← België

Arrest 266560 - Sluitingen van vestigingen - 29/04/2026

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 april 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.560 Rolnummer: A. 247946/XII-10094 Zaak: Arrest 266560 - Sluitingen van vestigingen - 29/04/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-05-04 Raadplegingen: 43 - laatst gezien 2026-06-18 06:53 Fiche Arrest nr 266.560 van 29 april 2026 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Sluitingen van vestigingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 266.560 van 29 april 2026 in de zaak A. 247.946/XII-10.094 In zake: de BV VISPALEIS GENK bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Leandra Decuyper kantoor houdend te 2600 Antwerpen Cogels Osylei 61 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de STAD GENK bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Wim Mertens en Sarah Houben kantoor houdend te 3580 Beringen Paalsesteenweg 81 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 21 april 2026, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de “[b]eslissing van de burgemeester van de stad Genk van 20 april 2026 houdende sluiting voor een termijn van 3 maanden van de inrichting en uitbating ‘Vispaleis Genk’ en elke mogelijke latere invulling, gelegen te 3600 Genk, Hoevenzavellaan 55 bus 1, 3600 Genk, waarbij de sluiting ingaat op woensdag 22 april 2026 om 00u01 om een einde te nemen op 21 juli 2026 om 23u59”. XII-10.094-1/9 II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij beschikking van 22 april 2026 werd de procedurekalender vastgesteld en werden de partijen opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 28 april
  3. De nota met opmerkingen en het administratief dossier werden ingediend overeenkomstig de procedurekalender. Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Leandra Decuyper, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Sarah Houben, die verschijnt voor de verwerende partij zijn gehoord. Eerste auditeur Sofie De Doncker heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. De verzoekende partij exploiteert een voedingswinkel te Genk. 3.2 Op 31 maart 2026 vindt in de inrichting een huiszoeking plaats. 3.
  6. Naar aanleiding van die huiszoeking wordt door de lokale politie op 1 april 2026 een bestuurlijk verslag opgesteld. In dat verslag wordt aan de burgemeester meegedeeld dat de aanwezige inspectiediensten tijdens de huiszoeking onder meer inbreuken op de arbeidswetgeving hebben vastgesteld. Uit XII-10.094-2/9 het verhoor van de drie werkende personen die ter plaatse werden aangetroffen, zou meer in het bijzonder blijken dat zij “tewerkgesteld werden in slechte omstandigheden waarbij men spreekt van sociale dumping en economische uitbuiting, zijnde een vorm van mensenhandel”. 3.
  7. Na de verzoekende partij op 13 april 2026 gehoord te hebben, neemt de burgemeester van de stad Genk op 20 april 2026 de thans bestreden beslissing waarbij de inrichting vanaf 22 april 2026 voor een periode van drie maanden wordt gesloten. IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
  8. Krachtens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van de bestreden beslissing prima facie kan worden verantwoord. Overeenkomstig paragraaf 5 van datzelfde artikel wordt de zaak behandeld bij uiterst dringende noodzakelijkheid en derhalve binnen een termijn van vijftien dagen of minder, wanneer zulks in het opschrift wordt vermeld. V. Uiterst dringende noodzakelijkheid Uiteenzetting van de uiterst dringende noodzakelijkheid
  9. De verzoekende partij laat ter verantwoording van de hoogdringendheid van haar vordering het volgende gelden: “Verzoekende partij brengt een verklaring bij van diens accountantkantoor Lyvema+ […], waaruit blijkt dat verzoekende partij in een financieel precaire XII-10.094-3/9 situatie zal komen bij een onmiddellijke sluiting van de inrichting voor een periode van 3 maanden. Zo luidt het onder meer als volgt: Verder wordt in de verklaring van de accountant terecht gewezen op volgende elementen, dewelke elk an sich - maar zeker samen genomen - de UDN verantwoorden: - onherstelbaar verlies aan voorraad Hoger werd reeds toegelicht dat verzoekende partij een voedingswinkel is die in belangrijke mate handelt in verse vis, vers vlees en verse groenten. De in de inrichting aanwezige voorraden, met een beperkte houdbaarheidsduur, dreigen onvermijdelijk verloren te gaan: Ook de door verzoekende partij bijgebrachte fotoreportage, genomen deze morgen, toont aan dat er bijzonder veel verse vis, vers vlees en verse groenten voorhanden zijn in de inrichting, dewelke thans stante pede wordt gesloten […]. - impact op het personeel Zoals ook toegelicht en gestaafd tijdens de hoorzitting stelt verzoekende partij 10 werknemers terecht (lees: tewerk). Het spreekt voor zich dat een sluiting van 3 maanden ervoor zorgt dat deze werknemers niet langer door verzoekende partij kunnen worden tewerkgesteld met een risico op verlies aan personeel en financiële repercussies (nog abstractie makende van de gevolgen voor het personeel zelf): XII-10.094-4/9 De accountant besloot dan ook, samenvattend, als volgt: De vereiste uiterst dringende noodzakelijkheid is in de gegeven omstandigheden zonder meer aanwezig.” Beoordeling
  10. De schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid houdt een ernstige verstoring in van het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, herleidt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en beperkt in aanzienlijke mate de uitoefening van het recht van verdediging van de verwerende partij. De aanwending van die procedure moet dan ook zeer uitzonderlijk blijven in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak meteen voor iedereen zonder meer duidelijk is, of door de verzoekende partij op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond. Luidens artikel 8, § 1, tweede lid, 2°, van XII-10.094-5/9 het koninklijk besluit van 19 november 2024 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding en tot wijziging van diverse besluiten betreffende de procedure voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’, bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”. Bij de uitwerking van de aangevoerde dringende noodzakelijkheid kan de verzoekende partij niet volstaan met het opsommen van een aantal algemene beschouwingen over de gevolgen van de bestreden beslissing. Het bewijs van de uiterst dringende noodzakelijkheid mag zich immers niet beperken tot een theoretische uiteenzetting, doch vereist het aanreiken van concrete, specifiek op de verzoekende partij betrekking hebbende en verifieerbare gegevens waardoor wordt aangetoond dat zij het resultaat van de procedure tot nietigverklaring of de gewone schorsingsprocedure niet kan afwachten op straffe van zich in een toestand te bevinden met ernstige, onherroepelijke schadelijke gevolgen, wat, zoals hierna zal blijken, de verzoekende partij in voorliggend geval nalaat te doen. De spoedeisendheid van de zaak wordt niet vermoed, welke ook de aard van de bestreden beslissing is. In beginsel mag alleen rekening worden gehouden met hetgeen in het verzoekschrift of de daarbij gevoegde stukken wordt uiteengezet en gestaafd. Tot slot kan van de verzoekende partij worden verwacht dat zij in haar verzoekschrift volledige openheid verschaft over de feitelijke gegevens die onmisbaar zijn om de ingeroepen spoedeisendheid te beoordelen.
  11. Vastgesteld wordt dat de verzoekende partij ter staving van het spoedeisend karakter van haar vordering uitsluitend beroep doet op een verklaring van een accountant, waarin gewag wordt gemaakt van de kwetsbaarheid van de vennootschap door de afwezigheid van een voldoende financiële buffer, een maandelijks omzetverlies van “circa € 305.000”, het verlies van vaste klanten en een “acuut liquiditeitstekort”. Tevens wijst de accountant in algemene termen op XII-10.094-6/9 een “onherstelbaar verlies aan voorraad” en op de “impact op het personeel”. Hij besluit dat een gedwongen sluiting van de inrichting voor een periode van drie maanden, een ernstige bedreiging meebrengt voor de continuïteit van de onderneming. Het is frappant dat de verklaring van de accountant uitblinkt in vaagheid doordat de geponeerde beweringen niet onderbouwd zijn met concrete, verifieerbare financiële en boekhoudkundige gegevens, terwijl van een accountant, die onmiddellijk toegang heeft tot dergelijke gegevens, precies het tegendeel verwacht kan worden. Aangezien de verzoekende partij met haar vordering klaarblijkelijk het voortbestaan van haar commerciële activiteiten wenst veilig te stellen, diende zij minstens aan de hand van precieze gegevens inzicht te verschaffen over de omvang van de bestaande financiële buffers van een onderneming die naar eigen zeggen een maandelijkse omzet van 305.000 euro genereert en over de reële dreiging van een “acuut liquiditeitstekort”, hetgeen niet het geval is, alleen al omdat de “doorlopende vaste kosten” op geen enkele manier worden becijferd. Hetzelfde verwijt van vaagheid geldt voor de beweerde impact op het personeel, waarbij de verzoekende partij zelfs nalaat om aan te geven of de tien werknemers waarvan sprake voltijds dan wel deeltijds worden tewerkgesteld. Evenmin wordt het financiële verlies door de bederfbare voorraad aan voedingsmiddelen concreet becijferd. In dit verband kan de Raad van State geen genoegen nemen met de bijgebrachte fotoreportage waaruit zou moeten blijken dat “er bijzonder veel verse vis, vers vlees en verse groenten voorhanden zijn”, hetgeen met enkele foto’s niet bewezen kan worden.
  12. Het algemeen karakter van de in het verzoekschrift gegeven uiteenzetting, klemt te meer nu uit de gegevens van de Kruispuntbank van Ondernemingen blijkt dat de verzoekende partij sinds 1 oktober 2025 in de gemeente Oudsbergen een andere vestigingseenheid exploiteert onder de naam XII-10.094-7/9 Auto’s Ben (Nacebel-code 47.811 ‘Detailhandel in auto's en lichte bestelwagens (
  13. De verzoekende partij kan het gemis aan concrete onderbouwing van de beweerde spoedeisendheid niet rechtzetten door de bijkomende (boekhoudkundige) stukken die zij op de dag van de terechtzitting via het elektronisch platform heeft neergelegd. Zoals reeds werd gesteld kan alleen rekening worden gehouden met hetgeen in het verzoekschrift werd uiteengezet en gestaafd. De handelwijze van de verzoekende partij doet ook manifest afbreuk aan het recht van verdediging van de verwerende partij, zodat de stukken in kwestie uit het debat worden geweerd.
  14. Tot slot kan de verzoekende partij niet overtuigen waar zij zich beroept op mogelijke reputatieschade om een spoedeisende behandeling van haar zaak te verkrijgen. Zij reikt immers geen enkel concreet element aan op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat dergelijke schade, als zij zich effectief zou voordoen, niet volledig kan worden hersteld of goedgemaakt door een later vernietigingsarrest. VI. Conclusie
  15. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 5, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn, wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. BESLISSING
  16. De Raad van State verwerpt de vordering. XII-10.094-8/9
  17. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 26 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op negenentwintig april tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Peter Sourbron, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Ilse Anné, griffier. De griffier De voorzitter Ilse Anné Peter Sourbron XII-10.094-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.560 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.