id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 april 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.467 Rolnummer: A. 245281/IX-10697 Zaak: Arrest 266467 - Penitentiair recht (met inbegrip van cassatie) - 23/04/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-04-28 Raadplegingen: 91 - laatst gezien 2026-06-18 06:07 Fiche Arrest nr 266.467 van 23 april 2026 Justitie - Penitentiair recht (met inbegrip van cassatie) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 266.467 van 23 april 2026 in de zaak A. 245.281/IX-10.697 In zake: W.V. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Crispyn kantoor houdend te 9030 Mariakerke Mazestraat 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Michel Van Dievoet kantoor houdend te 3000 Leuven Bondgenotenlaan 155A bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het cassatieberoep 1. Het cassatieberoep, ingesteld op 10 juli 2025, strekt tot de nie- tigverklaring van beslissing nr. M23-5-0643 van de commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en occasionele redders van 4 juli 2025. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij beschikking nr. 16.376 van 6 augustus 2025 is het cassatie- beroep toelaatbaar verklaard. IX-10.697-1/8 De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur Christiaan Lesaffer heeft een verslag opge- steld. De verzoekende partij heeft gevraagd dat de procedure wordt voortgezet. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 30 maart 2026. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Els Baeyens, die loco advocaat Peter Crispyn ver- schijnt voor de verzoekende partij en advocaat Michel Van Dievoet, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Christiaan Lesaffer heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoör- dineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3. Op 9 juni 2023 vraagt verzoeker, inspecteur van politie, de com- missie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders (“de commissie”) om de toekenning van een financiële hulp voor schade als gevolg van een opzettelijke gewelddaad. IX-10.697-2/8 Bij de thans bestreden beslissing van 4 juli 2025 kent de com- missie aan verzoeker een hulp toe van 35.000 euro. Zij overweegt daartoe: “Het verzoekschrift aan de Commissie is regelmatig naar de vorm en het werd tijdig neergelegd. De wetgeving betreffende de hulp aan slachtoffers van opzettelijke geweld- daden verleent aan de slachtoffers geen subjectief recht op ‘schadeloosstel- ling’, maar wel op het eventueel bekomen van een ‘hulp’, gesteund op het principe van de collectieve solidariteit. Uit de aard zelf van de hulp volgt dat de ‘volledige vergoeding’ van het door de slachtoffers geleden nadeel niet wordt gewaarborgd. Bij het beoordelen van een hulp dienen de voor- schriften van de artikelen 31, 31bis, 32, 33 en 33bis van de wet van 1 au- gustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen nageleefd te worden. Wat de gevraagde hulp voor de blijvende persoonlijke ongeschiktheid be- treft, dient opgemerkt dat de begroting van de toegekende hulp door de Commissie gebeurt aan de hand van een forfaitair bedrag gekoppeld aan een bepaald barema. De forfaitaire bedragen houden rekening zowel met het belang van de graad van de ongeschiktheid als met de leeftijd van het slachtoffer op de datum van de consolidatie van de letsels. Deze methode maakt geen onderscheid tussen de schade geleden in het verleden en de toekomstige schade. In de voorliggende zaak betekent dit concreet dat er, gelet op de leeftijd van verzoeker op het ogenblik van consolidatie, moet worden uitgegaan van het basisbedrag van € 945 per punt (bedrag voorzien in de indicatieve tabel 2020). Aldus kent de Commissie voor de schadepost blijvende persoonlijke ongeschiktheid een hulpbedrag toe van € 31.185 (33 x 945 per punt). Voorts vestigt de Commissie de bijzondere aandacht op artikel 33, § 1, eer- ste lid, van de wet, naar luid waarvan de hulp naar billijkheid wordt be- paald. Volgens de voorbereidende werken is de beoordeling naar billijkheid zelfs het basisbeginsel van het stelsel (Parl.St. Senaat, 1984-85, nr. 873/2/1°, 8). Dit uitgangspunt geeft aan de Commissie een ruime appre- ciatiebevoegdheid, zowel met betrekking tot de opportuniteit van de toe- kenning van een financiële hulp als met betrekking tot de bepaling van de omvang ervan. Binnen de door artikel 33, § 2, van dezelfde wet gestelde grenzen bepaalt de Commissie op onaantastbare wijze de hoogte van de toe te kennen fi- nanciële hulp die zij in verhouding acht tot de door verzoeker geleden schade. Eén en ander impliceert dat de door de Commissie toegekende hulp niet noodzakelijk overeenstemt met de volledige schadeloosstelling van het na- deel dat verzoeker heeft geleden. Het betekent eveneens dat de Commissie niet gebonden is door de schadevergoeding die door de rechter werd toege- kend. Wat het voorliggend dossier betreft is de Commissie van oordeel dat de toekenning van een globaal hulpbedrag van € 35.000 redelijk en gepast is. IX-10.697-3/8 Bij de bepaling van dit bedrag werd rekening gehouden met de uitkering die verzoeker ontving in het kader van de vereffening-verdeling van de na- latenschap van wijlen [HA].” IV. Onderzoek van het enige middel Uiteenzetting van het middel 4. Verzoeker voert een enig middel aan, geput uit de schending “van art. 33 Wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, op zichzelf en in relatie tot het redelijkheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk be- stuur evenals de materiële motiveringsplicht als beginsel van behoorlijk bestuur”. Hij vat dat middel in de memorie van wederantwoord samen als volgt: “Zodoende meent verzoeker:
- a)Dat art. 33 der voormelde wet van 01 augustus 1985 is geschonden gelet het bedrag van de hulp niet naar billijkheid is bepaald alwaar zulks dient te geschieden.
- b)Het redelijkheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur is geschon- den gelet het in acht genomen de voormelde elementen en principes verre- gaand onredelijk is om ter beoordeling van het schade onderdeel ‘blijvende persoonlijke ongeschiktheid’ terug te grijpen naar een becijfering conform de indicatieve tabel maar dan wel een verouderde versie ipv de meest re- cente op het moment van beslissing. Verzoeker meent dat de commissie door aldus te redeneren en te beslissen is afgeweken van het normale beslissingspatroon en dat het niet denkbaar is dat een andere zorgvuldig handelende overheid in dezelfde omstandig- heden tot deze besluitvorming zou zijn gekomen.
- c)Dat de materiële motiveringsplicht is geschonden nu in de bestreden be- slissing de commissie de feitelijke elementen niet correct heeft beoordeeld en op grond daarvan niet binnen de perken van de redelijkheid tot haar be- sluit is kunnen komen. Een correcte beoordeling bracht immers de toepas- sing van de meest recente indicatieve tabel met zich en door gebruik te ma- ken van een verouderde versie is er niet binnen de perken van de redelijk- heid tot een besluit gekomen.” In de toelichting bij het middel wijst verzoeker erop dat hij niet betwist dat de commissie bij het bepalen van de omvang der verleende hulp over een grote beleidsvrijheid beschikt in die mate dat ze over een grote IX-10.697-4/8 appreciatiebevoegdheid beschikt. Die appreciatiebevoegdheid is volgens verzoe- ker begrensd door de redelijkheid. Wanneer de beslissing onredelijk is – volgens verzoeker in dezen “verregaand onredelijk” – is er geen sprake meer van een bil- lijke begroting van de hulp. Verzoeker “bekritiseert niet de methodiek binnen de billijkheids- beoordeling om gebruik te maken van de indicatieve tabel om aldus te komen tot een billijk oordeel”. Hij “bekritiseert wel dat in casu gebruik is gemaakt van de indicatieve tabel versie 2020 alwaar de bestreden beslissing dateert van 04 juli 2025 en de indicatieve tabel versie 2024 reeds is gepubliceerd in het tijdschrift der politierechters 04/2024”. Hij meent “dat het verregaand onbillijk is om een finan- ciële hulp te begroten op basis van een verouderde indicatieve tabel (versie 2020) alwaar op het moment van beslissing reeds ongeveer meer dan een half jaar de nieuwe versie (editie 2024) is gepubliceerd en algemeen ingang heeft gevonden”. 5. In de memorie van wederantwoord onderstreept verzoeker nog dat hij niet een schending aanvoert van de jurisdictionele motiveringsplicht, “wel integendeel gelet in deze de commissie haar oordeel wel degelijk motiveerde en het net die redengeving is die ten grondslag ligt van de kritiek zoals die in het middel ontwikkeld is”. Hij “bekritiseert de grond van het billijkheidsoordeel, in essentie dat daartoe is teruggegrepen naar een forfaitaire vergoeding met gebruik- making van de dynamiek der indicatieve tabel maar dan wel een verouderde versie er van, zoals bij de ontwikkeling van het middel nader toegelicht”. Hij meent dat “slechts van billijkheid kan worden gesproken indien de commissie consequent is in toepassing van de door haarzelf aangedragen methodiek van begroting als een afgeleide van een begroting naar gemeen recht en dergelijke consequentie nood- zaakt de toepassing van de meest recente indicatieve tabel op het moment van be- slissen”. IX-10.697-5/8 Beoordeling a. algemene beginselen van behoorlijk bestuur 6. De algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waar het rede- lijkheidsbeginsel deel van uitmaakt, zijn toepasselijk op bestuurshandelingen van administratieve overheden als bedoeld in artikel 14, § 1, RvS-Wet. De commissie is evenwel een administratief rechtscollege als bedoeld in artikel 14, § 2, RvS-Wet. De algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn derhalve niet van toepassing op de jurisdictionele beslissingen van de commissie. In zoverre het middel de schending van het redelijkheidsbeginsel aanvoert, kan het niet tot cassatie leiden. 7. De door verzoeker ingeroepen plicht tot materiële motivering is eveneens een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur dat zich niet tot de admi- nistratieve rechter richt. Op de commissie is de jurisdictionele motiveringsplicht bedoeld in artikel 149 van de Grondwet van toepassing, waarvan verzoeker uit- drukkelijk stelt dat ze niet geschonden is. In zoverre het middel de schending van de materiëlemotiverings- plicht aanvoert, kan het ook niet tot cassatie van de bestreden beslissing leiden. b. artikel 33 van de wet van 1 augustus 1985 8. Artikel 33 van de wet van 1 augustus 1985 ‘houdende fiscale en andere bepalingen’ luidt: “§ 1. Het bedrag van de hulp wordt naar billijkheid bepaald. De commissie kan onder meer rekening houden met: - het gedrag van de verzoeker of van het slachtoffer indien dit gedrag rechtstreeks of onrechtstreeks heeft bijgedragen tot het ontstaan van de schade of de toename ervan; - de relatie tussen de verzoeker of het slachtoffer en de dader. IX-10.697-6/8 § 2. De hulp wordt per opzettelijke gewelddaad en per verzoeker toege- kend voor schade boven 500 euro en is beperkt tot een bedrag van 125 000 euro.” 9. Luidens artikel 33, § 1, eerste lid, van de wet van 1 augustus 1985 wordt het bedrag van de hulp naar billijkheid bepaald. Binnen de door artikel 33, § 2, van dezelfde wet gestelde financiële grenzen, bepaalt de commissie op onaantastbare wijze de hoogte van de toe te kennen financiële hulp die zij in ver- houding acht tot de door een aanvrager geleden schade. Naar luid van artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State treedt de afdeling Bestuursrechtspraak in het geval van een cas- satieberoep niet in de beoordeling van de zaak zelf. Bijgevolg komt het de Raad van State als administratieve cassatierechter niet toe de beoordeling van de feiten over te doen. 10. Verzoeker wijst op het “schrijnend groot verschil” tussen “de be- groting van de schade […] in gemeen recht”, “versus de beoordeling in ‘billijkheid’ door de commissie”. Hij stelt niet de methodiek te bekritiseren “binnen de billijk- heidsbeoordeling” om gebruik te maken van de indicatieve tabel. Wel neemt hij op de korrel dat de commissie een volgens hem verouderde tabel heeft gehanteerd, wat haar beslissing “verregaand onredelijk” maakt. Met die kritiek toont verzoeker niet aan hoe de commissie de billijkheid waardoor zij zich luidens artikel 33 van de wet van 1 augustus 1985 moet laten leiden, heeft geschonden. In werkelijkheid streeft hij met het middelon- derdeel na, dat de Raad van State in de plaats van het onaantastbare oordeel van de commissie zou onderzoeken en beoordelen wat naar billijkheid een passende be- groting van de hulp vormt, hetgeen de Raad als cassatierechter niet vermag te doen. Het onderdeel dat formeel een wetsschending aanvoert, komt in werkelijkheid geheel op tegen de onaantastbare beoordeling van de begroting van de hulp naar billijkheid door de commissie. De Raad van State kan alleen de IX-10.697-7/8 rechtmatigheid van de hem voorgelegde beslissing onderzoeken. Hij is niet be- voegd om deze op haar billijkheid te toetsen. 11. Het onderdeel is niet ontvankelijk. c. besluit 12. Het middel wordt verworpen. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 26 euro en een rechts- plegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende par- tij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op drieëntwintig april tweeduizend zesentwin- tig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Jurgen Neuts, staatsraad, Jim Deridder, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Geert Van Haegendoren IX-10.697-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.467 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div