 7 Regiodecreet”. Voorts merken de tussenkomende partijen op dat de mogelijke nadelige gevolgen van een afwijkingsbeslissing op 18 april 2024 door de raad van bestuur van de verzoekende partij werden besproken, maar op datzelfde ogenblik niet werd beslist om een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State in te dienen. De tussenkomende partijen besluiten dat de verzoekende partij “rechtens en redelijkerwijze niet [kan] berusten in alle beslissingen voorafgaandelijk aan de bestreden beslissing om dan totaal onverwacht en in afwezigheid van de vertegenwoordiger van Kruisem [een] vernietigingsberoep […] aan te tekenen”. 11. In haar memorie van wederantwoord werpt de verzoekende partij vooreerst tegen dat het Regiodecreet van 3 februari 2023 pas in werking is getreden na de beslissing van de gemeenteraad van Kruisem van 13 mei 2019. Met betrekking tot de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kruisem van 6 november 2023 en de beslissing van de bijzondere XII-9964-7/22 algemene vergadering der aandeelhouders van IMOG van 19 december 2023 benadrukt de verzoekende partij dat zij door deze beslissingen niet werd benadeeld, zodat het niet gaat over aanvechtbare voorbeslissingen. 12. De tussenkomende partijen voegen in hun laatste memorie nog toe dat uit het niet aanvechten van de voorafgaande beslissingen blijkt dat de verzoekende partij “moedwillig [heeft] getalmd” en dat zij “niet geloofwaardig op haar vertrouwenwekkende handelen – lees: haar impliciete goedkeuring – [kan] terugkeren”. Beoordeling 13. Samen met de verzoekende partij wordt vastgesteld dat het besluit van de gemeenteraad van Kruisem van 13 mei 2019 genomen werd voor de inwerkingtreding van het Regiodecreet van 3 februari 2023, zodat dit besluit niet beschouwd kan worden als een bestuurshandeling die voorbereidend is ten opzichte van een beslissing van de verwerende partij waarbij een definitieve afwijking wordt toegestaan op het principe van het regioconform samenwerken, zoals voorgestaan door het latere decreet. 14. In de regel zijn voorbereidende bestuurshandelingen geen aanvechtbare administratieve rechtshandelingen. Dit is anders wanneer de voorbereidende handeling voor de belanghebbende een dadelijk grievende beslissing is. Te dezen heeft de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kruisem van 6 november 2023, noch de beslissing van de bijzondere algemene vergadering der aandeelhouders van IMOG van 19 december 2023, een direct nadeel toegebracht aan de verzoekende partij. Aan die beslissingen, die volledig kaderen in de administratieve voorbereiding van een gemotiveerde aanvraag in de zin van artikel 7, § 2, van het Regiodecreet van 3 februari 2023, is immers niet het rechtsgevolg verbonden dat de Vlaamse regering die aanvraag ook daadwerkelijk zal inwilligen. XII-9964-8/22 15. De exceptie wordt verworpen. C. Exceptie afgeleid uit de onwettigheid van de beslissing tot inrechtetreding Standpunt van de partijen 16. De tussenkomende partijen werpen op dat de beslissing van de raad van bestuur van de verzoekende partij van 23 mei 2024, waarin is beslist tot het instellen van voorliggend vernietigingsberoep, onwettig is. Uiteengezet wordt dat de eerste tussenkomende partij aandeelhouder is van de verzoekende partij en dat ten aanzien van haar niet op een transparante manier is gecommuniceerd over het voornemen om een annulatieberoep in te stellen. In dit verband wordt de verzoekende partij een “[t]otaal deficit aan communicatie, transparantie en informatie” verweten. Ook zou uit verscheidene documenten blijken dat de verzoekende partij zich niet zou verzetten tegen een afwijking van de principes van regioconform samenwerken. Daarenboven wordt de verzoekende partij ook een “[t]otaal deficit aan communicatie, transparantie en informatie” verweten ten aanzien van de tweede tussenkomende partij. De vertegenwoordiger van de gemeente Kruisem op de vergadering van de raad van bestuur van de verzoekende partij de dato 18 april 2024, kon immers niet veronderstellen dat tegen het besluit van de Vlaamse regering van 22 maart 2024 een vernietigingsberoep zou worden ingesteld, of zelfs maar zou worden overwogen. De gemeente Kruisem werd tevens verschalkt door de niet nader geduide intentie om bijkomend juridisch advies in te winnen. Vervolgens werd dit juridisch advies geagendeerd op de vergadering van de raad van bestuur van de verzoekende partij van 23 mei 2024, terwijl de vertegenwoordiger van de gemeente Kruisem niet expliciet werd ingelicht over het “reële belang” van het betrokken agendapunt. De tweede tussenkomende partij meent dat uit de gegeven feitelijke omstandigheden moet worden afgeleid dat zij werd misleid omtrent de werkelijke redenen die aan de basis liggen van het verzet tegen de afwijking van het principe tot regioconform samenwerken. 17. De verzoekende partij stelt daar tegenover dat zij na de kennisgeving van de bestreden beslissing onmiddellijk juridisch advies heeft XII-9964-9/22 ingewonnen over de wettigheid en de potentiële (rechts)gevolgen ervan, dat dit advies vervolgens werd besproken op de vergadering van haar raad van bestuur van 23 mei 2024, dat niet wordt betwist dat de vertegenwoordiger van de gemeente Kruisem regelmatig werd opgeroepen voor deze vergadering en dat de beslissing om in rechte te treden van 23 mei 2024 dan ook “rechtsgeldig en tijdig” is. Voor het overige voeren de tussenkomende partijen wettigheidskritieken aan die aansluiten bij de klacht die zij bij het agentschap Binnenlands Bestuur hebben ingediend. 18. De tussenkomende partijen grijpen de laatste memorie aan om hun standpunten samenvattend te herhalen. Beoordeling 19. In de mate dat de eerste tussenkomende partij zich als aandeelhouder van de verzoekende partij beklaagt over een “[t]otaal deficit aan communicatie, transparantie en informatie” over de intentie om tegen de afwijkingsbeslissing van 22 maart 2024 een vernietigingsberoep bij de Raad van State in stellen, en die houding door haar wordt gekwalificeerd als “onaanvaardbaar en flagrant onwettig”, wordt met die kritiek geen onwettigheid aangetoond van de beslissing van de raad van bestuur van de verzoekende partij van 23 mei 2024 om tegen de bestreden beslissing in rechte op te komen. Uit de gegevens van de zaak blijkt voorts dat de vertegenwoordiger van de tweede tussenkomende partij op regelmatige wijze werd uitgenodigd voor de vergadering van de raad van bestuur van de verzoekende partij van 23 mei 2024, alsook dat hij door de bij de uitnodiging gevoegde stukken met betrekking tot het agendapunt 1758 ‘Kruisem – advies Mr. Dewolf’ met voldoende kennis van zaken kon deelnemen aan deze vergadering. De omstandigheid dat het belang van het betrokken agendapunt bij de vertegenwoordiger van de tweede tussenkomende partij niet zou zijn doorgedrongen, te meer omdat de verzoekende partij heeft nagelaten om hem expliciet te wijzen op het belang ervan voor de gemeente Kruisem, valt volledig voor rekening van de tweede tussenkomende XII-9964-10/22 partij. In zoverre ook de tweede tussenkomende partij meent het slachtoffer te zijn van een “[t]otaal deficit aan communicatie, transparantie en informatie”, geeft zij slechts uiting aan een subjectief onbehagen over de werking van de raad van bestuur van de verzoekende partij. Daarmee wordt echter de onwettigheid van de beslissing van 23 mei 2024 om in rechte treden niet aangetoond. 20. De exceptie wordt verworpen. D. Exceptie nopens het belang van de verzoekende partij Standpunt van de partijen 21. Tot slot betwisten de tussenkomende partijen het persoonlijk belang van de verzoekende partij bij de gevorderde nietigverklaring. In het verzoekschrift tot nietigverklaring wordt niet geconcretiseerd welke nadelen de verzoekende partij op organisatorisch of financieel vlak zou lijden. De bewering dat haar werking in de toekomst onmogelijk zou worden, is volgens de tussenkomende partijen ongeloofwaardig. In zoverre de verzoekende partij wenst dat de wet wordt nageleefd, volstaat zulks niet als een voldoende geïndividualiseerd belang. Zij is immers niet de hoeder van het Regiodecreet van 3 februari 2023. Waar de verzoekende partij stelt dat zij door de afwijkingsbeslissing de doelstelling van het Regiodecreet niet meer kan vervullen, wordt volgens de tussenkomende partijen geen kritiek geleverd op de bestreden beslissing, maar op de in het decreet voorziene afwijkingsmogelijkheid. 22. In haar memorie van wederantwoord brengt de verzoekende partij vooreerst in herinnering dat zij geen kritiek levert op de afwijkingsmogelijkheid die voorzien is in artikel 7, § 2, van het Regiodecreet van 3 februari 2023, maar wel op de concrete toepassing van deze afwijkingsmogelijkheid in dit specifieke geval. Voorts meent zij dat haar belang voldoende duidelijk wordt omschreven in het inleidend verzoekschrift, met name “het verzekeren van haar werking en continuïteit uitgaande van de bepalingen van XII-9964-11/22 het Regiodecreet […] en de daarin door de decreetgever gedefinieerde doelstellingen inzonderheid wat betreft de Vlaamse afvalintercommunales”. 23. De tussenkomende partijen herhalen in hun laatste memorie dat de verzoekende partij geen nadelige impact op haar werking aantoont en dat een louter hypothetische invloed van de bestreden beslissing niet het rechtens vereiste belang oplevert. Beoordeling 24. Overeenkomstig artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kunnen de beroepen tot nietigverklaring voor de Raad van State worden gebracht door elke partij welke doet blijken van een benadeling of van een belang. 25. Volgens de bijlage bij het Regiodecreet van 3 februari 2023 behoort de gemeente Kruisem tot de referentieregio Vlaamse Ardennen, zodat de gemeente haar intergemeentelijk samenwerkingsverband voor de afvalinzameling en -verwerking, in principe dient te organiseren binnen deze referentieregio waar de verzoekende partij actief is als afvalintercommunale. Aangezien de bestreden beslissing een afwijking op het principe van regioconform samenwerken toestaat waardoor de gemeente Kruisem voortaan volledig beroep kan doen op de diensten van de eerste tussenkomende partij die als afvalintercommunale actief is in de referentieregio Zuid-West-Vlaanderen, wordt de werking van de verzoekende partij wel degelijk nadelig beïnvloed door die afwijkingsbeslissing. 26. De exceptie wordt verworpen. XII-9964-12/22 VI. Onderzoek van het enig middel Uiteenzetting van het middel 27. In een enig middel wordt de schending aangevoerd van de artikelen 6 en 7 van het regiodecreet van 3 februari 2023, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: wet van 29 juli 1991), het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. In het middel brengt de verzoekende partij kritiek uit op de volgende in de bestreden beslissing uitdrukkelijk opgegeven motieven:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.