id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 april 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.540 Rolnummer: A. 238988/IX-10244 Zaak: Arrest 266540 - Schooltucht - 29/04/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-05-07 Raadplegingen: 41 - laatst gezien 2026-06-18 06:53 Fiche Arrest nr 266.540 van 29 april 2026 Onderwijs en cultuur - Schooltucht Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 266.540 van 29 april 2026 in de zaak A. 238.988/IX-10.244 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Lore Gyselaers en Philippe Dreesen kantoor houdend te 3580 Beringen Paalsesteenweg 81 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, vertegenwoordigd door scholengroep Adite bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Marc Stommels en Jan Fransen kantoor houdend te 2630 Aartselaar Groenenhoek 61 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 23 juni 2023, strekt tot de toekenning van een schadevergoeding tot herstel. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 262.543 van 4 maart 2025 vernietigt de Raad van State de beslissing van de beroepscommissie van scholengroep Adite van het Gemeenschapsonderwijs van 25 april 2023 waarbij de beslissing van de directeur van de school ‘GO! atheneum Russelberg’ te Tessenderlo om verzoeker definitief uit de school uit te sluiten, wordt bevestigd en wordt het debat heropend voor het onderzoek van het verzoek tot schadevergoeding tot herstel. IX-10.244-1/20 De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Wendy Depester heeft een aanvullend verslag opgesteld. De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 30 maart
- Staatsraad Jurgen Neuts heeft verslag uitgebracht. Advocaat Philippe Dreesen, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Jan Fransen, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Wendy Depester heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Voorgaanden 3.
- Bij arrest nr. 262.543 van 4 maart 2025 heeft de Raad van State de beslissing van de beroepscommissie van scholengroep Adite van het Gemeenschapsonderwijs van 25 april 2023 vernietigd, waarbij de beslissing van de directeur van de school ‘GO! atheneum Russelberg’ te Tessenderlo van 30 maart 2023 om verzoeker definitief uit de school uit te sluiten, wordt bevestigd. Daarin heeft de Raad van State het eerste middel deels onontvankelijk, deels ongegrond IX-10.244-2/20 en deels gegrond bevonden. Wat het gegrond geachte middelonderdeel betreft, heeft de Raad overwogen wat volgt: “13.
- De bestreden beslissing vermeldt zelf niet hoe ze tot stand is gekomen. 13.
- Wél heeft de algemeen directeur – intern lid van de beroepscommissie – in tempore non suspecto verklaard dat de bestreden beslissing ‘unaniem’ werd genomen. De vaststelling van die unanimiteit – of nog, volgens Van Dale Groot woordenboek van de Nederlandse taal: ‘eenstemmigheid’, ‘eenparigheid’ – veronderstelt een stemming. De verwerende partij betoogt in de memorie van antwoord dat de bestreden beslissing ‘in consensus, niet bij stemming’ werd genomen. Daargelaten of een beraadslaging en beslissing over de definitieve uitsluiting van een leerling zich leent tot een beoordeling in consensus, strookt zulks niet alleen niet met de voormelde verklaring van de algemeen directeur, maar vindt dit bovendien geen steun in de bestreden beslissing, noch in enig ander stuk van het administratief dossier. 13.
- In dat verband bepaalt artikel 123/13, § 2, tweede lid, 1°, van de Codex Secundair Onderwijs dat ‘bij stemming het aantal stemgerechtigde interne leden van de beroepscommissie en het aantal stemgerechtigde externe leden van de beroepscommissie gelijk moet zijn’. 13.
- De bestreden beslissing vermeldt over de samenstelling van de beroepscommissie wat volgt: ‘De beroepscommissie werd samengesteld uit 1 extern lid, ere-directeur de heer (Y.B.) en 2 interne leden, coördinerend directeur mevrouw (A.S.) en algemeen directeur de heer (G.V.P.).’ De beroepscommissie die zich over het beroep van verzoeker heeft uitgesproken, bestaat uit drie leden: twee interne leden en één extern lid. 13.
- De decreetgever schrijft, zoals gezien, alléén voor dat er ‘bij stemming’ pariteit moet bestaan tussen de ‘interne’ en ‘externe’ leden. Dat verhindert niet dat een beroepscommissie de leerling hoort in een niet- paritaire, niet-evenwichtige samenstelling. […] 13.
- Het staat voorts aan het schoolbestuur om ‘de werking, met inbegrip van de stemprocedure, van een beroepscommissie’ te bepalen (artikel 123/13, § 2, tweede lid, inleidende zin, van de Codex Secundair Onderwijs). Die bepaling laat het schoolbestuur toe algemene regels vast te leggen, bijvoorbeeld, over hoe bij stemming de pariteit desgevallend moet worden hersteld. 13.
- De bewoordingen van de bestreden beslissing laten evenwel niet toe te besluiten dat één van de interne leden niet zou hebben deelgenomen aan de stemming. Enig ander stuk dat daarover uitsluitsel zou kunnen geven, wordt door de verwerende partij niet bijgebracht. Bijgevolg moet de Raad van State aannemen dat alle drie de leden – één extern lid en twee interne leden – over die beslissing hun stem hebben uitgebracht. Dat betekent dat de beroepscommissie bij de stemming uit méér interne dan externe leden bestond en dat de beslissing derhalve niet regelmatig tot stand is gekomen. IX-10.244-3/20 13.
- In die mate is het middel gegrond.” Een onderzoek van de twee overige middelen die verzoeker in zijn verzoekschrift had aangevoerd, heeft de Raad van State als voorbarig beschouwd. Vastgesteld werd dat deze middelen betrekking hadden op de motieven van de beslissing en dat moeilijk kon worden vooruitgelopen op de ná de vernietiging te nemen beslissing van de beroepscommissie. 3.
- Na het voormelde vernietigingsarrest heeft de verwerende partij de beroepscommissie opnieuw samengesteld. Op 20 maart 2025 heeft deze beroepscommissie de hoorzitting met verzoeker hernomen. Op 24 maart 2025 heeft de beroepscommissie ertoe besloten om de beslissing van de directeur tot uitsluiting van verzoeker te bevestigen. Verzoeker heeft daartegen geen beroep tot nietigverklaring ingesteld. IV. Gegrondheid van het verzoek tot schadevergoeding tot herstel Uiteenzetting van het verzoek
- Verzoeker vraagt om de toekenning van een schadevergoeding tot herstel, die hij ex aequo et bono begroot op 5.000 euro. In verband met de schade die hij ingevolge de bestreden beslissing heeft geleden, zet hij uiteen dat van de verwerende partij als zorgvuldig bestuur mag worden verwacht dat zij kennis heeft van de procedurevoorschriften in het eigen schoolreglement en die ook opvolgt en toepast. Eveneens mag worden verwacht, vindt verzoeker, dat de school, vooraleer een tuchtmaatregel op te leggen, het tuchtdossier op zorgvuldige wijze samenstelt, onderzoekt en daarbij IX-10.244-4/20 rekening houdt met verzoekers argumentatie. Dit is niet gebeurd en hierdoor is verzoeker het voordeel van een eerlijk procedureverloop misgelopen, wat zijn vertrouwen in overheidsinstellingen ernstig heeft aangetast. Naar het oordeel van verzoeker volstaat een loutere vernietiging niet om morele genoegdoening te verkrijgen, “[g]elet op zijn jonge leeftijd”. Hij heeft immers in afwachting van de vaststelling van de onwettigheid “de meest zwaarwichtige gevolgen” van de bestreden beslissing onmiddellijk moeten ondergaan. Daartegenover staat dat de verwerende partij de belangrijkste doelstelling van de bestreden beslissing – verzoekers uitsluiting in de loop van het schooljaar – onmiddellijk en op definitieve wijze heeft gerealiseerd. Verzoekers nadeel blijft voortbestaan, terwijl de verwerende partij alleen maar baat schijnt te hebben bij de niet-naleving van het eigen schoolreglement. Volgens verzoeker volstaat de loutere vaststelling van de onwettigheid dus niet om de aantasting van het vertrouwen in overheidsinstellingen te herstellen. Voorts voert verzoeker aan dat hij ingevolge de bestreden beslissing geen onderwijs meer heeft kunnen volgen in de school van zijn keuze. Hierdoor heeft hij het contact met schoolvrienden, zijn kennissenkring op school en leerkrachten “per direct moeten doorbreken”. Zijn opgebouwde sociale relaties zijn van de ene dag op de andere tenietgedaan. Nog los van de reputatieschade die hij heeft geleden, is het door het verlies aan schooltijd onmogelijk om dergelijke contacten op dezelfde wijze te onderhouden. Verzoeker stelt vervolgens dat hij zelfs geen onderwijs meer heeft kunnen volgen in de richting van zijn voorkeur. Hij licht toe dat het voor richtingen in het beroepsonderwijs in de praktijk onmogelijk is om in de loop van het schooljaar nog in te schrijven in een andere school. Verzoeker heeft hiervoor nog contact opgenomen met scholen, maar die hebben hem meegedeeld dat dit voor zijn voorkeurrichting niet mogelijk was. Bijgevolg heeft verzoeker geen lessen meer kunnen volgen na de bestreden beslissing en heeft hij een volledig trimester gemist. In de bestreden beslissing heeft de verwerende partij hieromtrent overwogen dat dit zijn overgang naar het volgend schooljaar niet hypothekeert, aangezien hij op 1 september 2023 op grond van leeftijd naar de IX-10.244-5/20 arbeidsmarktgerichte finaliteit kan overgaan. Volgens verzoeker valt echter niet te ontkennen dat hij tijdens de lessen gedurende het laatste trimester nog kennis had kunnen opdoen en vaardigheden aanleren die zijn onderwijskansen voor het volgend schooljaar zouden vergroten. Bij de verwerende partij heeft hij zelfs geen online lessen meer kunnen volgen. Tot slot stelt verzoeker dat de schooltijd van belang is om structuur te bieden aan zijn dag. Gelet op zijn leeftijd is het niet evident om van hem te verwachten dat hij deze volledig zelfstandig invult. Ook ten aanzien van zijn ouders is de verwerende partij ernstig tekortgeschoten in haar verplichtingen om structuur en veiligheid te bieden aan hun kind.
- In de memorie van wederantwoord ontkent verzoeker dat arrest nr. 262.543 van 4 maart 2025 hem afdoende morele genoegdoening verschaft. Ter adstructie verwijst hij naar arrest nr. 255.935 van 2 maart 2023 waarin hij leest dat de Raad van State aanneemt dat bij een grondige aantasting van het vertrouwen in een overheidsinstelling de loutere nietigverklaring niet volstaat als compensatie. Verzoeker betoogt dat hij op het moment van de bestreden beslissing nog zeer jong was en erop mocht vertrouwen dat de verwerende partij als onderwijsinstelling zijn dossier in alle objectiviteit en in overeenstemming met de procedurevoorschriften zou beoordelen. Doordat dit niet is gebeurd, is zijn vertrouwen in overheidsinstellingen in het algemeen aangetast. Daarnaast is ook zijn vertrouwen en dat van zijn ouders in de verwerende partij als onderwijsinstelling volledig aangetast en zelfs onbestaande. Dit speelt mee in de studiekeuze voor de jongere zus van verzoeker, voor wie het geen optie is dat zij onderwijs zou volgen in één van de scholen binnen de scholengroep van de verwerende partij door wie verzoeker niet correct is behandeld. Dit weegt op verzoeker en zijn gezin, aangezien de verwerende partij een groot aandeel van het onderwijsaanbod in de regio voor haar rekening neemt. De stelling van de verwerende partij dat de beroepscommissie in de nieuwe beslissing van 24 maart 2025 zowel het fysiek geweld als de bedreiging IX-10.244-6/20 van een medeleerling door verzoeker bewezen heeft verklaard, is volgens verzoeker volstrekt irrelevant voor de beoordeling van het voorliggende verzoek omdat het hier gaat over de schade die hij heeft geleden doordat de beroepscommissie zijn tuchtdossier op 25 april 2023 niet op een correcte wijze heeft beoordeeld. Volgens verzoeker was de impact van de bij het vernietigingsarrest vastgestelde onwettigheid groot, aangezien hij onmiddellijk een zeer zwaarwichtige sanctie moest ondergaan zonder hiertoe door een correct samengestelde commissie en met respect voor de rechten van verdediging behandeld te zijn geweest. Hij is de mening toegedaan dat de nieuwe beslissing van de beroepscommissie van 24 maart 2025 “in ieder geval de schijn [wekt] dat [ze] ook maar in die zin gevestigd is om zichzelf toch enigszins verweermiddelen te verschaffen in het kader van dit verzoek tot schadevergoeding tot herstel”. De nieuwe beslissing doet volgens verzoeker niet af aan het leed dat hij tot aan het vernietigingsarrest van 4 maart 2025 heeft moeten ondergaan. Bovendien gaat de verwerende partij eraan voorbij dat de beroepscommissie bij het nemen van de nieuwe beslissing anders was samengesteld en de beslissing anders heeft gemotiveerd. Verzoeker geeft te kennen dat hij het nog steeds niet eens is met de visie van de verwerende partij in de beslissing van 24 maart 2025, maar stelt vooral schade te lijden door de houding van de verwerende partij die hem zonder eerlijke proceskansen met één pennentrek uit de school heeft weggeschreven. Hij verklaart dat het zeer ingrijpend en belastend is voor een minderjarige, zeker met een migratieachtergrond, om te worden geconfronteerd met een dergelijke situatie en een houding die een schoolbestuur onwaardig is. Dit versterkt volgens verzoeker de indruk dat de verwerende partij hem geen gelijkwaardige kansen biedt als aan andere leerlingen die geen migratieachtergrond hebben. Minstens is er het verlies van een kans op een correcte beoordeling op het ogenblik dat de beslissing van 25 april 2023 tot stand is gekomen. De verwerende partij kan aan de hand van de beslissing van 24 maart 2025 niet beweren dat een correct samengestelde commissie op 25 april 2023 dezelfde beslissing zou hebben genomen. In zoverre de verwerende partij betoogt dat verzoeker niet aannemelijk maakt dat hij geen contact meer heeft met zijn leeftijdsgenoten uit zijn eigen woonplaats, merkt verzoeker op dat hij heeft aangevoerd dat hij het contact IX-10.244-7/20 is verloren met zijn leeftijdsgenoten op school die op dat ogenblik een belangrijk deel uitmaakten van zijn sociale leefwereld, zonder dit aan zijn woonplaats te relateren. Volgens verzoeker kan de verwerende partij niet ontkennen dat door het verlies aan schooltijd het niet mogelijk is om deze contacten met medeleerlingen (op dezelfde wijze) te onderhouden. Vervolgens voert verzoeker aan dat hij reputatieschade lijdt, wat niet het gevolg is van zijn betrokkenheid bij het gevecht zoals de verwerende partij beweert, maar zijn oorzaak vindt in het feit dat de verwerende partij hem zonder enige motivering de zwaarst mogelijke straf heeft opgelegd. Daarmee heeft de verwerende partij ten aanzien van zijn medeleerlingen kenbaar gemaakt dat zij het gedrag van verzoeker zodanig laakbaar acht dat zij hem van de school heeft laten verwijderen. Daarbij komt dat de verwerende partij, door het miskennen van de voorgeschreven procedure, hem de kans heeft ontnomen zijn verweer nuttig en volledig te voeren en dat zij met het gevoerde verweer geen rekening heeft gehouden. Voorts benadrukt verzoeker dat hij als gevolg van de bestreden beslissing in het schooljaar 2022-2023 geen onderwijs meer heeft kunnen volgen in de school en in de richting van zijn voorkeur. In de mate dat de verwerende partij hieromtrent doet gelden dat hij geen bewijs bijbrengt van een geweigerde poging om zich in te schrijven in een andere school, merkt verzoeker op dat de verwerende partij, in strijd met artikel 123/10, § 6, tweede lid, van de Codex Secundair Onderwijs, geen enkele bijdrage heeft geleverd om hem actief bij te staan in het zoeken naar een andere school. De verwerende partij wist volgens verzoeker dat het onmogelijk was om zich nog in een andere school in te schrijven in de door hem gekozen richting, maar zij heeft zich beperkt tot de opmerking dat hij op 1 september 2023 op basis van leeftijd naar het derde jaar van de arbeidsmarktgerichte finaliteit kan overgaan. In zoverre de verwerende partij opmerkt dat een school de capaciteit had kunnen verhogen, repliceert verzoeker dat daarvoor de goedkeuring van het lokale overlegplatform is vereist. Aangezien de uitsluiting op het einde van het schooljaar is opgelegd, zou dit te laat zijn gekomen. Bovendien is het voor de gekozen beroepsrichting ook niet mogelijk om IX-10.244-8/20 de capaciteit zomaar uit te breiden, aangezien dit samenhangt met de beschikbare werkplaatsen en materialen. Verzoeker stipt daarbij ook aan dat de diensten van de Vlaamse Gemeenschap geen contact met hem hebben opgenomen voor een platformoverleg. Hij stelt dat het geen enkel nut heeft om zich nog officieel te laten inschrijven indien de school telefonisch heeft meegedeeld dat dit niet mogelijk is. Aan de hand van verschillende stukken tracht hij ook aannemelijk te maken dat er wel degelijk geen beschikbare plaatsen meer waren binnen de door hem gekozen richting. In de mate dat de verwerende partij argumenteert dat hij zich op een mogelijk toekomstig nadeel beroept in zoverre hij aanvoert dat hij gedurende het laatste trimester nog kennis had kunnen opdoen en vaardigheden had kunnen aanleren die zijn onderwijskansen voor het volgend schooljaar zouden vergroten, repliceert verzoeker dat deze stelling erop neerkomt dat onderwijs in het laatste trimester overbodig is. Verzoeker wijst erop dat hij bij aanvang van het schooljaar 2023-2024 extra opvolging nodig had voor het vak PAV (‘Project Algemene Vakken’). Hij heeft concentratieproblemen en leerachterstand ten gevolge van de definitieve uitsluiting en levert extra inspanningen om deze achterstand in te halen. Dit houdt een nadeel in, dat de verwerende partij moet herstellen. Dit nadeel valt niet uitsluitend te bepalen aan de hand van een mogelijk negatieve deliberatiebeslissing in het volgend schooljaar. De vernietiging van de bestreden beslissing alleen volstaat ook niet om dit nadeel te vergoeden. Tot slot stelt verzoeker dat het aan de verwerende partij toevalt om tijdens de schooltijd structuur en veiligheid te garanderen. Door de bestreden beslissing is hem ten onrechte de invulling van de tijdsbesteding overdag ontzegd, waardoor hij schade heeft geleden. Er valt volgens verzoeker niet in te zien waarom de verwerende partij hieromtrent nog bewijs vraagt van mogelijke bijkomende problemen.
- In zijn laatste memorie laat verzoeker gelden dat het niet relevant is dat hij de herstelbeslissing van 24 maart 2025 niet met een vernietigingsberoep heeft bestreden. IX-10.244-9/20 Hij betoogt dat hij daartoe niet over het vereiste (actueel) belang beschikte. Hij licht toe dat met de herstelbeslissing van 24 maart 2025 de anders samengestelde interne beroepscommissie de tuchtmaatregel tot definitieve uitsluiting zoals opgelegd door de directeur op 30 maart 2023 heeft bevestigd. Op grond van artikel 110/10, § 1, eerste lid, van de Codex Secundair Onderwijs kon de verwerende partij dienvolgens weigeren om verzoeker in te schrijven voor de schooljaren 2023-24 en 2024-
- Gelet op de behandelingstermijn van een beroep tot nietigverklaring en een vordering tot schorsing zou een arrest in het beroep tegen de herstelbeslissing van 24 maart 2025 niet meer tussenkomen in het schooljaar 2024-
- Een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid was evenmin nuttig omdat het recht op onderwijs niet in het gedrang was en verzoeker het schooljaar bij zijn huidige school kon voortzetten. Voor het lopende schooljaar 2025-26 heeft de tuchtmaatregel van 30 maart 2023 dan weer geen impact meer. Verzoeker zou zich kunnen inschrijven bij de verwerende partij, voor zover hij dit nog zou willen. Volgens verzoeker zou zijn belang bij een beroep tot nietigverklaring tegen de herstelbeslissing van 24 maart 2025 er vooral toe strekken om zijn rechten met betrekking tot huidig verzoek tot schadevergoeding tot herstel zoveel mogelijk te vrijwaren. Aangezien volgens de vaste rechtspraak van de Raad van State een louter financieel belang niet voldoende is om de vernietiging van een beslissing na te streven, ziet verzoeker “[m]utatis mutandis […] niet in op welke wijze hij [de] Raad had kunnen vatten en nodeloos had moeten belasten met een bijkomend vernietigingsberoep om een reeds ingestelde vordering tot schadevergoeding tot herstel beoordeeld te zien”. Hij verklaart dat de geleden schade is ingetreden na de inmiddels vernietigde beslissing van 25 april 2023 en na de herstelbeslissing van 24 maart 2025 is blijven voortbestaan. Met de beslissing van 24 maart 2025 is geen bijkomende schade aangebracht en dus achtte hij een beroep tot nietigverklaring met een vordering tot schadevergoeding tot herstel tegen die beslissing niet aangewezen. Voor de reeds geleden schade had hij immers met het vernietigingsberoep van 23 juni 2023 al een vordering aanhangig gemaakt, waardoor een bijkomend vernietigingsberoep tegen de herstelbeslissing van 24 maart 2025 hem geen verdere genoegdoening zou verschaffen. IX-10.244-10/20 Inzake de schadelijke gevolgen van de bij arrest van 4 maart 2025 vastgestelde onwettigheid van de bestreden beslissing betoogt verzoeker vooreerst dat de herstelbeslissing van 24 maart 2025 geen afbreuk doet aan de ongeldige samenstelling van de beroepscommissie op 25 april
- Verzoeker ontkent dat het vernietigingsarrest van 4 maart 2025 en de herstelbeslissing van 24 maart 2025 hem voldoende rechtsherstel hebben verschaft. Hij licht toe dat de verwerende partij met het onwettig procedureverloop van de tucht- en de daaropvolgende beroepsprocedure zijn vertrouwen in instellingen ernstig heeft aangetast. Dit betreft geen loutere bewering, maar heeft geleid tot concentratieproblemen waarvoor verzoeker extra hulp nodig had van een leerkracht in zijn nieuwe school. Volgens verzoeker zijn de schadelijke gevolgen van de bestreden, vernietigde beslissing onmiddellijk ingetreden en moet hij “[t]ot aan het vernietigingsarrest van 4 [maart] 2025” de gevolgen daarvan blijvend ondergaan in de wetenschap dat de verwerende partij hem geen eerlijke kansen heeft geboden. Machteloos heeft hij de contacten met (school)vrienden en leerkrachten teloor zien gaan, terwijl de onwettigheid er niet aan in de weg stond dat de verwerende partij de voor haar wenselijke gevolgen van de genomen tuchtmaatregel volledig heeft kunnen realiseren. Doordat de interne beroepscommissie bij de totstandkoming van de bestreden beslissing niet in een geldige samenstelling tot stemming is overgegaan, heeft de verwerende partij te kennen gegeven dat verzoeker als persoon geen eerlijke kansen verdient. Ongeacht hoe een geldig samengestelde beroepscommissie het beroep inhoudelijk zou beoordelen, heeft dit het vertrouwen van verzoeker in instellingen ernstig aangetast met blijvende morele schade tot gevolg. Voorts laat verzoeker gelden dat de herstelbeslissing van 24 maart 2025 de causaliteit van de schadelijke gevolgen van de vastgestelde onwettigheid van de bestreden beslissing niet doorbreekt. Hij stelt dat gelet op de discretionaire beoordelingsbevoegdheid van de beroepscommissie het onjuist is om ervan uit te gaan dat een correct samengestelde beroepscommissie op 25 april 2023 de tuchtmaatregel tot definitieve uitsluiting sowieso zou hebben bevestigd. Daarbij mag, aldus verzoeker, geen rekening worden gehouden met de herstelbeslissing van 24 maart
- Bij de beoordeling van de causaliteit is het IX-10.244-11/20 voor de toepassing van de equivalentietheorie niet toegelaten om nieuwe feiten te introduceren. Er mag enkel worden voortgegaan op de concrete schadelijke gevolgen die de vastgestelde onwettigheid met zich mee heeft gebracht. Voor verzoeker hield dit onder meer in dat hij geen onderwijs heeft kunnen volgen in de school van zijn keuze – waardoor hij het contact met schoolvrienden en leerkrachten onmiddellijk heeft moeten onderbreken, dat hij reputatieschade heeft geleden doordat hem de zwaarst mogelijke tuchtmaatregel werd opgelegd die onmiddellijk en definitief uitwerking had en dat hij zelfs geen onderwijs meer heeft kunnen volgen in de richting van zijn voorkeur – waardoor hij een trimester heeft gemist en de verwerende partij hem in deze periode geen structuur en veiligheid heeft geboden. Volgens verzoeker zijn dit wel degelijk nadelen die het gevolg zijn van de onwettigheid, te weten de ongeldige samenstelling van de beroepscommissie bij de stemming. Minstens is er, zo stelt verzoeker, het verlies van een kans. Verzoeker zal nooit weten of de interne beroepscommissie op 25 april 2023 met een geldige samenstelling bij de stemming nog steeds tot de bevestiging van de uitsluiting zou zijn overgegaan. Verzoeker herhaalt dat op de herstelbeslissing de smet rust “dat die beslissing ook maar in die zin gevestigd is, opdat de verwerende partij voor zichzelf toch enigszins verweermiddelen kan verschaffen in het kader van voorliggend verzoek tot schadevergoeding tot herstel”. De beslissing van 24 maart 2025 ligt thans niet ter beoordeling voor. Volgens verzoeker is de leer van het ‘rechtmatig alternatief’ te beperkend en wordt door enkel voort te gaan op het foutieve karakter van de vastgestelde onwettigheid, eraan voorbijgegaan dat de gevolgen van die onwettigheid meer verstrekkend zijn. Verzoeker redeneert dat als een correct samengestelde beroepscommissie met de herstelbeslissing van 24 maart 2025 de tuchtmaatregel zou hebben vernietigd, hij dan ook niet in aanmerking zou komen voor een schadevergoeding voor de door hem aangevoerde schade. In dat geval had een correct samengestelde interne beroepscommissie de tekortkoming bij de stemming evenzeer louter op grond van haar samenstelling rechtgezet. Overigens zou verzoeker de herstelbeslissing dan ook niet hebben kunnen aanvechten met een annulatieberoep. Verzoeker verwijst naar arrest nr. 255.935 van 2 maart 2023 waarin de Raad van State niet is ingegaan op de vraag van verzoekster om de periode voor het bepalen van de schadevergoeding te laten doorlopen tot aan de dag waarop de verwerende partij IX-10.244-12/20 een herstelbeslissing heeft genomen. Hij stelt dat voor het vaststellen van de schadeaanspraken op het eerste gezicht enkel de periode relevant is vanaf de totstandkoming van de bestreden, vernietigde beslissing van 25 april 2023 tot aan het vernietigingsarrest van 4 maart
- De schade is ingetreden onmiddellijk na de onwettige beslissing van 25 april 2023 en de herstelbeslissing van 24 maart 2025 wijzigt daar niets aan. De herstelbeslissing van 24 maart 2025 is geen nieuw element waarop de Raad acht kan slaan bij de beoordeling van de concrete schadelijke gevolgen van de onwettigheid zoals vastgesteld bij arrest van 4 maart
- Beoordeling a. Algemeen
- Artikel 11bis, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt: “Elke verzoekende of tussenkomende partij die de nietigverklaring van een akte, een reglement, of een stilzwijgend afwijzende beslissing vordert met toepassing van artikel 14, § 1 of § 3, kan aan de afdeling bestuursrechtspraak vragen om haar bij wijze van arrest een schadevergoeding tot herstel toe te kennen ten laste van de steller van de handeling indien zij een nadeel heeft geleden omwille van de onwettigheid van de akte, het reglement of de stilzwijgend afwijzende beslissing, met inachtneming van alle omstandigheden van openbaar en particulier belang.” Uit deze bepaling, artikel 25/2, § 1, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ dat bepaalt dat het verzoekschrift het bedrag van de gevraagde vergoeding bevat, evenals een uiteenzetting die aantoont welk nadeel geleden wordt door de onwettigheid van de akte en, tot slot, artikel 25/2, § 3, van hetzelfde procedurereglement dat bepaalt dat de stukken die het verzoek staven, samen met een inventaris, bij het verzoekschrift worden bijgevoegd, vloeit voort dat de Raad van State bevoegd is om een schadevergoeding tot herstel toe te kennen wanneer een verzoekende partij aantoont dat de in een vernietigingsarrest vastgestelde onwettigheid de IX-10.244-13/20 rechtstreekse oorzaak is van een door haar geleden nadeel dat niet, minstens niet volledig, door de tussengekomen vernietiging is hersteld. Een schadevergoeding tot herstel op grond van artikel 11bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan bijgevolg alleen worden toegekend in zoverre de onwettige bestuurshandeling, ondanks de verwijdering ervan ab initio uit de rechtsordening, schade heeft toegebracht die door de vernietiging niet volledig is hersteld. Het komt aan de daartoe verzoekende partij toe het bewijs te leveren van de geleden schade en van het vereiste oorzakelijk verband tussen de vastgestelde onwettigheid en het nadeel dat zij aanvoert, waarbij moet blijken dat het nadeel zich niet zou hebben voorgedaan zonder die vastgestelde onwettigheid. b. Betreffende de onwettigheid van de akte
- Bij arrest nr. 262.543 van 4 maart 2025 vernietigt de Raad van State de beslissing van de beroepscommissie van scholengroep Adite van het Gemeenschapsonderwijs van 25 april 2023 waarbij de beslissing van de directeur van de school ‘GO! atheneum Russelberg’ te Tessenderlo van 30 maart 2023 om verzoeker definitief uit de school uit te sluiten, wordt bevestigd. Het onlosmakelijk met het dictum verbonden vernietigingsmotief – dat óók gezag van gewijsde heeft – concludeert dat “de beroepscommissie bij de stemming [over de bestreden beslissing] uit méér interne dan externe leden bestond” en aldus artikel 123/13, § 2, tweede lid, 1°, van de Codex Secundair Onderwijs miskent. Andere onwettigheden zijn in het arrest niet vastgesteld. c. Betreffende de geleden nadelen en het causaal verband
- Verzoeker doet uitsluitend morele nadelen gelden. IX-10.244-14/20 Opdat een moreel nadeel aanleiding zou kunnen geven tot het toekennen van een schadevergoeding tot herstel, moet worden aangetoond dat dit nadeel niet of niet volledig door de vernietiging van de onwettig bevonden bestuurshandeling is hersteld. Het valt aan de verzoekende partij toe dat nog niet herstelde moreel nadeel te bewijzen aan de hand van concrete, precieze en verifieerbare gegevens aangezien de nietigverklaring in beginsel de nodige morele genoegdoening verschaft. 10.
- Verzoeker betoogt in zijn verzoekschrift vooreerst dat alleen de vernietiging van de bestreden beslissing niet volstaat omdat ze zijn “vertrouwen […] in overheidsinstellingen ernstig [heeft] aangetast”. In de memorie van wederantwoord heet het dat “zijn vertrouwen in overheidsinstellingen in het algemeen [is] aangetast”, waarbij hij verduidelijkt hij dat hij op het ogenblik van de totstandkoming van de vernietigde beslissing “nog zeer jong” was en dat hij “er dan ook op [mocht] vertrouwen dat de verwerende partij als onderwijsinstelling zijn dossier in alle objectiviteit en in overeenstemming met de procedurevoorschriften zou beoordelen”. 10.
- Daarmee maakt verzoeker evenwel niet inzichtelijk hoe het door hem beweerde nadeel – de aantasting van het vertrouwen in overheidsinstellingen in het algemeen – zich concreet manifesteert. Dat verzoekers zaak niet “in alle objectiviteit” werd beoordeeld, blijkt geenszins uit het voormelde arrest. Ook de stelling van verzoeker dat door in een ongeldige samenstelling te beslissen de verwerende partij aan verzoeker aangaf “dat hij als persoon geen eerlijke kansen verdient”, is niet meer dan een boute bewering. Verzoeker kan bijgevolg niet dienstig aanvoeren dat zijn vertrouwen op dat vlak werd beschaamd. Verzoeker verduidelijkt voorts niet hoe de schending door het schoolbestuur en de beroepscommissie van artikel 123/13, § 2, tweede lid, 1°, van de Codex Secundair Onderwijs een zodanige impact op hem heeft gehad dat zijn IX-10.244-15/20 vertrouwen in álle overheidsinstellingen werd getroffen. De Raad van State ziet dit evenmin spontaan in. Zo’n niet-gestaafd nadeel kan geen aanleiding geven tot een vergoeding. 10.
- De verwijzing in dat verband naar ’s Raads arrest nr. 255.935 van 2 maart 2023 is niet dienstig, al was het maar omdat in dat arrest werd vastgesteld dat de in die zaak vernietigde beslissing “kadert in een abnormaal lange rechtsstrijd”. Dat ook zijn geval een abnormaal lange rechtsstrijd betreft, beweert verzoeker alvast niet en toont hij evenmin aan. 11.
- Dat verzoeker “in afwachting van de vaststelling van de onwettigheid de meest zwaarwichtige gevolgen van de bestreden beslissing onmiddellijk [heeft] moeten ondergaan”, doet niet anders besluiten. 11.
- In deze zaak ligt het geval voor waarin het bestuur, na een vernietiging van zijn beslissing door de Raad van State, een nieuwe beslissing móét nemen. Immers, de beroepscommissie heeft met de vernietigde beslissing uitspraak gedaan op administratief beroep van verzoeker tegen een beslissing van de directeur. Dat administratief beroep behoeft bijgevolg een (nieuw) antwoord. Alsdan hangt de vraag of een verzoekende partij een nadeel heeft geleden dat in causaal verband staat tot de onwettigheid van de vernietigde beslissing, mede af van de inhoud van de nieuwe beslissing. Als de nieuwe beslissing rechtmatig is en een beslissing bevat die voor de bestemmeling ervan tot hetzelfde rechtsgevolg leidt als de eerdere, vernietigde beslissing, dan moet die vraag, voor zover het gaat om schade die door dat rechtsgevolg wordt veroorzaakt, ontkennend worden beantwoord. In het feit dat het bestuursorgaan een nieuwe beslissing moet nemen, kan daarom in die mate voor de Raad van State een grond zijn gelegen voor afwijzing van een op de onwettigheid van de eerdere beslissing gesteunde vordering tot schadevergoeding tot herstel. 11.
- Zoals hiervóór aangegeven, heeft de verwerende partij op 24 maart 2025 een nieuwe beslissing genomen waarbij verzoeker (opnieuw) IX-10.244-16/20 definitief uit de school wordt uitgesloten. Zoals gezien, heeft verzoeker die beslissing niet met een annulatieberoep bestreden. Zulks is in zoverre relevant dat de Raad van State bijgevolg van de rechtmatigheid van die nieuwe beslissing moet uitgaan, wat ook de reden moge zijn waarom verzoeker ertoe heeft besloten om ze niet in rechte te bestrijden. 11.
- Wanneer verzoeker zich erover beklaagt dat hij “de meest zwaarwichtige gevolgen” van de vernietigde beslissing heeft moeten ondergaan, dient te worden geoordeeld dat hij dit nadeel dadelijk betrekt op en dat het bijgevolg rechtstreeks voortvloeit uit het rechtsgevolg van die beslissing, namelijk de definitieve uitsluiting uit de school. Vastgesteld dat de (nieuwe) beslissing van 24 maart 2025 een identiek rechtsgevolg heeft, moet derhalve worden besloten dat verzoeker niet het oorzakelijk verband tussen de door hem aangevoerde schade en de onwettigheid van de vernietigde beslissing aantoont. Dat de beroepscommissie, zoals verzoeker aangeeft, “een andere samenstelling kende” en op grond van “een andere motivering standpunt innam”, is daarbij niet relevant. 12.
- Tot hetzelfde besluit komt de Raad van State voor de nadelen die verzoeker beweert te hebben geleden omdat hij “geen onderwijs meer [heeft] kunnen volgen in de school van zijn keuze” – als gevolg waarvan hij voorts verklaart “het contact met schoolvrienden, zijn kennissenkring op school en leerkrachten per direct [heeft] moeten doorbreken” – en “[b]ij uitbreiding […] zelfs geen onderwijs meer [heeft] kunnen volgen in de richting van zijn voorkeur”, waardoor de school zou zijn tekortgeschoten in haar “verplichtingen om structuur en veiligheid te bieden”. Ook van deze aangevoerde nadelen moet worden vastgesteld dat ze onmiddellijk verband houden met het rechtsgevolg van de vernietigde IX-10.244-17/20 beslissing, dat identiek is aan het rechtsgevolg van de nieuwe beslissing tot definitieve uitsluiting. 12.
- Dat is niet anders voor de beweerde reputatieschade. Daarvan zet verzoeker in de memorie van wederantwoord zelf uiteen dat ze voortvloeit uit “het gegeven dat de verwerende partij […] de zwaarst mogelijke straf” heeft opgelegd. 12.
- Hetzelfde geldt trouwens voor de in de memorie van wederantwoord aan de kaak gestelde concentratieproblemen en leerachterstand. Hoewel daarvan nog kan worden aangenomen dat verzoeker ze maar na verloop van tijd kon vaststellen – en dus in beginsel nog op ontvankelijke wijze in de memorie van wederantwoord vermocht aan te voeren – missen ook die nadelen – daargelaten of verzoeker erin is geslaagd het bewijs ervan te leveren – het causaal verband met de vastgestelde onwettigheid. 13.
- In de memorie van wederantwoord voert verzoeker nog aan dat “[d]aarnaast […] het vertrouwen van [verzoeker] en [zijn] ouders in de verwerende partij als onderwijsinstelling specifiek volledig [is] aangetast en zelfs onbestaande [is]”, wat “bijvoorbeeld [meeweegt] in de studiekeuze voor de jongere zus van [verzoeker], voor wie het geen optie is dat zij onderwijs zou volgen in één van de scholen binnen de scholengroep van de verwerende partij waar hijzelf geen correcte behandeling gekend heeft”. Hij besluit in dat verband dat zulks “weegt op [hem] en [zijn] gezin, aangezien de verwerende partij een groot aandeel van het onderwijsaanbod in de regio voor haar rekening neemt”. Daargelaten of verzoeker een schadevergoeding kan vorderen voor een nadeel dat niet rechtstreeks hém, maar een gezinslid zou treffen en of het geschaad vertrouwen van zijn ouders, die in de procedure voor de Raad van State niet als dragers van het ouderlijk gezag in eigen naam en hoedanigheid als procespartij zijn opgetreden, wel voor vergoeding in aanmerking kan komen, dient hoe dan ook te worden vastgesteld dat verzoeker dit concrete nadeel niet in zijn verzoekschrift heeft uiteengezet. Een pas in de memorie van wederantwoord geformuleerde schadepost, waarvan niet wordt beweerd, laat staan aangetoond dat IX-10.244-18/20 hij niet in het verzoekschrift kon worden aangevoerd, is laattijdig en onontvankelijk. 13.
- Eveneens in de memorie van wederantwoord – en vervolgens in zijn laatste memorie – maakt verzoeker gewag van het verlies van een kans op “een correcte beoordeling op het ogenblik dat de bestreden beslissing van 25.04.2023 tot stand gekomen was”. Ook daarvan moet worden vastgesteld dat verzoeker dit argument ook reeds in het verzoekschrift had kunnen aanvoeren. Voor het eerst aangevoerd in de memorie van wederantwoord is deze argumentatie laattijdig en bijgevolg onontvankelijk.
- Het verzoek tot schadevergoeding tot herstel kan niet worden ingewilligd. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het verzoek tot schadevergoeding tot herstel.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. IX-10.244-19/20 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op negenentwintig april tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Jurgen Neuts, staatsraad, Jim Deridder, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Geert Van Haegendoren IX-10.244-20/20 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.540 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.476 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.543 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div