id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 april 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.475 Rolnummer: A. 247912/XII-10093 Zaak: Arrest 266475 - Dierenwelzijn - 23/04/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-04-24 Raadplegingen: 89 - laatst gezien 2026-06-18 06:49 Fiche Arrest nr 266.475 van 23 april 2026 Sociale zaken en volksgezondheid - Dierenwelzijn Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 266.475 van 23 april 2026 in de zaak A. 247.912/XII-10.093 In zake: J.H. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Rochtus kantoor houdend te 2288 Bouwel Echelpoel 6A bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Kristien Vanderheiden kantoor houdend te 3000 Leuven Diestsevest 47 bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 15 april 2026, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “de administratieve inbeslagname op 3 april 2026 door Vlaams Departement Omgeving, Afdeling Dierenwelzijn, op adres van Verzoekster te […], van 3 paarden (chipnummers 276098106735346 en 981100002443143 en 276098104530042), 5 honden (chipnummers 967000010518759 en 945000002596731 en 941000027083057 en 967000009970677 en 981100006092765) en 1 kat (chipnummer : 981100004443568), die nog schriftelijk voorwerp zal uitmaken van een beslissing tot inbeslagname in (vermoedelijk Dossie[rn]ummer G-26-0464 navolgend een PV dd. 03.04.2026) XII-10.093-1/19 dewelke Verzoekster evenwel nog niet ter kermis gebracht werd, noch werd Verzoekster verhoord omtrent de feiten haar aangewreven”. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij beschikking van 16 april 2026 werd de procedurekalender vastgesteld en werden de partijen opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 april 2026. De nota met opmerkingen en het administratief dossier werden ingediend overeenkomstig de procedurekalender. Staatsraad Ann Coolsaet heeft verslag uitgebracht. Verzoekster, advocaat Dirk Rochtus, die verschijnt voor verzoekster, en advocaat Kristien Vanderheiden, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Op 3 april 2026 doet de lokale politie – naar aanleiding van een aangekondigde controle – vaststellingen inzake overtredingen op het dierenwelzijn met betrekking tot onder meer drie paarden, vijf honden en één kat van verzoekster. XII-10.093-2/19 3.2. Op 3 april 2026 beslist de controleur dierenwelzijn om in toepassing van artikel 72, § 1, van de Vlaamse Codex Dierenwelzijn de volgende dieren bestuurlijk in beslag te nemen: - American Bully met chipnummer 981020035930069 - American Bully met chipnummer 981100004781553 - Teckel met chipnummer 981100006092765 - American Bully met chipnummer 642090000231593 - American Bully met chipnummer 967000009970677 - American Bully met chipnummer 945000002810239 - American Bully met chipnummer 941000027083057 - American Bully met chipnummer 276099200281417 - American Bully met chipnummer 945000002596731 - American Bully met chipnummer 967000010494807 - American Bully met chipnummer 967000010518759 - kat met chipnummer 981100004443568 - vier kippen - Paard met chipnummer 276098106735548 - Paard met chipnummer 276098104530042 - Paard zonder chip (zwarte merrie). Dit is de bestreden beslissing. Verzoekster beperkt haar beroep tot de volgende dieren: - drie paarden (chipnummers 276098106735346, 981100002443143 en 276098104530042); - vijf honden (chipnummers 967000010518759, 945000002596731, 941000027083057, 967000009970677 en 981100006092765); - één kat (chipnummer: 981100004443568). 3.3. De schriftelijke neerslag van de bestreden beslissing, gedateerd op 3 april 2026, wordt ondertekend op 14 april 2026. XII-10.093-3/19 3.4. Bij brief van 14 april 2026 wordt verzoekster uitgenodigd om op 24 april 2026 te worden gehoord over de mogelijke bestemmingsbeslissing. IV. Ontvankelijkheid van de vordering Excepties van de verwerende partij Eerste exceptie 4. In de nota met opmerkingen werpt de verwerende partij vooreerst op dat het onduidelijk is tegen welke beslissing het beroep is gericht. Het is volgens de verwerende partij duidelijk dat verzoekster de beslissing tot beslagname gedateerd op 14 april 2026 nog niet had ontvangen bij het indienen van haar beroep. Volgens de verwerende partij is een beroep tegen een nog niet goedgekeurde beslissing niet ontvankelijk. Beoordeling 5. In tegenstelling tot wat de verwerende partij lijkt aan te nemen is het bestaan van een bestuurshandeling niet afhankelijk van de kennisgeving van de schriftelijke neerslag ervan aan de bestuurde. Uit de gegevens van het dossier blijkt dat op 3 april 2026 werd beslist tot de inbeslagname van een aantal dieren bij verzoekster en dat die beslissing ook diezelfde dag werd uitgevoerd. Aan verzoekster werd op 3 april 2026 voorts een document “[i]nformatie m.b.t. de inbeslagname van uw dier(en)” afgegeven door het team Inspectie van de afdeling Dierenwelzijn van de verwerende partij. Het gegeven dat de beslissing tot inbeslagname pas later wordt geformaliseerd en betekend aan verzoekster, doet geen afbreuk aan het bestaan ervan. XII-10.093-4/19 Tweede exceptie 6. Voorts werpt de verwerende partij op dat de paarden met chipnummers 276098106735346 en 981100002443143 niet op 3 april 2026 in beslag werden genomen, waardoor het beroep minstens op dit punt onontvankelijk is. 7. Ter terechtzitting repliceert verzoekster hierop dat zij zich heeft gebaseerd op de chipnummers vermeld in het dierenartsenverslag, dat het beroep de drie paarden betreft die op 3 april 2026 in beslag werden genomen en dat er momenteel bij verzoekster geen andere paarden meer verblijven. Beoordeling 8. De verwerende partij kan ter terechtzitting niet bevestigen noch ontkennen of er al dan niet een materiële vergissing is geslopen in de vermelding van de chipnummers in de bestreden beslissing. Vooralsnog bestaat er evenwel geen noodzaak om over deze door de verwerende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexceptie uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die exceptie zouden alleen nodig zijn indien de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. V. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden 9. Krachtens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de XII-10.093-5/19 nietigverklaring van de bestreden beslissing prima facie kan worden verantwoord. Overeenkomstig paragraaf 5 van datzelfde artikel wordt de zaak behandeld bij uiterst dringende noodzakelijkheid en derhalve binnen een termijn van vijftien dagen of minder, wanneer zulks in het opschrift wordt vermeld. VI. Ernst van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 10. In het verzoekschrift voert verzoekster in het eerste middel de schending aan van het proportionaliteitsbeginsel. Zij zet uiteen dat de inbeslagname een uiterst ingrijpende maatregel is die slechts kan worden verantwoord bij ernstige en acute verwaarlozing. Daarvan is volgens haar te dezen geen sprake, zodat minder ingrijpende maatregelen mogelijk waren, zoals een aanmaning of het opleggen van verbetermaatregelen. Beoordeling 11. Een schending van het redelijkheidsbeginsel (of van het proportionaliteitsbeginsel, dat er een bijzondere toepassing van
- is)als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, veronderstelt dat het bestuur bij het nemen van de beslissing onredelijk heeft gehandeld, met andere woorden dat het de hem toegekende discretionaire beoordelings- of beleidsvrijheid onjuist heeft gebruikt. Van een schending van het redelijkheidsbeginsel (en van het proportionaliteitsbeginsel) kan slechts sprake zijn wanneer een beslissing, waarvan is vastgesteld dat ze berust op deugdelijke grondslagen, inhoudelijk dermate afwijkt van het normale beslissingspatroon of, nog, er een zodanige wanverhouding bestaat tussen die motieven en de inhoud van de beslissing, dat het niet denkbaar is dat een ander zorgvuldig handelend bestuur in dezelfde omstandigheden tot die besluitvorming zou komen of die beslissing zou nemen. De XII-10.093-6/19 Raad van State is in de uitoefening van zijn wettigheidstoezicht enkel bevoegd om, desgevraagd, na te gaan of het bestuur, op grond van de juiste en correct beoordeelde feitelijke gegevens, in redelijkheid tot de bestreden beslissing is kunnen komen. Het komt de Raad van State evenwel niet toe zijn beoordeling in de plaats te stellen van die van het bevoegde bestuur. De Raad van State gaat bij de beoordeling van de redelijkheid of de proportionaliteit van de bestreden beslissing uit van de feiten zoals ze blijken uit de bestreden beslissing en waarvan verzoeker de onwettigheid niet heeft aangetoond, getoetst aan de door verzoeker in het middel aangevoerde argumenten die volgens verzoeker doen blijken dat de bestreden beslissing het redelijkheids- of het proportionaliteitsbeginsel miskent. 12. Verzoekster steunt het aangevoerde gebrek aan proportionaliteit op de argumenten dat de paarden zich op een ruime weide met beschutting bevonden, er geen tekenen van acute nood waren, de honden slechts tijdelijk waren ondergebracht in benches, alsook, dat alle in beslag genomen dieren gezond waren. 13. Deze argumenten worden prima facie tegengesproken door de volgende vaststellingen in het aanvankelijk proces-verbaal van 3 april 2026: “Vaststellingen ter plaatse door verbalisant […] In de leefruimte zijn er 4 honden aanwezig, elk apart gehouden in een bench. In de ruimte naast de keuken worden 4 honden apart gehouden in individuele hokken. In de overige ruimtes van het huis verblijven geen honden meer. De woning oogt rommelig en onhygiënisch, maar is properder dan bij voorgaande controle. We overlopen met mevr. [H.] de aanwezig honden: Leefruimte 1. American Bully met chipnummer 981020035930067: deze zit in een bench met een deken over (kan enkel langs voor naar buiten kijken); heeft water in kom. Deze hond is van een Engelse eigenaar en zou naar Roemenië gaan (ook aanwezig tijdens de controle op 29/01/26), maar werd nog niet opgehaald. Tijdens verhoor op 23/02/26 werd door betrokkene aangegeven dat de honden in het weekend naar Roemenië gaan naar een wedstrijd; dat ze tijdelijk bij haar verbleven en na de show naar Spanje gaan waar ze verder verzorgd zullen worden. 2. American Bully met chipnummer 981100004781553: in een bench; geen water XII-10.093-7/19 3. Teckel met chipnummer 981100006092765: in een kleine bench; geen water. De nagels van deze hond zijn aan de lange kant. Mevr. [H.] geeft aan dat ze de nagels (zwart van kleur) maar moeilijk korter kan knippen. Deze hond is slank. 4. American Bully ‘Kip’ (gecoupeerde oren) met chipnummer 642090000231593. De bench staat tegen de muur in de hoek en werd langs de voorzijde afgeschermd met een deken; geen water aanwezig. Ook deze hond is van Engelse eigenaar en zou naar Roemenië gaan (ook aanwezig tijdens de controle op 29/01/26). Mevr. [H.] geeft aan dat deze honden meestal loslopen. Iets later zegt ze dat Kip niet los kan samen met de Teckel omdat hij te bruut is. Later tijdens de controle wordt aangegeven dat er honden loops zijn en aangezien er intacte reuen aanwezig zijn deze momenteel veel stress/frustratie ervaren. Er zijn ook meerdere honden met verwondingen tgv onderlinge gevechten aanwezig. Het regelmatig laten samenlopen van de honden op een verantwoorde manier lijkt ons weinig realistisch. We begeven ons naar de kamer naast de keuken met de 4 hokken. Er hangt een sterke, onaangename geur in deze kamer omwille van te weinig ventilatie en vochtigheid, in combinatie met een geurverfrisser. Eén raam staat deels open. Er is maar weinig natuurlijk licht in deze ruimte, hoewel de luiken van de ramen openstaan. Tijdens de controle wordt het licht aangestoken. Aan de linkerkant zijn er 2 hokken aanwezig: - Hok 1: ong. 2,49mD x 1,8mB (met uitsprong van 0,8m): American Bully met chipnummer 967000009970677. In de vacht van deze hond zijn verschillende loshangende velletjes aanwezig. Mevr. [H.] geeft aan dat deze hond een voedselallergie heeft en erg gevoelig is aan bijv. snacks voor honden. Ze toont ons de zak voer die ze aankoopt voor de honden nl. Wilderness True Country (graanvrij). - Hok 2: ong. 1,71mD x 2,66mB: American Bully met chipnummer 945000002810239 Deze hokken werden opgebouwd uit houten platen. De honden kunnen vanuit het hok niet naar buiten kijken. Aan de rechterkant zijn er 2 hokken aanwezig: - Hok 3: ong. 1,75mD x 1,25mB: American Bully met chipnummer 941000027083057: loopse teef. - Hok 4: ong. 1,75mD x 1,25mB: American Bully met chipnummer 276099200281417: intacte reu, erg gestresseerd. Controle 29/01/26: ‘deze zou van haar moeder zijn die in Duitsland woont en hier tijdelijk verblijft omwille van een knie operatie; deze zou binnen 2 weken terug gaan’ Deze hokken werden opgebouwd uit houten platen. De honden kunnen vanuit het hok niet naar buiten kijken. Bovenop deze hokken werd een draadpaneel gelegd. Drie honden beschikken niet over water; enkel de hond links vooraan beschikt over een bodempje water. De honden beschikken over een deken en/of plastic ligmand en/of bench zonder bodem om op te liggen. Het huisvesten van een loopse teef naast een intacte reu geeft enorm veel stress voor deze laatste. De afmetingen van de hokken variëren van 2,19m2 (hok 3 en 4) tot 4,5m2 (hok 1 en 2). De oppervlakte van deze hokken is dus niet in overeenstemming met de afmetingen die werden opgelegd in de maatregelen n.a.v. de controle op 29/01/26, rekening houdende met een min. oppervlakte van 6 tot 8m2 per dier (gemiddeld gewicht American Bully tussen de 20 en 60kg, afhankelijk van type en geslacht). In de kamer achter de keuken is er geen hond meer aanwezig. Het hierin aanwezige houten hok is stuk. De houten platen werden sterk beschadigd. Het hout lijkt afgebeten en de platen staan vol krassen. XII-10.093-8/19 We begeven ons vervolgens naar buiten. In het buitenbeloop achter in de tuin verblijft een erg magere American Bully reu met chipnummer 945000002596731. De hond vertoont meerdere verwondingen. Er ligt allerhande afval in het buitenbeloop waaronder meerdere planken en stukken plastic. Er wordt geen water opgemerkt. Het is ons niet duidelijk waar deze hond normaal verblijft aangezien de aanwezige hokken en benchen in de woning allen ingenomen zijn. Bij de controle op 29/01/26 zat deze hond in de kamer achter de keuken. De voedingstoestand van de hond is achteruit gegaan. We begeven ons vervolgens naar het stalgebouw achteraan het terrein. Dit oogt zeer rommelig en vuil. De stallen werden niet schoongemaakt na onze vorige controle. In de eerste stal aan de linkerzijde wordt een zeer magere, bange American Bully aangetroffen. Tussen het strooisel liggen meerdere beschimmelde (oudere) uitwerpselen terug. De stal is donker. Er staat een blauwe kom met water. Afgelezen chipnummer: 967000010494807 (teef). Deze hond (Quinny) zou door Horn op 01/04 uit Nederland gehaald zijn. Het zou een hond zijn die ze zelf gefokt heeft maar die reeds meermaals werd doorgeplaatst. Ze zou de hond opgepikt hebben op een parking in Breda en de gegevens van de vorige eigenaar niet kennen. Omwille van agressie naar andere dieren, overwoog ze om deze te laten inslapen. Ze kan ons geen paspoort van deze hond tonen. De hond vertoont ook een wonde aan de linkerachterpoot. De overleden hond in de stal aan de overzijde (controle 29/01/26: uitgemergelde American Bully met chipnummer 967000010494821) werd niet verwijderd en ligt te ontbinden onder een zeil. Betrokkene geeft aan dat ze dacht dat wij die hadden meegenomen. Ze vond het niet nodig de ruimte schoon te maken aangezien er toch geen dieren aanwezig waren. Wij wijzen haar er op dat er toch een hond gehouden wordt. Eén hond verblijft tijdens de controle in de wagen van betrokkene. Het betreft de American Bully ‘Ally’ met chipnummer 967000010518759. Ze zou met deze hond gaan wandelen zijn. Ook voor deze hond is het niet duidelijk waar deze gehuisvest wordt. De 2 transportboxen in de koffer van de bestelwagen van betrokkene zijn ingestrooid, maar leeg. We delen aan betrokkene mee dat de aanwezige honden op basis van onze huidige vaststellingen (ongeschikte huisvesting en verzorging, magere dieren) in beslag genomen worden. Horn geeft hierop aan dat ze het begrijpt voor de hond buiten en de reu in het buitenbeloop, maar niet voor de honden binnen. Uiteindelijk geeft ze aan dat ze vooral niet wilt dat de honden van de Engelsman meegaan. Ze heeft schrik voor represailles en geeft aan dat de eigenaar van deze honden uit het crimineel milieu komt. We vernemen dat er ook dieren boven gehouden worden. Samen met de zoon van mevr. [H.] begeven we ons naar de bovenverdieping. We kunnen hier een kat ‘Juni’ aantreffen die vrij rondloopt; deze zou soms ook naar buiten mogen. De kat (afgelezen chipnummer 981100004443568) oogt slank. Naast het bad staat een kattenbak die tamelijk proper is en ook een krabgelegenheid. We kunnen niet vaststellen of het dier over water beschikt; het aanwezige drinkpotje is leeg. In de kom ernaast is er droogvoer aanwezig. […] Gelet op de huisvesting van de 4 jonge kippen, het ontbreken van water en de mindere conditie van de kat, wordt ook besloten om deze over te brengen naar het asiel. XII-10.093-9/19 We informeren naar de paarden. Horn geeft aan dat ze nog 3 paarden heeft, maar dat deze niet meer op de weide in de Kluisbaan te Zoersel staan. Ze werden verplaatst naar een weide van vrienden waar ze zelf instaat voor de verzorging. Ze mocht nl. op de huidige weide niet blijven, dus werden ze op 01/04 verplaatst. Betrokkene duidt op een kaart aan waar de paarden staan, nl. in de Keulsebaan te 2243 Pulle. Mevr. [H.] geeft ook meermaals aan dat ze de paarden niet wilt houden. De zwarte merrie zou naar een manege gaan; de overige 2 gaan naar een (slacht)handelaar. Om 16u begeven we ons naar de weide van de paarden samen met een inspecteur van de lokale politie PZ Zara. Mevr. [H.] wenst initieel niet mee te gaan. De paarden staan op een weide in de Keulsebaan naast nr. 34. De omheining van de weide bestaat uit prikkeldraad. Er zijn drie paarden aanwezig, allen voorzien van een thermisch deken. Op de weide staat amper gras; er wordt geen ruwvoer aangetroffen. Mevr. [H.] vertelt later tijdens de controle dat de paarden dagelijks hooi krijgen en bijgevoederd worden. De aanwezige schuilstal op de weide is zeer bouwvallig, zowel stukken van het dak als van de zijwanden ontbreken. De stal werd niet ingestrooid. De omheining naast de stal is in slechte staat. De prikkeldraad hangt door en er hangt een grote struik/boom over de omheining. Er is water aanwezig in 2 drinkbakken en in het drinkbad. Dit laatste oogt vuil. We controleren de aanwezige paarden: - Donkerbruin paard met chipnummer 276098106735548 (info controle 29/01/26: ong. 21 jaar oud): Zeer mager: ruggengraat, ribben en heupbeenderen zijn duidelijk zichtbaar; de schoft steekt uit. Het paard vertoont een smalle borstkas en weinig bespiering. De hoeven zijn te lang en ingescheurd. - Zwarte merrie (info controle 29/01/26: ong. 16 jaar oud). Geen chipnummer kunnen aflezen. Het paard is mager: ribben, ruggengraat en heupbeenderen zijn zichtbaar. De hoeven zijn te lang en ingescheurd. Ter hoogte van de borst en hals zijn meerdere kleine kale plekjes aanwezig. - Palomino met chipnummer 276098104530042 ((info controle 29/01/26: ong. 13 jaar oud). Het paard is mager (ribben en ruggengraat zijn zichtbaar). De hoeven zijn in zeer slechte staat: gebarsten en ingescheurd. De conditie van de paarden is duidelijk niet verbeterd ten opzichte van de laatste controle. De hoeven zijn bij alle drie in slechte staat. Aangezien twee paarden bij voorgaande controle geen deken droegen en hierdoor een wintervacht hadden is het moeilijk om een vergelijking van de voedingstoestand te maken. Gelet op de conditie van de paarden en de ongeschikte huisvesting, wordt besloten om ook deze dieren in beslag te nemen en te laten overbrengen naar het asiel. […] Overtredingen […] HONDEN - Niet voorzien van aangepaste huisvesting voor honden: o gebruik van benches en hokken: te klein, monotoon en stimulusarm o de honden in de hokken kunnen niet naar buiten kijken o niet alle dieren beschikken over een comfortabele ligplaats o onvoldoende bescherming tegen de koude voor de hond in de stal o onhygiënische huisvesting (hond in stal) - Geen rekening houden met de ethologische behoeften van de dieren (onvoldoende bewegingsruimte, ontbreken van kauwvoorwerp/speelgoed, intacte reuen en loopse teven naast elkaar huisvesten) - Verlichting en verluchting stemmen niet overeen met de fysiologische behoeften van de dieren XII-10.093-10/19 - Niet voorzien van gepaste algemene en/of diergeneeskundige verzorging (magere tol zeer magere honden, te lange nagels, meerdere honden met verwondingen) - Ontbreken van drinkwater bij de meeste honden KAT - Onvoldoende medisch toezicht en/of onaangepaste voeding met verminderde conditie tot gevolg - Ontbreken van drinkwater […] PAARDEN - Ongeschikte huisvesting: o geen toegang tot een geschikte en veilige schuilstal o de stal werd niet ingestrooid o de omheining bestaat uit prikkeldraad die op sommige plaatsen doorhangt - Onvoldoende of onaangepast voer met als gevolg magere dieren: ontbreken van ruwvoeder in afwezigheid van voldoende gras - Niet voorzien van gepaste algemene en/of diergeneeskundige verzorging (magere paarden, onverzorgde hoeven)”. 14. Gelet op de hiervoor vermelde vaststellingen in het aanvankelijk proces-verbaal, waarvan verzoekster prima facie de onwettigheid niet aantoont, is het prima facie niet ondenkbaar dat een ander zorgvuldig handelend bestuur in dezelfde omstandigheden tot de bestreden beslissing zou komen. Dit geldt te meer daar uit het administratief dossier blijkt dat in het verleden ten aanzien van verzoekster al meermaals processen-verbaal van overtredingen werden opgesteld, maatregelen werden opgelegd en zelfs al een bestemmingsbeslissing met betrekking tot andere dieren werd genomen. De Raad van State merkt voorts op dat aan een overheidsonderzoek het vermoeden van wettigheid kleeft. Om de onwettigheid van de motieven van de beslissing van het bestuur aan te tonen, mag een verzoeker niet volstaan met het louter ontkennen of in vraag stellen van de feitelijke elementen waarop de beoordeling door het bestuur berust. Het is zaak van verzoekster om aanwijzingen te verschaffen die het vermoeden wettigen of aantonen dat de door het bestuur in aanmerking genomen gegevens niet juist zijn. Prima facie stelt de Raad van State vast dat verzoekster er niet in slaagt het vermoeden van wettigheid te doen wankelen. Derhalve kunnen de loutere beweringen dat de paarden zich op een ruime weide met beschutting bevonden, dat er geen tekenen van acute nood waren, dat de honden slechts tijdelijk waren ondergebracht in benches, alsook, dat XII-10.093-11/19 alle in beslag genomen dieren gezond waren, prima facie niet doen besluiten tot de onevenredigheid van de bestreden beslissing. 15. Het eerste middel is niet ernstig. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 16. In het verzoekschrift voert verzoekster in het tweede middel een “gebrek aan noodzakelijkheid” aan. Zij zet uiteen dat er geen sprake was van een situatie die een onmiddellijke inbeslagname rechtvaardigde, doch hoogstens dat bepaalde elementen voor verbetering vatbaar waren, maar dat de dieren zich niet in een toestand van onmiddellijke nood bevonden. Beoordeling 17. De uiteenzetting van de middelen vormt een essentieel onderdeel van het verzoekschrift, omdat het, te dezen, de verwerende partij toelaat zich te verdedigen tegen de grieven die ten aanzien van de bestreden beslissing worden aangevoerd en de Raad van State in staat stelt de ernst van die grieven te onderzoeken. Het respect voor het recht van verdediging in de procedure van het administratief kortgeding, waar die rechten door de procedure al beperkt zijn, en de summaria cognitio waarmee de Raad van State van vorderingen tot schorsing kennis neemt, gebieden dan ook dat een verzoekende partij, op straffe van haar middelen als niet ernstig verworpen te zien, zeer nauwkeurig moet aanvoeren welke precieze rechtsregel of welk rechtsprincipe zij geschonden acht en al even nauwkeurig moet vermelden waarin de schending precies bestaat. Dit geldt des te meer wanneer een verzoekende partij, zoals te dezen, vraagt dat de Raad van State de zaak behandelt bij uiterst dringende noodzakelijkheid. XII-10.093-12/19 In dat verband stelt de Raad van State te dezen prima facie vast dat verzoekster ter adstructie van het middel nalaat om aan te geven welke precieze rechtsregel of welk rechtsprincipe zij geschonden acht. Zij beperkt zich tot het standpunt dat de bestreden beslissing niet noodzakelijk was en dat de dieren zich niet in onmiddellijke nood bevonden. Waarom dit tot de onwettigheid van de bestreden beslissing zou leiden, verduidelijkt verzoekster niet, zodat zij prima facie tekortschiet in haar stelplicht. 18. Ten overvloede wijst de Raad van State erop dat prima facie uit artikel 72, § 1, van de Vlaamse Codex Dierenwelzijn – de in de bestreden beslissing vermelde rechtsgrond – niet blijkt dat enige “noodzakelijkheid” of “onmiddellijke nood” vereist is, opdat de in die bepaling bedoelde personen dieren administratief in beslag zouden kunnen nemen. 19. Het tweede middel is niet ernstig. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel 20. In het verzoekschrift voert verzoekster in het derde middel de schending aan van het zorgvuldigheidsbeginsel. Zij zet uiteen dat de bestreden beslissing werd genomen zonder afdoende rekening te houden met:
- i)de concrete toestand van de dieren;
- ii)de beschikbare alternatieven; en, iii) de feitelijke omstandigheden ter plaatse. Zij wijst er voorts op dat de uitvoering van de bestreden beslissing bovendien op onzorgvuldige wijze verliep, onder meer door het gebruik van niet-operationele transportmiddelen. XII-10.093-13/19 Beoordeling 21. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. Het bestuur is onder meer verplicht om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat het met kennis van zaken kan beslissen. Het komt aan een verzoekende partij toe om met concrete gegevens aannemelijk te maken dat de handelwijze van het bestuur niet doet blijken van het vereiste zorgvuldig handelen. Het formuleren door een verzoekende partij van eigen aannames, veronderstellingen en kritieken zonder enig begin van bewijs, volstaan niet om aannemelijk te maken dat de bestreden beslissing op een onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. 22. In de mate dat verzoekster aanvoert dat de bestreden beslissing is genomen zonder rekening te houden met de concrete toestand van de dieren en de feitelijke omstandigheden ter plaatse, gaat zij eraan voorbij dat het prima facie net die toestand en de feitelijke omstandigheden zijn, die de verwerende partij tot de bestreden beslissing hebben gebracht, zoals blijkt uit de uitgebreide uiteenzetting van de gedane vaststellingen in de bestreden beslissing en de stukken van het administratief dossier (zie supra, nr. 13). 23. Voorts kan een middel slechts ernstig worden bevonden, indien het de nietigverklaring van de bestreden beslissing prima facie kan verantwoorden. Dat brengt mee dat het middel, om als ernstig te kunnen worden aangemerkt, dermate duidelijk dient te zijn dat het bij eerste lezing meteen aannemelijk is dat daarop een nietigverklaring kan worden gesteund, zonder dat een doorgedreven onderzoek van het middel noodzakelijk is. Tevens wordt herhaald, zoals hiervoor reeds werd uiteengezet (zie supra, nr. 17), dat een middel zeer nauwkeurig moet XII-10.093-14/19 aanvoeren welke precieze rechtsregel of welk rechtsprincipe het geschonden acht en al even nauwkeurig moet vermelden waarin de schending precies bestaat. Te dezen stelt de Raad van State prima facie vast dat verzoekster nalaat om in het verzoekschrift in concreto aan te geven waarom de bestreden beslissing het zorgvuldigheidsbeginsel zou schenden. Verzoekster beperkt zich tot de loutere stelling dat dat geen rekening werd gehouden met de concrete toestand van de dieren en de feitelijke omstandigheden ter plaatse, doch laat na om ook maar op enige wijze uiteen te zetten met welke concrete toestand of feitelijke omstandigheden de verwerende partij geen rekening zou hebben gehouden. Het valt voorts niet aan de Raad van State toe om het middel in de plaats van verzoekster te redigeren. Verzoekster schiet prima facie tekort in haar stelplicht. Verzoekster kan dit niet rechtzetten door ter terechtzitting aan de hand van allerlei feitelijke argumenten uiteen te zetten waarom de verwerende partij naar haar mening het zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden. Er kan alleen rekening worden gehouden met hetgeen daarover in het verzoekschrift werd uiteengezet en gestaafd. De Raad van State kan geen acht slaan op hetgeen ter terechtzitting nog door verzoekster wordt bijgebracht. De verwerende partij kan daarop immers niet meer schriftelijk repliceren en het auditoraat kan daarover niet op een deugdelijke wijze advies verlenen in een procedure die op grond van artikel 22 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State essentieel schriftelijk is. 24. Dezelfde vaststelling wordt prima facie gemaakt wat de grief betreft dat geen rekening is gehouden met de beschikbare alternatieven. Daargelaten dat verzoekster niet uiteenzet om welke valabele alternatieven het zou gaan noch aantoont dat zij die aan de verwerende partij zou hebben voorgesteld, volstaat de loutere bewering dat geen rekening is gehouden met beschikbare alternatieven prima facie niet om te besluiten dat de verwerende partij geen blijk heeft gegeven van het vereiste zorgvuldig handelen. XII-10.093-15/19 25. In de mate dat verzoekster aanvoert dat de uitvoering van de maatregel onzorgvuldig verliep wegens het gebruik van niet-operationele transportmiddelen, stelt de Raad van State prima facie vast dat deze grief, die de loutere uitvoering van de bestreden beslissing betreft, niet tot de onwettigheid van de bestreden beslissing kan leiden. 26. Het derde middel is niet ernstig. D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel 27. In het verzoekschrift voert verzoekster in het vierde middel de schending aan van het recht van verdediging en het recht op bewijs. Verzoekster zet uiteen dat zij werd verhinderd om bewijsmateriaal te verzamelen omtrent de fysieke toestand van haar dieren, doordat haar werd geweigerd om de dekens van de paarden te verwijderen voor fotografische vaststelling. Daarnaast werd zij verplicht om reeds gemaakte beeldopnames te verwijderen van haar gsm, zonder duidelijke wettelijke grondslag. Dit is volgens verzoekster een ernstige aantasting van haar recht om haar zaak te onderbouwen. Beoordeling 28. Het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging is, behoudens andersluidend voorschrift, alleen van toepassing in strafzaken, tuchtzaken en op bestraffende bestuurlijke maatregelen. De beslissing waarbij in toepassing van artikel 72, § 1, van de Vlaamse Codex Dierenwelzijn dieren administratief in beslag worden genomen en worden ondergebracht in een geschikte opvangplaats, is geen “straf”, maar een louter bestuurlijke maatregel, die ertoe strekt het dierenwelzijn te waarborgen en te versterken, rekening houdend met de fysiologische en ethologische behoeften van het dier. Het recht van verdediging is te dezen bijgevolg prima facie niet van toepassing. XII-10.093-16/19 Deze vaststelling volstaat om het vierde middel niet ernstig te bevinden. 29. In de mate dat verzoekster aanvoert dat zij zonder duidelijke wettelijke grondslag de met haar gsm gemaakte beeldopnames moest verwijderen, stelt de Raad van State prima facie vast dat een dergelijke grief geen verband houdt met de bestreden beslissing en derhalve niet kan leiden tot de vaststelling van de onwettigheid ervan. 30. Het vierde middel is niet ernstig. E. Vijfde middel Uiteenzetting van het middel 31. In het verzoekschrift voert verzoekster in het vijfde middel een “kennelijke beoordelingsfout” aan. Verzoekster zet uiteen dat de verwerende partij kennelijk onredelijk heeft geoordeeld door de situatie als ernstig genoeg te beschouwen om een onmiddellijke inbeslagname te rechtvaardigen. De feitelijke toestand van de dieren wijst daar volgens verzoekster niet op. Beoordeling 32. Uit de beperkte uiteenzetting van het middel leidt de Raad van State af dat verzoekster de schending van het redelijkheidsbeginsel aanvoert. De Raad van State stelt prima facie vast dat verzoekster evenwel nalaat om in het verzoekschrift in concreto aan te geven waarom de bestreden beslissing onredelijk zou zijn. Verzoekster beperkt zich tot de loutere stelling dat de situatie niet ernstig genoeg was om een beslag te rechtvaardigen en ook de feitelijke toestand van de dieren daartoe niet noopte, doch laat na om ook maar op enige wijze uiteen te zetten hoe de concrete situatie of feitelijke toestand van de dieren zou nopen tot de XII-10.093-17/19 conclusie dat de verwerende partij met het nemen van de bestreden beslissing onredelijk heeft gehandeld. Het valt voorts niet aan de Raad van State toe om het middel in de plaats van verzoekster te redigeren. Verzoekster schiet prima facie tekort in haar stelplicht. Voorts weze herhaald dat verzoekster dit niet kan rechtzetten door ter terechtzitting aan de hand van allerlei feitelijke argumenten alsnog uiteen te zetten waarom de verwerende partij onredelijk heeft gehandeld. Er kan alleen rekening worden gehouden met hetgeen daarover in het verzoekschrift werd uiteengezet en gestaafd. De Raad van State kan geen acht slaan op hetgeen ter terechtzitting nog door verzoekster wordt bijgebracht. De verwerende partij kan daarop immers niet meer schriftelijk repliceren en het auditoraat kan daarover niet op een deugdelijke wijze advies verlenen in een procedure die op grond van artikel 22 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State essentieel schriftelijk is. 33. In de mate dat de grieven geformuleerd in het vijfde middel geheel of ten dele zouden samenvallen met de grieven aangevoerd in de andere middelen – zoals de verwerende partij het vijfde middel interpreteert –, verwijst de Raad van State naar de hiervoor gemaakte beoordeling van deze middelen. 34. Het vijfde middel is niet ernstig. VII. Conclusie 35. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 5, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. XII-10.093-18/19 BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt de vordering. 2. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 26 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op drieëntwintig april tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Ann Coolsaet, staatsraad, waarnemend voorzitter bijgestaan door Ilse Anné, griffier. De griffier De voorzitter Ilse Anné Ann Coolsaet XII-10.093-19/19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.475 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div