id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 april 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.565 Rolnummer: A. 243900/VII-42756 Zaak: Arrest 266565 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 30/04/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-05-12 Raadplegingen: 44 - laatst gezien 2026-06-18 06:53 Fiche Arrest nr 266.565 van 30 april 2026 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.565 no lien 289110 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 266.565 van 30 april 2026 in de zaak A. 243.900/VII-42.756 In zake :
- Y.L.
- I.V. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jan Ghysels en Yves Sacreas kantoor houdend te 1050 Brussel Marsveldplein 5, bus 5 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de PROVINCIE VLAAMS-BRABANT Tussenkomende partijen :
- L.D.
- M.A.
- R.T.
- S.C. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pieter Jongbloet kantoor houdend te 3010 Leuven Oude Diestsesteenweg 13 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 3 januari 2025, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2425-0226 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 28 november 2024 in de zaak 2324-RvVb-0227-A. VII-42.756-1/21 II. Verloop van de rechtspleging
- Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 17 februari
- De verzoekende partijen hebben een toelichtende memorie ingediend. De tussenkomende partijen hebben een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 15 april
- Eerste auditeur An Van den broeck heeft op 23 september 2025 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’ (hierna: cassatieprocedurebesluit). De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 2 april
- Staatsraad Francis Van Nuffel heeft verslag uitgebracht. Advocaat Yves Sacreas, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Eibhlin Vandekerckhove, die loco advocaat Pieter Jongbloet verschijnt voor de tussenkomende partijen, zijn gehoord. Eerste auditeur An Van den broeck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. VII-42.756-2/21 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna: RvS-wet). III. Regelmatigheid van de rechtspleging
- De verzoekende partijen antwoorden in hun verzoek tot voorzetting van de procedure op het auditoraatsverslag. Het cassatieprocedurebesluit voorziet niet in de mogelijkheid om na de kennisgeving van het auditoraatsverslag nog een schriftelijke uiteenzetting in te dienen. Wanneer de auditeur concludeert dat het cassatieberoep moet worden verworpen, kan de verzoeker luidens artikel 18 van het cassatieprocedurebesluit vragen dat de procedure wordt voortgezet, bij gebreke waaraan de afstand van het geding kan worden uitgesproken. Het “verzoek tot voortzetting van de procedure” van de verzoekende partijen wordt slechts als procedurestuk aanvaard in zoverre hierin wordt verzocht om de procedure voort te zetten. In zoverre het stuk een schriftelijke voorbereiding vormt van de mondelinge uiteenzetting op de terechtzitting, wordt het beschouwd als een loutere inlichting. IV. Feiten 4.
- Het college van burgemeester en schepenen van Halle verleent aan de tussenkomende partijen een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden. De verzoekende partijen tekenen hiertegen bestuurlijk beroep aan. 4.
- Met een beslissing van 7 september 2023 verklaart de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant het bestuurlijk beroep ongegrond, en verleent zij de omgevingsvergunning. VII-42.756-3/21 4.
- Het bestreden arrest verwerpt het beroep dat de verzoekende partijen hebben ingesteld tot vernietiging van de deputatiebeslissing van 7 september
- V. Onderzoek van de middelen tot nietigverklaring A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- De verzoekende partijen voeren de schending aan van artikel 4.1.1, 14°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO), gelezen in samenhang met artikel 4.3.5, § 1 en § 2, VCRO, artikel 4.2.17 VCRO, artikel 2.12.3 van de stedenbouwkundige voorschriften van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Kruisveld’ (hierna: het RUP), van het zorgvuldigheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: motiveringswet), van de motiveringsplicht als beginsel van behoorlijk bestuur, en van artikel 48, § 1, van het besluit van de Vlaamse regering van 27 november 2015 ‘tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning’ (hierna: besluit van de Vlaamse regering van 27 november 2015).
- Zij komen op tegen de beslissing van de RvVb tot verwerping van het eerste middel dat zij hebben opgeworpen tot vernietiging van de vergunningsbeslissing. De RvVb steunt die beslissing op volgende motieven: “
- Uit de overwegingen in de bestreden beslissing blijkt dat de verwerende partij aandacht heeft besteed aan de ontsluiting van de nog te bebouwen kavels (loten 2 en 3). De verwerende partij stelt in de bestreden beslissing onder meer het volgende: […] De verwerende partij stelt dus uitdrukkelijk vast dat de betrokken aanvraag voldoet aan artikel 2.12.3 van het RUP, waar de verzoekende partijen naar ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.565 VII-42.756-4/21 verwijzen. Deze bepaling schrijft immers voor dat deelzone 3 moet ontsloten worden via bestaande wegenis in deelzone 1 (Steenbakkerserf), hetgeen voor de betrokken aanvraag het geval is.
- Het gegeven dat er in de bestreden beslissing sprake is van ‘de aankoop van twee reststroken van 0,50 m bij 3,00 m’, waardoor de beide kavels grenzen aan ‘het recent gerealiseerde Steenbakkerserf’, betekent niet dat het onderzoek en de vaststellingen door de verwerende partij ondeugdelijk zijn. De verzoekende partijen zien blijkbaar een probleem in de aankoop onder opschortende voorwaarde van het bekomen van een omgevingsvergunning, terwijl de bestreden beslissing net deze omgevingsvergunning verleent.
- De verzoekende partijen houden ook nog voor dat de wegenis waarlangs wordt ontsloten (thans) enkel een toegangsweg is voor parkeerplaatsen. Er kan echter niet worden ingezien waarom dit zou beletten dat deze wegenis zou gebruikt worden als ontsluitingsweg voor nieuwe kavels.
- De verzoekende partijen beweren verder dat de ontsluitingsweg niet voldoende uitgerust zou zijn (of dat dit niet blijkt of weinig waarschijnlijk is). Vooreerst stellen de verzoekende partijen zelf dat de ligging aan een voldoende uitgeruste weg geen vereiste is voor het verlenen van een verkavelingsvergunning. Bovendien volstaat het niet twijfel te zaaien over een vaststelling die in de bestreden beslissing wordt gedaan om daarover een succesvol middel aan te voeren. Zowel in de bestreden beslissing als in de antwoordnota wijst de verwerende partij erop dat de Steenbakkerserf een recent uitgevoerde weg is die 31 woningen ontsluit. Het feit dat het deel van deze straat, dat aansluit op deelzone 3 van het RUP, parkings omvat, toont niet aan, noch doet het vermoeden dat dit deel van de straat geen uitgeruste weg zou zijn.”
- De verzoekende partijen formuleren hiertegen volgende grieven: “Verwerende partij was met het bestuurlijk beroepschrift van [de] verzoekende partijen uitdrukkelijk geattendeerd op […]: - de inhoud van artikel 2.12.3 van het vigerend RUP, dat het verkavelen van de gronden in deelzone 3 enkel vergunbaar acht als die deelzone kan ontsloten worden via de bestaande weg in deelzone 1 dan wel wanneer beide ontsluitingen deel uitmaken van een gelijktijdige of gezamenlijke aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning; - het gegeven dat de toegang tot de parking in deelzone 1, waarlangs deelzone 3 zal worden ontsloten, geen (uitgeruste) weg is, laat staan één die de loten 2 en 3 ontsluit vermits de aankoop van de restgronden nog niet plaatsvond; - artikel 4.3.5, § 1 VCRO en de rechtspraak van de Raad voor Vergunningsbetwistingen volgens dewelke die bepaling niet zonder meer ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.565 VII-42.756-5/21 zonder belang is voor het verkavelen van percelen die niet aan een voldoende uitgeruste weg liggen als dat zou betekenen dat een stedenbouwkundige vergunning om die reden zou moeten geweigerd worden. In geval van twijfel kan dit het vergunningverlenend bestuursorgaan ertoe nopen de mogelijkheid tot het uitvoeren van de vergunning te beoordelen[…]. Minstens betreft de ontsluiting en toegankelijkheid van percelen, gelet op de concrete omstandigheden van de zaak, volgens de rechtspraak van de Raad voor Vergunningsbetwistingen een aspect dat bij de beoordeling van de verenigbaarheid van de aanvraag met de goede ruimtelijke ordening moet worden betrokken.[…]. […] De [RvVb], die door [de] verzoekende partijen gewezen is op zijn rechtspraak over het verkavelen en artikel 4.3.5, § 1 VCRO, is ook gewezen op de zorgvuldigheidsplicht van de deputatie en op haar materiële- en formele motiveringsplicht op grond van de artikelen 2 en 3 van de [m]otiveringswet in samenhang met het motiveringsbeginsel, gegeven onderstaande concrete elementen van de zaak: - Om de loten 2 en 3 toegankelijk te maken dient gebruik gemaakt te worden van een weg die enkel een parking bedient, welke gedeelde infrastructuur niet volstaat om de pas nu vooropgestelde ontwikkeling van deelzone 3 te laten aansluiten op de nutsvoorzieningen. Minstens blijkt het tegendeel niet uit het gemeenteraadsbesluit van 28 april 2020 tot goedkeuring van het tracé en de uitrusting van de weg van dat aanpalend project […]. - Bovendien leidt de aan de vergunningsbeslissing gekoppelde voorwaarde van aankoop van de reststroken tot een vicieuze cirkel aangezien: o de aanvraag tot het bekomen van een omgevingsvergunning voor het verkavelen diende te volgen op de verkoop, met de in de koop- verkoopcontracten van 7 en 20 oktober 2021 gestelde timing; o die timing met addenda van 6 juni 2022 op maximum 10 maanden gebracht is, en er zoveel tijd later nog steeds geen definitieve aankoop voorligt; o de koop-verkoopcontracten opgemaakt zijn onder de opschortende voorwaarde van het verkrijgen van een definitieve omgevingsvergunning tot het verkavelen van gronden […] die tot op heden nog steeds niet definitief is, hoewel precies dat definitief en uitvoerbaar karakter van de omgevingsvergunning de verkoopovereenkomst definitief maakt. De koop-verkoopcontracten en de addenda waren overigens met de aanvraag mee opgeladen op het Omgevingsloket, zodat de deputatie niet verhinderd was om dit alles naar behoren te onderzoeken. Temeer nu het omwille van de tijdsvoorwaarde in de contracten en de addenda lang niet vaststaat dat de eigenaar […] bereid was om de definitieve verkoop uit te stellen tot 2024 of later, afhankelijk van de datum waarop de omgevingsvergunning voor het verkavelen van de gronden definitief en uitvoerbaar wordt, had de deputatie zorgvuldig in haar onderzoek moeten zijn. Ze had dat zorgvuldig onderzoek ook moeten veruitwendigen in de motieven van haar beslissing wat niet het geval is, ondanks de beroepsgrieven ter zake ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.565 VII-42.756-6/21 van [de] verzoekende partijen. Als de deputatie een zorgvuldig onderzoek had gedaan, had ze vastgesteld dat er geen verkoop van de reststroken voorligt zodat de loten 2 en 3 sowieso niet aan een (voldoende uitgeruste) weg liggen. […] Op dat in het verzoekschrift concreet geschetste en met stukken onderbouwde gebrek gaat de [RvVb] met zijn arrest niet in. Wars van alle bij het verzoekschrift gevoegde ter zake relevante stukken die ook met de aanvraag op het Omgevingsloket gezet geweest zijn, wordt enkel geoordeeld dat de omgevingsvergunning van 7 september 2023 de vergunning is die - als opschortende voorwaarde - in de koop-verkoopcontracten bedoeld is. Er wordt met het arrest geen aandacht besteed aan de tijdsvoorwaarde in de contracten en de addenda noch aan het gegeven dat de verkoopovereenkomst niet definitief is, voor zover er nog één zou zijn. Door zo te oordelen, geeft de [RvVb] een verkeerde invulling aan de motiveringsplicht zoals die bestaat in hoofde van de deputatie, tegen zijn eigen vaste rechtspraak in. Omdat uit de omgevingsvergunning van 7 september 2023 niet blijkt of de argumentatie van de verzoekende partijen bij de beoordeling van de aanvraag betrokken geweest is, is met het arrest ten onrechte besloten tot de ongegrondheid van het eerste middel, met miskenning van de motiveringsplicht als beginsel van behoorlijk bestuur, artikel 48, § 1 van het [besluit van de Vlaamse regering van 27 november 2015] en de artikelen 2 en 3 van de [motiveringswet] in samenhang genomen met artikel 2.12.3 van de stedenbouwkundige voorschriften van het RUP […] en de onder het middel aangehaalde decretale bepalingen. Doordat uit de motieven van de omgevingsvergunning van 7 september 2023 ook geen zorgvuldig onderzoek blijkt van de beroepsgrieven van [de] verzoekende partijen heeft de [RvVb] tevens ten onrechte besloten dat het zorgvuldigheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur niet is geschonden.” Beoordeling
- De kritiek dat het bestreden arrest niet ingaat op bepaalde argumenten en stukken is vreemd aan de in het middel als geschonden opgegeven bepalingen en beginselen. Als rechtscollege is de RvVb niet onderworpen aan de bepalingen van de motiveringswet, noch aan de beginselen van behoorlijk bestuur zoals de materiëlemotiveringsplicht. Wel kan de Raad van State als cassatierechter nagaan of de RvVb de draagwijdte van de motiveringswet of van beginselen van behoorlijk bestuur heeft miskend bij de beoordeling van een annulatiemiddel waarin de schending van die bepalingen of beginselen wordt aangevoerd. VII-42.756-7/21
- Luidens artikel 3, § 2, 9°, van het cassatieprocedurebesluit moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de cassatiemiddelen bevatten”. Onder “cassatiemiddel” moet een voldoende duidelijke omschrijving van de door het bestreden arrest geschonden rechtsregel of rechtsbeginsel worden begrepen. Onder “uiteenzetting” van het cassatiemiddel moet worden begrepen de wijze waarop die rechtsregel of dat rechtsbeginsel door de bestreden uitspraak worden miskend. In zoverre de verzoekende partijen aanvoeren dat de RvVb een “verkeerde invulling [geeft] aan de motiveringsplicht zoals die bestaat in hoofde van de deputatie, tegen zijn eigen vaste rechtspraak in” maken zij onvoldoende duidelijk hoe de draagwijdte van de motiveringswet of van de materiëlemotiveringsplicht als beginsel van behoorlijk bestuur door het bestreden arrest wordt miskend.
- Met de overige in het middel uiteengezette grieven nodigen de verzoekende partijen de Raad van State uit om opnieuw de wettigheidskritiek te beoordelen die zij voor de RvVb hebben aangevoerd in het eerste middel tot nietigverklaring. Als cassatierechter kan de Raad van State echter niet in de beoordeling van de zaak zelf treden (artikel 14, § 2, RvS-wet). Het onderzoek van die grieven zou de Raad van State verplichten om in de feitelijke beoordeling van de zaak te treden.
- Het middel is niet ontvankelijk. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- De verzoekende partijen voeren de schending aan van artikel 4.3.1, § 1 en § 2, VCRO, artikel 2.9, derde lid, van het RUP, het vertrouwensbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur, artikel 48, § 1, van het besluit van de Vlaamse regering van 27 november 2015, de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet, en de materiële- en formelemotiveringsplicht als beginsel van behoorlijk bestuur. VII-42.756-8/21
- Het middel wordt gericht tegen de beslissing van de RvVb tot verwerping van het tweede middel dat de verzoekende partijen hebben aangevoerd tot vernietiging van de vergunningsbeslissing. Het bestreden arrest steunt daarvoor op volgende motieven: “
- Geen ligging aan een voldoende uitgeruste weg Bij de bespreking van het eerste middel is al vastgesteld dat de verwerende partij aandacht heeft besteed aan de ontsluiting van de loten 2 en 3 van de verkavelingsaanvraag. De [verzoekende partijen] slaagden er in dit middel niet in om de onwettigheid aan te tonen van de bestreden beslissing op dat punt. Er kan ook niet ingezien worden hoe het loutere gegeven dat de verwerende partij de goede ruimtelijke ordening toetst onder verschillende titels in de bestreden beslissing, zou moeten doen besluiten tot de (inhoudelijke) ondeugdelijkheid van de beoordeling.
- De inplanting is onaanvaardbaar, in strijd met het vertrouwensbeginsel en met artikel 2.9, [derde lid, van het RUP] 3.1 De bepaling van het RUP die de verzoekende partij[en viseren] (artikel 2.9, derde lid van het RUP) luidt als volgt: ‘Bij de inrichting van de zone moet voldoende aandacht besteed worden aan de inpassing van de projectzone in de omgeving. Daarbij wordt ten minste aandacht besteed aan: • de relatie met de in de omgeving aanwezige functies en bebouwing; • de relatie met de in de omgeving bestaande of gewenste woondichtheid’ De bestreden beslissing bevat daarover de volgende relevante overwegingen: […] De verwerende partij oordeelt daarmee nauwelijks anders dan in haar vorige beslissing. Ook daarin werd geoordeeld dat de afstand van de bouwzone van 3,00 meter ten opzichte van de achterste perceelsgrens van de woningen in het Steenbakkerserf en de Frederic Chopinlaan conform is met de bepalingen van het RUP. En ook daarin werd geoordeeld dat - ondanks het feit dat wordt vermeld dat een afstand van 20 meter tussen gevels in een stedelijke omgeving wenselijk is - de afstand tussen de (zij)gevels en de achtergevels in dit project aanvaardbaar is. Het blijkt dus niet dat de thans bestreden beslissing haaks staat op de eerdere beoordeling van een gelijkaardig project, zoals de verzoekende partijen voorhouden. De verzoekende partijen overtuigen al evenmin dat de verwerende partij is voorbij gegaan aan haar bezwaren over de afstand van het bestreden project met haar achtergevel. In de bestreden beslissing wordt op afdoende concrete en pertinente wijze aangegeven waarom ze van oordeel is dat deze afstand aanvaardbaar is. VII-42.756-9/21 3.2 De verzoekende partijen verwijzen ook nog naar een passus in de bestreden beslissing over behoud van bestaande hagen. Onder de titel ‘Natuurtoets’ stelt de verwerende partij nog het volgende: […] Er wordt in deze passus niet aangegeven dat er (ook) ter hoogte van de achterperceelsgrens van de verzoekende partijen een bestaande haag is. Er wordt enkel aangegeven dat al bestaande hagen (met een al afdoend en volgroeid groenscherm) kunnen behouden blijven, maar dat het verkavelingsvoorschrift over de afsluitingen moet bijgestuurd worden om louter een open draadafsluiting zonder groenbuffer uit te sluiten omdat levende hagen bijkomend zorgen voor een visuele buffer tegen inkijk in de aangrenzende achtertuinen.
- Bijkomende autostaanplaatsen veroorzaken hinder, in strijd met de goede ruimtelijke ordening / Lichthinder van het af- en aanrijdend verkeer en impact op het mentaal welzijn, in strijd met de goede ruimtelijke ordening 4.1 Uit de bestreden beslissing blijkt dat de verwerende partij, mede naar aanleiding van bezwaren van de verzoekende partijen, een uitdrukkelijk standpunt inneemt over de mogelijkheid om autostaanplaatsen te voorzien op de loten 2 en 3: […] De verwerende partij is dus, anders dan in de visie van de verzoekende partij[en], van oordeel dat er twee autostaanplaatsen (oprit en bijkomende garage/carport binnen de bouwzone) op het eigen terrein van de loten 2 en 3 moeten voorzien worden en bezoekers kunnen gebruik maken van de parking op de voorliggende weg. Het blijkt dus niet dat de verwerende partij is voorbij gegaan aan bezwaren van de verzoekende partijen over de autostaanplaatsen, maar enkel dat de verwerende partij andersluidend oordeelt. Er kan dan ook niet aangenomen worden dat de visie van de verwerende partij kennelijk onredelijk is. 4.2 De bezwaren van de verzoekende partijen over lichthinder door autoverkeer op de toegangsweg gaan, zoals blijkt uit het bezwaarschrift en het beroepschrift van de verzoekende partijen, eerder over de bestaande inrichting van 24 parkeervoorzieningen in deelzone
- Ze bekritiseerden daarbij dat in de eerder verleende verkaveling, anders dan op andere plaatsen, geen buffer/afscherming is voorzien. De verzoekende partijen voerden aan dat deze hinder nog zal toenemen door twee bijkomende woningen die eveneens van deze toegangsweg gebruik zullen maken en door het verdwijnen van bestaand groen op de projectsite. In de mate dat de verzoekende partijen verwijzen naar hinder door en kritiek hebben op een eerder verleende omgevingsvergunning, is het geen zaak van de verwerende partij om daar te moeten op ingaan in de bestreden beslissing. De gebeurlijke hinder door de bestaande parking als de bestaande toegangsweg naar die parking, is een gevolg van de eerder verleende vergunning voor die infrastructuren. De verwerende partij verwijst in de antwoordnota ook niet ten onrechte naar de stedenbouwkundige voorschriften van het RUP, die geacht worden de criteria van goede ruimtelijke ordening weer te geven. De verzoekende ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.565 VII-42.756-10/21 partijen overtuigen op dat punt niet dat de verwerende partij, in het licht van de concrete voorschriften, meer had moeten doen dan vaststellen dat het bestreden project voldoet aan alle stedenbouwkundige voorschriften van het RUP.”
- De verzoekende partijen formuleren hiertegen volgende grieven: “Verwerende partij was met het bestuurlijk beroepschrift van [de] verzoekende partijen uitdrukkelijk geattendeerd op de aankoop van de twee reststroken die niet vaststaat en op de relatie met de omgeving (artikel 2.9, lid 3 RUP Kruisveld) en op de woning en de tuin van [de] verzoekende partijen in het bijzonder. Voor die relatie wezen de verzoekende partijen haar op: - het standpunt van de verwerende partij van 22 september 2022 […] over te bewaren afstand tussen de zijgevels van de toekomstige woningen en de achtergevel van de bestaande woning van [de] verzoekende partijen. - lichthinder in de leefruimtes, met verschillende foto’s gestaafd. - parkeren op de kavels met extra hinder als gevolg en niet consistent met de filosofie van de projectzone waarin er in deelzone 1 een autovrije zone is met centrale parking. […] [De] verzoekende partijen hebben de [RvVb] met hun verzoekschrift gewezen op de zorgvuldigheidsplicht van de deputatie en op haar materiële- en formele motiveringsplicht op grond van de artikelen 2 en 3 van de [m]otiveringswet in samenhang met het motiverings- en het vertrouwensbeginsel, gegeven onderstaande concrete elementen van de zaak: - Opnieuw de voldoende uitgeruste weg, doordat de aankoop van de twee reststroken niet vaststaat. - De in verhouding tot het oordeel van de verwerende partij van 22 september 2022 over de vorige aanvraag […] beduidend kleinere afstand tussen de zijgevels van de toekomstige woningen en de achtergevel van de bestaande woning van [de] verzoekende partijen. - Het gebrek aan hagen, laat staan winterbestendige, eeuwige groene hagen die een voldoende afscherming bieden aan de omliggende woonstructuur, in casu de beletagewoning van [de] verzoekende partijen met leefruimte op hoogte. - Lichthinder in de leefruimtes, met foto’s gestaafd. - Extra hinder door het binnenrijden en parkeren op de nieuwe kavels tot aan de achtertuin van [de] verzoekende partijen. […] Andermaal gaat de [RvVb] niet of nauwelijks in op een aantal van die in het verzoekschrift met stukken gestaafde onderdelen. Voor wat betreft de gebrekkige motivering van de deputatie over de voldoende uitgeruste weg als voorwaarde om de omgevingsvergunning tot het verkavelen uitvoerbaar te kunnen maken, volstaat het om daarvoor te verwijzen naar wat onder het eerste middel uiteengezet is. Voor wat betreft de privacy hinder (artikel 2.9, [derde lid, van het RUP]) en het vertrouwensbeginsel in het licht van het door de deputatie op ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.565 VII-42.756-11/21 22 september 2022 ingenomen standpunt gaat de [RvVb] net zoals de deputatie dat eerder deed met haar vergunningsbesluit van 7 september 2023 voorbij aan het feit dat de afstand tussen de zijgevels van de toekomstige woningen en de achtergevel van de bestaande woning van [de] verzoekende partijen in de vorige aanvraag […] nog 18,00 m bedroeg. Dat dit cruciaal is, blijkt uit onderstaande overwegingen uit die vergunningsbeslissing van 22 september 2022 […]: ‘De achtergevel van de woningen in het Steenbakkerserf en de Frederic Chopinlaan bevindt zich op minstens 15,00 m van hun achterste perceelsgrens, waardoor de afstand tussen hun achtergevel en de gevel van de woning, gericht naar deze gevel, 18,00 m bedraagt. De site ligt binnen de afbakeningslijn van het stedelijke gebied, conform het provinciale RUP. Een afstand van minstens 20,00 m tussen de gevels is in een stedelijke omgeving wenselijk om een minimale privacy te kunnen verwerven. Het gaat in dit project om een zijgevel en een achtergevel en de inkijk in de achtertuin van de woningen. In de directe omgeving wordt er in gelijkaardige situaties een afstand van 17,00 m tot 25,00 m bewaard. De afstand tussen de gevels is dus aanvaardbaar. Om de inkijk in de tuinen tot een aanvaardbaar minimum te beperken, wordt opgelegd de ramen vanaf de eerste verdieping op een afstand van minstens 5,00 m ten opzichte van de perceelsgrens te voorzien. Op deze manier wordt er een minimale afstand van 20,00 m tussen beide gevels bekomen. Wanneer er geen ramen voorzien worden, kan de gevel vanaf 3,00 m van de perceelsgrens opgetrokken worden. Ramen die geen uitzicht bieden op de tuinzone kunnen ook toegelaten worden, zijnde ramen die aanvangen 1,70 m boven het vloerpeil van de ruimte waar ze zich in bevinden of vaste en niet doorzichtige ramen. Dit kan opgelegd worden als voorwaarde. Op deze manier houdt het project voldoende rekening met de in de omgeving aanwezige bebouwing, zoals artikel 2.9 oplegt en voldoet de aanvraag aan de bepalingen van het RUP Kruisveld.’ Dat in voorliggend project de minimale afstand van de zijgevels tot de bestaande achtergevels van de woningen in de Frederic Chopinlaan herleid is tot minimaal 15,07 m, is dus totaal afwijkend van de andere situaties in de omgeving met zijdelingse inplanting, zonder dat de deputatie die afwijking in haar vergunningsbeslissing van 7 september 2023 verantwoordt. Bovendien was met de eerdere vergunningsbeslissing van 22 september 2022 wel gegarandeerd dat er een minimale afstand van 20,00 m bewaard bleef tussen de (ramen op) de eerste verdieping en de bestaande achtergevels van de woningen in de Frederic Chopinlaan, wat in voorliggend project niet meer het geval is. Wanneer de overheid een beslissing neemt die zonder duidelijk motief afwijkt van een eerder standpunt waarop de rechtsonderhorige rechtmatig kon vertrouwen, wordt het vertrouwensbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur dan ook geschonden.[…] Nu voor deze afwijking ten aanzien van het voorgaande standpunt in het voor de [RvVb] aangevochten deputatiebesluit van 7 september 2023 geen motief voorhanden is, ligt er dus weldegelijk een schending voor van het vertrouwensbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur op een punt waarover bezwaren werden geformuleerd ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.565 VII-42.756-12/21 voor de deputatie, maar daar wordt in het arrest van de [RvVb] zonder veel uitleg overheen gestapt. Ook op het vlak van de door [de] verzoekende partijen ontwikkelde argumentatie en bijhorende foto’s inzake het parkeren op de kavels en de daardoor veroorzaakte hinder, stapt de [RvVb] daar zonder veel uitleg overheen en wordt er gesteld dat de deputatie andersluidend heeft geoordeeld en dat niet kan worden aangenomen dat haar visie kennelijk onredelijk is. Door zijn oordeel geeft de [RvVb] dan ook een verkeerde invulling aan de motiveringsplicht in hoofde van de deputatie, tegen zijn eigen vaste rechtspraak in. Omdat uit de omgevingsvergunning van 7 september 2023 niet blijkt dat de argumentatie van de verzoekende partijen bij de beoordeling van de aanvraag betrokken geweest is, is met het arrest ten onrechte besloten tot de ongegrondheid van het tweede middel. Tevens is het vertrouwensbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur geschonden omdat in het licht van het op 22 september 2022 over de eerder ingediende aanvraag […] ingenomen standpunt over de wenselijke afstand tussen de zijgevels van de woningen op de ontworpen kavels en de achtergevel van de woning van [de] verzoekende partijen, door de deputatie geen deugdelijk motief werd aangeleverd ter afwijking daarvan en de [RvVb] er ten onrechte anders heeft over geoordeeld.” Beoordeling
- De kritiek dat het bestreden arrest niet of nauwelijks ingaat op, of zonder veel uitleg stapt over, bepaalde argumenten, is vreemd aan de in het middel als geschonden opgegeven bepalingen en beginselen.
- In zoverre de verzoekende partijen aanvoeren dat de RvVb een “verkeerde invulling [geeft] aan de motiveringsplicht in hoofde van de deputatie, tegen zijn eigen vaste rechtspraak in”, maken zij onvoldoende duidelijk hoe de draagwijdte van de motiveringswet of van de materiëlemotiveringsplicht als beginsel van behoorlijk bestuur door het bestreden arrest wordt miskend.
- Met de overige in het middel uiteengezette grieven nodigen de verzoekende partijen de Raad van State uit om opnieuw de wettigheidskritiek te beoordelen die zij voor de RvVb hebben aangevoerd in het tweede middel tot nietigverklaring. Het onderzoek van die grieven zou de Raad van State verplichten om in de feitelijke beoordeling van de zaak te treden. VII-42.756-13/21
- Het middel is niet ontvankelijk. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
- De verzoekende partijen voeren de schending aan van artikel 20 van het decreet van 25 april 2014 ‘betreffende de omgevingsvergunning’, artikel 2, § 1, § 6 en § 7, van het besluit van de Vlaamse regering van 10 december 2004 ‘houdende vaststelling van de categorieën van projecten onderworpen aan milieueffectrapportage’ (hierna: het besluit van de Vlaamse regering van 10 december 2004), artikel 48, § 1, van het besluit van de Vlaamse regering van 27 november 2015, de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet, de materiële- en formelemotiveringsplicht als beginselen van behoorlijk bestuur, het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel.
- Zij komen op tegen de beslissing van de RvVb tot verwerping van het derde middel dat zij hebben opgeworpen tot vernietiging van de vergunningsbeslissing. De verzoekende partijen viseren daarbij volgende motieven van het bestreden arrest: “
- Het bestreden project is een verkavelingsproject waarbij twee nieuwe, nog te bebouwen kavels worden gecreëerd voor twee vrijstaande woningen. Het wordt niet betwist dat het voorwerp van de aanvraag moet beschouwd worden als een stadsontwikkelingsproject, zoals bedoeld in bijlage III bij het project-MER-besluit. De screeningsparagraaf in de bestreden beslissing luidt als volgt: […] Uit deze overwegingen blijkt dat de verwerende partij de project-MER- screening, zoals doorgevoerd door de aanvrager, concreet heeft beoordeeld. Er wordt niet enkel aangegeven welke mogelijke effecten zijn onderzocht, maar ook om welke redenen de mogelijke milieueffecten niet aanzienlijk zijn. Het gegeven dat de verwerende partij zich aansluit bij de stellingen van de aanvrager kan op zich niet doen besluiten dat de screeningsparagraaf een loutere stijlformule is. VII-42.756-14/21
- 2.1 De verzoekende partijen voeren ook nog aan dat de project-MER-screening ontoereikend is omdat geen melding wordt gemaakt van het kappen van twaalf bomen en dus geen rekening wordt gehouden met de mogelijke effecten hiervan. 2.2 […] In de screeningsnota, die (ook) gevoegd is bij het onderdeel ‘bomenbestand’ wordt ingegaan op de ‘groenstructuren in het plangebied’. Er wordt bij het effect ‘biodiversiteit’ aangegeven: […] Uit het voorgaande blijkt dat de aanvraag en de screeningsnota dus een uitdrukkelijk onderdeel omvat dat betrekking heeft op de te rooien bomen. In zoverre de verzoekende partij[en uitgaan] van een andere premisse in [hun] middel, mist dit feitelijke grondslag. Het blijkt overigens ook dat de verwerende partij in de bestreden beslissing het kappen van bomen expliciet beschouwt als een onderdeel van de betrokken aanvraag. De verwerende partij stelt in de bestreden beslissing onder de titel ‘Natuurtoets’ dat in de betrokken aanvraag ook het rooien ‘van tien bomen (wordt) aangevraagd als stedenbouwkundige handeling, tezamen met het verwijderen van de bestaande tuinberging’. Het blijkt ook uit de overwegingen aangehaald in het vorig randnummer dat de verwerende partij in de screeningsparagraaf expliciet ingaat op het effect biodiversiteit en eveneens van oordeel is dat er geen waardevolle groenstructuren in het plangebied aanwezig zijn en dat voor de twee extra kavels geen bijkomend effect te verwachten is op de biodiversiteit. De verzoekende partij[en overtuigen] ook niet, in het licht van de concrete gegevens van het dossier, dat er sprake is van een gebrekkige screeningsnota omdat er bij de effecten ‘bodem’, ‘watersysteem’ en ‘luchtkwaliteit’ niet wordt ingegaan op het rooien van de bomen.
- De verzoekende partijen kunnen ook niet gevolgd worden in hun kritiek dat geen cumulatieve effecten zijn onderzocht. Ook hier kan, in het licht van de concrete gegevens van het dossier, niet aangenomen worden dat de screeningsnota of de beoordeling door de verwerende partij gebrekkig is. Er wordt overigens bij het effect ‘biodiversiteit’ gewezen op het beperkte aandeel van de aanvraag in het al gerealiseerde plangebied. Er kan niet worden aangenomen dat deze beoordeling onredelijk is. […]
- De verzoekende partijen bekritiseren ook nog het effect ‘watersysteem’ in de screeningsnota omdat er wordt gesteund op de naleving van de gewestelijke hemelwaterverordening die niet van toepassing is op de verkavelingsvergunning. In de screeningsnota wordt daarover het volgende gesteld: […] Ook voor dit aspect kan de screeningsnota, gegeven de hiervoor aangehaalde beoordeling en in het licht van de concrete aanvraag, niet als gebrekkig worden beschouwd.” VII-42.756-15/21
- De verzoekende partijen formuleren hiertegen volgende grieven: “Verwerende partij was met het bestuurlijk beroepschrift van [de] verzoekende partijen uitdrukkelijk geattendeerd op het in de screening veelvuldig aangevinkte ‘Nee. Er zijn geen effecten denkbaar.’, op punten waar dat niet zo vanzelfsprekend is. [De] verzoekende partijen hebben de [RvVb] met hun verzoekschrift gewezen op de zorgvuldigheidsplicht van de deputatie en op haar materiële- en formele motiveringsplicht op grond van de artikelen 2 en 3 van de [m]otiveringswet in samenhang met het motiveringsbeginsel om reden dat: - uit de screeningsparagraaf, die beperkt is tot wat de aanvragers hebben vermeld met als enige aanvulling dat ‘Uit deze projectscreening concludeert de aanvrager dat de mogelijke effecten van het voorliggend project niet aanzienlijk zijn. Deze stelling kan worden bijgetreden. Het project is niet MER-plichtig.’ geen eigen onderzoek van verwerende partij of persoonlijke toets aan de criteria in bijlage II van het DABM blijkt; - de project-m.e.r.-screeningsnota redelijkerwijs niet als ‘toereikend’ kan worden beschouwd omdat het effect van het kappen van niet minder dan 12 bomen op de bodem, het watersysteem, de biodiversiteit en de luchtkwaliteit niet vermeld is en ook niet de mogelijks cumulatieve effecten met de ontwikkeling van de andere deelzones van het RUP; - wordt besloten tot ‘geen aanzienlijke effecten’ op het watersysteem wegens het naleven van de gewestelijke hemelwaterverordening, die echter niet van toepassing is op het verkavelen. […] Opnieuw gaat de [RvVb] niet of nauwelijks in op een aantal van die onderdelen. Nog daargelaten dat de verwerende partij zich mag aansluiten bij de stellingen van de aanvrager, blijkt uit de wijze waarop dat in de vergunningsbeslissing geformuleerd is niet dat de deputatie daadwerkelijk zelf aan de criteria in bijlage II van het DABM heeft getoetst. De bomen worden met het arrest enkel in verband gebracht met het aspect ‘biodiversiteit’ maar niet met bijvoorbeeld het watersysteem of de bodem, wat des te frappanter is nu het arrest beklemtoont dat de verwerende partij in haar vergunningsbeslissing het kappen van bomen expliciet beschouwt als een onderdeel van de betrokken aanvraag. Het is overigens niet aan [de] verzoekende partijen om te overtuigen van effecten op de ‘bodem’, het ‘watersysteem’ en de ‘luchtkwaliteit’ bij het rooien van de bomen. De bewijslast wordt hier omgekeerd. Er wordt tot slot met het arrest ook niet ingegaan op de verkeerde invulling van de screening voor de impact op het watersysteem door, voor een verkaveling, verkeerdelijk te steunen op de hemelwaterverordening. Door zijn oordeel, met uitvoerige citaten uit de screening, gaat de [RvVb] voorbij aan de kern van het middel over het gebrek aan een eigen beoordeling en een inhoudelijk gebrekkige en voor water zelfs onjuiste screening. Op die wijze geeft de [RvVb] een verkeerde invulling aan de motiveringsplicht in hoofde van de deputatie nu de motivering inzake de mer-screening gebrekkig ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.565 VII-42.756-16/21 en rechtens niet toereikend was en worden tevens de artikelen 20 van het [o]mgevingsvergunningsdecreet en artikel 2, § 6, eerste lid en § 7 van het [besluit van de Vlaamse regering van 10 december 2004] geschonden omdat de [RvVb] ten onrechte heeft geoordeeld dat de m.e.r.-screeningsnota toereikend is en het deputatiebesluit van 7 september 2023 zich ter zake op behoorlijke en zorgvuldige wijze van haar onderzoeksplicht heeft gekweten. Dat dan ook tevens ten onrechte werd besloten dat het zorgvuldigheidsbeginsel niet werd geschonden.” Beoordeling
- De kritiek dat het bestreden arrest niet of nauwelijks ingaat op, of voorbijgaat aan de kern van, bepaalde argumenten, is vreemd aan de in het middel als geschonden opgegeven bepalingen en beginselen.
- In zoverre de verzoekende partijen aanvoeren dat de RvVb een “verkeerde invulling [geeft] aan de motiveringsplicht in hoofde van de deputatie”, maken zij onvoldoende duidelijk hoe de draagwijdte van de motiveringswet of van de materiëlemotiveringsplicht als beginsel van behoorlijk bestuur door het bestreden arrest wordt miskend.
- Met de overige in het middel uiteengezette grieven nodigen de verzoekende partijen de Raad van State uit om opnieuw de wettigheidskritiek te beoordelen die zij voor de RvVb hebben aangevoerd in het derde middel tot nietigverklaring. Het onderzoek van die grieven zou de Raad van State verplichten om in de feitelijke beoordeling van de zaak te treden.
- Het middel is niet ontvankelijk. VII-42.756-17/21 D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel
- De verzoekende partijen voeren de schending aan van de artikelen 1.1.3, § 2, 18°, 1.2.3, 2° en 4°, en 1.3.1.1, § 1, § 3 en § 4, van het decreet ‘betreffende het integraal waterbeleid’, gecoördineerd op 15 juni 2018 (hierna: waterwetboek), artikel 48, § 1, van het besluit van de Vlaamse regering van 27 november 2015, de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet, de materiële- en formelemotiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel als beginselen van behoorlijk bestuur.
- Zij komen op tegen de beslissing van de RvVb tot verwerping van het vierde middel dat zij hebben opgeworpen tot vernietiging van de vergunningsbeslissing. Het bestreden arrest steunt daarvoor op volgende motieven: “
- In de bestreden beslissing luidt de waterparagraaf als volgt: […] Uit deze overwegingen blijkt niet, zoals de verzoekende partijen voorhouden, dat de verwerende partij van oordeel is dat er geen watertoets geldt voor een verkavelingsaanvraag. Ze stelt wel dat er, voor de betrokken aanvraag, enkel een toename zal zijn van de bebouwde en verharde oppervlakte bij de uitvoering van de verkaveling, aangezien de betrokken aanvraag geen wegenis omvat. Ze is, samen met het college van burgemeester en schepenen, van oordeel dat de uiteindelijke bouwaanvragen moeten voldoen aan de geldende gewestelijke stedenbouwkundige hemelwaterverordening en de provinciale stedenbouwkundige verordening inzake verhardingen en dat er in die omstandigheden in alle redelijkheid kan verwacht worden dat er geen schadelijk effect wordt veroorzaakt.
- De verzoekende partijen overtuigen ook niet dat de verwerende partij, bij het beoordelen van de watertoets, in de bestreden beslissing bijzondere aandacht had moeten besteden aan het rooien van een aantal bomen en de lagere ligging van het perceel van de verzoekende partijen. Vooreerst moet er op gewezen worden dat niet elke beroepsgrief punt per punt moet weerlegd worden. Daarnaast kan niet aangenomen worden dat het rooien van een aantal kleinere bomen op een terrein een bijzonder aspect is dat in rekening moest worden gebracht bij de watertoets in de onderliggende zaak. VII-42.756-18/21 Vervolgens blijkt uit de gegevens van het dossier dat de betrokken aanvraag geen reliëfwijzigingen omvat. Bovendien blijkt niet dat het perceel van de verzoekende partijen lager is gelegen dan de betrokken kavels daar waar beide aan elkaar grenzen. De tussenkomende partijen stellen daarover dat het perceel van de verzoekende partijen afhelt en dat de voorkant van hun perceel aan de Frederic Chopinlaan mogelijks 2,5 meter lager ligt, maar dat dit niet zo is voor het volledige perceel. De perceelsgrens die grenst aan de te verkavelen percelen (het niveau van de tuinen) ligt volgens de tussenkomende partijen op dezelfde hoogte dan het te verkavelen terrein. Ook in de betrokken aanvraag zelf wordt aangegeven dat er geen of nauwelijks hoogteverschil is tussen de percelen die betrokken zijn in de aanvraag en de tuinen die eraan grenzen. De foto’s die deel uitmaken van het dossier waarover de [RvVb] beschikt, lijken de hiervoor aangehaalde gegevens ook te bevestigen.”
- De verzoekende partijen formuleren hiertegen volgende grieven: “Verwerende partij was met het bestuurlijk beroepschrift van [de] verzoekende partijen uitdrukkelijk geattendeerd op de niet deugdelijke watertoets en op het doorschuiven van de watertoets naar de toekomstige omgevingsvergunning voor de nog op te richten constructies. [De] verzoekende partijen hebben de [RvVb] met hun verzoekschrift gewezen op hun vaststelling dat er geen watertoets is gevoerd omdat er zonder meer werd besloten tot geen schadelijk effect op basis van de vaststelling van de ligging buiten een overstromingsgevoelig gebied en het gegeven dat de hemelwaterverordening niet van toepassing is op verkavelingsaanvragen zonder de aanleg van wegen. [De RvVb] gaat daar niet of nauwelijks op in met zijn vaststellingen dat er enkel een toename zal zijn van de bebouwde en verharde oppervlakte bij de uitvoering van de verkaveling zodat de uiteindelijke bouwaanvragen aan de geldende gewestelijke stedenbouwkundige hemelwaterverordening en aan de provinciale stedenbouwkundige verordening inzake verhardingen moeten voldoen. Dat het rooien van de bomen geen aspect is dat in rekening diende te worden gebracht voor de watertoets, is een argument dat niet in de omgevingsvergunning staat en hetzelfde geldt voor het gebrek aan reliëfwijzigingen in de aanvraag zodat de [RvVb] in plaats van te oordelen dat de in het deputatiebesluit vervatte motivering inzake de watertoets gebrekkig is, zelf motieven in de plaats heeft gesteld. Het is overigens met de goedgekeurde verkavelingsvoorschriften (artikel 3.1 ‘reliëfwijzigingen’) wel toegelaten om het grondpeil tussen de rooilijn en de bouwlijn te normaliseren op het aansluitende wegpeil en ook om het ontworpen peil in de voortuinstrook op gelijk niveau van de toegangsweg te brengen. De [RvVb] oordeelt dan ook ten onrechte dat de bepalingen uit het [w]aterwetboek inzake het uitvoeren van de watertoets door de ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.565 VII-42.756-19/21 vergunningverlenende overheid, waarvan [de] verzoekende partijen de schending hadden opgeworpen, niet worden geschonden nu het arrest met verwijzing naar hogervermelde overwegingen ervan uitgaat dat deze watertoets weldegelijk werd gevoerd. Door zijn beoordeling schendt de [RvVb] in elk geval artikel 1.1.3, § 2, 18° [van het w]aterwetboek omdat op grond van de in het deputatiebesluit opgenomen overwegingen dat het goed niet in een overstromingsgevoelige zone ligt en verkavelingen zonder de aanleg van nieuwe wegenis buiten het toepassingsgebied van de hemelwaterverordening vallen, niet besloten kan worden dat er geen ‘schadelijk effect’ is in de zin van artikel 1.1.3, § 2, 18° [van het w]aterwetboek en deze motivering dan ook rechtens niet draagkrachtig is. Uit de omgevingsvergunning van 7 september 2023 blijkt al evenmin of en hoe de argumentatie van de verzoekende partijen bij de beoordeling betrokken geweest is, zodat ook om die reden de motiveringsplicht in hoofde van de deputatie geschonden is en de [RvVb] er ten onrechte anders heeft over geoordeeld.” Beoordeling
- De kritiek dat het bestreden arrest niet of nauwelijks ingaat op, of voorbijgaat aan de kern van, bepaalde argumenten, is vreemd aan de in het middel als geschonden opgegeven bepalingen en beginselen.
- De kritiek dat de RvVb de aangevoerde gebrekkige motivering van het bestreden vergunningsbesluit heeft vervangen door een eigen motivering, berust op een verkeerde lezing van het arrest. Met de bekritiseerde motieven van het bestreden arrest zet de RvVb enkel de redenen uiteen waarom de verzoekende partijen niet overtuigen dat de verwerende partij, bij het beoordelen van de watertoets, bijzondere aandacht had moeten besteden aan het rooien van een aantal bomen en de lagere ligging van het perceel van de verzoekende partijen. In zoverre de verzoekende partijen uit deze kritiek een schending afleiden van de bepalingen van de motiveringswet of van de materiëlemotiveringsplicht als beginsel van behoorlijk bestuur, mist hun kritiek dan ook feitelijke grondslag.
- Met de overige in het middel uiteengezette grieven nodigen de verzoekende partijen de Raad van State uit om opnieuw de wettigheidskritiek te beoordelen die zij voor de RvVb hebben aangevoerd in het vierde middel tot ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.565 VII-42.756-20/21 nietigverklaring. Het onderzoek van die grieven zou de Raad van State verplichten om in de feitelijke beoordeling van de zaak te treden.
- In zoverre het ontvankelijk is, is het middel ongegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
- De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 400 euro, elk voor de helft, en een bijdrage van 24 euro. De tussenkomende partijen worden verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 600 euro, elk voor een vierde. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op dertig april tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Francis Van Nuffel, staatsraad, Frédéric Vanneste, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-42.756-21/21 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.565 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div