id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 april 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.563 Rolnummer: A. 244163/VII-42798 Zaak: Arrest 266563 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 30/04/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-05-07 Raadplegingen: 43 - laatst gezien 2026-06-18 06:53 Fiche Arrest nr 266.563 van 30 april 2026 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.563 no lien 289108 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 266.563 van 30 april 2026 in de zaak A. 244.163/VII-42.798 In zake : W.D. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Christophe Coen kantoor houdend te 2018 Antwerpen Mechelsesteenweg 210A, bus 10 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de PROVINCIE OOST-VLAANDEREN -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 13 februari 2025, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2425-0357 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 9 januari 2025 in de zaak 2324-RvVb-0326-A. II. Verloop van de rechtspleging
- Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 28 maart
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur An Van den broeck heeft op 19 september 2025 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. VII-42.798-1/9 Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 2 april
- Staatsraad Francis Van Nuffel heeft verslag uitgebracht. Advocaat Christophe Coen, die verschijnt voor verzoeker, is gehoord. Eerste auditeur An Van den broeck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kruibeke verleent op 13 juni 2023 aan verzoeker een omgevingsvergunning. 3.
- Tegen de beslissing van 13 juni 2013 wordt een bestuurlijk beroep ingesteld. De provinciale omgevingsambtenaar verklaart het beroep ontvankelijk en volledig. Bij beslissing van 16 november 2023 verklaart de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen het beroep gegrond, en weigert de omgevingsvergunning. 3.
- Met het bestreden arrest verwerpt de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) het beroep van verzoeker tot vernietiging van de deputatiebeslissing van 16 november
- VII-42.798-2/9 IV. Onderzoek van het middel tot nietigverklaring Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker voert de schending aan van artikel 53 van het decreet van 25 april 2014 ‘betreffende de omgevingsvergunning’ (hierna: omgevingsvergunningsdecreet), artikel 152 van het besluit van de Vlaamse regering van 27 november 2015 ‘tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning’ (hierna: besluit van de Vlaamse regering van 27 november 2015), de artikelen 8.1, 3° en 8.18 van het Burgerlijk Wetboek, en de artikelen 3.10 tot 3.12 van de Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 ‘betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG’ (hierna: Verordening 910/2014).
- Verzoeker komt op tegen de beslissing van het bestreden arrest tot verwerping van het eerste annulatiemiddel waarin hij heeft aangevoerd dat niet voldoende werd onderzocht en gemotiveerd in hoeverre het bestuurlijk beroep werd ingesteld door de leidende ambtenaar van het departement Omgeving (hierna: leidend ambtenaar). Het arrest steunt zijn beslissing op volgende motieven: “[Verzoeker] toont in het licht van de voorliggende stukken niet aan dat de werkelijke indiener van het bestuurlijk beroep, dat aanleiding gaf tot de […] bestreden beslissing, waarin […] ook het ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek van het bestuurlijk beroep van de [leidend ambtenaar] zit vervat, niet de [leidend ambtenaar] of zijn volmachthouder was, maar een daarvoor onbevoegde derde. [Hij] toont dan ook niet aan dat de […] bestreden beslissing, waarbij de beslissing van de [provinciale omgevingsambtenaar] om het door de [leidend ambtenaar] ingestelde bestuurlijk beroep ontvankelijk en volledig te verklaren wordt onderschreven, geen steun vindt in de stukken van het administratief dossier. [Verzoeker] betwist niet dat er tegen een vergunningsbeslissing van het [college van burgemeester en schepenen] in eerste bestuurlijke aanleg bestuurlijk beroep kan worden ingesteld door ‘de leidend ambtenaar van het Departement Omgeving of, bij zijn afwezigheid, zijn gemachtigde’ (artikel 53, lid 1, 6° [van het omgevingsvergunningsdecreet]). Uit het Omgevingsloket blijkt dat er op 14 juli 2023 een bestuurlijk beroepschrift is ingediend door de [leidend ambtenaar]. Het eigenlijke bestuurlijk ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.563 VII-42.798-3/9 beroepschrift tegen de beslissing van het [college van burgemeester en schepenen] in eerste bestuurlijke aanleg, dat in een afzonderlijk document op het Omgevingsloket is opgeladen, is elektronisch ondertekend door de [leidend ambtenaar], terwijl er daarin duidelijk is vermeld dat dit tijdig is ingesteld door de [leidend ambtenaar] en wordt ingediend per beveiligde zending via het Omgevingsloket. Uit het overzicht op het Omgevingsloket van de met dit bestuurlijk beroep gepaarde gebeurtenissen en van de personen die bij het bestuurlijk beroepschrift zijn betrokken, blijkt dat dit digitaal is ondertekend en ingediend door iemand die de [leidend ambtenaar], als indiener van het bestuurlijk beroep, vertegenwoordigt. [Verzoeker] maakt niet aannemelijk dat de persoon, die de [leidend ambtenaar] blijkens de gegevens van het Omgevingsloket over de personen die bij het bestuurlijk beroepschrift zijn betrokken vertegenwoordigt, moet worden beschouwd als de werkelijke beroepsindiener omdat ze het bestuurlijk beroepschrift op het Omgevingsloket heeft opgeladen. Uit de samenlezing van alle voorliggende gegevens van het Omgevingsloket, in het bijzonder het eigenlijke bestuurlijk beroepschrift en de aanduiding van de beroepsindiener, blijkt duidelijk en ondubbelzinnig dat het bestuurlijk beroep is ingesteld door de [leidend ambtenaar], conform artikel 53, lid 1, 6° [van het omgevingsvergunningsdecreet]. De vaststelling dat het beroepschrift op het Omgevingsloket is opgeladen namens de [leidend ambtenaar] door zijn vertegenwoordiger doet daaraan geen afbreuk. Er diende in die optiek ook geen volmacht bij het beroepschrift te worden gevoegd omdat dit is ingediend door de [leidend ambtenaar] zelf.”
- In een eerste onderdeel van het middel zet verzoeker uiteen dat het digitaal beroepschrift in het omgevingsloket bestaat uit vijf delen: - “het beroep wordt ingesteld door:”; - “reden en motivatie van het beroep”; - “voeg, in voorkomend geval, een bewijs van betaling van de dossiertaks toe”; - “wenst de beroepsindiener gehoord te worden?”; - “volmachten van mensen die zonder rijksregisternummer aan dit beroepsschrift willen worden toegevoegd”. Het wordt volgens verzoeker niet betwist dat geen volmacht werd bijgevoegd. Het staat volgens verzoeker ook vast dat het verzoekschrift werd ondertekend door mevrouw L., en niet door de leidend ambtenaar, zoals blijkt uit screenshots van het omgevingsloket, waarop het volgende staat: VII-42.798-4/9 GEBEURTENIS 14.07.2023 18:42 Het beroepschrift is Uitgevoerd door [L.] in de ondertekend hoedanigheid van indiener van een beroep tegen beslissing in eerste aanleg 14.07.2023 18:42 Het beroepschrift werd Uitgevoerd door [L.] in de ingediend hoedanigheid van indiener van een beroep tegen beslissing in eerste aanleg Verzoeker acht het correct dat het document dat werd opgeladen onder ”reden en motivatie van het beroep” de handtekening draagt van de leidend ambtenaar, maar wijst erop dat de leidend ambtenaar geenszins het beroep elektronisch heeft ondertekend in de beveiligde omgeving van het omgevingsloket. De leidend ambtenaar heeft zich niet geïdentificeerd met zijn elektronische identiteitskaart of gebruik gemaakt van een gekwalificeerd systeem zoals itsme om toegang te krijgen tot het omgevingsloket en een gekwalificeerde handtekening conform Verordening 910/2014 aangebracht om het gehele beroepschrift te ondertekenen. Volgens verzoeker draait de RvVb de bewijslast om door te stellen dat het aan de aanvrager is om aan te tonen dat de persoon die het beroepschrift in zijn vijf onderdelen ondertekende, de werkelijke beroepsindiener is, en schendt hij hierbij dan ook artikel 152 van het besluit van de Vlaamse regering van 27 november
- Deze bepaling luidt: “De elektronische gegevensuitwisseling via het omgevingsloket of het uitwisselingsplatform wordt beschouwd als een beveiligde zending als vermeld in artikel 2, eerste lid, 2°, c), van het decreet van 25 april 2014, op voorwaarde dat de gegevensuitwisseling verloopt conform deze titel. Het departement kan de toegelaten formaten en de vereisten van de tekstdocumenten, bestanden, foto's en plannen bepalen.” Het beroepschrift dat ingediend wordt via het omgevingsloket, is volgens verzoeker niet gelijk te stellen met een analoog beroepschrift in een gesloten envelop, die ter post aangetekend wordt afgegeven door een bediende. VII-42.798-5/9 Verzoeker vervolgt dat de RvVb de bewijskracht niet heeft erkend van de handtekening die op de vijf onderdelen van het beroepschrift in het omgevingsloket werd aangebracht door mevrouw L. en niet door de leidend ambtenaar of een gemachtigde. Het gegeven dat mevrouw L. betrokken werd bij het bestuurlijk beroepschrift, zoals de RvVb stelt, betekent volgens verzoeker niet dat zij volmacht heeft om het beroepschrift namens de leidend ambtenaar te ondertekenen en in te dienen. Mevrouw L. zou via het omgevingsloket maar een beroepschrift kunnen indienen en de leidend ambtenaar vertegenwoordigen wanneer zij daartoe over een volmacht beschikt. Het bestreden arrest zou dan ook volkomen ten onrechte stellen dat mevrouw L. de macht had om de leidend ambtenaar te vertegenwoordigen terwijl dit enkel mogelijk is met een volmacht. Enige volmacht werd echter niet bijgebracht en het staat vast dat de provinciale omgevingsambtenaar de leidend ambtenaar niet verzocht heeft om aan te tonen dat hij aan mevrouw L. een volmacht heeft verleend. Het beroepschrift werd volgens verzoeker in zijn geheel ondertekend door mevrouw L. en het feit dat een deel ervan ondertekend werd door de leidend ambtenaar vóór het opladen ervan in het omgevingsloket, zou niet tot gevolg hebben dat de leidend ambtenaar daadwerkelijk het beroep wenste in te stellen want anders had hij het beroepschrift zelf in het omgevingsloket ondertekend. Verzoeker wijst erop dat de handtekening van mevrouw L. bewijskracht heeft en aantoont dat deze persoon het beroep indiende zonder zich te beroepen op een volmacht van de leidend ambtenaar. Verzoeker voert aan dat de elektronische handtekening van mevrouw L. rechtskracht heeft zoals bepaald in artikel 8.1, 3° van het Burgerlijk Wetboek en Verordening 910/2014, en niet aan iemand anders kan worden toegewezen. Een handtekening is blijkens artikel 8.1, 2° van het Burgerlijk Wetboek een teken waarmee een persoon zich identificeert en waaruit zijn wilsuiting blijkt. In het omgevingsloket wordt gevraagd om een gekwalificeerde handtekening in de zin van artikel 3.12 van Verordening 910/2014 te gebruiken. VII-42.798-6/9 Uit de gekwalificeerde handtekening van mevrouw L. blijkt dan ook volgens verzoeker haar wilsuiting en niet de wilsuiting van de leidend ambtenaar. Met de stelling dat verzoeker niet aannemelijk maakt dat de persoon die het beroepschrift ondertekende de werkelijke beroepsindiener is, schendt het bestreden arrest volgens verzoeker artikel 152 van het besluit van de Vlaamse regering van 27 november 2015, artikel 8.18 van het Burgerlijk Wetboek, artikel 8.1, 3° van het Burgerlijk Wetboek en de artikelen 3.10 tot 3.12 van Verordening 910/
- In het tweede onderdeel van het middel voert verzoeker aan dat het bestreden arrest artikel 53 van het omgevingsvergunningsdecreet schendt nu mevrouw L., de persoon die het beroepschrift ondertekende en indiende, niet door die bepaling wordt aangeduid als persoon die een beroep kan instellen. Beoordeling
- Artikel 53, eerste lid, 6°, van het omgevingsvergunningsdecreet bepaalt dat het bestuurlijk beroep kan worden ingesteld door de leidend ambtenaar of, bij zijn afwezigheid, zijn gemachtigde. Artikel 56, eerste lid, van het omgevingsvergunningsdecreet schrijft voor dat het beroep op straffe van onontvankelijkheid wordt ingesteld per beveiligde zending. Volgens artikel 2, eerste lid, 2°, van het omgevingsvergunningsdecreet wordt in dat decreet verstaan onder “beveiligde zending”: a) een aangetekend schrijven; b) een afgifte tegen ontvangstbewijs; c) elke andere door de Vlaamse regering toegelaten betekeningswijze waarbij de datum van kennisgeving met zekerheid kan worden vastgesteld.
- Blijkens artikel 147 van het besluit van de Vlaamse regering van 27 november 2015 stelt de Vlaamse overheid het omgevingsloket ter beschikking dat toegang geeft tot het uitwisselingsplatform waarop de stukken en gegevens over, onder meer, de vergunningsprocedures elektronisch worden uitgewisseld. VII-42.798-7/9 Artikel 152, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse regering van 27 november 2015 vervolgt dat de elektronische gegevensuitwisseling via het omgevingsloket wordt beschouwd als een beveiligde zending als vermeld in artikel 2, eerste lid, 2°, c), van het omgevingsvergunningsdecreet, op voorwaarde dat zij verloopt conform de bepalingen van titel 8 van het besluit van de Vlaamse regering van 27 november
- De beveiligde zending waarmee een beroep moet worden ingesteld, is niets meer dan het middel waarmee een beroepschrift wordt overgemaakt en waardoor de datum van kennisgeving ervan kan worden vastgesteld. Net zoals de beroepsindiener die kiest voor de aangetekende brief of de afgifte tegen ontvangstbewijs niet ertoe gehouden is om de zending zelf aan te bieden bij de post of bij de bestemmeling, is de beroepsindiener die gebruik maakt van de elektronische gegevensuitwisseling niet ertoe gehouden om zelf het beroepschrift op te laden in het omgevingsloket. De omstandigheid dat het omgevingsloket de persoon die het beroepschrift wenst op te laden vraagt om zich te identificeren en de ingediende bestanden elektronisch te handtekenen, doet hieraan geen afbreuk. Wanneer het beroepschrift ondertekend is door de leidend ambtenaar of zijn gemachtigde, en het elektronisch bestand van dat ondertekende document wordt opgeladen in het omgevingsloket, is het voor de vraag wie het beroep heeft ingesteld niet meer relevant te weten wie dat bestand oplaadt, en daarbij zijn elektronische handtekening plaatst. Ook de omstandigheid dat het omgevingsloket bij het opladen van een beroepschrift vijf af te vinken elementen vraagt, betekent niet dat dit vijf delen zouden zijn van het beroepschrift die door de beroepsindiener nog elektronisch dienen te worden ondertekend in het omgevingsloket, wanneer hij het beroepschrift zelf reeds heeft ondertekend. VII-42.798-8/9
- Het middel gaat in zijn beide onderdelen uit van de verkeerde opvatting dat het beroepschrift dat door de leidend ambtenaar of zijn gemachtigde is ondertekend, toch niet ontvankelijk en volledig is wanneer dit beroepschrift vervolgens door een derde wordt opgeladen en ondertekend in het omgevingsloket, en kan bijgevolg niet slagen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 24 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op dertig april tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Francis Van Nuffel, staatsraad, Frédéric Vanneste, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-42.798-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.563 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div