id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 april 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.539 Rolnummer: A. 243061/IX-10842 Zaak: Arrest 266539 - Hulpverleningszones - 29/04/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-05-07 Raadplegingen: 44 - laatst gezien 2026-06-18 06:53 Fiche Arrest nr 266.539 van 29 april 2026 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Hulpverleningszones Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 266.539 van 29 april 2026 in de zaak A. 243.061/IX-10.842 In zake : G.C. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Evelien Rutten kantoor houdend te 3290 Diest Leuvensestraat 70 tegen: de HULPVERLENINGSZONE ZUID-WEST LIMBURG bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Koen Geelen en Jarien Bloemen kantoor houdend te 3500 Hasselt Recorstraat 700/0501 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 23 september 2024, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van het zonecollege van de Hulpverleningszone Zuid-West Limburg van 8 juli 2024 om de benoeming van verzoeker niet te verlengen. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 262.044 van 21 januari 2025 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. De verzoekende partij heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. IX-10.842-1/14 De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Iris Verheven heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 30 maart
- Staatsraad Jim Deridder heeft verslag uitgebracht. Advocaat Julie Beausaert, die loco advocaten Koen Geelen en Jarien Bloemen verschijnt voor de verwerende partij, is gehoord. Eerste auditeur Iris Verheven heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is aangesteld als vrijwillig brandweerman-korporaal bij het brandweerkorps van de gemeente Sint-Truiden, thans de Hulpverleningszone Zuid-West Limburg. 3.
- Op 18 april 2024 adviseert de zonecommandant aan het zonecollege om de benoeming van verzoeker niet te verlengen. Dit advies wordt verzoeker op 19 april 2024 ter kennis gebracht met de mededeling dat verzoeker, indien hij dit wenst, kan worden gehoord door het zonecollege. IX-10.842-2/14 3.
- Op 16 mei 2024 wordt verzoeker uitgenodigd om op 17 juni 2024 te worden gehoord met betrekking tot het advies van niet-verlenging van de benoeming. In overleg met verzoekers raadsman wordt de hoorzitting uitgesteld naar 8 juli
- 3.
- Op dezelfde dag beslist het zonecollege de benoeming van verzoeker niet te verlengen, dit op grond van onder meer de volgende overwegingen: “Bij de eventuele verlenging van een dienstnemingscontract is het voor het zonecollege duidelijk dat de gehele periode in overweging dient te worden genomen, niet alleen de laatste evaluatie. Het zonecollege moet vaststellen dat er wel degelijk in de nota van de zonecommandant verwezen wordt naar problematisch gedrag sedert 2018 in hoofde van [verzoeker] en dat de nodige bewijsstukken zijn meegeleverd. Bijgevolg kan het gedrag wel degelijk aangetoond worden. Het zonecollege verwijst daarbij naar het advies van de zonecommandant waaruit genoegzaam blijkt dat er verschillende tekorten zijn op vlak van de competenties communiceren, integriteit en samenwerking. Ondanks herhaaldelijke inspanningen blijkt uit verschillende evaluaties en nota’s dat [verzoeker] tekortkomingen vertoont op vlak van competenties communiceren, integriteit en samenwerken. Deze tekortkomingen worden aangetoond aan de hand van verschillende geregistreerde documenten daterend in de periode van 2018 tot en met 13 maart
- In tegenstelling tot wat [verzoeker] voorhoudt, handelt het advies tot niet verlenging van de benoeming van [verzoeker] ook over de periode na het evaluatiegesprek van 21 februari
- Het zonecollege schaart zich in dat verband integraal achter het oordeel van de zonecommandant. Het zonecollege stelt vast dat er in de periode van 2018 tot heden slechts 1 positieve evaluatie wordt genoteerd, meer bepaald tijdens het evaluatiegesprek van 21 februari 2024 waar er een verbetering was op vlak van integriteit en samenwerking maar dit echter op 13 maart 2024 opnieuw resulteerde in een punctuele nota waarvan ook sprake in het advies van de zonecommandant tot niet-verlenging. De tijdelijke verbetering, zoals geregistreerd in het evaluatiegesprek dd. 21 februari 2024 en de technische vaardigheden van betrokkene die gewaardeerd worden, wegen niet op tegen de continue tekortkomingen in hoofde van [verzoeker] die herhaaldelijk naar boven komen in eerdere evaluaties, functioneringsgesprekken en nota’s over de jaren heen. Specifiek voor wat betreft de persoonlijke nota van 23 oktober 2023 houdt [verzoeker] voor dat dit enkel handelt over huur gerelateerde elementen, hetgeen niet zou kunnen worden meegenomen in de beoordeling van zijn activiteiten en houding als vrijwillig brandweerman. Het zonecollege moet vaststellen dat deze bewering onjuist is. […] IX-10.842-3/14 Het zonecollege verwijst hierbij ook naar haar beslissing ZC/2023/038 dd. 30/01/2023 waarbij het zonecollege haar raadsheer machtigt de ontbinding van de huurovereenkomst met [verzoeker] te vorderen op basis van een ernstige contractuele tekortkoming op de verplichtingen van de huurder. Deze procedure werd gestart nadat de hulpverleningszone met een aangetekend schrijven [verzoeker] had verzocht om zijn maatschappelijke zetel te wijzigen van zijn onderneming [G.], aangezien deze gevestigd werd op het adres van de brandweerkazerne. [Verzoeker] reageerde hier op geen enkele manier op. Zelfs al zou de vestiging van de maatschappelijke zetel op dat adres een vergetelheid of onzorgvuldigheid geweest zijn, dan nog is het niet reageren op een aangetekend schrijven een weinig loyale houding ten overstaande van de hulpverleningszone als organisatie, zoals de zonecommandant ook vermeld in zijn advies. Het zonecollege schaart zich achter deze beoordeling. […] Conclusie […] Gelet op het feit dat ondanks herhaaldelijke inspanningen en uit verschillende evaluaties en nota’s blijkt dat [verzoeker] tekortkomingen vertoont op vlak van competenties communiceren, integriteit en samenwerken. Gelet op het feit dat deze tekortkomingen aangetoond worden aan de hand van verschillende geregistreerde documenten daterend in de periode van 2018 tot en met 13 maart
- Gelet op het feit dat er in de periode van 2018 tot heden slechts 1 positieve evaluatie genoteerd werd meer bepaald tijdens het evaluatiegesprek van 21 februari 2024 en er een verbetering was op vlak van integriteit en samenwerking maar dit echter op 13 maart 2024 opnieuw resulteerde in een punctuele nota waarvan ook sprake in het advies van de zonecommandant tot niet-verlenging. Gelet op het feit dat de tijdelijke verbetering zoals geregistreerd in het evaluatiegesprek dd. 21 februari 2024 en de technische vaardigheden van betrokkene die gewaardeerd worden niet opwegen tegen de continue tekortkomingen in hoofde van [verzoeker] die herhaaldelijk naar boven komen in eerdere evaluaties, functioneringsgesprekken en nota’s over de jaren heen. In tegenstelling tot de bewering van betrokkene […] is het zonecollege van mening dat de volledige periode van het dienstnemingscontract moet worden beschouwd in de beoordeling van de verlenging ervan. Gelet op het feit dat het zonecollege van oordeel is dat in een brandweerdienst, waar discipline en loyale samenwerking van het grootste belang zijn om de gevaarlijke opdrachten behoorlijk te laten verlopen, het onaanvaardbaar is dat iemand bevelen negeert, dat hij zich onbehoorlijk uit ten overstaan van collega’s en dat hij de functionele meerderen met gebrek aan respect bejegent. Gelet op het feit dat het advies tot niet-verlenging van de benoeming van [verzoeker] wel degelijk ook gaat over de periode na het positieve evaluatiegesprek van 21 februari
- IX-10.842-4/14 Gelet op het feit dat de punctuele nota van kapitein [S.R.] dd. 13 maart 2024 waarvan sprake in de verweernota van de raadsman van betrokkene met referentienummer ER24/0493 los staat van de procedure en het arrest van de Raad van State dd. 28 mei 2024 nr. 259.
- Gelet op het feit en rekening houdend met de vaststelling van de zonecommandant en de stukken die deze vaststelling staven dat de samenwerking met [verzoeker] onmogelijk geworden is en de goede werking van post Sint-Truiden hierdoor in het gedrang komt.” Dat is de bestreden beslissing. 3.
- Met een aangetekend schrijven van 26 juli 2024 wordt deze beslissing aan verzoeker ter kennis gebracht. IV. Ontvankelijkheid Exceptie
- De verwerende partij werpt op dat het beroep onontvankelijk is en doet ter zake het volgende gelden: “In casu staat het vast dat op het ogenblik dat de verzoekende partij het verzoekschrift tot schorsing en nietigverklaring heeft ingediend, en de zaak door Uw Raad wordt onderzocht, de tijd inmiddels zo ver is voortgeschreden dat wat de verzoekende partij wenste te vermijden zich inmiddels heeft gerealiseerd: het mandaat van de verzoekende partij is geëindigd op 7 september
- De verzoekende partij is momenteel niet langer actief als vrijwillig brandweerman. Een eventuele nietigverklaring van de bestreden beslissing kan de verzoekende partij dan ook geen enkel voordeel meer opleveren.” Beoordeling
- De bestreden beslissing strekt tot de niet-verlenging van de benoeming van verzoeker, ten gevolge waarvan de benoeming op 7 september 2023 een einde neemt. IX-10.842-5/14 De verwerende partij beweert niet, laat staan dat zij bewijst, dat verzoekers benoeming na een nietigverklaring van de bestreden beslissing – nietigverklaring die de bestreden beslissing ex tunc uit de rechtsorde verwijdert – niet opnieuw zou kunnen worden verlengd.
- De exceptie wordt verworpen. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- In een eerste middel beroept verzoeker zich op een schending van artikel 262 van het koninklijk besluit van 19 april 2014 ‘tot bepaling van het administratief statuut van het operationeel personeel van de hulpverleningszones’ (“administratief statuut”). Hij betoogt ter zake: “De inzagevoorschriften conform artikel 262 KB 19/04/2014 zijn niet gerespecteerd. Het dossier van [verzoeker] was niet gedurende de gehele procedure beschikbaar ter inzage, waardoor artikel 262 van het KB van 19 april 2014 wel degelijk is geschonden.” Beoordeling
- In arrest nr. 262.044 van 21 januari 2025 heeft de Raad van State dit middel niet ernstig bevonden op grond van de volgende overwegingen: “Artikel 262 van het koninklijk besluit van 19 april 2014 regelt de rechten van verdediging in het kader van een tuchtprocedure. De bestreden beslissing daarentegen betreft de niet-verlenging van een benoeming, genomen op basis van artikel 51, tweede lid, van het voormelde koninklijk besluit. IX-10.842-6/14 Verzoeker houdt niet voor dat de bestreden beslissing een verdoken tuchtstraf zou uitmaken.”
- In de memorie van wederantwoord en zijn laatste memorie brengt verzoeker dit middel niet meer ter sprake, laat staan dat hij een poging onderneemt om de Raad van State alsnog van de gegrondheid van het middel te overtuigen. Na een nieuw onderzoek ziet de Raad van State geen redenen om het anders te zien dan in het tussenarrest.
- Het eerste middel is ongegrond. B. Tweede middel
- Verzoeker steunt een tweede middel op een schending van “boek 7, art. 152 e.v.” van het administratief statuut. Verzoeker zet het middel als volgt uiteen: “Dat uit artikel 154 van het KB van 19/04/2014 en de ministeriële omzendbrief dd. 08/10/2016 betreffende de evaluatie van de operationele personeelsleden van de hulpverleningszone duidelijk bepalen dat een individueel evaluatiedossier start met de functiebeschrijving, en eindigt bij het evaluatiegesprek. Dat er dd. 29/10/2023 een punctueel gesprek werd gevoerd door de functionele meerdere van [verzoeker], zijnde [C.M.], waarin werd besloten als volgt: ‘Je hebt goed gewerkt aan je houding die vermeld werd in de vorige evaluatie. De verbetering die ik vastgesteld had heb je zoals gevraagd ook verder gezet. Blijf zo verder doen.’ Ook op 21/02/2024 heeft [verzoeker] een positieve evaluatie ontvangen. Dat het zonecollege in haar beslissing dd. 09/07/2024 zelf aan geeft dat de evaluatie van [verzoeker] dd. 21/02/2024 gunstig was. Dat de evaluatiescore dan ook voldoende was. Dat er slechts een ambtshalve ontslag kan worden doorgevoerd indien er sprake is van twee onvoldoendes binnen een periode van drie jaar. Dat dit absoluut niet het geval is bij [verzoeker], dewelke een positieve punctuele nota had in oktober 2023 en een evaluatiegesprek met een voldoende in februari
- IX-10.842-7/14 Dat het dan ook niet duidelijk is op basis van welke procedure het mandaat van [verzoeker] niet werd verleng[d] op basis van beweerde en ongefundeerde tekortkomingen, gelet op het ontbreken van enige evaluatie met een onvoldoende score. Dat deze beslissing volledig in strijd is met de evaluatieprocedure conform artikel 156 e.v. KB 19/04/2014.” Beoordeling
- In het voormelde tussenarrest is het middel verworpen op grond van de volgende overwegingen: “De bestreden beslissing werd niet genomen in het kader van enige evaluatieprocedure, geregeld door de artikelen 152 en volgende van het koninklijk besluit van 19 april
- Het gaat integendeel om de niet-verlenging van een benoeming, genomen op basis van artikel 51, tweede lid, van het voormelde koninklijk besluit.”
- Verzoeker beperkt zich in de annulatieprocedure tot het louter herhalen van het middel. De Raad van State ziet bij de beoordeling ten gronde geen redenen om het anders te zien dan in het tussenarrest.
- Het tweede middel is ongegrond. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
- In een derde middel beroept verzoeker zich op een schending van het onpartijdigheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel en op “onbehoorlijke motivering”. IX-10.842-8/14 In het verzoekschrift luidt dit middel als volgt: “De Zonecommandant start zijn advies tot niet verlenging van de benoeming van [verzoeker] door te stellen dat er reeds sedert 2018 sprake is van problematisch gedrag in hoofde van [verzoeker], quod non. Dit wordt op geen enkele manier aangetoond en is in strijd met de positieve evaluatie dd. 21/02/
- In dit evaluatiegesprek dd. 21/02/2024 staat het volgende: - Jouw gedrag ten opzichte van collega’s tijdens interventies en oefeningen is correct - Je gedraagt je als een teamplayer tijdens interventies en oefeningen. Je helpt waar nodig en stuurt zelfs minder ervaren brandweermannen aan - Je stuurt als korporaal bij en dit met respect voor het individu - Je houdt rekening met de veiligheid voor jezelf en je collega’s Er werd afgesloten met een evaluatiescore voldoende met het volgende besluit: ‘Je bent een goede brandweerman/korporaal. Tijdens interventies en oefeningen doe je wat er van jou verwacht wordt en werk je ook goed mee. Laat je niet op stang jagen door uitspraken van collega’s, blijf kalm en bespreek eventuele geschillen direct met de betrokkene of kaart ze aan bij de vertrouwenspersoon maar niet in groep met andere collega’s.’ Als reactie hierop stelde [verzoeker] het volgende: ‘Andere collega’s en hogere in rang moeten mijn privé ook gescheiden houden van mijn werk bij de brandweer. Ik begin geen gesprekken over onenigheden met andere collega’s ik spreek er alleen over als ze mij erover aanspreken.’ Dit was het evaluatiegesprek met de directe leidinggevende van [verzoeker], zijnde degene die met [verzoeker] werkt en hem het best kan beoordelen. De persoonlijke nota vanwege de zonecommandant 23/10/2023 handelt enkel en alleen over huur gerelateerde elementen, zijnde de plaats waar [verzoeker] zijn voertuig parkeert als huurder van de conciërgewoning. Dit kan niet mee worden genomen in de beoordeling van zijn activiteiten en houding als vrijwillig brandweerman. Voor het overige wor[d]t er door de zonecommandant in zijn beslissing tot niet verlenging van de benoeming van [verzoeker] enkel en alleen verwezen naar gebeurtenissen, functioneringsgesprekken en evaluatiegesprekken van voor 21/02/
- Het laatste evaluatiegesprek van de directe leidinggevende van [verzoeker] dd. 21/02/2024 was wel degelijk positief. Hierbij staat er zelfs over de manier waarop [verzoeker] samen werkt met anderen: doe zo verder. Eerdere evaluatiegesprekken die minder positief zouden zijn geweest kunnen onmogelijk aanleiding geven tot een niet verlenging van de benoeming indien het laatste evaluatieverslag wel degelijk positief was. Bij dat laatste verslag werd door [verzoeker] enkel en alleen verwezen naar de moeilijke omstandigheden omwille van de beslissing van onverenigbaarheid die volgens [verzoeker] ten onrechte en onzorgvuldig werd genomen, waarbij de privé activiteiten van [verzoeker] worden IX-10.842-9/14 meegenomen in zijn beoordeling als vrijwillig brandweerman, hetgeen niet correct is. Dat de punctuele nota afgenomen door kapitein [S.R.] dewelke onder direct gezag staat vanwege de zone commandant en dit om het moment dat de procedure voor de Raad van State reeds lopende was, onmogelijk als objectief kan worden beoordeeld. Dit maakt in geen geval een negatieve evaluatie uit vanwege de directe leidinggevende van [verzoeker] maar louter een punctuele nota rekening houdend met de lopende procedure bij het Hof van Cassatie [lees: de Raad van State] en de reeds genomen beslissing tot onverenigbaarheid. Dat deze laatste punctuele nota onmogelijk in overweging kan worden genomen wegens gebrek aan objectiviteit. Bovendien staat de beslissing tot niet verlenging van de benoeming van [verzoeker] waarbij de zonecommandant deze beslissing motiveert omwille van een patroon van gebrekkige samenwerking, in schril contract met de objectieve evaluatie van 21/02/2024 die stelt dat [verzoeker] op vlak van samenwerking moet verder doen zoals hij bezig is en hierop zeer goed scoort. Dat dus ook de beslissing tot niet verlening van de benoeming van [verzoeker] inhoudelijk niet correct is gelet op de gunstige meest recente objectieve evaluatie 21/02/2024.”
- In zijn laatste memorie benadrukt verzoeker dat er geen sprake is van “continue tekortkomingen” en dat alle objectieve beoordelingen steeds overwegend positief waren. Beoordeling 17.
- Verzoeker voert in de eerste plaats een schending aan van het onpartijdigheidsbeginsel. Hij betrekt zijn kritiek op kapitein S.R. en diens punctuele nota gedateerd 13 maart 2024 (maar ondertekend op 12 maart 2024) en stelt dat die nota kadert in een discussie omtrent een onverenigbaarheid. 17.
- Op 8 juli 2024 beslist het zonecollege dat verzoeker zich, als bedrijfsleider van een onderneming die aan brandbestrijding en brandveiligheid gerelateerde diensten aanbiedt, in een onverenigbaarheid bevindt waaraan binnen een termijn van zes maanden door ontslag of door het afstand nemen van de onderneming een einde moet worden gesteld. Die beslissing maakt het voorwerp uit van het beroep gekend onder het rolnummer 243.063/X-18.
- IX-10.842-10/14 Daargelaten dat verzoeker niet beweert, laat staan bewijst dat er sprake is van partijdigheid in hoofde van het zonecollege dat de bestreden beslissing heeft genomen, moet worden vastgesteld dat de punctuele nota van kapitein S.R. van 13 maart 2024 geen betrekking heeft op de hiervóór vermelde problematiek inzake een onverenigbaarheid, maar ziet op verzoekers gedrag tegenover collega’s en zijn attitude tijdens interventies. Verzoeker weerspreekt niet de inhoud van deze terechtwijzingen, noch neemt hij de moeite om in concreto te duiden waarom kapitein S.R. niet op een onpartijdige wijze zou hebben gehandeld. 17.
- Uit het loutere feit dat verzoeker tegen een beslissing van het zonecollege (waarop de zonecommandant aanwezig was) met betrekking tot een vastgestelde onverenigbaarheid een beroep heeft ingesteld bij de Raad van State, kan niet worden afgeleid dat een tussenkomst van een hiërarchisch meerdere die zelf aan de zonecommandant ondergeschikt is, ná het instellen van dat beroep ipso facto door subjectiviteit of partijdigheid is ingegeven. In dat opzicht is het middel ongegrond. 18.
- Daarnaast betoogt verzoeker dat de punctuele nota van 13 maart 2024 geen negatieve evaluatie is. 18.
- In de bestreden beslissing wordt de nota van kapitein S.R. van 13 maart 2024 aangemerkt als “een punctuele nota”. Voor zover verzoeker daarin een “negatieve evaluatie” ziet – of meent dat het zonecollege het stuk als dusdanig heeft behandeld – mist het middel feitelijke grondslag. 19.
- Artikel 51 van het administratief statuut bepaalt dat de benoeming gebeurt voor een duur van zes jaar: “De stagiair wordt door de raad benoemd. De benoeming van een stagiair wordt door de voorzitter of zijn afgevaardigde rechtstreeks aan de betrokkene betekend. Ze wordt ter kennis gebracht van de personeelsleden van de zone door de voorzitter of zijn afgevaardigde. De beroepsstagiair wordt vast benoemd. De vrijwillig stagiair wordt benoemd voor een duur van zes jaar. IX-10.842-11/14 Na het advies van de commandant te hebben ontvangen, wordt de benoeming stilzwijgend vernieuwd voor een nieuwe periode van zes jaar, behalve bij gemotiveerde beslissing door de raad. Als de commandant voorstelt de benoeming niet te verlengen, wordt het voorstel, ten laatste drie maanden voor het verstrijken van de duur van zes jaar, tegelijk ter kennis gebracht aan de raad en aan de betrokkene. De betrokkene kan, per aangetekende brief of via elke andere drager met bewijskracht en vaste datum binnen één maand na de kennisname van het voorstel, verzoeken verhoord te worden door de raad. De raad organiseert het verhoor en beslist voor het einde van de benoeming. Betrokkene kan zich tijdens het verhoor laten bijstaan door een persoon naar keuze. De commandant neemt niet deel aan de beraadslaging van de raad.” 19.
- Terecht wordt in de bestreden beslissing overwogen dat bij de beslissing over de verlenging van een dienstnemingscontract de gehele periode in aanmerking moet worden genomen en niet alleen de laatste evaluatie. Voor zover het middel ervan uitgaat dat enkel met de evaluatie van 21 februari 2024 rekening mag worden gehouden, faalt het. 20.
- De bestreden beslissing steunt in essentie op de overweging “dat de tijdelijke verbetering zoals geregistreerd in het evaluatiegesprek dd. 21 februari 2024 en de technische vaardigheden van betrokkene die gewaardeerd worden niet opwegen tegen de continue tekortkomingen in hoofde van [verzoeker] die herhaaldelijk naar boven komen in eerdere evaluaties, functioneringsgesprekken en nota’s over de jaren heen”. Ter ondersteuning daarvan verwijst de bestreden beslissing naar het advies van de zonecommandant en de daarbij gevoegde bewijsstukken. 20.
- In zijn advies stelt de zonecommandant: “Ondanks herhaaldelijke inspanningen, blijkt uit verschillende evaluaties en nota’s dat [verzoeker] tekortkomingen vertoont die een verlenging van zijn benoeming voor een nieuwe zesjarige periode in de weg staan.” De zonecommandant licht zijn beoordeling ter zake vervolgens omstandig toe aan de hand van verschillende tekortkomingen, waaronder een IX-10.842-12/14 aanhoudend ongepaste en agressieve communicatiestijl, respectloos gedrag naar leidinggevenden en collega’s, het in twijfel trekken van regels en procedures, het herhaaldelijk negeren van instructies en het zenden van dreigende e-mails. Ter ondersteuning van die bevindingen verwijst de zonecommandant naar verschillende stukken. Verzoeker weerspreekt noch de conclusies van dit advies, noch de stukken die de zonecommandant bijbrengt. In die omstandigheden overtuigt verzoeker niet ervan dat de beslissing steunt op een onzorgvuldige feitenvinding. 20.
- Ook in dat opzicht is het middel niet gegrond.
- Het derde middel is in zijn geheel ongegrond. D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel
- In de memorie van wederantwoord hekelt verzoeker in wat als een vierde middel kan worden beschouwd nog dat de raadsman van de verwerende partij bij de hoorzitting, de beraadslaging en de beslissing de hele tijd aanwezig was. Daarin ziet verzoeker, onder verwijzing naar een beslissing van de beroepskamer voor het operationeel personeel van de hulpverleningszones van 7 oktober 2024, uitgesproken ten aanzien van een andere vrijwillige brandweerman van de verwerende partij, een miskenning van het zorgvuldigheidsbeginsel. Beoordeling
- Verzoeker maakt niet inzichtelijk waarom hij dit middel niet reeds in zijn verzoekschrift kon doen gelden. Voor het eerst aangevoerd in de memorie van wederantwoord is het laattijdig en om die reden onontvankelijk. IX-10.842-13/14 Het feit dat de beroepskamer – ten aanzien van een ander personeelslid – in de door verzoeker vermelde zin zou hebben geoordeeld ná het instellen van huidig beroep, betekent niet dat het om een nieuw feit gaat dat wettigt dat verzoeker die grief later dan in zijn verzoekschrift ter sprake brengt. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 48 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 924 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op negenentwintig april tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Jurgen Neuts, staatsraad, Jim Deridder, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Geert Van Haegendoren IX-10.842-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.539 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div