id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 april 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.528 Rolnummer: A. 247184/VII-43156 Zaak: Arrest 266528 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 28/04/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-05-04 Raadplegingen: 39 - laatst gezien 2026-06-18 06:53 Fiche Arrest nr 266.528 van 28 april 2026 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : afvoering Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 266.528 van 28 april 2026 in de zaak A. 247.184/VII-43.156 In zake : G.B. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stijn Van Hulle kantoor houdend te 9930 Lievegem Zomerlaan 1, bus 0102 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de STAD OOSTENDE -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het cassatieberoep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 28 januari 2026, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2526-0361 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 18 december 2025 in de zaak 2425-RvVb-0941-A. II. Verloop van de rechtspleging
- Op 18 maart 2026 heeft de hoofdgriffier aan verzoeker de mededeling ter kennis gebracht, bedoeld in artikel 71, vierde lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: algemeen procedurereglement). Verzoeker heeft gevraagd om te worden gehoord. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 23 april
- VII-43.156-1/5 Staatsraad Francis Van Nuffel heeft verslag uitgebracht. Advocaat Liesbeth Tommelein, die loco advocaat Stijn Van Hulle verschijnt voor verzoeker, is gehoord. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Beoordeling
- Krachtens artikel 6 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’ worden het rolrecht en de bijdrage tot het fonds voor de juridische tweedelijnsbijstand voldaan overeenkomstig artikel 71 van het algemeen procedurereglement met dien verstande dat bij niet-betaling geen advies van het auditoraat vereist is. Artikel 71, vierde, zesde en zevende lid, van het algemeen procedurereglement luidt: “Indien de in het eerste lid bedoelde rekening niet gecrediteerd is binnen de termijn van dertig dagen na de ontvangst van het overschrijvingsformulier, deelt de hoofdgriffier […] aan de betrokken partij mee dat de kamer naargelang van het geval de ingestelde vordering of het ingestelde beroep als niet verricht zal beschouwen of van de rol zal schrappen, tenzij de betrokken partij binnen een termijn van vijftien dagen vraagt om te worden gehoord. Zij voegt een schriftelijke verantwoording bij haar vraag om te worden gehoord. […] Indien de betrokken partij vraagt te worden gehoord, roept de voorzitter of de door hem aangewezen staatsraad de partijen op om op korte termijn te verschijnen. Aan de verwerende partij en desgevallend de partij die is tussengekomen, wordt daarbij het verzoek om te worden gehoord meegedeeld. Nadat de kamer de partijen […] heeft gehoord, doet ze onverwijld uitspraak en beslist ze de ingestelde vordering of het ingestelde beroep als niet verricht te beschouwen of van de rol te schrappen, tenzij overmacht of onoverkomelijke dwaling is bewezen” VII-43.156-2/5
- Verzoeker heeft de in artikel 71, eerste lid, van het algemeen procedurereglement bedoelde rekening niet gecrediteerd binnen de termijn van dertig dagen. Na ontvangst van de in artikel 71, vierde lid, van het algemeen procedurereglement bedoelde brief van de hoofdgriffier, heeft verzoeker gevraagd om te worden gehoord.
- Verzoeker zet in zijn verzoek om te worden gehoord uiteen: “Met toepassing van één globale overschrijving werden diverse betalingen (aan diverse schuldeisers) in één beweging bancair uitgevoerd – waarvan een voorlegging van de interne mailwisseling in stuk 1 bij dit verzoek. Blijkbaar is er een bancair probleem opgetreden, dat de bank evenmin kan achterhalen. [Zodra] het bericht werd ontvangen dat het rolrecht niet zou zijn voldaan, werd alsnog het rolrecht en de kost voor het Fonds voldaan (stuk 2 bij dit verzoek). Blijkbaar is om reden van (technologische) overmacht een probleem opgetreden bij de daadwerkelijke interne uitvoering van de bancaire betalingen, hoewel die weldegelijk zijn ingegeven (alle schuldvorderingen van de onder stuk 1 gevraagde betalingen zijn wel uitgevoerd).” Het “stuk 1” waarnaar verzoeker verwijst betreft een afdruk van een uitwisseling van elektronische berichten van 6 februari 2026 tussen verzoeker en een niet nader geïdentificeerde derde met de naam “huren location”, waarbij verzoeker zich ermee akkoord verklaart dat “huren location” verschillende rekeningen zou betalen waaronder een rekening van de Raad van State voor 226 €.
- De partij die aanvoert dat de laattijdige betaling het gevolg is van overmacht, moet het bewijs leveren van de feitelijke omstandigheden die verhinderen dat de laattijdigheid hem wordt toegerekend. Met het “stuk 1” levert verzoeker niet het bewijs van zijn bewering dat er bij de bank een technische fout is opgetreden waardoor de overschrijving niet is uitgevoerd. Uit dat stuk kan enkel afgeleid worden dat verzoeker tijdig ermee akkoord is gegaan dat de betaling zou worden uitgevoerd, maar niet dat er ook werkelijk een opdracht daartoe aan de bank werd gegeven, laat VII-43.156-3/5 staan dat er in voorkomend geval vervolgens een technische storing is opgetreden bij de bank. Ook voor de bewering dat alle betalingen waarmee verzoeker zich op 6 februari 2026 ten overstaan van “huren location” akkoord heeft verklaard wel degelijk werden uitgevoerd met uitzondering van de betaling voor de Raad van State, wordt geen enkel bewijs voorgelegd. Indien er zich werkelijk een (technisch) probleem zou hebben voorgedaan dat niet aan verzoeker kan worden toegerekend, valt niet in te zien dat verzoeker deze omstandigheid niet zou kunnen documenteren aan de hand van verklaringen en stukken van de bank en/of de niet nader geïdentificeerde “huren location” aan wie verzoeker blijkbaar opdrachten gaf om betalingen voor zijn rekening uit te voeren.
- Verzoeker levert niet het bewijs van de feitelijke omstandigheden waarop hij zich beroept en toont aldus niet aan dat de laattijdige betaling het gevolg is van overmacht. Het cassatieberoep wordt van de rol geschrapt en het laattijdig betaalde bedrag van 226 € moet aan verzoeker worden terugbetaald. BESLISSING
- Het beroep wordt van de rol geschrapt.
- Het voor het beroep laattijdig betaalde rolrecht van 200 euro en de bijdrage van 26 euro dienen te worden terugbetaald aan verzoeker. VII-43.156-4/5 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op achtentwintig april tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Francis Van Nuffel, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Francis Van Nuffel VII-43.156-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.528 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div