id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 april 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.470 Rolnummer: A. 247506/IX-10906 Zaak: Arrest 266470 - ION - Aanwerving en loopbaan - 23/04/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-04-27 Raadplegingen: 91 - laatst gezien 2026-06-18 06:49 Fiche Arrest nr 266.470 van 23 april 2026 Openbaar ambt - ION - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.470 no lien 288818 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 266.470 van 23 april 2026 in de zaak A. 247.506/IX-10.906 In zake: A.A. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pascal Lahousse kantoor houdend te 2800 Mechelen Leopoldstraat 64 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het BRUSSELSE HOOFDSTEDELIJK GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jonathan De Wilde en Karel Devloo kantoor houdend te 5100 Jambes Passage de l’Atelier 6/2 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 25 februari 2026, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van (
- i)het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 19 februari 2026 waarbij K.O. wordt benoemd als tijdelijk leidend ambtenaar bij Brussel Openbaar Ambt met ingang van 19 februari 2026 voor een periode van zes maanden, verlengbaar en (
- ii)“de Franstalige interne vacature voor de kandidaten voor de tijdelijke functie van directeur (A4) bij talent.brussels”. IX-10.906-1/13 II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij beschikking van 27 februari 2026 werd de procedurekalender vastgesteld en werden de partijen opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 20 april 2026 om 11.00 uur. De nota met opmerkingen en het administratief dossier werden ingediend overeenkomstig de procedurekalender. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een verslag opgesteld. Staatsraad Jim Deridder heeft verslag uitgebracht. Advocaat Pascal Lahousse, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaten Romain Annoye en Maëlle Angenot, die loco advocaten Jonathan De Wilde en Karel Devloo verschijnen voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Verzoekster is vast benoemd ambtenaar en bekleedt de functie van directeur Strategie en Organisatie (A3) bij talent.brussels. Zij behoort tot de Nederlandstalige taalrol. IX-10.906-2/13 3.2. Sinds november 2024 beschikt talent.brussels niet meer over leidende ambtenaren. De mandaten van de toenmalige titularissen (A5 en A4+) liepen af en de regering van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest startte geen procedure om in hun vervanging te voorzien. De dagelijkse leiding van de organisatie werd in eerste instantie op informele wijze waargenomen door verzoekster en J.D., beiden directeur (A3). Nadat J.D. in juni 2025 talent.brussels verlaat, verzekert verzoekster het beheer van de dienst. 3.3. Op 20 januari 2026 richt verzoekster aan de bevoegde minister een brief betreffende de “[f]unctionele afbakening en dringende nood aan organisatorische ondersteuning”, waarin zij een dringende oplossing vraagt voor de precaire situatie inzake het beheer van talent.brussels. Deze brief vermeldt onder meer: “Deze structurele onderbezetting creëert ernstige risico’s op vlak van continuïteit, kwaliteit en beheer van de organisatie. In deze omstandigheden wordt van mij verwacht dat ik een volume en diversiteit aan taken opneem die de grenzen van mijn functie als Directrice Strategie & Organisatie ver overstijgen. Dit is niet langer haalbaar, noch verantwoord, niet voor mij persoonlijk, en evenmin voor de organisatie. Ik heb deze bijzonder zorgwekkende context reeds toegelicht aan uw voorganger op 24 april 2025, evenals aan u in mijn schrijven van 4 december 2025. Daarom wens ik u formeel te informeren dat ik voortaan uitsluitend de kerntaken van mijn functie als Directrice S&O zal uitoefenen. Uit loyaliteit tegenover de organisatie ben ik bereid de ondertekening van facturen en lonen te blijven verzekeren. Ik ben uiteraard bereid hierover met u in gesprek te gaan.” Daags nadien, op 21 januari 2026, deelt verzoekster aan de personeelsleden van talent.brussels in een e-mail het volgende mee: “Beste collega’s, Ik heb beslist om voortaan opnieuw uitsluitend mijn basisrol van directrice S&O op te nemen. Dit betekent dat ik de rol van directeur voor de andere directies en de vervanging van de coördinatoren niet langer combineer met mijn eigen functie. Deze beslissing heb ik ook formeel meegedeeld aan de minister. De manier waarop we momenteel werken vraagt veel flexibiliteit en ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.470 IX-10.906-3/13 afstemming. De combinatie van uiteenlopende verwachtingen, bijkomende vragen en bijsturingen maakt het niet altijd evident om dit op een duurzame manier te blijven opnemen. De minister zoekt naar een structurele oplossing voor het leiderschap binnen onze organisatie. Op dit moment is daarover nog geen concreet perspectief. Uit loyaliteit tegenover de organisatie blijf ik instaan voor de ondertekening van de lonen en de facturen, zodat de continuïteit op dit vlak gegarandeerd blijft. Tot slot wil ik mijn vertrouwen uitspreken in de professionaliteit en het engagement waarmee iedereen, ook in deze omstandigheden, zijn of haar rol blijft opnemen. Merci voor jullie inzet en engagement.” 3.4. Op 23 januari 2026 vindt een onderhoud plaats tussen de minister en verzoekster. 3.5. Het bestuur richt vervolgens een eentalig Franstalige interne oproep tot kandidaten voor de tijdelijke deeltijdse uitoefening van de functie directeur/directrice – diensthoofd (A4), voor een maximale duur van zes maanden, eventueel verlengbaar. Die keuze wordt, wat de taalrol betreft, in de nota aan de regering als volgt gemotiveerd: “Aangezien de enige overblijvende ambtenaar van rang A3 tot de Nederlandstalige taalrol behoorde en om het directiecomité van talent.brussels toe te laten zonder taalkundige belemmeringen te functioneren (met name gelet op artikel 27, derde lid, van het Statuut, dat bepaalt: ‘Elke individuele voorstel of beslissing ten aanzien van een ambtenaar die door de directieraad wordt genomen, gebeurt bij geheime stemming. Behoudens de aanwezigheid van een wettelijk tweetalig lid van de directieraad, is een lid van de directieraad van de taalrol van de ambtenaar aanwezig’), werd beslist de oproep tot kandidaatstelling uitsluitend te lanceren voor de Franstalige taalrol.” Die oproep is de tweede bestreden beslissing. 3.6. Op 9 februari 2026 stelt verzoekster zich kandidaat voor de tijdelijke functie van directeur-diensthoofd (A4). 3.7. Op 10 februari 2026 onderzoekt een jury de ingediende kandidaturen, waarbij die van verzoekster niet toelaatbaar wordt verklaard wegens ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.470 IX-10.906-4/13 “n’appartient pas au rôle linguistique français (profil NL et documents fournis en NL” (vrij vertaald: behoort niet tot de Franse taalrol (NL-profiel en documenten ingediend in het NL). Met een ter post aangetekende brief van 26 februari 2026 wordt verzoekster door de voorzitter van de jury ervan in kennis gesteld dat haar kandidatuur niet werd aanvaard omdat zij niet voldoet aan de deelnemingsvoorwaarde dat de kandidaten tot de Franse taalrol moeten behoren. Die brief vermeldt de beroepsmogelijkheden die tegen de beslissing kunnen worden aangewend. 3.8. Op 19 februari 2026 beslist de verwerende partij om K.O. aan te stellen in het tijdelijk mandaat van directeur-diensthoofd (A4). Dat is de eerste bestreden beslissing. IV. Ontvankelijkheid 4. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de verwerende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexcepties uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die excepties zouden alleen nodig zijn indien de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing zijn vervuld, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. V. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden 5. Krachtens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een IX-10.906-5/13 versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van de bestreden beslissing prima facie kan worden verantwoord. VI. Spoedeisendheid Standpunt van verzoekster 6. In haar verzoekschrift zet verzoekster de spoedeisendheid als volgt uiteen: “De Raad van State stelt in [zijn] rechtspraak dat wie deelneemt aan een selectieprocedure, er rekening mee moet houden dat hij/zij niet het geambieerde [mandaat] verwerft en dat hij/zij dus, bij gebreke daaraan, een andere wending aan zijn loopbaan moet geven dan de geambieerde. Dit feit op zich toont niet uit zichzelf aan dat verzoekster daardoor in omstandigheden verkeert die de zaak spoedeisend maken. Maar in casu is er meer aan de hand. Verwerende partij heeft ab initio de beslissing genomen dat de bevordering enkel en alleen maar wordt opengesteld voor ambtenaren die behoren tot de Franstalige taalrol, waardoor de kansen van verzoekster nihil waren. Het is evenwel op basis van een flagrante miskenning van de rechten van verzoekster om ook haar kansen te kunnen wagen in het geambieerde ambt (A4), dat de spoedeisendheid ligt, zoals hierna uiteengezet: Een mandaatpositie zou haar zichtbaarheid in het gewestelijk landschap vergroten. Door de onregelmatige uitsluiting verliest verzoekster strategische invloed, netwerkopportuniteiten en toegang tot beleidsadviserende rollen. Verzoekster is onrechtmatig uitgesloten van deelname, meer zelfs, haar kandidatuur werd volkomen genegeerd en zelfs niet in overweging genomen. De vacature werd uitsluitend in de Franse taal geopend, waardoor verzoekster van meet af aan onmogelijk kon deelnemen. Verzoekster werd dus reeds uitgesloten nog vóór haar kandidatuur überhaupt kon worden onderzocht. Verzoekster is een zeer reële kans op promotie en loopbaanontwikkeling misgelopen. Door deze uitsluiting is verzoekster een objectieve kans verloren om een tijdelijk A4-mandaat te verwerven. Dit beïnvloedt haar loopbaanperspectief, haar toekomstige salarisschaal en haar positie binnen het Brussels Hoofdstedelijke Gewest. De indruk die ontstaat dat haar kandidatuur ‘niet weerhouden werd’, terwijl de procedure onwettig en gestuurd was, kan haar professionele geloofwaardigheid en externe perceptie aantasten. Dit heeft gevolgen voor toekomstige kansen en voor de manier waarop collega’s, de minister en andere overheidsdiensten verzoekster zien. De geambieerde functie betreft een high-profile managementfunctie die een IX-10.906-6/13 logische en essentiële stap vormt in de carrière van de verzoekster. Gelet op het feit dat de functie vacant was, is de kans op een nieuwe, nabije procedure uiterst klein. Bovendien creëert de bestreden beslissing een onrechtmatig voordeel voor de aangestelde kandidaat. Terwijl de procedure loopt, doet de tegenpartij specifieke ervaring op in het mandaat. Deze ervaring zal bij een eventuele nieuwe vergelijking na nietigverklaring als een onoverkomelijke voorsprong worden aangewend, waardoor de kansen van de verzoekster definitief worden gefnuikt. Dergelijk nadeel werd reeds door Uw Raad als moeilijk te herstellen nadeel beschouwd (RvS 17 september 2007, nr. 174.530, [xxx]). Het feit dat verzoekster een onregelmatige, ondoorzichtige en kennelijk vooringenomen procedure moest ondergaan, heeft geleid tot stress, frustraties en een groot gevoel van onrechtvaardigheid. Dit werkt demotiverend en heeft een impact op haar welzijn op het werk. Doordat de procedure niet op een objectieve manier verliep, is haar vertrouwen in de eerlijkheid van interne carrièrekansen verminderd. Dit beïnvloedt haar motivatie en haar relatie met de organisatie. Kandidaten van de Franstalige taalrol konden wel deelnemen. Verzoekster niet. Verzoekster heeft dus een directe vorm van persoonlijke discriminatie ervaren, in strijd met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel. Het werd haar belet om te kandideren voor een mandaat waarvoor zij statutair en inhoudelijk in aanmerking komt. De overheid heeft haar recht op toegang tot het ambt beperkt door de procedure tot één taalrol te herleiden. Haar kandidatuur werd niet objectief vergeleken met andere kandidaten. De procedure was op maat van één persoon. Een onwettige selectie die de indruk geeft dat verzoekster ‘niet geschikt’ was, kan haar bij toekomstige mandaatprocedures benadelen. Dit effect is persoonlijk en langdurig en moet asap vermeden worden. Verzoekster heeft gedurende meer dan een jaar de werkzaamheden, verantwoordelijkheden en lasten van deze geambieerde functie gedragen zonder enige passende bezoldiging of erkenning. Dit creëert een bijkomende en zware vorm van persoonlijke benadeling. Doordat verzoekster uitgesloten werd van deelname, lijkt het alsof verzoekster geen belangstelling had voor het mandaat. Dat is volledig onjuist: verzoekster kon eenvoudigweg niet deelnemen door de onwettige procedure, hetgeen haar professionele reputatie als haar loopbaanvooruitzichten heeft geschaad. Verzoekster heeft de taken al uitgevoerd, toont dus aan dat zij de functie beheerst, maar wordt door een foutieve selectieprocedure verhinderd om het mandaat formeel te bekleden. Dit leidt tot een structureel verlies aan erkenning én aan correcte verloning. Bovendien betreft het een aanstelling van de leidend ambtenaar met een tijdelijk karakter, zijnde zes maanden (mogelijks verlengbaar). Dit impliceert dat een gewone annulatieprocedure niet tijdig kan afgewerkt worden voor de afloop van de toegekende termijn van zes maanden, waardoor een schorsing van de bestreden beslissingen gegrond dient te worden verklaard”. IX-10.906-7/13 Beoordeling 7. Zoals sub 5 in herinnering is gebracht, kan krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen indien, onder meer, “de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring”. 8. Het komt er voor een verzoekende partij die beweert dat de zaak te spoedeisend is om de uitkomst van het annulatieberoep te kunnen afwachten, op aan om van die urgentie te overtuigen aan de hand van de concrete feiten die zij in haar vordering aanvoert. Dit houdt in dat het aan deze partij toevalt om op de omstandigheden van haar zaak betrokken, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen waarom de nadelige gevolgen die een tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing voor haar persoonlijk veroorzaakt, niet kunnen worden gedragen gedurende de gewone doorlooptijd van de annulatieprocedure en waarom de afloop van deze procedure bijgevolg niet kan worden afgewacht. Die gegevens moeten door de verzoekende partij worden onderbouwd op een wijze die de rechter toelaat om ze te verifiëren, zodat hij kan aftoetsen of ze de beweerde spoedeisendheid inderdaad verantwoorden. 9. Zoals de Raad van State inmiddels reeds meermaals heeft geoordeeld, wordt de spoedeisendheid van de zaak niet vermoed of automatisch bewezen geacht, welke ook de aard is van de bestreden beslissing. 10. De voorwaarde van de spoedeisendheid is een autonome schorsingsvoorwaarde, die te onderscheiden is van het aanvoeren van een ernstig middel. De kritiek dat verzoekster onrechtmatig van deelname aan de selectieprocedure is uitgesloten, dat het haar werd belet om te kandideren, dat haar recht op toegang tot het ambt werd beperkt, dat haar kandidatuur niet objectief met IX-10.906-8/13 die van anderen werd vergeleken en dat zij niet op gelijke wijze werd behandeld in vergelijking met de Franstalige kandidaten, heeft betrekking op de beweerde onwettigheid van de bestreden beslissingen en kan bijgevolg de spoedeisendheid van de vordering niet rechtvaardigen. 11. Verzoekster voert aan dat zij gedurende meer dan een jaar de “werkzaamheden, verantwoordelijkheden en lasten” van de geambieerde functie heeft gedragen zonder enige passende bezoldiging of erkenning. Zij ziet daarin “een bijkomende en zware vorm van persoonlijke benadeling”. Daargelaten dat verzoekster op geen enkele wijze uiteenzet waarom deze beweerde benadeling aantoont dat de vordering spoedeisend is, moet worden vastgesteld dat ze bovendien niet volgt uit de bestreden beslissingen, maar uit de daaraan voorafgaande bereidheid van verzoekster om gedurende enige tijd haar functie van directeur Strategie & Organisatie te combineren met andere verantwoordelijkheden binnen de organisatie. 12.1. Verzoekster stelt ook dat zij door de gevolgde procedure “stress, frustraties en een groot gevoel van onrechtvaardigheid” heeft ervaren, wat demotiverend werkt en een impact heeft op haar welzijn op het werk. Voorts is haar vertrouwen in de eerlijke beoordeling van haar carrièrekansen verminderd. Hiermee verwijst verzoekster naar een nadeel dat wezenlijk van morele aard is. 12.2. Zoals de Raad van State evenwel al in tal van arresten heeft overwogen, wordt een moreel nadeel in beginsel hersteld door een eventueel vernietigingsarrest, behoudens wanneer bijzondere omstandigheden worden aangetoond die ervan kunnen overtuigen dat de aangevoerde morele schade van dien aard is dat een eventueel later tussen te komen vernietigingsarrest niet voldoende genoegdoening zal kunnen verschaffen en aldus het resultaat ten gronde niet kan worden afgewacht. IX-10.906-9/13 Dergelijke bijzondere omstandigheden toont verzoekster niet aan. 13.1. Daarnaast beroept verzoekster zich in belangrijke mate erop dat de bestreden beslissingen ongunstige en onjuiste percepties doen ontstaan, namelijk (
- i)een aantasting van haar geloofwaardigheid en externe perceptie bij de collega’s, de minister en andere overheidsdiensten omdat haar kandidatuur “niet weerhouden” (lees: niet aangenomen) werd, (
- ii)de indruk dat zij niet geschikt werd bevonden wat haar bij toekomstige mandaatprocedures kan benadelen en (iii) de indruk dat zij geen belangstelling had voor het mandaat. 13.2. Aangezien het bestuur de kandidatuur van verzoekster niet in aanmerking heeft genomen enkel op grond van de vaststelling dat zij niet aan de gestelde taalvereiste voldoet, maakt verzoekster niet aannemelijk dat in hoofde van dat bestuur van de weeromstuit (ook) de indruk is ontstaan dat verzoekster ongeloofwaardig of inhoudelijk ongeschikt zou zijn, of dat zij geen belangstelling heeft voor het opnemen van een mandaatfunctie. 13.3. Met betrekking tot collega’s of andere overheidsdiensten moet worden opgemerkt dat dergelijke loutere, in algemene termen gestelde verwijzing naar een mogelijke perceptie door derden van de betekenis en draagwijdte van de bestreden beslissingen op zich niet aantoont dat verzoekster het resultaat van de vernietigingsprocedure niet kan afwachten. Louter en zonder concretisering poneren dat erkenning verloren gaat, dat de reputatieschade definitief is of dat toekomstige selectieprocedures in het gedrang komen, volstaat niet om zulks ook aannemelijk te maken. In die zin overtuigt verzoeksters betoog evenmin. 14.1. Verzoekster stelt dat de bestreden beslissingen leiden tot een structureel verlies aan correcte verloning. Hiermee beroept verzoekster zich op een financiële schade. IX-10.906-10/13 14.2. Met deze uiterst summiere stelling verschaft verzoekster geen enkel inzicht in de omvang van die beweerde financiële schade, noch van de impact ervan op haar huidige financiële toestand – zij is en blijft immers aangesteld en bezoldigd als directeur (A3). Verzoekster stelt de Raad van State bijgevolg in het geheel niet in staat om na te gaan waarom zij onmogelijk een behandeling van haar beroep ten gronde kan afwachten. Een financieel nadeel verantwoordt in de regel nochtans niet de spoedeisendheid tenzij de verzoekende partij concreet kan aantonen in een zodanige penurie te zitten dat zij de normale afloop van de procedure niet kan afwachten; bewijs dat verzoekster in deze zaak alvast niet eens poogt te leveren. 15.1. Tot slot betoogt verzoekster dat een mandaatpositie haar zichtbaarheid in het gewestelijk landschap zou vergroten, dat zij door de bestreden beslissingen strategische invloed, netwerkopportuniteiten en toegang tot beleidsadviserende rollen verliest, dat zij een kans op promotie en loopbaanontwikkeling misloopt en dat haar toekomstige salarisschaal en haar positie binnen het bestuur van de verwerende partij nadelig worden beïnvloed. Aangezien de aanstelling een tijdelijk karakter heeft – zes maanden, mogelijk verlengbaar – zal een gewone annulatieprocedure niet tijdig kunnen worden afgewikkeld, aldus nog verzoekster. 15.2. Om de spoedeisendheid aan te tonen, volstaat het niet te stellen dat de doorlooptijd van een annulatieprocedure te lang duurt of dat het resultaat van een annulatieprocedure niet kan worden afgewacht. Het moeten afwachten van het normale procedureverloop in het kader van een beroep tot nietigverklaring maakt het onvermijdelijke lot uit van elke beroepindiener en het staat aan de verzoekende partij om aan te tonen dat zij het resultaat van de procedure tot nietigverklaring niet kan afwachten op straffe van zich in een toestand te bevinden met ernstige schadelijke gevolgen. Het loutere feit dat de duurtijd van een tijdelijke aanstelling zal verstrijken vóór de afwikkeling van een annulatieprocedure, vormt geen bewijs van dergelijke schadelijke gevolgen en dus evenmin van de voor een schorsing vereiste spoedeisendheid. Dat verstrijken verhindert overigens in IX-10.906-11/13 beginsel niet, zoals hierna sub 15.4 wordt toegelicht, dat de Raad van State alsnog de onwettigheid van de bestreden beslissing(
- en)kan vaststellen. 15.3. Ook de inhoudelijke argumentatie van verzoekster kan niet worden bijgevallen. Zij gaat immers eraan voorbij dat de functie tijdelijk is (zes maanden) en overeenstemt met rang A4, en dus niet met de rang A5 of A4+. De verwerende partij benadrukt in haar toelichtende nota overigens uitdrukkelijk dat zij met de thans voorliggende vacature geen definitieve keuzes beoogt en dat zij precies niet de indruk wilde wekken dat een voorafname zou gebeuren op beslissingen die nog genomen moeten worden. Dit betekent dat uit de bestreden beslissingen niet volgt dat verzoekster in de toekomst niet meer de mogelijkheid zal hebben om zich in het kader van een dergelijke vacature kandidaat te stellen. 15.4. Bovendien gaat verzoekster ten onrechte ervan uit dat de ervaring die de aangestelde kandidaat ten gevolge van de eerste bestreden beslissing en bij gebreke aan de schorsing ervan ondertussen in het ambt van directeur-diensthoofd kan verwerven, voor die kandidaat een onrechtmatig voordeel creëert “bij een eventuele nieuwe vergelijking na nietigverklaring” en “als een onoverkomelijke voorsprong zal worden aangewend”. Zoals de Raad van State in recentere rechtspraak (zie onder andere arresten nr. 250.487 van 30 april 2021 en nr. 266.089 van 19 maart 2026) al meermaals heeft aangenomen, mag het bestuur immers in beginsel geen rekening houden met de functie die iemand heeft uitgeoefend en de ervaring die hij daarbij heeft opgedaan, wanneer die benoeming vervolgens ex tunc door de Raad van State is vernietigd. Ook in dat opzicht derhalve, getuigt verzoekster niet van de rechtens vereiste spoedeisendheid. IX-10.906-12/13 16. Verzoekster toont niet aan dat haar zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring. 17. Aldus is niet voldaan aan alvast één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn, wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op drieëntwintig april tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Jim Deridder, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Jim Deridder IX-10.906-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.470 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div