id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 april 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.466 Rolnummer: A. 244046/IX-10620 Zaak: Arrest 266466 - Advocaten - 23/04/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-04-28 Raadplegingen: 83 - laatst gezien 2026-06-18 06:07 Fiche Arrest nr 266.466 van 23 april 2026 Justitie - Advocaten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 266.466 van 23 april 2026 in de zaak A. 244.046/IX-10.620 In zake: W.V. tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ine De Cneudt kantoor houdend te 3054 Vaalbeek (Oud-Heverlee) Maurits Noëstraat 145 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 20 december 2024, strekt tot de nietig- verklaring van een “beslissing van [de] Minister van Justitie dd 30.08.2024 […] om mijn klacht, die ik bij hem neerlegde, door te verwijzen in plaats van deze zelf te behandelen”. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur Christiaan Lesaffer heeft een verslag opge- steld. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. IX-10.620-1/6 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 30 maart
- Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge- bracht. Verzoeker en advocaat Maarten De Feyter, die loco advocaat Ine De Cneudt verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Christiaan Lesaffer heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoör- dineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Op 14 juli 2022 dient verzoeker bij het Grondwettelijk Hof een klacht in “tegen verschillende beslissingen in verband met de onmogelijkheid tot het indienen van een voorziening in cassatie”. Blijkens arrest nr. 42/2023 van 9 maart 2023 (A.1-A.2) zet verzoeker in zijn klacht uiteen “dat [hij] op 8 februari 2021 van een advocaat bij het Hof van Cassatie heeft geëist om een verzoekschrift in te dienen bij dat Hof en dat die advocaat dat op 15 februari 2021 heeft gewei- gerd”, dat hij “vervolgens klacht heeft neergelegd bij de minister van Justitie, die [hem] heeft doorverwezen naar de stafhouder van de balie bij het Hof van Cassatie” en dat hij “zich nadien heeft gericht tot de Koning, die Zich echter heeft aangeslo- ten bij het antwoord van de minister van Justitie, en dat [hij] tevens de stafhouder van de balie bij het Hof van Cassatie heeft aangesproken”. Hij “klaagt aan dat de minister van Justitie, als ‘verantwoordelijke voor het gedrag van de advocaten bij het Hof van Cassatie’, niet is opgetreden tegen de weigering van een advocaat bij het Hof van Cassatie om namens [hem] een verzoekschrift in te dienen bij dat Hof IX-10.620-2/6 en dat de Koning het standpunt dat de minister van Justitie ter zake heeft ingeno- men, heeft gevolgd.” In voormeld arrest van 9 maart 2023 zegt het Grondwettelijk Hof voor recht dat die klacht niet behoort tot de bevoegdheid van het Hof. Op 9 maart 2024 vraagt verzoeker de minister van Justitie (op- nieuw) om “de advocaten bij het Hof van Cassatie, waarvan u de hiërarchische overste bent, [te] verplichten hun taak uit te oefenen zoals de wet dat voorschrijft” en op 22 augustus 2024 stelt hij de verwerende partij in gebreke omwille van de afwezigheid van een antwoord op het verzoek van 9 maart 2024 en eist hij een schadevergoeding van 75.000 euro. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Exceptie
- In de memorie van antwoord merkt de verwerende partij op: “In het opschrift van zijn verzoekschrift wordt als onderwerp gesteld: ‘ver- zoek tot nietigverklaring van beslissing van Minister van Justitie dd 30.08.2024’. Behoudens vergissing, bevat het stukkenbundel van verzoe- kende partij echter geen zodanige beslissing van die datum. Verzoeker schept geen duidelijkheid over wat nu precies de bestreden beslissing be- treft en brengt deze beslissing van 30 augustus 2024 ook niet bij, integen- deel hij stelt dat er nog geen beslissing zou zijn gevolgd in zijn inventaris.”
- In de memorie van wederantwoord volgt hierop geen reactie.
- In zijn laatste memorie gaat verzoeker nog steeds in op “de be- slissing van de Minister dd 30.08.2024 om de klacht dienaangaande door te ver- wijzen naar de stafhouder van de balie van het Hof van Cassatie”. Wat meer be- paald het bestaan van dat voorwerp betreft, schrijft hij enkel wat volgt: “De auditeur, in zijn verslag, gaat nog een stap verder en stelt dat de bestre- den beslissing niet zou bestaan. IX-10.620-3/6 Destijds zouden de Grieken dit hebben beschouwd als zijnde een irrealis. Maar de kom is alzo wel geplaatst om te maken dat achteraf Pilatus daarin zijn schuld kan witwassen.” Beoordeling
- Verzoeker omschrijft het voorwerp van zijn beroep in het inlei- dend verzoekschrift als een beslissing van de minister van Justitie van 30 augustus
- Hij doet dit ook in zijn latere procedurestukken en hij onderneemt daarin geen enkele poging om dit voorwerp nader te verklaren of, eventueel, een vergis- sing recht te zetten. Een beslissing van de minister van Justitie van 30 augustus 2024 blijkt niet te bestaan. Verzoeker toont het tegendeel niet aan.
- In de inventaris, gevoegd bij het verzoekschrift, vermeldt ver- zoeker als stuk 6: “voorwerp van dit verzoek zijnde klacht aan de Minister van Justitie dd 09.03.2024 (waarop nog geen antwoord)”. Dat stuk 6 is effectief een afschrift van verzoekers brief van 9 maart 2024 aan de minister. De Raad bedenkt hierbij dat een klacht van verzoeker aan de mi- nister bij bepaling geen “voorwerp” kan vormen van een vernietigingsberoep, dat steeds een eenzijdige administratieve rechtshandeling tot voorwerp moet hebben – daargelaten nog het belang van een verzoekende partij om de nietigverklaring te vragen van een eigen klacht. Dat stuk 6 is dus evenmin het voorwerp van huidig beroep. Bovendien erkent verzoeker zelf, blijkens die inventaris, dat zijn klacht bij het indienen van zijn verzoekschrift “nog geen antwoord” kreeg van de minister.
- Het enige schrijven, uitgaande van een minister van Justitie, dat verzoeker voorlegt, is een brief van 11 februari 2021 waarin verzoeker inderdaad IX-10.620-4/6 wordt doorverwezen naar de stafhouder van de Orde van advocaten bij het Hof van Cassatie. Dat is evenwel een brief die nog voorafgaat aan verzoekers demarche bij het Grondwettelijk Hof en is duidelijk niet wat hij thans als voorwerp ziet van zijn beroep bij de Raad van State – in welk geval hij overigens manifest te laat zou zijn.
- Het beroep is onontvankelijk bij gebrek aan voorwerp, wat des- noods ambtshalve moet worden vastgesteld.
- De verwerende partij werpt nog andere excepties op, onder meer het gebrek aan bevoegdheid van de Raad van State om kennis te nemen van het beroep. Onderzoeken of de Raad van State rechtsmacht heeft voor een beroep zon- der voorwerp benadert het surreële, zodat de Raad hiervan om reden van proces- economie afziet. V. Schadevergoeding tot herstel
- Aangezien het beroep wordt verworpen zonder dat een onwet- tigheid is vastgesteld, kan het verzoek tot schadevergoeding tot herstel niet worden ingewilligd. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nie- tigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de ver- werende partij. Het rolrecht van 200 euro en de bijdrage van 24 euro, gekweten voor de vor- dering tot schadevergoeding tot herstel, wordt terugbetaald aan de verzoe- kende partij. IX-10.620-5/6 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op drieëntwintig april tweeduizend zesentwin- tig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Jurgen Neuts, staatsraad, Jim Deridder, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Geert Van Haegendoren IX-10.620-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.466 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div