id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 april 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.541 Rolnummer: A. 241276/IX-10785 Zaak: Arrest 266541 - Plaatselijk openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 29/04/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-05-07 Raadplegingen: 41 - laatst gezien 2026-06-18 06:53 Fiche Arrest nr 266.541 van 29 april 2026 Openbaar ambt - Plaatselijk openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 266.541 van 29 april 2026 in de zaak A. 241.276/IX-10.785 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Koen Geelen en Jarien Bloemen kantoor houdend te 3500 Hasselt Gouverneur Roppesingel 131 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door:
- de Vlaamse Regering 2 de beroepscommissie voor tuchtzaken bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Bart Staelens en Joost Hoste kantoor houdend te 8000 Brugge Gerard Davidstraat 46, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tom De Sutter kantoor houdend te 9000 Gent Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 19 februari 2024, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de beroepscommissie voor tuchtzaken van 21 december 2023 waarbij de beslissing van de tuchtcommissie van XXXX van 21 augustus 2023 tot het opleggen van de tuchtstraf ‘ontslag van ambtswege’ aan XXXX, wordt vernietigd. IX-10.785-1/11 II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. XXXX heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij, de verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 30 maart
- Staatsraad Jurgen Neuts heeft verslag uitgebracht. Advocaat Julie Beausaert, die loco advocaten Koen Geelen en Jarien Bloemen verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Sander Defoort, die loco advocaten Bart Staelens en Joost Hoste verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Tom De Sutter, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- IX-10.785-2/11 III. Feiten 3.
- De tussenkomende partij is ten tijde van de bestreden beslissing in statutair verband werkzaam bij XXXX. Op 21 augustus 2023 legt de tuchtcommissie van XXXX aan de tussenkomende partij de tuchtstraf ‘ontslag van ambtswege’ op. De beroepscommissie voor tuchtzaken vernietigt op 21 december 2023 deze beslissing van de tuchtcommissie. Dat is de bestreden beslissing. 3.
- Op 26 december 2023 wordt de tussenkomende partij door de gemeenteraad van XXXX ontslagen om dringende redenen, met toepassing van het op dat ogenblik geldende artikel 194/1 van het decreet van 22 december 2017 ‘over het lokaal bestuur’ (“decreet lokaal bestuur”) iuncto artikel 35 van de wet van 3 juli 1978 ‘betreffende de arbeidsovereenkomsten’ (“arbeidsovereenkomstenwet”). IV. Tussenkomst
- De bestreden beslissing vernietigt de aan verzoeker in tussenkomst opgelegde tuchtmaatregel. Hij heeft bijgevolg belang bij de uitkomst van de zaak. Het verzoek tot tussenkomst moet worden ingewilligd. IX-10.785-3/11 V. Ontvankelijkheid van het beroep Exceptie
- In het auditoraatsverslag merkt de auditeur-verslaggeefster op dat de verzoekende partij op 26 december 2023 de tussenkomende partij heeft ontslagen met toepassing van het met het decreet van 16 juni 2023 ‘tot wijziging van het Provinciedecreet van 9 december 2005 en het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, wat betreft de beëindiging van de hoedanigheid van het statutaire personeelslid (“ontslagdecreet”) ingevoegde artikel 194/1 van het decreet lokaal bestuur, dat het Grondwettelijk Hof bij arrest van 5 juni 2025 het ontslagdecreet heeft vernietigd maar de gevolgen van het vernietigde decreet heeft gehandhaafd tot de datum van zijn arrest en dat dit arrest bijgevolg de verzoekende partij niet ertoe verplicht de tussenkomende partij in haar bestuur te re-integreren – “[d]e tussenkomende partij is en blijft ontslagen”. Daaruit leidt de auditeur- verslaggeefster af dat de verzoekende partij niet langer over het vereiste actueel belang beschikt.
- In haar laatste memorie zet de verzoekende partij met betrekking tot de ontvankelijkheid van haar beroep uiteen wat volgt: “
- De verzoekende partij is er nog steeds van overtuigd dat zij beschikt over het vereiste belang om de bestreden beslissing te bestrijden. Zoals toegelicht in het verzoekschrift en de memorie van wederantwoord raakt de beslissing rechtstreeks aan de belangen van de verzoekende partij: zij maakt een tuchtbeslissing van de verzoekende partij ongedaan zodat de verzoekende partij m.b.t. het voorwerp van de bestreden beslissing rechtstreeks geraakt is door de bestreden beslissing.
- Wat de actualiteit van het belang van de verzoekende partij betreft, stelt de verzoekende partij samen met de Eerste auditeur-afdelingshoofd vast dat het Grondwettelijk Hof het Ontslagdecreet heeft vernietigd. Dit betekent in principe dat de voorheen bestaande regelgeving opnieuw van toepassing wordt. De vastheid van benoeming herneemt bijgevolg haar volledige werking en het ontslag van ambtswege als tuchtmaatregel is opnieuw mogelijk.
- Het Grondwettelijk Hof heeft de gevolgen van het vernietigde decreet gehandhaafd tot de datum van zijn arrest. In het arrest van het Grondwettelijk Hof wordt niet verduidelijkt welke concrete praktische gevolgen deze handhaving heeft. IX-10.785-4/11
- De Eerste auditeur-afdelingshoofd stelt dat de handhaving tot gevolg heeft dat de verzoekende partij niet verplicht zou kunnen worden om de tussenkomende partij opnieuw te re-integreren binnen haar bestuur, zelfs als de bevoegde rechtbanken het ontslag van 27 [lees: 26] december 2023 onwettig zou bevinden. Naar het oordeel van de Eerste auditeur- afdelingshoofd is en blijft de tussenkomende partij ontslagen. In zoverre Uw Raad zich zou aansluiten bij het standpunt van de Eerste auditeur-afdelingshoofd en de tussenkomende partij inderdaad ontslagen blijft, gedraagt de verzoekende partij zich naar de wijsheid van Uw Raad aangaande de actualiteit van haar belang.
- In zoverre Uw Raad dit standpunt evenwel niet volgt, valt niet uit te sluiten dat in dat geval de verzoekende partij genoodzaakt is om de ontslagen ambtenaar opnieuw in dienst te nemen en moet de verzoekende partij in de mogelijkheid zijn om na te gaan of zij alsnog het ontslag van ambtswege als tuchtmaatregel wil benaarstigen.
- Ten einde deze optie mogelijk te maken, moet de verzoekende partij thans voorkomen dat de gevolgen van de bestreden beslissing definitief worden door het verstrijken van de termijn uit artikel 19 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en artikel 4 van het [algemeen procedurereglement].
- De enige mogelijkheid om dit te voorkomen bestaat erin dat de verzoekende partij bij Uw Raad beroep instelt tegen de bestreden beslissing. Bij gebreke hieraan wordt de bestreden beslissing definitief en beschikt de verzoekende partij, bij een eventuele vernietigingsbeslissing van het Grondwettelijk Hof, alleszins niet meer over de mogelijkheid om te beslissen over de gevolgen van het tuchtrechtelijk onderzoek en kan zij [de tussenkomende partij] alleszins niet meer ontslaan. Hieruit volgt dat de verzoekende partij wel degelijk beschikt over het vereiste belang om deze procedure bij Uw Raad in te stellen.” Beoordeling 7.
- Luidens artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan een annulatieberoep zoals bedoeld in artikel 14, § 1, van diezelfde wetten, voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State worden gebracht door elke partij die doet blijken van een benadeling of een belang. Een verzoekende partij beschikt over dit rechtens vereiste belang indien twee voorwaarden zijn vervuld: zij moet door de bestreden administratieve rechtshandeling een persoonlijk, rechtstreeks, zeker, actueel en wettig nadeel lijden en de eventueel tussen te komen nietigverklaring van die rechtshandeling moet haar een direct en persoonlijk voordeel verschaffen. IX-10.785-5/11 Het staat aan de Raad van State te oordelen of een verzoekende partij die een zaak voor de Raad brengt, doet blijken van een belang bij haar beroep. De Raad van State dient evenwel erover te waken dat de belangvereiste niet op een buitensporig restrictieve of formalistische wijze wordt toegepast. 7.
- Het belang, waarvan een verzoekende partij blijk moet geven, dient te bestaan op het ogenblik van het instellen van het annulatieberoep en zij moet dat belang behouden tot aan de uitspraak. De aard van het belang kan weliswaar evolueren, maar een verzoekende partij moet minstens aannemelijk maken dat de gevraagde nietigverklaring haar nog een concreet voordeel oplevert. Dit voordeel moet in beginsel meer zijn dan de genoegdoening, verbonden met het horen onwettig verklaren van de bestreden beslissing. 7.
- Er is voor een verzoekende partij geen stelplicht om haar belang bij het beroep te omschrijven of toe te lichten. Echter, doet een verzoekende partij zulks wel, dan heeft zij daarmee zelf de contouren geschetst waarom het haar te doen is en moet de Raad van State met die door de verzoekende partij vastgelegde grenzen van het gerechtelijk debat rekening houden. Dat geldt in het bijzonder voor het geval wanneer een verzoekende partij wier belang bij haar beroep wordt betwist, in haar procedurestukken ervan tracht te overtuigen dat zij een belang heeft en uitlegt waarin zij dat belang gelegen ziet.
- De verzoekende partij bestrijdt de beslissing van de beroepscommissie voor tuchtzaken van 21 december 2023 waarbij de beslissing van de tuchtcommissie van 21 augustus 2023 om aan de tussenkomende partij het ontslag van ambtswege op te leggen, wordt vernietigd.
- Niet wordt betwist dat de verzoekende partij op 26 december 2023 de tussenkomende partij heeft ontslagen om dringende reden met toepassing van het op dat ogenblik geldende artikel 194/1 van het decreet lokaal bestuur iuncto artikel 35 van de arbeidsovereenkomstenwet. IX-10.785-6/11 Artikel 194/1 van het decreet lokaal bestuur was ingevoegd bij artikel 8 van het ontslagdecreet en bepaalde op het ogenblik van het voormelde ontslag het volgende aangaande de beëindiging van de hoedanigheid van het statutaire personeelslid: “Met behoud van de toepassing van artikel 194, vierde lid, van dit decreet zijn voor de beëindiging van de hoedanigheid van het statutaire personeelslid artikel 15 en titel I, hoofdstuk IV, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, met uitzondering van artikel 33, 37, § 1, vijfde lid, § 2 tot en met § 4, artikel 37/3, 37/5, 37/7, 37/11, 38 en 39bis, van overeenkomstige toepassing. De beëindiging van de hoedanigheid van het statutaire personeelslid mag niet kennelijk onredelijk zijn. De beëindiging is gebaseerd op redenen die verband houden met het gedrag of de geschiktheid van het personeelslid of berusten op noodwendigheden voor de werking van het bestuur. Het mag geen beëindiging zijn waartoe nooit beslist zou zijn door een normaal en redelijk handelend lokaal bestuur. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de beëindiging van het statutaire dienstverband.” Artikel 194/2 van het decreet lokaal bestuur, dat is ingevoegd bij artikel 9 van het ontslagdecreet, luidde op datzelfde moment: “De rechtbanken, vermeld in artikel 578 en 607 van het Gerechtelijk Wetboek van 10 oktober 1967, zijn bevoegd voor geschillen over de beëindiging van de hoedanigheid van het statutaire personeelslid, vermeld in artikel 194/1 van dit decreet.”
- Bij het instellen van het voorliggende beroep waren verschillende vernietigingsberoepen aanhangig bij het Grondwettelijk Hof tegen het ontslagdecreet.
- Uit de uiteenzetting in haar laatste memorie blijkt dat de verzoekende partij haar belang – uitsluitend – erin gelegen ziet dat zij met het voorliggende beroep wil vermijden dat zij door een vernietigingsarrest van het Grondwettelijk Hof met betrekking tot het ontslagdecreet ertoe wordt gedwongen de tussenkomende partij opnieuw in dienst te nemen. Zij wil ook na zo’n vernietigingsarrest van het Grondwettelijk Hof de kansen gaaf houden om een nieuwe tuchtmaatregel aan de tussenkomende partij op te leggen. IX-10.785-7/11
- Bij arrest nr. 85/2025 van 5 juni 2025 heeft het Grondwettelijk Hof het ontslagdecreet in zijn geheel vernietigd. Op vraag van onder meer de verzoekende partij heeft het Grondwettelijk Hof evenwel de gevolgen van het vernietigde decreet gehandhaafd tot de datum van uitspraak van dit arrest. Het arrest verantwoordt de handhaving van de gevolgen als volgt: “B.32.
- […] Zoals ook blijkt uit de memories van de stad […] en de stad […], hebben inmiddels verscheidene provinciale en lokale besturen statutaire personeelsleden ontslagen met toepassing van de bij dat decreet ingevoerde regeling, waarover mogelijk reeds gerechtelijke procedures bij de arbeidsgerechten hangende of zelfs afgerond zijn. Die besturen konden ervan uitgaan dat de tewerkstelling van het betrokken personeelslid definitief was beëindigd en dat zij in geval van een betwisting in rechte hoogstens nog een financiële vergoeding verschuldigd zouden zijn, zodat zij in voorkomend geval onmiddellijk in de vervanging van het ontslagen personeelslid konden voorzien. B.32.
- Teneinde rechtsonzekerheid te vermijden als gevolg van de volledige vernietiging van het decreet van 16 juni 2023 en rekening te houden met de organisatorische moeilijkheden die uit deze vernietiging kunnen voortvloeien, dienen de gevolgen van het decreet van 16 juni 2023, met toepassing van artikel 8, derde lid, van de voormelde bijzondere wet van 6 januari 1989, te worden gehandhaafd tot de datum van uitspraak van dit arrest.”
- Hieruit volgt dat de rechtsgrond voor het ontslag om dringende reden van de tussenkomende partij, dat is gegeven vóór de uitspraak van arrest nr. 85/2025 van het Grondwettelijk Hof, wordt gehandhaafd en dat de verzoekende partij, zelfs indien de voor het geschil bevoegde arbeidsgerechten het ontslag van de tussenkomende partij onwettig zouden bevinden, niet ertoe gehouden kan zijn de tussenkomende partij opnieuw in dienst te nemen. Het Grondwettelijk Hof heeft zulks overigens recent nog in arrest nr. 15/2026 van 29 januari 2026 bevestigd. De aan het Hof voorgelegde zaak had – net als de thans voorliggende zaak – betrekking op een ontslag dat werd gegeven vóór de uitspraak van arrest nr. 85/2025, zodat het verwijzende rechtscollege de artikelen 194/1 en IX-10.785-8/11 194/2 van het decreet lokaal bestuur moest toepassen bij het beslechten van het voor dat rechtscollege hangende geschil. Het verwijzende rechtscollege bevroeg het Hof onder meer over de bestaanbaarheid van de artikelen 194/1 en 194/2 van het decreet lokaal bestuur met “het gelijkheidsbeginsel, zoals vervat in artikel 10 en artikel 11 van de Grondwet, in samenhang met artikel 23, derde lid, 1° en 2° van de Grondwet, doordat: […] door de genoemde bepalingen de arbeidsrechtbanken bevoegd worden verklaard, in de interpretatie dat de Raad van State daarmee geen bevoegdheid meer zou hebben om te oordelen over de administratieve rechtshandeling van ontslag van statutaire personeelsleden van lokale besturen, en in de interpretatie dat de arbeidsrechtbanken het ontslag niet terzijde kunnen schuiven maar enkel nog financiële gevolgen daaraan kunnen koppelen”. Het Grondwettelijk Hof heeft daarop geantwoord dat die vraag “een identieke draagwijdte [heeft] als de grief die bij het arrest nr. 85/2025 gegrond is verklaard”, dat deze “[w]egens de handhaving van de gevolgen waartoe bij dat arrest is beslist, […] geen antwoord [behoeft]” en dat “[d]e toetsing aan de artikelen 10 en 11 van de Grondwet […] niet tot een andere conclusie [leidt]”.
- De vrees om, na het vernietigingsarrest van het Grondwettelijk Hof, de tussenkomende partij opnieuw in dienst te moeten nemen, is bijgevolg volstrekt onterecht. Het is nochtans die vrees waaraan de verzoekende partij zelf haar belang koppelt. Die vaststelling doet besluiten dat de verzoekende partij niet van het rechtens vereiste belang doet blijken, wat desnoods ambtshalve moet worden vastgesteld.
- Dat de bestreden beslissing de tuchtbeslissing van de verzoekende partij ongedaan maakt, zodat zij rechtstreeks erdoor wordt geraakt, doet niet anders besluiten. IX-10.785-9/11 Gewis is de verzoekende partij persoonlijk en rechtstreeks geraakt door de bestreden beslissing. Alleen kan een nietigverklaring haar, als gevolg van háár ontslagbeslissing van 26 december 2023, die onherroepelijk is gebleken, geen concreet voordeel opleveren. Hoogstens zou haar belang erin gelegen zijn morele genoegdoening te putten uit het horen gegrond verklaren van de door haar aangevoerde middelen, maar níét in het zien verdwijnen van de bestreden beslissing uit het rechtsverkeer. Een dergelijk belang is evenwel ontoereikend.
- Het beroep is onontvankelijk. BESLISSING
- Het verzoek van tot tussenkomst van XXXX wordt ingewilligd.
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt noch de identiteit van de tussenkomende partij, noch die van de verzoekende partij bekendgemaakt. IX-10.785-10/11 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op negenentwintig april tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Jurgen Neuts, staatsraad, Jim Deridder, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Geert Van Haegendoren IX-10.785-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.541 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div