← België

Arrest 266448 - Overheidsopdrachten - 22/04/2026

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 april 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.448 Rolnummer: A. 247690/XIV-40126 Zaak: Arrest 266448 - Overheidsopdrachten - 22/04/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-04-23 Raadplegingen: 88 - laatst gezien 2026-06-18 06:49 Fiche Arrest nr 266.448 van 22 april 2026 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.448 no lien 288799 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 266.448 van 22 april 2026 in de zaak A. 247.690/XIV-40.126 In zake: de NV V. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Louise Galot en Peter Teerlink kantoor houdend te 1040 Brussel Ijzerlaan 19 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VLAAMSE GEMEENSCHAP, vertegenwoordigd door

  1. de Vlaamse regering
  2. het Agentschap Facilitair Bedrijf bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stijn Maeyaert en Stefaan Declercq kantoor houdend te 1000 Brussel Koloniënstraat 18-24 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
  3. De vordering, ingesteld op 22 maart 2026, strekt tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “de beslissing inzake overheidsopdracht 2025/HFB/OP/141228 waarbij de offerte van verzoeker als onregelmatig werd bevonden en geweerd werd”. II. Verloop van de rechtspleging
  4. Bij beschikking van 23 maart 2026 werd, in samenspraak met het aangeduide lid van het auditoraat, de procedurekalender vastgesteld. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. XIV-40.126-1/24 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 15 april 2026 om 14 uur. Staatsraad Inge Vos heeft verslag uitgebracht. Advocaat Louise Galot, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaten Stijn Maeyaert en Stefaan Declercq, die verschijnen voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Anke Meskens heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten 3.
  6. De verwerende partij, meer specifiek het Agentschap Facilitair Bedrijf, Afdeling Aankoopcentrale en Overheidsopdrachten, schrijft een overheidsopdracht voor diensten uit met als voorwerp “Raamovereenkomst voor dienstverlening rond duurzaam hergebruik van meubilair”. Als plaatsingsprocedure wordt gekozen voor een openbare procedure. De opdracht wordt nationaal en Europees bekendgemaakt. 3.
  7. In het op de opdracht toepasselijke bijzonder bestek wordt het voorwerp ervan als volgt nader omschreven: “Deze raamovereenkomst biedt de entiteiten van de Vlaamse overheid en andere overheden in Vlaanderen de mogelijkheid om beroep te doen op dienstverlening rond duurzaam hergebruik van meubilair. Via deze raamovereenkomst wil de aanbestedende overheid haar eigen duurzaamheidsbeleid en dat van de bestellers versterken en uitvoeren. Als XIV-40.126-2/24 aankoopcentrale wil ze bestellers tegelijkertijd een kader bieden om op een concrete manier bij te dragen aan maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO) en de circulaire economie. De aanbestedende overheid voorziet daartoe in een gebruiksvriendelijk en flexibel contractueel kader dat bestellers toelaat om projectmatig en gefaseerd te werken aan een duurzame inrichting en het hergebruik van meubilair. Deze raamovereenkomst is voor de aanbestedende overheid en de bestellers meer dan louter een operationeel instrument. Ze vormt een belangrijke stap naar een structureel circulair meubilairbeheer binnen de Vlaamse overheid en daarbuiten. De aanbestedende overheid beschouwt deze samenwerking als een hefboom voor ketensamenwerking, waarin deelnemers, bestellers en de aanbestedende overheid samen evolueren naar een toekomstgericht en maatschappelijk verantwoord model. De raamovereenkomst voorziet ondersteuning in de volledige cyclus van hergebruik, waaronder: - Herstellingen aan meubilair; - Ondersteuning bij inventarisatie van bestaand meubilair; - Refurbishen van meubilair; - Herontwerp van ruimtes met maximaal hergebruik van bestaand meubilair. De raamovereenkomst zal worden gegund aan twee deelnemers op voorwaarde dat er voldoende regelmatige en kwalitatieve offertes zijn. Standaardbestellingen worden geplaatst volgens cascade. Voor grotere of complexere bestellingen is een minicompetitie tussen de deelnemers voorzien […]”. Het bestek vermeldt als gunningscriteria: ‘Prijs’ (50 punten); ‘Kwaliteit van de aanpak en sociale-circulaire samenwerking’ (30 punten); ‘Duurzame materialen’ (10 punten) en ‘Rapportering circulaire prestaties’ (10 punten). Het derde gunningscriterium ‘Duurzame materialen’ wordt in het bestek als volgt omschreven: “Dit gunningscriterium beoordeelt in welke mate de inschrijver in de inventaris duurzamere materialen voorstelt dan minimaal vereist (zie punt 3.2.5). De technische minimumeisen, samengevat in bijlage 5 (tabblad Aangeboden materiaal – eisen), vormen de ondergrens. Enkel aantoonbare extra duurzaamheidsinspanningen die verder gaan dan de minimumeisen geven aanleiding tot een hogere score. De beoordeling gebeurt op basis van het tabblad “Beoordeling wensen” – bijlage 5 van de “invulfiche duurzame materialen”. Hierin: - geeft de inschrijver per duurzaamheidswens (kolom C) aan of het aangeboden materiaal eraan voldoet (kolom E: JA/NEEN), XIV-40.126-3/24 - en verwijst hij naar bewijsstukken (kolommen F en G), zoals labels, certificaten of rapporten. Indien een wens als “voldaan” is aangeduid én onderbouwd, wordt de bijhorende score (kolom D) automatisch toegekend. De aanbestedende overheid controleert de ingediende informatie en behoudt zich het recht voor om de score aan te passen indien het voldoen aan de duurzaamheidswens onvoldoende is aangetoond. Alle punten worden opgeteld tot een score op 10 punten. De inschrijver voegt deze bijlage toe als stuk 6 aan de offerte.” Inzake de technische specificaties, bepaalt het bestek onder meer wat volgt : “3.2 TECHNISCHE SPECIFICATIES INVENTARIS Deze raamovereenkomst bestaat uit verschillende inventarisposten die elk een welomlijnde dienstverlening of product omvatten. Voor elke post worden de technische specificaties, eventuele vereisten en de inbegrepen prijselementen hieronder toegelicht. De inschrijver moet per post een eenheidsprijs opgeven, rekening houdend met zowel de vermelde technische vereisten als de algemene prijselementen zoals omschreven in punt 2.5.7.3 ‘Inbegrepen prijselementen’. Bestellers kunnen, afhankelijk van hun concrete behoeften, één of meerdere posten combineren binnen een bestelling. De inschrijver moet het volledige beschreven pakket aan diensten en goederen aanbieden en de besteller kunnen adviseren over de meest geschikte combinatie, afgestemd op het specifieke project. De structuur van de technische voorschriften en de opdeling in posten volgt de principes van de circulaire economie, meer bepaald de R-ladder (van R3 tot R7). Zo wordt bij elke bestelling gestreefd naar de meest duurzame en hoogwaardige vorm van hergebruik of aanpassing van meubilair. […] 3.2.
  8. MATERIALEN De opdrachtnemer verlengt de levensduur van het meubilair door circulaire keuzes te maken volgens de principes van de R-ladder (R3 t.e.m. R7). Daarbij geldt als uitgangspunt dat het refurbished of herwerkt meubilair zoveel mogelijk wordt vervaardigd uit de materialen die door de besteller zelf zijn aangeboden. Indien noodzakelijk kan aangevuld worden met materialen zoals in onderstaande paragraaf zijn opgenomen. […] 3.2.5.2 TEXTIEL Het aangeboden textiel moet bruikbaar zijn om meubilair te (her)stofferen. Voor het te leveren (her)beklede meubilair gelden onderstaande minimumeisen inzake de kwaliteit en duurzaamheid van het gebruikte textiel en/of kunstleer. Deze eisen hebben als doel de levensduur van het meubel te optimaliseren en de circulaire principes te ondersteunen. XIV-40.126-4/24 De gebruikte bekledingsmaterialen moeten voldoen aan hoge standaarden op vlak van: - Slijtweerstand - Pillinggevoeligheid - Kleurvastheid bij lichtinval en wrijving De gegunde deelnemers bezorgen na sluiting van elke stof een stoffenkaart. Geweven polyester (effen/gespikkeld) De prijs per lengtemeter voor effen/gespikkeld geweven polyesterstof. De opdrachtnemer moet twee polyesterstoffen aanbieden met bijgaande toepasselijke kleurcodes. Beide aangeboden stoffen beschikken minimaal over: - Voldoen aan criteria van het EU Ecolabel of gelijkwaardig; - Min. 10 verschillende kleuren; - 50 000 toeren Martindale; - 100% recyclebaar polyester; De stoffen zijn onderhoudsarm en vlekbestendig. De stof kan eenvoudig gereinigd worden met een stofzuiger of met een vochtig doek. Bijzondere specificaties: - Stof 1: effen structuur, - Stof 2: mélange structuur (= gespikkeld). Wol (effen/gespikkeld) De prijs per lengtemeter voor effen/gespikkeld geweven wollenstof. De opdrachtnemer moet twee wollenstoffen aanbieden met toepasselijke kleurcodes. Beide stoffen beschikken minimaal over: - Voldoen aan de criteria van het EU Ecolabel of gelijkwaardig; - Min. 10 verschillende kleuren; - 50 000 toeren Martindale. De stoffen zijn onderhoudsarm en vlekbestendig. De stof kan eenvoudig gereinigd worden met een stofzuiger of met een vochtig doek. Bijzondere specificaties: - Stof 1: effen structuur, - Stof 2: mélange structuur (= gespikkeld). Akoestische stof (gespikkeld) De prijs per lengtemeter voor een akoestische gespikkelde stof. De opdrachtnemer moet één akoestische stof aanbieden met XIV-40.126-5/24 toepasselijke kleurcodes. De stof beschikt minimaal over: - Voldoen aan de criteria van het EU Ecolabel of gelijkwaardig; - Min. 10 verschillende kleuren; - 50 000 toeren Martindale. De stoffen zijn onderhoudsarm en vlekbestendig. De stof kan eenvoudig gereinigd worden met een stofzuiger of met een vochtig doek. Bijzondere specificaties: - Stof: mélange structuur (= gespikkeld). Waterafstotende stof (effen) De prijs per lengtemeter voor een effen waterafstotende stof. Deze stof is bedoeld voor indoor gebruik. De opdrachtnemer moet één waterafstotende stof aanbieden met toepasselijke kleurcodes. Alle aangeboden stoffen beschikken minimaal over: - OEKO-TEX standaard 100 of gelijkwaardig; - Min. 10 verschillende kleuren; - Waterafstotend - 50 000 toeren Martindale. Het aanbieden van een stof met EU- ecolabel (of gelijkwaardig) is een wens en wordt gunstiger beoordeeld onder het gunningscriterium: duurzame materialen zie punt 2.4.
  9. De inschrijver geeft dit aan in stuk
  10. De stoffen zijn onderhoudsarm en vlekbestendig. De stof kan eenvoudig gereinigd worden met een stofzuiger of met een vochtig doek. Bijzondere specificaties: - Stof 1: effen structuur, Kunstleder met textielrug (effen) De prijs per lengtemeter voor een effen kunstleder stof met textielrug. De opdrachtnemer moet één kunstlederen stof aanbieden met toepasselijke kleurcodes. Alle aangeboden stoffen beschikken minimaal over: - OEKO-TEX Standard 100 of gelijkwaardig; - Min. 10 verschillende kleuren; XIV-40.126-6/24 - 50 000 toeren Martindale. Het aanbieden van een stof met EU ecolabel (of gelijkwaardig) is een wens en wordt gunstiger beoordeeld onder het gunningscriterium: duurzame materialen zie punt: 2.4.
  11. De inschrijver geeft dit aan in stuk
  12. De stoffen zijn onderhoudsarm en vlekbestendig. De stof kan eenvoudig gereinigd worden met een stofzuiger of met een vochtige doek. ” Als bijlage bevat het bestek onder meer een ‘invulfiche duurzame materialen’, die bij de offerte moet worden gevoegd. Over deze door de inschrijvers in te vullen fiche bepaalt punt 2.5.
  13. van het bestek het volgende: “De inschrijver gebruikt de “invulfiche duurzame materialen” (stuk 6) als instrument om aan te tonen dat de aangeboden materialen voldoen aan de opgelegde minimale eisen (zie punt 3.2.5) en, in voorkomend geval, inspelen op bijkomende duurzaamheidswensen van de aanbestedende overheid. De fiche bestaat uit twee tabbladen: • Aangeboden materiaal – eisen: hierin vult de inschrijver in welke materialen worden aangeboden in de inventaris, en bevestigt hij de conformiteit ervan met de minimale technische vereisten; • Beoordeling wensen: hierin geeft de inschrijver aan in welke mate het aangeboden materiaal voldoet aan de duurzaamheidswensen (zoals omschreven in kolom C), en voegt hij de nodige bewijsstukken toe (zie ook punt 2.5.6 en het gunningscriterium duurzame materialen, punt 2.4.3). De invulfiche vormt zo het kernbewijsdocument bij de offerte. De inschrijver voegt per opgegeven maatregel of materiaal de relevante en actuele bewijsstukken toe (zoals technische fiches, labels, keurmerken, certificaten of keuringsrapporten), zodat de aanbestedende overheid de conformiteit en de mate van duurzaamheid correct kan beoordelen. De aanbestedende overheid controleert de ingediende informatie en behoudt zich het recht voor om de score aan te passen indien het voldoen aan de duurzaamheidswens onvoldoende is aangetoond.” […] 3.
  14. Drie inschrijvers, onder wie de verzoekende partij, dienen een offerte in. XIV-40.126-7/24 3.
  15. Op 22 december 2025 richt de verwerende partij een e- mailbericht aan de verzoekende partij met de vraag om haar uiterlijk op 12 januari 2026 “enkele verduidelijkingen conform artikel 66, § 3 van de Wet van 17 juni 2016” te bezorgen. Dit schrijven bevat onder meer de volgende vraag tot verduidelijking: “I.k.v. het nazicht van de conformiteit van de door u aangeboden materialen met de gestelde minimale eisen inzake materialen verzoeken wij om bijkomende toelichting. Op basis van de bijgevoegde stukken kunnen wij niet met zekerheid vaststellen of onderstaande materialen voldoen aan de minimale eisen: - Voor de volgende stoffen is het onduidelijk of zij voldoen aan de vereisten rond EU Ecolabel of gelijkwaardig: o Geweven polyester effen Arthur II (Aristide) o Geweven polyester gespikkeld; Cesar (Aristide) o Wol stof effen: Qashqai (Aristide) o Wol stof gespikkeld: Willow FR (Hoepke) […]” Daarbij wordt ook opgemerkt dat het verzoek om bijkomende toelichting “uitsluitend tot doel heeft om de ingediende offerte correct te kunnen interpreteren en beoordelen in het licht van de bepalingen van het bestek”. 3.
  16. Met een e-mailbericht van 9 januari 2026 beantwoordt de verzoekende partij de voormelde vraag tot verduidelijking vanwege de verwerende partij. In dit schrijven bevestigt zij dat alle door haar aangeboden materialen en stoffen voldoen aan de gevraagde minimale eisen uit het bestek en verwijst zij naar de technische fiches en bijhorende certificeringsinformatie die reeds gevoegd werd bij de offerte. Daarnaast voegt zij een aantal bewijsstukken toe waaronder een aantal zelfverklaringen van de betrokken stoffenleveranciers. 3.
  17. Op 11 februari 2026 wordt een gunningsverslag opgesteld. Alle inschrijvers worden geselecteerd. De offertes worden aan een regelmatigheids- onderzoek onderworpen. De offerte van de verzoekende partij wordt materieel onregelmatig bevonden. Het gunningsverslag vermeldt hierover het volgende : “Tijdens de conformiteitscontrole werd vastgesteld dat de volgende aangeboden stoffen niet voldoen aan de minimale eisen inzake het EU‑Ecolabel, of gelijkwaardig zoals bepaald in punt 3.2.5.2 van het bestek: XIV-40.126-8/24 Post 25: geweven polyester effen Post 26: geweven polyester gespikkeld Post 27: wol stof effen Post 28: wol stof gespikkeld Post 29: akoestische stof gespikkeld Gelet op deze vaststelling heeft de aanbestedende overheid de inschrijver hierover op 22/12/2025 om verduidelijking verzocht overeenkomstig art. 66, §3 Wet Overheidsopdrachten. In antwoord op dit verzoek om bijkomende informatie en documentatie verwijst de inschrijver voor de posten 25 t.e.m. 29 naar het label OEKO‑TEX Standard
  18. Dit label biedt echter vooral garanties inzake gezondheidsveiligheid en de afwezigheid van schadelijke stoffen in textiel, terwijl het EU‑Ecolabel een brede milieu‑levenscyclusbenadering hanteert (grondstoffen, productie, gebruik en einde‑levensduur). EU‑Ecolabel is een EU‑milieulabel met levenscycluscriteria per productgroep; OEKO‑TEX Standard 100 test eindproducten op uitgebreide lijsten schadelijke stoffen, met andere doelstelling en reikwijdte. De labels kunnen hierdoor voor bepaalde producten complementair zijn, maar zijn niet gelijkwaardig of inwisselbaar. OEKO‑TEX Standard 100 heeft dus keurmerkvereisten die verschillen van EU-Ecolabel en biedt bijgevolg niet dezelfde garanties. Het OEKO-TEX Standard 100-label toont dus niet aan dat aan de minimale eisen inzake het EU-Ecolabel of gelijkwaardig wordt voldaan voor de stoffen die aangeboden werden voor de betrokken posten. De aanbestedende overheid kon de aangeboden producten ook niet terugvinden in de EU-Ecolabel product catalogus. De offerte van VEVA COLLECTION is omwille van bovenstaande vaststelling substantieel onregelmatig op basis van artikel 76, §1, vierde lid, 3° van het KB Plaatsing (niet-naleving van de minimale eisen). Aangezien het om een openbare procedure gaat, verklaart de aanbestedende overheid de substantieel onregelmatige offerte nietig.” Voorgesteld wordt om de offerte van de verzoekende partij nietig te verklaren en de opdracht te gunnen aan de twee resterende regelmatige inschrijvers. 3.
  19. Met een beslissing, ondertekend op 10 maart 2026, beslist de Minister-president en Vlaams minister van Economie, Innovatie en Industrie, Buitenlandse Zaken, Digitalisering en Facilitair Management, om namens de Vlaamse Regering “de motivering en het besluit van het gunningsverslag geheel te onderschrijven” en om de opdracht dienovereenkomstig te gunnen aan de bv T. en de bv H. XIV-40.126-9/24 3.
  20. Met een aangetekend schrijven van 12 maart 2026 deelt de verwerende partij aan de verzoekende partij mee dat haar offerte onregelmatig werd bevonden en geweerd. Als bijlage wordt een kopie gevoegd van de gunningsbeslissing van 10 maart 2026, evenals een vertrouwelijke versie van het gunningsverslag met de motieven voor de onregelmatigverklaring. IV. Nadere omschrijving van het voorwerp van de vordering
  21. De vordering is gericht tegen “de beslissing inzake overheids- opdracht 2025/HFB/OP/141228 waarbij de offerte van verzoeker als onregelmatig werd bevonden en geweerd werd”. Daarbij vraagt de verzoekende partij om “de bestreden beslissing met kenmerk TPR/SVD/141228” te schorsen. Hierover ondervraagd ter terechtzitting, bevestigt de raadsman van de verzoekende partij dat, mede in het licht van het door haar opgeworpen derde middel, de gehele beslissing inzake overheidsopdracht 2025/HFB/OP/141228 wordt bestreden, en dus zowel de onregelmatigverklaring van haar offerte als de gunning aan de overige inschrijvers.
  22. De vordering, woordelijk gericht tegen “de beslissing inzake overheidsopdracht 2025/HFB/OP/141228 waarbij de offerte van verzoeker als onregelmatig werd bevonden en geweerd”, mag in het licht van onder meer het derde middel worden geacht te zijn gericht tegen de gunningsbeslissing van 10 maart 2026, die de beslissing om de offerte van de verzoekende partij onregelmatig te verklaren en te weren impliceert. De vordering wordt hierna vanuit dat oogpunt onderzocht. V. Verzoek tot vertrouwelijke behandeling van bepaalde stukken
  23. De verwerende partij vraagt om de vertrouwelijke behandeling van bepaalde door haar neergelegde stukken die zij in de inventaris als vertrouwelijk aanduidt en waarbij zij ook de redenen opgeeft waarom zij om die vertrouwelijke behandeling vraagt. XIV-40.126-10/24 De verzoekende partij heeft het lichten van de vertrouwelijkheid van deze stukken niet gevraagd. In de mate dat hiervoor onder punt 3.4 en 3.
  24. stukken ter sprake komen die door de verwerende partij als vertrouwelijk worden bestempeld, geeft het feitenrelaas enkel de inhoud ervan weer zoals de verwerende partij deze in haar nota met opmerkingen citeert of ernaar verwijst en waarbij zij dus in die mate zelf de door haar ingeroepen vertrouwelijkheid van de bedoelde stukken heeft gelicht. VI. Ontvankelijkheid van de vordering Excepties
  25. De verwerende partij werpt in de nota met opmerkingen twee excepties van niet-ontvankelijkheid van de vordering op. In een eerste exceptie betoogt zij dat de vordering niet- ontvankelijk is gelet op een gebrekkige uiteenzetting van de middelen aangezien het verzoekschrift “nergens vermeldt […] welke rechtsbeginselen of bepalingen […] zijn miskend, noch wordt uiteengezet hoe de bestreden beslissing in strijd is met die normen”. In een tweede exceptie betoogt zij dat de vordering “des te meer onontvankelijk is door de aanwezigheid van bijkomende vormgebreken (ontbreken van datum, statuten en nummering van stukken en onduidelijkheid over de vertegenwoordigingsbevoegdheid)”. Beoordeling
  26. De Raad van State kan in een kort geding slechts een beperkt onderzoek wijden aan ontvankelijkheidsexcepties. Een verzoekende partij kan er zich immers minder behoorlijk tegen verweren dan in een procedure ten gronde. Daarom past het in een kort geding dat de Raad van State deze excepties eerder zou verwerpen dan aannemen tenzij indien zijn beperkt onderzoek uitwijst dat een dergelijke exceptie een hoge graad van ernst vertoont. XIV-40.126-11/24 Exceptie betreffende de gebrekkige uiteenzetting van de middelen
  27. De beoordeling van de exceptie inzake de gebrekkige uiteenzetting van de middelen hangt samen met de beoordeling van de middelen. Exceptie betreffende de aanwezigheid van bijkomende vormgebreken
  28. De verzoekende partij heeft voor de neerlegging van haar verzoekschrift gebruikgemaakt van de elektronische procesvoering zoals geregeld in artikel 85bis van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: de algemene procedureregeling). Artikel 85bis, § 6, van de algemene procedureregeling luidt: “Het tijdstip waarop een processtuk als neergelegd wordt beschouwd, is het ogenblik waarop het wordt neergelegd op de website. De datum van de neerlegging wordt in het elektronisch dossier vermeld.” Hieruit volgt dat het beroep vaste datum heeft gekregen bij de neerlegging van het verzoekschrift. In zoverre de verwerende partij de niet-ontvankelijkheid van de vordering afleidt uit een gebrek aan vermelding van de datum in het verzoekschrift, wordt de exceptie in de huidige stand van het geding dan ook verworpen.
  29. De verwerende partij leidt daarnaast ook de niet- ontvankelijkheid van de vordering af uit een gebrek aan nummering van de bij het verzoekschrift gevoegde stukken en een gebrek aan toevoeging van een afschrift van de gepubliceerde en gecoördineerde statuten van de verzoekende partij en een afschrift van de akte van aanstelling van haar organen, alsmede het bewijs dat het daartoe bevoegde orgaan beslist heeft om in rechte te treden. Er heerst volgens haar ook onduidelijkheid over de vertegenwoordingsbevoegdheid van de persoon die het verzoekschrift namens de verzoekende partij heeft ingediend en ondertekend. XIV-40.126-12/24
  30. Artikel 3, 4°, van de algemene procedureregeling bepaalt dat indien de verzoekende partij een rechtspersoon is, zij bij het verzoekschrift (tot nietigverklaring) een afschrift voegt van haar gepubliceerde statuten en van haar gecoördineerde geldende statuten en, indien deze rechtspersoon niet door een advocaat wordt vertegenwoordigd, een afschrift van de akte van aanstelling van haar organen, alsmede het bewijs dat het daartoe bevoegde orgaan beslist heeft in rechte te treden. Deze bepaling is op grond van artikel 8, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 19 november 2024 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding en tot wijziging van diverse besluiten betreffende de procedure voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: het koninklijk besluit van 19 november 2024) van toepassing op de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Artikel 3bis, eerste lid, 1°, van de hiervoor vermelde algemene procedureregeling bepaalt dat het verzoekschrift tot nietigverklaring uitgaande van een rechtspersoon dat niet vergezeld gaat van de voormelde stukken, niet op de rol wordt ingeschreven. Artikel 3bis, eerste lid, 6°, van de hiervoor vermelde algemene procedureregeling bepaalt dat het verzoekschrift niet op de rol wordt ingeschreven indien er geen inventaris is bijgevoegd van de stukken, die alle overeenkomstig die inventaris genummerd moeten zijn. Artikel 8, § 1, van het koninklijk besluit van 19 november 2024 bevat bijzondere bepalingen voor het verzoekschrift waarmee een vordering in geval van uiterst dringende noodzakelijkheid wordt ingesteld. Anders dan wat geldt voor de (gewone) vordering tot schorsing (artikel 4, § 4 van het koninklijk besluit van 19 november 2024), heeft artikel 8, § 1, noch enige andere bepaling van dat besluit artikel 3bis van de algemene procedureregeling van toepassing gemaakt op de vordering tot schorsing die is ingediend bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Uit het verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit van 19 november 2024 blijkt dat de verklaring daarvoor moet worden gezocht in het gegeven dat bepalingen zoals het genoemde artikel 3bis “niet zomaar kunnen worden toegepast op de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid”. XIV-40.126-13/24 Uit wat voorafgaat volgt dat de toepasselijke procedurevoorschriften geen rechtsgevolgen verbinden aan het verzuim te voldoen aan de voormelde voorschriften. Voorts maakt de verwerende partij niet aannemelijk dat zij in het raam van de voorliggende vordering tot schorsing in haar recht op verdediging is miskend door dit verzuim.
  31. Wat de vertegenwoordigingsbevoegdheid van S.V. betreft, valt op te merken dat de inmiddels tussengekomen raadslieden van de verzoekende partij in een emailbericht van 14 april 2026, ingediend voor de terechtzitting, uiteenzetten dat artikel 16.
  32. van de statuten van de verzoekende partij, waarvan een afschrift wordt neergelegd, bepaalt dat “alle akten die de vennootschap verbinden in en buiten rechte […] geldig [zijn] wanneer ze ondertekend worden door de enige bestuurder”. Zij leggen ook een besluit neer waaruit blijkt dat S.V. als niet-statutaire enige bestuurder werd benoemd voor onbepaalde duur. In de concrete omstandigheden van de zaak is er geen reden om in de huidige fase van het geschil te betwijfelen dat S.V. namens de verzoekende partij in rechte mocht treden.
  33. De exceptie wordt in de huidige stand van het geding dan ook verworpen. VII. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
  34. Krachtens artikel 17, §§ 1, 5 en 6, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, gelezen in samenhang met de artikelen 15 en 31 van de wet van 17 juni 2013 ‘betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies’ (hierna: wet van 17 juni 2013), moet enkel worden onderzocht of in de voorliggende vordering tot schorsing die is ingesteld volgens de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, een ernstig middel waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling of een klaarblijkelijke XIV-40.126-14/24 onwettigheid wordt aangevoerd. VIII. Onderzoek van de middelen Eerste en tweede middel Vooraf
  35. Het past om het eerste en het tweede middel samen te beoordelen. Uiteenzetting van het eerste en tweede middel
  36. De verzoekende partij zet het eerste middel als volgt uiteen in haar verzoekschrift: “Middel 1: onjuiste en te enge interpretatie van het begrip ‘gelijkwaardig’ De aanbestedende overheid heeft het begrip 'gelijkwaardig' beperkt tot een vergelijking tussen het EU-Ecolabel en OEKO-TEX Standard
  37. De verzoekende partij heeft in antwoord op 'verzoek van bijkomende informatie' bevestigd dat alle aangeboden materialen voldeden aan de gevraagde minimale eisen uit het bestek. Verder zijn bewijsstukken (REACH- conformiteit, Greenguard Gold Certification, attesten vrij van PFOS/ PFAS, ISO-normering, ... (zie bijlagen) voorgelegd.”. Het tweede middel wordt door de verzoekende partij als volgt uiteengezet in het verzoekschrift: “Middel 2: ontoereikende motivering De motivering van verwerende partij is ontoereikend, aangezien zij zich beperkt tot een loutere vergelijking tussen labels en geen inhoudelijke beoordeling bevat van de aangeleverde technische fiches en testresultaten. Bovendien blijkt niet dat rekening werd gehouden met de intrinsieke duurzaamheid van de in het bestek gevraagde natuurlijke stoffen, zoals wol, waarvan de milieuprestaties niet uitsluitend via labels worden bepaald, maar eveneens voortvloeien uit hun materiële eigenschappen en, in casu, bijkomend werden gestaafd door de voorgelegde conformiteits- en certificeringsstukken.”. XIV-40.126-15/24 Beoordeling
  38. De verwerende partij werpt een exceptie obscuri libelli op omwille van een gebrekkige uiteenzetting van het eerste en tweede middel.
  39. Luidens artikel 4, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit van 19 november 2024, dat door verwijzing in artikel 8, § 1, eerste lid, van hetzelfde besluit van toepassing is op de voorliggende vordering, geldt indien zoals te dezen, geen verzoekschrift tot nietigverklaring is ingediend, de in artikel 2, § 1, tweede lid, van de algemene procedureregeling, bepaalde omschrijving van het begrip ‘middel’ namelijk dat het ‘middel’ bestaat “uit de vermelding van de rechtsregel waarvan de schending aangevoerd wordt en van de wijze waarop die rechtsregel concreet overtreden zou zijn”. Wat de rechtsregel betreft waarvan de schending wordt aangevoerd, lijkt de verzoekende partij zich in haar verzoekschrift in essentie te beroepen op een schending van de formele- en materiëlemotiveringsplicht. Voorts laat de uiteenzetting van het eerste en tweede middel in het verzoekschrift de verwerende partij op het eerste gezicht ook toe een voldoende inzicht te krijgen in de wijze waarop de in het middel aangevoerde beginselen concreet overtreden zouden zijn. Het is ook in die zin dat de verwerende partij het eerste en tweede middel blijkt te hebben begrepen en er inhoudelijk op heeft gerepliceerd. Het meerdere en het overige is niet ontvankelijk wegens obscuri libelli.
  40. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 verplichten de administratieve overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op “afdoende” wijze. Het afdoend karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de voormelde wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, opdat de XIV-40.126-16/24 betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Bij de beoordeling van de naleving van de materiëlemotiveringsplicht is de Raad van State niet bevoegd om zijn oordeel omtrent de feiten in de plaats te stellen van het oordeel van de administratieve overheid. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de administratieve overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen.
  41. De in het gunningsverslag uitgedrukte motivering, zoals hoger aangehaald onder punt 3.
  42. van het feitenrelaas, en waar de bestreden beslissing op steunt, verschaft aan de verzoekende partij op het eerste gezicht voldoende duidelijkheid over de motieven waarom haar offerte substantieel onregelmatig wordt bevonden en geweerd. Daarbij wordt in essentie overwogen dat voor de posten 25 tot en met 29 de aangeboden stoffen niet voldoen aan de minimale eis in het bestek inzake het vereiste EU-Ecolabel of gelijkwaardig, dat het OEKO-TEX Standard 100-label niet aantoont dat aan de minimale eisen inzake het EU-Ecolabel of gelijkwaardig wordt voldaan voor de stoffen die aangeboden werden voor de betrokken posten en dat de aanbestedende overheid de aangeboden producten ook niet kon terugvinden in de EU-Ecolabel product catalogus.
  43. De verzoekende partij betwist op het eerste gezicht niet dat de vereiste van het “EU-ecolabel of gelijkwaardig” een minimale eis van de opdracht was, noch dat het niet-vervullen van deze eis als een substantiële onregelmatigheid moest worden beschouwd. Wel betwist zij dat de verwerende partij op grond van de haar voorliggende gegevens terecht heeft kunnen oordelen dat de door de verzoekende ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.448 XIV-40.126-17/24 partij aangeboden stoffen niet beschikken over een certificering die gelijkwaardig is aan het EU-ecolabel.
  44. Overeenkomstig artikel 53, § 3, 2°, van de wet van 17 juni 2016 ‘inzake overheidsopdrachten’ (hierna: wet van 17 juni 2016) mag de aanbestedende overheid technische specificaties formuleren door verwijzing naar bepaalde normen, mits deze verwijzing vergezeld gaat van de woorden “of gelijkwaardig”. Artikel 53, § 6, van de wet van 17 juni 2016 bepaalt: “Wanneer een aanbestedende overheid gebruik maakt van de mogelijkheid te verwijzen naar de in paragraaf 3, 2°, genoemde technische specificaties, wijst zij een offerte niet af op grond van het feit dat de aangeboden werken, leveringen of diensten niet overeenstemmen met de betrokken technische specificaties, wanneer de inschrijver in zijn offerte met elk passend middel, inclusief de in artikel 55 bedoelde bewijsmiddelen, aantoont dat de voorgestelde oplossingen op gelijkwaardige wijze voldoen aan de in de technische specificaties gestelde eisen.” Op grond van de voormelde bepaling komt het aldus op het eerste gezicht aan de inschrijver toe om reeds in zijn offerte het bewijs te leveren van de gelijkwaardigheid van de betrokken producten. Ook punt 2.5.5 van het op de opdracht toepasselijk bestek lijkt in de verplichting te voorzien om de relevante bewijsstukken bij de offerte te voegen opdat de aanbestedende overheid de conformiteit kan beoordelen.
  45. Te dezen blijkt op het eerste gezicht uit de offerte van de verzoekende partij, die als vertrouwelijk stuk werd neergelegd, maar die de Raad van State heeft kunnen inzien, dat wat de duurzaamheidseisen betreft, waaronder het vereiste “EU-ecolabel of gelijkwaardig” dient te worden begrepen, de invulfiche, die luidens het bestek het “kernbewijsdocument bij de offerte” vormt, geen bewijsstukken vermeldt. Enkel bij de kwaliteitseisen verwijst de invulfiche voor de geweven (effen en gespikkelde) polyesterstoffen, de (effen en gespikkelde) wolstoffen en de (gespikkelde) akoestische stof, in de kolom ‘nr./naam bewijsstuk’ naar een aantal technische fiches. XIV-40.126-18/24 Bovendien blijken de bij de offerte gevoegde technische fiches voor de stoffen geweven polyester effen (Aristide ‘Arthur’) en geweven polyester gespikkeld (Aristide ‘Cesar’) uitsluitend verwijzingen naar de labels “Made in the EU”, “Made in Green”, “PFC-free” en “OEKO-TEX Standard 100” te bevatten. Voor de effen wolstof (Aristide ‘Qashqai’) en de gespikkelde wolstof (‘Willow Höpke’) bevatten de technische fiche op het eerste gezicht zelfs geen verwijzingen naar dergelijke labels.
  46. In het licht van de beperkte gegevens die door de verzoekende partij zelf bij haar offerte werden gevoegd om aan te tonen dat de voorgestelde oplossingen op gelijkwaardige wijze voldoen aan de in de technische specificaties gestelde eisen, maakt zij op het eerste gezicht niet aannemelijk dat de motieven in het gunningsverslag, waar de bestreden beslissing op steunt, niet van aard zijn om de beslissing tot substantieel onregelmatigverklaring van de offerte van de verzoekende partij te verantwoorden. Anders dan de verzoekende partij het ziet, kon de verwerende partij zich daarbij hoofdzakelijk baseren op het OEKO-TEX Standard 100-label, aangezien dit de voor de betrokken duurzaamheidseis op het eerste gezicht de enige relevante certificering vormde waarvoor een aanknopingspunt in de offerte van de verzoekende partij aanwezig was. De overige bewijselementen inzake gelijkwaardigheid waar de verzoekende partij naar verwijst en die zij bijkomend zou hebben bezorgd in het kader van haar antwoord op het verzoek om verduidelijking, met name de REACH- conformiteit, de ‘Greenguard Gold-certificering’, het PFOS/PFAS-vrije karakter van de aangeboden producten en de ISO-normering, lijken op het eerste gezicht niet te kunnen worden afgeleid uit de materiaalfiches van de betreffende stoffen die gevoegd zijn bij de ‘invulfiche duurzame materialen’ in de offerte. Aldus blijkt op het eerste gezicht niet dat de verwerende partij deze elementen bij haar beoordeling diende te betrekken. Dit lijkt des te meer te gelden aangezien nergens wordt uiteengezet op welke wijze de REACH-conformiteit en het PFOS/PFAS- vrije karakter van de aangeboden producten iets toevoegt ten aanzien van de reeds voorgelegde en beoordeelde OEKO-TEX Standard 100, de ‘Greenguard Gold- certificering’ geen betrekking lijkt te hebben op de in het geschil zijnde wol- of ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.448 XIV-40.126-19/24 polyesterstoffen en van de ISO-normering geen melding lijkt te zijn gemaakt in de offerte, noch in het antwoord op de vraag tot verduidelijking. Voorts is de aanbestedende overheid er op het eerste gezicht niet toe gehouden om lacunes in de offerte van de verzoekende partij op te vullen door zelf een onderzoek te verrichten, testresultaten op te vragen en te vergelijken of door op basis van technische gegevens een vergelijking te maken die niet uit de offerte zelf volgt, aangezien een dergelijke benadering lijkt neer te komen op een omkering van de bewijslast zoals voorzien in voormeld artikel 53, § 6, van de wet van 17 juni
  47. In de mate dat de verzoekende partij nog doet gelden dat niet blijkt dat rekening werd gehouden met de intrinsieke duurzaamheid van de in het bestek gevraagde natuurlijke stoffen, zoals wol, waarvan de milieuprestaties volgens haar niet uitsluitend via labels worden bepaald, gaat zij eraan voorbij dat zij, wat deze stoffen betreft, heeft nagelaten om bewijsstukken inzake gelijkwaardigheid bij haar offerte te voegen. Bovendien komt het aan de aanbestedende overheid toe om de technische specificaties in het bestek vast te stellen. Het is immers zij die haar behoeften bepaalt. Zo volstaat het op het eerste gezicht overeenkomstig het bestek niet dat het aangeboden product intrinsiek bepaalde kenmerken vertoont, maar is het aan de inschrijver om aan te tonen dat deze kenmerken beantwoorden aan de concreet gestelde eisen, met name dat zij gelijkwaardig zijn aan het EU-ecolabel.
  48. Ook het gegeven dat de verzoekende partij naar aanleiding van een verzoek tot verduidelijking op algemene wijze heeft bevestigd dat alle door haar aangeboden stoffen voldoen aan de gevraagde minimale eisen uit het bestek, is op het eerste gezicht niet van aard om de gelijkwaardigheid met het vereiste EU- ecolabel aan te tonen.
  49. In de mate dat de verzoekende partij nog betoogt dat de verwerende partij een onjuiste en te enge interpretatie zou hebben gegeven aan het begrip “gelijkwaardig”, lijkt zij eraan voorbij te gaan dat de bestreden beslissing niet steunt op een dergelijke interpretatie, maar wel op de vaststelling dat voor de XIV-40.126-20/24 aangeboden stoffen voor de posten 25 tot en met 29, de gelijkwaardigheid met het EU-Ecolabel niet op afdoende wijze werd aangetoond.
  50. Dat het OEKO-TEX Standard 100-label niet aantoont dat aan de minimale eisen inzake het EU-Ecolabel of gelijkwaardig wordt voldaan, lijkt door de verzoekende partij voorts niet te worden betwist. Dit motief strookt op het eerste gezicht ook met hetgeen in het bestek werd aangekondigd. Het bestek maakt immers zelf een onderscheid tussen beide certificeringen aangezien voor bepaalde textielsoorten, met name “waterafstotende stof indoor (effen)” en “kunstleder met textielrug”, uitdrukkelijk een certificaat “OEKO-TEX Standard 100” als duurzaamheidseis wordt gevraagd, terwijl voor andere stoffen, zoals de hier in geding zijnde wol- en geweven polyesterstoffen, uitdrukkelijk een EU-ecolabel of een gelijkwaardige certificering wordt vereist. Hieruit blijkt op het eerste gezicht dat de aanbestedende overheid bewust een onderscheid heeft gemaakt tussen beide certificeringen en dat zij deze niet als onderling gelijkwaardig beschouwt.
  51. De verzoekende partij maakt, gelet op het voorgaande, op het eerste gezicht niet aannemelijk dat de verwerende partij, door te besluiten dat haar offerte om de voornoemde redenen substantieel onregelmatig is, de aangevoerde regelgeving en beginselen zou hebben geschonden.
  52. Het eerste en tweede middel is niet ernstig. Derde middel Uiteenzetting van het derde middel
  53. In haar verzoekschrift zet de verzoekende partij het derde middel als volgt uiteen: “Middel 3: Schending mededinging / inzage dossier De uitsluiting belet verzoekende partij om volwaardige inzage te verkrijgen in het dossier en beïnvloedt rechtstreeks de rangschikking, waarbij 2 van de XIV-40.126-21/24 3 inschrijvers worden geselecteerd. Hoewel bepaalde gegevens om vertrouwelijkheidsredenen mogen worden afgeschermd, is de omvang van de afscherming zodanig dat een daadwerkelijke controle van de beoordeling niet mogelijk is.”. Beoordeling
  54. De verwerende partij werpt, ook wat het derde middel betreft, een exceptie obscuri libelli op omwille van een gebrekkige uiteenzetting van het middel.
  55. De verzoekende partij zet niet uiteen op welke wijze de “mededinging” zou zijn geschonden. Het middel is in die mate niet-ontvankelijk. In zoverre de verwerende partij ook tegen de aangevoerde grief “inzage dossier” een exceptie obscuri libelli opwerpt, lijkt zij niet te kunnen worden bijgevallen. Wel kan dit middel, gelet op de onduidelijkheid ervan slechts worden beoordeeld zoals dit door de verwerende partij redelijkerwijze moest worden begrepen en ook werd begrepen, meer bepaald als een aangevoerde schending van artikel 8 van de wet van 17 juni 2013, waarbij de verwerende partij uit de verwijzingen naar “vertrouwelijkheidsredenen” en “daadwerkelijke controle van de beoordeling” afleidt dat de verzoekende partij in wezen aanklaagt dat zij geen inzage heeft gekregen in de integrale gunningsbeslissing.
  56. Wat deze aangevoerde schending betreft, werpt de verwerende partij ook een exceptie van niet-ontvankelijkheid van het middel op, afgeleid uit een gebrek aan belang. Een onderzoek en een beoordeling van de door de verwerende partijen aangevoerde exceptie van gebrek aan belang bij het middel is slechts noodzakelijk indien het middel ernstig zou worden bevonden, hetgeen, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. XIV-40.126-22/24
  57. Artikel 8, § 1, eerste lid, van de wet van 17 juni 2013 luidt: “Onmiddellijk na het nemen van de gemotiveerde gunningsbeslissing deelt de aanbestedende instantie het volgende mee : 1° aan elke niet-geselecteerde inschrijver, de motieven voor zijn niet- selectie, in de vorm van een uittreksel van de gemotiveerde beslissing; 2° aan elke inschrijver van wie de offerte onregelmatig of niet-conform is bevonden, de motieven voor de wering, in de vorm van een uittreksel van de gemotiveerde beslissing; 3° aan elke inschrijver van wie de offerte niet is gekozen en aan de gekozen inschrijver, de gemotiveerde beslissing.” Te dezen werd de offerte van de verzoekende partij door de verwerende partij substantieel onregelmatig bevonden en nietig verklaard. De mededeling van 12 maart 2026, waarbij aan de verzoekende partij een kopie werd bezorgd van de gunningsbeslissing, evenals een uittreksel van het gunningsverslag met de motieven voor de onregelmatigverklaring en wering van haar offerte, is op het eerste gezicht dan ook in overeenstemming met voormeld artikel 8, § 1, eerste lid, 2°, van de wet van 17 juni
  58. In de loop van de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid heeft de verwerende partij een administratief dossier neergelegd. Dat dossier bevatte onder meer het volledige gunningsverslag en de gunningsbeslissing.
  59. Het derde middel is niet ernstig. IX. Besluit
  60. Geen van de middelen is ernstig gebleken. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt dan ook verworpen. BESLISSING
  61. De Raad van State verwerpt de vordering. XIV-40.126-23/24
  62. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 26 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op tweeëntwintig april tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Inge Vos, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Inge Vos XIV-40.126-24/24 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.448 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.