id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 april 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.564 Rolnummer: A. 243922/VII-42761 Zaak: Arrest 266564 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 30/04/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-05-12 Raadplegingen: 44 - laatst gezien 2026-06-18 06:53 Fiche Arrest nr 266.564 van 30 april 2026 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.564 no lien 289109 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 266.564 van 30 april 2026 in de zaak A. 243.922/VII-42.761 In zake : S.D. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Filip De Preter en Bert Van Herreweghe kantoor houdend te 1000 Brussel Keizerslaan 3 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : O.W. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Joris Geens en Veerle Wanten kantoor houdend te 2600 Berchem Borsbeeksebrug 36 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het cassatieberoep, ingesteld op 9 januari 2025, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2425-0248 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 28 november 2024 in de zaak 2223-RvVb-0443-A. II. Verloop van de rechtspleging 2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 3 maart 2025. Verweerder heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. VII-42.761-1/14 Eerste auditeur An Van den broeck heeft op 4 september 2025 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’ (hierna: cassatieprocedurebesluit). Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 2 april 2026. Staatsraad Francis Van Nuffel heeft verslag uitgebracht. Advocaat Filip De Preter, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Gheerkin Vanhaverbeke, die loco advocaten Joris Geens en Veerle Wanten verschijnt voor verweerder, zijn gehoord. Eerste auditeur An Van den broeck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Het college van burgemeester en schepenen van Ternat verleent aan verzoeker een omgevingsvergunning voor de aanleg van padelvelden en een bijhorende parking. 3.2. Verweerder tekent bestuurlijk beroep aan tegen de vergunningsbeslissing. De deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.564 VII-42.761-2/14 beslist op 20 oktober 2022 om het beroep deels in te willigen, en de aanvraag onder voorwaarden te vergunnen. 3.3. Met het bestreden arrest vernietigt de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) het deputatiebesluit van 20 oktober 2022. IV. Onderzoek van de middelen tot nietigverklaring A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 4. Verzoeker voert de schending aan van artikel 105, § 3, van het decreet van 25 april 2014 ‘betreffende de omgevingsvergunning’ (hierna: omgevingsvergunningsdecreet), de artikelen 17 en 18 van het decreet van 4 april 2014 ‘betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’ (hierna: DBRC), en artikel 5 van het besluit van de Vlaamse regering van 16 mei 2014 ‘houdende de rechtspleging voor sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’ (hierna: procedurebesluit). 5. Hij komt op tegen de beslissing tot verwerping van de exceptie van laattijdigheid van het beroep van verweerder bij de RvVb. Het bestreden arrest steunt hiervoor op volgende redenen: “Artikel 17 [DBRC], dat deel uitmaakt van hoofdstuk 3 ‘Rechtspleging’, machtigt de Vlaamse regering om de nadere regels vast te stellen voor de vormvereisten en ontvankelijkheid van de verzoekschriften en voor de rechtspleging voor onder meer de [RvVb], waaronder (7°) de regels betreffende ‘de wijze van de berekening van de termijnen, vermeld in dit hoofdstuk’. Naar luid van artikel 18 [DBRC], dat deel uitmaakt van hetzelfde hoofdstuk, stellen de decreten, vermeld in artikel 2, 1°, a),
- b)en
- d)van dat decreet de personen vast die beroep kunnen instellen tegen een bestreden beslissing, alsook de daarvoor geldende termijnen. Het [o]mgevingsvergunningsdecreet valt daaronder. VII-42.761-3/14 Op grond van artikel 105, §3, 1° van het [o]mgevingsvergunningsdecreet wordt het rechterlijk beroep tegen een in laatste bestuurlijke aanleg genomen beslissing betreffende een omgevingsvergunningsaanvraag ingesteld binnen een vervaltermijn van 45 dagen die ingaat de dag na de datum van de betekening, voor die personen of instanties aan wie de beslissing betekend wordt. Artikel 4 van het [p]rocedurebesluit bepaalt onder meer: ‘… De verzoekschriften […] moeten op straffe van onontvankelijkheid worden ingediend binnen de termijnen, vermeld in […] het [omgevingsvergunningsdecreet] […]. …’ Artikel 5 van het [p]rocedurebesluit bepaalt: ‘… De dag van de akte of de gebeurtenis die de termijn doet ingaan, vermeld in dit besluit en in hoofdstuk 3 van het decreet, wordt niet in de termijn begrepen. De vervaldag wordt in de termijn begrepen. Als de vervaldag een zaterdag, zondag of wettelijke feestdag is, wordt die vervaldag verplaatst naar de eerstvolgende werkdag. …’ Anders dan [verzoeker in cassatie] voorhoudt, is de beroepstermijn van 45 dagen bepaald in artikel 105, §3 van het [o]mgevingsvergunningsdecreet wel degelijk een termijn die valt onder artikel 5 van het [p]rocedurebesluit. De bestreden beslissing werd op 22 december 2022 aan [verweerder in cassatie] betekend, zodat 5 februari 2023 - een zondag - de vervaldag was. Met toepassing van artikel 5, tweede lid van het [p]rocedurebesluit werd de vervaldag naar de eerstvolgende werkdag verplaatst. Het beroep werd op 6 februari 2023 en dus hoe dan ook tijdig ingediend. Alleen al om die reden faalt de exceptie.” 6. Verzoeker formuleert hiertegen volgende grieven: “Artikel 17 [DBRC] bevat […] in de aanhef een algemene machtiging aan de Vlaamse regering om ‘nadere regels’ vast te stellen voor de ‘vormvereisten en ontvankelijkheid van de verzoekschriften en de rechtspleging’, aangevuld met een opsomming van een aantal punten waarvoor een meer bijzondere machtiging wordt gegeven, waaronder ‘de wijze van de berekening van de termijnen vermeld in dit hoofdstuk’. Daar staat tegenover dat artikel 105 [van het omgevingsvergunningsdecreet] bepaalt dat ‘het beroep … op straffe van onontvankelijkheid ingesteld (wordt) binnen een vervaltermijn van vijfenveertig dagen’. Aangezien artikel 105 [van het omgevingsvergunningsdecreet] voorziet in een vervaltermijn volstaat de algemene machtiging voorzien in de aanhef van artikel 17 [DBRC] om nadere regels vast te stellen over de vormvereisten en ontvankelijkheid van de verzoekschriften niet om de Vlaamse Regering te ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.564 VII-42.761-4/14 machtigen tot een regeling die voorziet in een verlenging van deze vervaltermijn in sommige omstandigheden. Een dergelijke regeling is vooreerst geen nadere regel over een vormvereiste. [Het is] ook geen nadere regel over de ontvankelijkheid van verzoekschriften. Artikel 105 [van het omgevingsvergunningsdecreet] bepaalt immers uitdrukkelijk dat de voorziene termijn van 45 dagen een vervaltermijn is die op straffe van onontvankelijkheid is voorgeschreven, wat inhoudt dat deze niet verlengd kan worden, en wat maakt dat een regeling die voorziet in een verlenging van die vervaltermijn niet louter als een ‘nadere regel’ kan worden beschouwd. Op grond van deze bepaling kan de Vlaamse Regering extra voorwaarden verbinden aan de ontvankelijkheid van de vordering, maar zij kan een door het decreet […] op straffe van onontvankelijkheid bepaalde vervaltermijn niet versoepelen door deze in bepaalde omstandigheden toch te verlengen. Een dergelijke regeling wijkt juist af van het karakter van een vervaltermijn. […] De meer bijzondere machtiging voorzien in de puntsgewijze opsomming die op deze aanhef volgt, betrekt uitdrukkelijk enkel de termijnen ‘vermeld in dit hoofdstuk’, zijnde hoofdstuk 3 ‘rechtspleging’ van het [DBRC]. Artikel 105 [van het omgevingsvergunningsdecreet] maakt daar geen deel van uit. Ten onrechte stelt het bestreden arrest […] dat de termijn van artikel 105 [van het omgevingsvergunningsdecreet] hier wel onder zou vallen omdat die termijnen zouden worden vermeld in artikel 18. Dit artikel bepaalt: De decreten, vermeld in artikel 2, 1°, a),
- b)en d), stellen de personen vast die beroep kunnen instellen tegen een bestreden beslissing, alsook de daarvoor geldende termijnen. Dit artikel stelt juist uitdrukkelijk dat de termijnen voor het instellen van een beroep worden bepaald in de decreten vermeld in artikel 2, 1°, a),
- b)en
- d)en dus niet het [DBRC], en dus ook niet in hoofdstuk 3 van het [DBRC]. De loutere verwijzing naar deze termijnen, met de uitdrukkelijke vermelding dat deze worden bepaald in een ander decreet, in artikel 18 maakt nog niet dat dit een ‘termijn vermeld in dit hoofdstuk’ is. Hoofdstuk 3 voorziet in diverse termijnen, onder meer in artikel 13, §3 en artikel 21. Dit zijn de termijnen waarvoor het [DBRC] dus nadere regels kan bepalen inzake de wijze van berekening. De termijnen voor indiening van de beroepen zelf zijn geen termijnen vermeld in hoofdstuk 3 van het [DBRC]. Dit wordt ook zo bevestigd in de parlementaire voorbereiding, die het volgende stelt in de toelichting bij artikel 17 en 18 [DBRC]: In overeenstemming met het in artikel 146, eerste zin, van de [Grondwet] vervatte legaliteitsbeginsel worden de grondregels voor de werkwijze en de procedure in het decreet opgenomen. Zo worden de termijnen om een beroep of bezwaar in te dienen bij decreet bepaald (sectoraal of wat de Raad voor Verkiezingsbetwistingen betreft in afdeling 4) evenals de personen die beroep of bezwaar kunnen indienen. … De manier waarop de kennisgeving van de beslissing gebeurt evenals de beroepstermijnen worden bepaald in de sectorale regelgeving. De regelingen in de sectorale wetgeving zijn immers te specifiek om te ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.564 VII-42.761-5/14 uniformiseren. Gelet op de leesbaarheid van onderhavig decreet wordt dit dan ook volledig sectoraal gelaten. [Memorie van Toelichting, Parl.St. Vl.Parl. 2013-2014, nr. 2383/1, 33] De decreetgever wenste dus uitdrukkelijk de grondregels voor de procedure, waaronder de beroepstermijn, in de sectorale regelgeving, hier het [omgevingsvergunningsdecreet], niet nader te regelen. Dit bevestigt dat het Vlaams Parlement hoegenaamd niet de intentie had om de Vlaamse Regering te machtigen om voor die grondregels, waaronder de beroepstermijn, nadere regels te bepalen. […] Artikel 5 van het [p]rocedurebesluit kan om die reden geen betrekking hebben op de termijnen voorzien in artikel 105 [van het omgevingsvergunningsdecreet]. Het middel is alleen al daarom gegrond. […] Minstens dient gesteld dat artikel 17 [DBRC] enkel een machtiging bepaalt voor de berekening van de termijnen. Een verlenging van de termijnen in geval de termijn eindigt op een zaterdag, zondag of een feestdag is geen wijze van berekening van de termijnen, zodat ook om die reden artikel 5, [tweede lid,] van het [p]rocedurebesluit geen betrekking kan hebben op de termijnen voorzien in artikel 105 [van het omgevingsvergunningsdecreet]. […] Hoe dan ook heeft de Vlaamse Regering in het [p]rocedurebesluit geenszins bepaald dat de termijn voorzien in artikel 105 [van het omgevingsvergunningsdecreet] wordt verlengd als deze eindigt op een zaterdag, zondag of feestdag. Deze verlenging geldt uitsluitend voor de termijn vermeld in het [p]rocedurebesluit en in hoofdstuk 3 van het [DBRC], niet voor de termijnen vermeld in artikel 105 [van het omgevingsvergunningsdecreet]. Het middel is ook om die reden gegrond.” Beoordeling 7. De RvVb is een Vlaams bestuursrechtscollege in de zin van het DBRC. Artikel 17 DBRC bepaalt: “De Vlaamse Regering stelt de nadere regels vast voor de vormvereisten en ontvankelijkheid van de verzoekschriften en voor de rechtspleging voor de Vlaamse bestuursrechtscolleges, waaronder de regels betreffende: […] 7° de wijze van de berekening van de termijnen, vermeld in dit hoofdstuk; […].” VII-42.761-6/14 Artikel 18 DBRC luidt: “De decreten, vermeld in artikel 2, 1°, a),
- b)en d), stellen de personen vast die beroep kunnen instellen tegen een bestreden beslissing, alsook de daarvoor geldende termijnen.” 8. Het omgevingsvergunningsdecreet wordt vermeld in artikel 2, 1°, b), DBRC. Artikel 105, § 1 en § 2, van het omgevingsvergunningsdecreet bepaalt welke in het decreet bedoelde beslissingen kunnen worden bestreden bij de RvVb, en wie deze beroepen kan instellen. Artikel 105, § 3, van het omgevingsvergunningsdecreet vervolgt: “§3. Het beroep wordt op straffe van onontvankelijkheid ingesteld binnen een vervaltermijn van vijfenveertig dagen die ingaat: 1° de dag na de datum van de betekening, voor die personen of instanties aan wie de beslissing betekend wordt; 2° de dag na de eerste dag van de aanplakking van de beslissing in de overige gevallen.” 9. De in artikel 105, § 3, van het omgevingsvergunningsdecreet vastgestelde termijn is een termijn die bedoeld wordt door artikel 18 DBRC. Nu de artikelen 17 en 18 DBRC deel uitmaken van hetzelfde hoofdstuk van het DBRC, is de termijn die door artikel 105, § 3, van het omgevingsvergunningsdecreet wordt vastgesteld, een termijn “vermeld in dit hoofdstuk” in de zin van artikel 17, 7°, DBRC. De Vlaamse regering heeft de wijze van berekening van de termijnen, bedoeld in artikel 17, 7°, DBRC vastgesteld in artikel 5 van het procedurebesluit. In zoverre verzoeker aanvoert dat artikel 5 van het procedurebesluit niet van toepassing is op de berekening van de termijn die wordt vastgesteld in artikel 105, § 3, van het omgevingsvergunningsdecreet, is zijn kritiek ongegrond. 10. Artikel 5 van het procedurebesluit bepaalt onder meer dat de vervaldag verplaatst wordt naar de eerstvolgende werkdag als de vervaldag een zaterdag, zondag of wettelijke feestdag is. Anders dan verzoeker dit ziet, gaat het ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.564 VII-42.761-7/14 om een regel die betrekking heeft op de wijze van berekening van de termijn, en niet om een regel die ertoe strekt de decretaal vastgestelde termijn te verlengen. In zoverre verzoeker aanvoert dat de vervaldag van de beroepstermijn van artikel 105, § 3, van het omgevingsvergunningsdecreet niet wordt verplaatst naar de eerstvolgende werkdag wanneer die vervaldag een zaterdag, zondag of wettelijke feestdag is, is zijn kritiek eveneens ongegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 11. Verzoeker voert de schending aan van de artikelen 32 en 35 DBRC en artikel 15, § 1, 1°, van het procedurebesluit. 12. Hij komt op tegen de beslissing tot verwerping van de exceptie waarin hij voorhield dat verweerder niet wordt benadeeld door de aangevoerde schending van de motiveringsplicht voor wat betreft de overeenstemming van het project met het verplichte begroeningspercentage van de parking, voorzien in artikel 2.6 van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan (hierna: het RUP). De RvVb steunt die beslissing op volgende redenen: “Artikel 35, derde lid [DBRC] laat niet toe dat de vernietiging van een bestreden beslissing uitgesproken wordt op grond van de schending van een norm of algemeen rechtsbeginsel, afgezien van regels die de openbare orde aanbelangen, als de partij die de schending aanvoert niet door de ingeroepen onwettigheid benadeeld wordt. De omstandigheid dat de aangevoerde onwettigheid tot de vernietiging kan leiden, volstaat niet om te besluiten dat de partij door de schending benadeeld wordt. Ook al wordt de ontvankelijkheid van het beroep er niet rechtstreeks door geregeld, de vereiste van belangenschade raakt aan de omvang van het rechterlijk wettigheidstoezicht, wat een essentieel bestanddeel van het recht op toegang tot de rechter is, en kan ertoe leiden dat de beslechting van het geschil ten gronde verhinderd wordt. Als beperking op het recht van een verzoekende partij, ook al heeft die belang bij een rechterlijk beroep, om een onregelmatigheid als vernietigingsmiddel aan de rechter voor te leggen, moet het vereiste van een belang bij het middel met de nodige terughoudendheid worden toegepast. […] VII-42.761-8/14 [Verzoeker in cassatie wordt niet] bijgevallen waar [hij verweerder in cassatie] het belang ontzegt om de schending aan te voeren van stedenbouwkundige voorschriften die […] een groenpercentage van 10% op de parking opleggen omdat die niet zichtbaar [zou] zijn en geen nadeel [zou] kunnen berokkenen. De voorschriften van het gemeentelijk RUP regelen op gedetailleerde wijze de goede ruimtelijke ordening van het plangebied. Als eigenaar en bewoner van een achterliggend perceel heeft [verweerder in cassatie] belang bij de goede ruimtelijke ordening van zijn woon- en leefomgeving, en van de naleving van de stedenbouwkundige voorschriften waarin die goede ruimtelijke ordening vastgelegd wordt. In de exceptie gaat [verzoeker in cassatie] ook te gemakkelijk voorbij aan de onlosmakelijke samenhang tussen de onderdelen van [zijn] aanvraag. [Verzoeker in cassatie] wordt niet gevolgd in [zijn] kunstmatige opsplitsing van die onderdelen om vervolgens te stellen dat [verweerder in cassatie] geen zicht heeft op een specifiek onderdeel en aldus door de aangevoerde onwettigheid niet gegriefd kan worden. Zo mag het een evidentie worden genoemd dat de parking noodzakelijk is voor het gebruik van de padelvelden. [Verweerder in cassatie] kan dan niet het belang worden ontzegd om de strijdigheid van de aangevraagde parking als noodzakelijke aanhorigheid van de padelvelden met artikel 2.6 van het gemeentelijk RUP aan te voeren.” 13. Verzoeker formuleert hiertegen volgende grieven: “[Artikel] 35, derde lid, 1° [DBRC] bepaalt dat de schending van een norm geen aanleiding kan geven tot vernietiging als de partij die de schending aanvoert, niet wordt benadeeld door de ingeroepen onwettigheid[. De] omstandigheid dat de aangevoerde schending een onwettigheid uitmaakt die mogelijk aanleiding kan geven tot vernietiging, [maakt op zich niet] dat de partij benadeeld wordt door de ingeroepen onwettigheid[.] [De] in deze bepaling bedoelde benadeling moet worden betrokken op de concrete situatie van de verzoekende partij, zoals die blijkt uit de feiten zoals die zich in het betrokken geding daadwerkelijk hebben voorgedaan[.] [Op] grond van artikel 15, § 1, 1° van het [p]rocedurebesluit [dient verweerder] in het verzoekschrift een uiteenzetting […] te geven van [zijn] belang, waarbij door die uiteenzetting [verweerder] de grenzen van het rechterlijk debat trekt en er enkel met die belangen rekening kan worden gehouden bij de beoordeling of de aangevoerde onwettigheid [verweerder] heeft benadeeld[.] […] Met de aangehaalde motieven geeft de [RvVb] niet aan dat [verweerder] door de ingeroepen schending van artikel 2.6 van het RUP wordt benadeeld, en antwoordt [hij] niet op het middel van [verzoeker] dat dit niet het geval is, en dat deze schending dus geen aanleiding kan geven tot vernietiging, omdat de ingeroepen schending betrekking heeft op een discussie of een parking voor 7 voertuigen op een afstand van meer dan 155 meter van de woning van [verweerder] meer dan 10% groen heeft, waarbij de parking duidelijk niet ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.564 VII-42.761-9/14 zichtbaar is vanaf de woning van [verweerder], die eventueel groen op die parking niet zal kunnen zien, en dus ook niet zal kunnen zien, waarnemen of op enige wijze kan ondervinden of er al dan niet meer dan 10% groen aanwezig is, en waardoor dit geen relevantie heeft voor het belang van [verweerder]. Het bestreden arrest is dus niet met redenen omkleed. Het middel is gegrond in zoverre het is gesteund op artikel 32 [DBRC]. […] De overweging dat het belang bij het middel niet te restrictief of te formalistisch mag worden benaderd, ontslaat de [RvVb] er niet van om artikel 35 [DBRC] correct toe te passen, en bijgevolg over te gaan tot een beoordeling in concreto. […] Met het motief dat de voorschriften geacht worden de goede ruimtelijke ordening weer te geven, en [verweerder] een belang heeft bij de goede ruimtelijke ordening van zijn woon- en leefomgeving, en bijgevolg van de naleving van de stedenbouwkundige voorschriften waarin die goede ruimtelijke ordening vastgelegd wordt, miskent het bestreden arrest dat artikel 35, eerste lid, 1° een concrete benadeling veronderstelt. In se onderzoekt het bestreden arrest hier of de norm waarvan de schending wordt ingeroepen kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van de verzoekende partij. Dit komt neer op een onderzoek van de relativiteitseis die de decreetgever in oorsprong voorzien had in artikel 35, [eerste lid], 2° [DBRC], maar die door het Grondwettelijk Hof bij arrest 59/2023 van 11 april 2023 werd vernietigd. […] De vernietiging van de relativiteitseis is mede gesteund op het gegeven dat artikel 35, eerste lid, 1° [DBRC] reeds een onderzoek inhoudt naar de gevolgen die de schending van de normen in concreto heeft voor de belangen van de rechtszoekende. Artikel 35, eerste lid 1° [DBRC] verplicht de bestuursrechter dus tot een onderzoek naar de gevolgen die de schending in concreto heeft voor de belangen van de rechtszoekende, en dus niet tot een onderzoek welke doelstelling de norm heeft. Door louter te oordelen dat de norm in het algemeen wordt geacht de ruimtelijke ordening weer te geven, en [verweerder] een belang heeft bij de goede ruimtelijke ordening, gaat het bestreden arrest dus niet over tot een onderzoek naar de concrete gevolgen, en schendt [het arrest] artikel 35, eerste lid, 1° [DBRC] en beantwoordt het bestreden arrest het door [verzoeker] opgeworpen middel niet naar recht, in strijd met de rechterlijke motiveringsplicht voorzien in artikel 32 [DBRC]. […] Ook met het motief dat de parking noodzakelijk is voor het gebruik van de padelvelden, gaat het bestreden arrest voorbij aan het gegeven dat artikel 35, eerste lid, 1° [DBRC] een concrete benadeling door de aangevoerde schending veronderstelt. Met de overweging geeft het bestreden arrest mogelijk aan dat [verzoeker] een belang heeft bij het bestrijden van de vergunning voor zover die betrekking heeft op de parking, maar het belang van het beroep is te onderscheiden van het belang bij het middel. Dit blijkt op zich uit de tweede zin van artikel 35, eerste lid, 1° [DBRC], dat stelt dat de omstandigheid dat de aangevoerde onwettigheid tot de vernietiging kan leiden, niet volstaat om te besluiten dat de partij door de schending benadeeld ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.564 VII-42.761-10/14 wordt. Met de vaststelling dat er sprake is van een ‘onlosmakelijke samenhang tussen de onderdelen van (
- de)aanvraag’, dat er sprake is van een ‘kunstmatige opsplitsing van die onderdelen’, dat het een ‘evidentie (mag) worden genoemd dat de parking noodzakelijk is voor het gebruik van de padelvelden’ en dat de ‘aangevraagde parking … (een) noodzakelijke aanhorigheid van de padelvelden’ vormt, heeft het bestreden arrest nog niet vastgesteld dat [verweerder] door de aangevoerde schending is benadeeld. Er kan maar sprake zijn van benadeling door een schending van een norm indien een partij zich in een nadeligere situatie zou bevinden dan wanneer de norm wel zou nageleefd zijn. De samenhang met een onderdeel van de aanvraag waarop de norm niet eens van toepassing is vermag niet te leiden tot de conclusie dat er van een benadeling sprake is.” Beoordeling 14. Luidens artikel 3, § 2, 9°, van het cassatieprocedurebesluit moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de cassatiemiddelen bevatten”. Onder “cassatiemiddel” moet een voldoende duidelijke omschrijving van de door het bestreden arrest geschonden rechtsregel of rechtsbeginsel worden begrepen. Onder “uiteenzetting” van het cassatiemiddel moet worden begrepen de wijze waarop die rechtsregel of dat rechtsbeginsel door de bestreden uitspraak worden miskend. In het middel wordt niet op voldoende nauwkeurige wijze uiteengezet op welke wijze het bestreden arrest een schending zou inhouden van artikel 15, § 1, 1°, van het procedurebesluit. Het middel is in zoverre niet ontvankelijk. 15. De in artikel 32 DBRC ingeschreven rechterlijke motiveringsverplichting heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak voldoet aan deze motiveringsplicht wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet - al waren ze verkeerd of onwettig - die hem ertoe brengen zijn beslissing te nemen. Bij de beoordeling of de rechterlijke motiveringsverplichting werd nageleefd, is bijgevolg niet de vraag aan de orde of in de beslissing een verkeerde beoordeling van de feitelijke gegevens is uitgedrukt. Het gaat er dan ook niet om of de motivering omstandig of juist is. Alleen een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van artikel 32 DBRC. VII-42.761-11/14 Wanneer de motivering een verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending van de wet uitmaken, maar is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek. Met de in het middel aangehaalde motieven van het bestreden arrest heeft de RvVb geantwoord op de grief van verzoeker dat verweerder door de ingeroepen schending van artikel 2.6 van het RUP niet wordt benadeeld. Met de aangevoerde schending van artikel 32 DBRC levert verzoeker in werkelijkheid kritiek op de wettigheid van de gehanteerde motieven, en gaat hij aldus uit van een verkeerde opvatting van de draagwijdte van de rechterlijke motiveringsplicht. De aangevoerde schending van artikel 32 DBRC kan niet worden aangenomen. 16. Artikel 35, derde lid, DBRC luidt: “Zonder afbreuk te doen aan de mogelijkheid om de schending aan te voeren van regels die de openbare orde aanbelangen, kan de schending van een norm of algemeen rechtsbeginsel in elk van de volgende gevallen geen aanleiding geven tot een vernietiging: 1° als de partij die de schending aanvoert, niet wordt benadeeld door de ingeroepen onwettigheid. De omstandigheid dat de aangevoerde schending een onwettigheid uitmaakt die mogelijk aanleiding kan geven tot vernietiging, maakt op zich niet dat de partij benadeeld wordt door de ingeroepen onwettigheid;” De decreetgever heeft met deze bepaling “het algemeen door de rechtspraak en rechtsleer aanvaard principe [verankerd] dat de verzoekende partij belang moet hebben bij het aangevoerde middel” (Parl.St. Vl.Parl. 2015-16, nr. 777/1, 8). De bepaling “strekt ertoe het vereiste van het belang bij het middel, zoals ontwikkeld in de rechtspraak van de Raad van State, in het decreet te verankeren. Volgens die rechtspraak kan de verzoekende partij een onwettigheid in beginsel slechts op ontvankelijke wijze aanvoeren wanneer die onwettigheid haar belangen schaadt” (Grondwettelijk Hof 5 juli 2018, nr. 87/2018, overw. B.28.2). VII-42.761-12/14 Een onwettigheid schaadt de belangen van een partij wanneer de mogelijkheid bestaat dat, wanneer zij niet werd begaan, een nadeel voor die partij zou zijn vermeden. De vaststelling dat een partij een nadeel ondervindt van de tenuitvoerlegging van een omgevingsvergunning kan dan ook volstaan opdat die partij geacht wordt benadeeld te worden door de aangevoerde schending van een stedenbouwkundig voorschrift door de beslissing tot het verlenen van die omgevingsvergunning. 17. Het bestreden arrest stelt vast dat het voorwerp van de omgevingsvergunning die aan verzoeker werd verleend, bestaat uit padelvelden en een parking, waarbij de parking een “noodzakelijke aanhorigheid” is van de padelvelden. De RvVb miskent dan ook niet de draagwijdte van artikel 35, derde lid, DBRC wanneer hij uit die vaststelling afleidt dat verweerder niet het belang kan worden ontzegd om de strijdigheid aan te voeren met een stedenbouwkundig voorschrift dat de parking een groenpercentage van 10% oplegt, om de enkele reden dat verweerder vanuit zijn woning geen zicht heeft op de parking en het aangevoerde groentekort op de parking hem bijgevolg niet kan grieven. 18. In zoverre het ontvankelijk is, is het middel ongegrond. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep. 2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan verweerder. VII-42.761-13/14 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op dertig april tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Francis Van Nuffel, staatsraad, Frédéric Vanneste, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-42.761-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.564 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div