id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.580 Rolnummer: A. 247828/XIV-40138 Zaak: Arrest 266580 - Overheidsopdrachten - 05/05/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-05-07 Raadplegingen: 48 - laatst gezien 2026-06-18 11:20 Fiche Arrest nr 266.580 van 5 mei 2026 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.580 no lien 289122 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 266.580 van 5 mei 2026 in de zaak A. 247.828/XIV-40.138 In zake: de BV T. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Bronders kantoor houdend te 8400 Oostende Zandvoordestraat 444 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de STAD IEPER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Anthony Poppe, Ellen Verschuere en Pieter Cnudde, kantoor houdende te 9052 Gent Bollebergen 2A, bus 20 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 7 april 2026, strekt tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “de gemotiveerde beslissing van het College van Burgemeester en Schepenen van de Stad Ieper van 23 maart 2026, waarbij de opdracht ‘Organisatie Ieper Awards 2026’ werd gegund aan de economisch meest voordelige inschrijver, zijnde [de bv C.]”. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij beschikking van 8 april 2026 werd, in samenspraak met het aangeduide lid van het auditoraat, de procedurekalender vastgesteld. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. XIV-40.138-1/22 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 29 april 2026 om 11:00 uur. Staatsraad Inge Vos heeft verslag uitgebracht. Advocaat Bart Bronders, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Anthony Poppe, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Frederick Ongena heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De verwerende partij schrijft een overheidsopdracht voor diensten uit met als voorwerp ‘Organisatie Ieper Awards 2026’. Als plaatsingsprocedure wordt gekozen voor een onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking, waarbij verwezen wordt naar artikel 89, § 1, 2° van de wet van 17 juni 2016 ‘inzake overheidsopdrachten’ (hierna: wet van 17 juni 2016) 3.
- Drie ondernemingen, onder wie de verzoekende partij, worden uitgenodigd om een offerte in te dienen. 3.
- In het op de opdracht toepasselijke bijzonder bestek wordt het voorwerp ervan als volgt nader omschreven: “Deze overheidsopdracht heeft betrekking op de organisatie, coördinatie en uitvoering van de Ieper Awards 2026, een grootschalig gala-evenement met als doel het erkennen en in de kijker zetten van uitzonderlijk XIV-40.138-2/22 ondernemerschap binnen de Stad Ieper. De opdracht betreft een opdracht van diensten en wordt gegund als een globale en geïntegreerde opdracht (turnkey), waarbij de kandidaat instaat voor de volledige voorbereiding, uitvoering, coördinatie en opvolging van het evenement. Hierbij werkt de kandidaat samen met Ieperse bedrijven. Het maximaal beschikbare budget voor de vaste kosten van deze opdracht bedraagt €50.000,00 excl. btw, voor de variabele kosten 110 euro excl. btw per persoon. De aanbestedende overheid staat, voor eigen rekening, in voor sponsorwerving en ticketverkoop. Het event omvat een galadiner met acts, optredens, muziek, uitreiking van prestigieuze awards, afterparty, een uitgesproken luxueuze beleving en een hoogstaande culinaire avond. Hierbij is de dresscode ‘casual chic’. Het evenement vindt plaats op maandag 26 oktober 2026 in Van Mossel Mercedes-Benz, Zwaanhofweg 8 te 8900 Ieper, met een geraamd aantal aanwezigen van 550 personen, met een maximum van 700 personen.” Punt I.3 van het bestek bepaalt inzake de prijsvaststelling het volgende: “De kandidaat dient zijn prijsvoorstel verplicht op te splitsen in: • vaste kosten (maximaal €50.000,00 excl. btw): kosten die onafhankelijk zijn van het aantal deelnemers; o concept & projectmanagement; o techniek (licht, geluid en video); o podium en scenografie; o acts en presentatie; o organisatie en coördinatie; o veiligheid en infrastructuur. • variabele kosten (maximaal €110 excl. btw per persoon): kosten die afhankelijk zijn van het aantal deelnemers. De variabele kosten moeten worden uitgedrukt per persoon. Ze omvatten de kosten van het cateringconcept (incl. personeelsinzet). Indien de totale kostprijs het maximaal beschikbare budget overschrijdt, wordt de offerte als onregelmatig beschouwd. De aanbestedende overheid staat, voor haar rekening, in voor sponsorwerving en ticketverkoop. De aanbestedende overheid behoudt zich het recht voor om offertes die kennelijk onrealistische, inconsistente of niet-marktconforme prijsstructuren bevatten, te weren overeenkomstig de regelgeving inzake overheidsopdrachten.” Het bestek vermeldt als gunningscriteria: XIV-40.138-3/22 “ ” Het gunningscriterium ‘Cateringconcept’ (weging 20 punten) wordt in het bestek als volgt omschreven: “De catering dient als volgt te worden georganiseerd: • Staande receptie: o tafel bites en bediening van 5-tal verfijnde hapjes o voldoende receptietafels met minstens één barkruk per receptietafel • Zittend diner: o voorgerecht, hoofdgerecht en nagerecht • Dranken: o kwaliteitsvolle dranken worden vanaf 19u30 26/10/2026 tot 3u00 27/10/2026 geserveerd Het cateringvoorstel omvat o.a. een gedetailleerde opgave van: • het aantal tafels en hun diameter die voor het zittend diner worden voorzien; • het aantal receptietafels en barkrukken; • het aantal en omschrijving van de hapjes; • een menuvoorstel voor het diner; • de personeelsinzet voor bediening van het diner bij een bezetting van 550 personen. Dit criterium beoordeelt de kwaliteit, coherentie, haalbaarheid van het voorgestelde cateringconcept als integraal onderdeel van het evenement. De jury beoordeelt in welke mate het cateringconcept bijdraagt aan de totaalbeleving van de Ieper Awards en in hoeverre het voorstel een gevoel van kwaliteit en verfijning (“luxe”) uitstraalt, zowel in menu-opbouw, presentatie als service. Voorstellen die aantonen dat er een samenwerking wordt opgezet met meerdere Ieperse gespecialiseerde cateringpartners, kunnen een bijkomende meerwaarde vormen, voor zover deze aantoonbaar bijdragen tot de kwaliteit, haalbaarheid en coherentie van het cateringconcept. De inschrijver omschrijft in zijn offerte, per element van het cateringluik, met welke partijen hij zal samenwerken. De beoordeling gebeurt onder meer op basis van: • de inhoudelijke kwaliteit en originaliteit van het cateringconcept en de hierboven gevraagde gedetailleerde opgave; XIV-40.138-4/22 • de organisatie en uitvoering, met inbegrip van logistiek, personeelsinzet, timing en operationele haalbaarheid; • de aandacht voor duurzaamheid, waaronder het gebruik van lokale producten. Weging Het gunningscriterium zal globaal geëvalueerd worden op basis van volgende weging: • Uitstekend (20/20) • Zeer goed (18/20) • Goed (16/20) • Ruim voldoende (14/20) • Voldoende (12/20) • Matig (10/20) • Onvoldoende (8/20) • Ruim onvoldoende (6/20) • Slecht (4/20) • Zeer slecht (2/20)” Het gunningscriterium “Prijs catering” (weging 20 punten) wordt in het bestek als volgt omschreven: “Het voorstel voor het cateringconcept wordt uitgedrukt in een prijs excl. btw per persoon. De prijs omvat de vergoeding voor de uitgeruste tafels, stoelen, receptietafels, barkrukken, kost van receptiebites en -hapjes, het diner en de dranken van 19u30 26/10/2026 tot 3u00 27/10/
- Er is een maximumprijs van 110 euro excl. btw per persoon ingesteld. De beoordeling gebeurt louter op basis van de prijs. Weging Gunstigste prijs krijgt 20 punten, per sprong van 1 euro excl. btw per persoon in meer, daalt de score voor de volgende inschrijver met 1 punt.” 3.
- Drie inschrijvers, onder wie de verzoekende partij, dienen een offerte in. 3.
- Op 20 maart 2026 wordt een verslag van nazicht van de offertes opgesteld. Daarin worden alle inschrijvers geselecteerd en worden de offertes van de geselecteerde inschrijvers als regelmatig beschouwd, waarbij noch substantiële, noch niet-substantiële onregelmatigheden worden vastgesteld. De offertes van de drie inschrijvers worden vervolgens getoetst aan de gunningscriteria, hetgeen leidt tot de volgende finale rangschikking van de regelmatige offertes (gerangschikt volgens totale score: XIV-40.138-5/22 “ Nr. Naam Score Prijs excl. btw Prijs incl. btw 1 [bv C.] 86 % 109.885,00 EUR 132.960,85 EUR 2 [verzoekende 85 % 109.452,09 EUR 132.437,03 EUR partij] 3 [derde inschrijver] 82 % 109.842,48 EUR 132.909,40 EUR ” Wat het gunningscriterium ‘Cateringconcept’ betreft, behaalt de offerte van de verzoekende partij een score van 20 punten, hetgeen als volgt wordt gemotiveerd: “Positief: -lokale catering partners […] - 2 cateringvoorstellen - tot 03u00” De offerte van de bv C. behaalt voor dit gunningscriterium een score van 18 punten op grond van de volgende motivering: “Positief: -lokale cateringpartners […] -menu volgens kleurenpallet (thema kleurenspectrum) Negatief: -85 EUR excl. BTW (=> culinair hoogstaand: budget optrekken naar 95 EUR excl. BTW) -niet inbegrepen: keukenuitrusting, glaswerk, bediening na 01u00” Wat het gunningscriterium ‘prijs catering’ betreft, behaalt de bv C. een score van 20 punten, tegenover een score van 19 punten voor de verzoekende partij. Op basis van de finale rangschikking wordt voorgesteld om de opdracht te gunnen aan de bv C. 3.
- Op 23 maart 2026 beslist het college van burgemeester en schepenen van de stad Ieper om de opdracht te gunnen aan de bv C. overeenkomstig het verslag van nazicht van de offertes dat integraal deel uitmaakt van deze beslissing. XIV-40.138-6/22 Dit is de bestreden beslissing. 3.
- Met een aangetekend schrijven en e-mailbericht van 26 maart 2026 wordt aan de verzoekende partij meegedeeld dat de opdracht aan een andere inschrijver werd gegund. IV. Verzoek tot vertrouwelijke behandeling van bepaalde stukken
- Beide partijen vragen om de vertrouwelijke behandeling van bepaalde door hen neergelegde stukken die zij in de inventaris als vertrouwelijk aanduiden en waarbij zij ook de redenen opgeven waarom zij om die vertrouwelijke behandeling vragen. Er zijn geen gronden aangevoerd door de partijen om het aangevoerde vertrouwelijk karakter ervan, althans in deze fase van het geding, te lichten. V. Regelmatigheid van de rechtspleging A. Betreffende de eis tot samenvatting van de aangevoerde grieven
- Artikel 2, § 1, tweede tot vierde lid, van het besluit van de regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: de algemene procedureregeling) is op grond van artikel 8, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 19 november 2024 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding en tot wijziging van diverse besluiten betreffende de procedure voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: het koninklijk besluit van 19 november 2024) – dat immers verwijst naar artikel 4, § 1, tweede lid van dat besluit – van toepassing op een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid waarin, zoals te dezen, nog geen verzoekschrift tot nietigverklaring is ingediend. De vordering moet bijgevolg een samenvatting van het middel bevatten als voor het middel een verdere uiteenzetting nodig is. XIV-40.138-7/22 Luidens voornoemd artikel 2, § 1, derde lid, van de algemene procedureregeling kan de ontstentenis van de samenvatting van de grief niet leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het middel, maar luidens het verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit van 21 juli 2023 dat deze verplichting invoerde, heeft “die ontstentenis […] als enig mogelijk gevolg voor de verzoeker dat de draagwijdte van zijn grief niet correct samengevat en dus begrepen wordt in het verslag van de auditeur en in het arrest” (BS 26 juli 2023, 62630).
- Het verzoekschrift bevat weliswaar een uiteenzetting van het enig middel, maar het middel bevat geen samenvatting van de grieven in de zin van de voornoemde bepalingen, terwijl het verzoekschrift omstandige toelichtingen over meerdere pagina’s bevat, waarin de verzoekende partij in detail en concreter ingaat op de argumenten die volgens haar het middel ondersteunen. Het komt aan de Raad van State niet toe om, in de plaats van deze partij, te doen wat die partij moet doen. Uit wat voorafgaat volgt dat, zeker in een kortgedingprocedure ingeleid bij uiterst dringende noodzakelijkheid waarin ook het recht van verdediging van de overige partijen is beperkt, de verzoekende partij moet verdragen dat de Raad van State de grieven begrijpt als hierna is gedaan. B. Betreffende de eis tot samenvatting van de argumenten van de verwerende partij
- Sinds 1 januari 2025 geldt als een van de algemene procedureregels die van toepassing zijn op elke vordering tot schorsing (hoofdstuk I van titel II van het koninklijk besluit van 19 november 2024), de verplichting dat, wanneer voor het beantwoorden van de middelen een nadere uiteenzetting nodig is, de nota met opmerkingen een samenvatting moet bevatten van de argumenten van de verwerende partij (art. 7, § 1, van het koninklijk besluit van 19 november 2024). Bij gebreke aan een afwijkende bijzondere regeling in hoofdstuk II van titel II van hetzelfde koninklijk besluit, is deze algemene verplichting eveneens van toepassing op een vordering tot schorsing die, zoals in dit geval, wordt ingesteld bij uiterst dringende noodzakelijkheid. XIV-40.138-8/22 Derhalve moet de nota met opmerkingen een samenvatting van de aangevoerde argumenten bevatten, telkens wanneer voor het beantwoorden van de middelen een nadere uiteenzetting noodzakelijk is.
- In dit geval omvat het antwoord van de verwerende partij op het aangevoerde middel uitvoerige opmerkingen, verspreid over meerdere bladzijden, waarin zij gedetailleerd en concreet ingaat op de argumenten die haar standpunt moeten schragen. Hoewel zij een samenvatting verstrekt van het door de verzoekende partij aangevoerde middel, verzuimt zij een samenvatting te geven van haar eigen argumenten. Het komt aan de Raad van State niet toe om, in de plaats van deze partij, te doen wat die partij moet doen. Uit wat voorafgaat volgt dat, zeker in een kortgedingprocedure ingeleid bij uiterst dringende noodzakelijkheid waarin ook het recht van verdediging van de overige partijen is beperkt, de verwerende partij moet verdragen dat de Raad van State de argumenten begrijpt als hierna is gedaan. VI. Ontvankelijkheid van de vordering Uiteenzetting van de exceptie
- De verwerende partij werpt in de nota een exceptie van niet- ontvankelijkheid van de vordering op, genomen uit een gebrek aan belang, omdat de verzoekende partij zich zou bevinden in een geval van (verplichte) uitsluitingsgrond uit hoofde van sociale en fiscale schulden, zodat niet blijkt dat een schorsing of vernietiging van de bestreden beslissing haar een concreet voordeel kan opleveren. Zij verwijst daarbij naar artikel 68 van de wet van 17 juni 2016, welke bepaling volgens haar overeenkomstig artikel 89, § 3, van diezelfde wet, van toepassing is op de huidige gunningsprocedure. De verwerende partij voegt daaraan toe dat de verzoekende partij niet aantoont dat zij deze situatie geregulariseerd heeft bij het instellen van haar vordering en hierover geen enkele uitleg of rechtvaardiging heeft opgenomen in haar offerte, noch in haar verzoekschrift. XIV-40.138-9/22 Beoordeling
- De Raad van State kan in een kort geding slechts een beperkt onderzoek wijden aan ontvankelijkheidsexcepties. Een verzoekende partij kan er zich immers minder behoorlijk tegen verweren dan in een procedure ten gronde. Daarom past het in een kort geding dat de Raad van State deze excepties eerder zou verwerpen dan aannemen tenzij indien zijn beperkt onderzoek uitwijst dat een dergelijke exceptie een hoge graad van ernst vertoont.
- Artikel 68, § 1, van de wet van 17 juni 2016, waar de verwerende partij naar verwijst in haar exceptie en dat eveneens van toepassing lijkt in geval van de voorliggende onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking, bepaalt: “Behalve om dwingende redenen van algemeen belang en behoudens het in paragraaf 3 vermelde geval, sluit de aanbestedende overheid een kandidaat of inschrijver van deelname aan de plaatsingsprocedure uit, in welk stadium van de procedure ook, wanneer de kandidaat of inschrijver niet blijkt te voldoen aan zijn verplichtingen tot betaling van belastingen enerzijds of socialezekerheidsbijdragen anderzijds, tenzij : 1° wanneer het onbetaald gebleven bedrag het door de Koning te bepalen bedrag niet overschrijdt; of 2° wanneer de kandidaat of inschrijver kan aantonen dat hij op een aanbestedende overheid of op een overheidsbedrijf, één of meer schuldvorderingen bezit die zeker, opeisbaar en vrij van elke verbintenis tegenover derden zijn. Deze schuldvorderingen moeten ten minste gelijk zijn aan de achterstallige afbetaling van de fiscale dan wel de sociale schulden verminderd met het door de Koning in uitvoering van de bepaling onder 1° bedoelde drempelbedrag. Indien de aanbestedende overheid vaststelt dat de fiscale dan wel sociale schulden het in het eerste lid, onder 1°, vermelde bedrag overschrijden, vraagt ze de kandidaat of inschrijver of deze zich in een in het eerste lid, onder 2°, bedoelde situatie bevindt. De aanbestedende overheid geeft elke ondernemer echter de kans om zich in de loop van de plaatsingsprocedure in regel te stellen ten opzichte van de sociale en fiscale verplichtingen nadat ze een eerste maal heeft vastgesteld dat de kandidaat of inschrijver op dit vlak niet voldeed aan de eisen. Ze stelt de ondernemer hiervan in kennis. Vanaf deze kennisgeving geeft de aanbestedende overheid de ondernemer een termijn van vijf werkdagen om het bewijs te geven van zijn regularisatie. Van deze regularisatie kan slechts éénmalig gebruik gemaakt worden. Deze termijn gaat in de dag die volgt op de kennisgeving. Voor de berekening van deze termijn is verordening nr. 1182/71 van de Raad van 3 juni 1971 houdende vaststelling van de regels die XIV-40.138-10/22 van toepassing zijn op termijnen, data en aanvangs- en vervaltijden, niet van toepassing.” Ter staving van haar exceptie legt de verwerende partij ook twee attesten voor van 12 maart 2026 waaruit sociale en fiscale schulden in hoofde van de verzoekende partij blijken.
- Volgens artikel 15 van de wet van 17 juni 2013 ‘betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies’ (hierna: wet van 17 juni 2013), gelezen in samenhang met artikel 14 van die wet, kan de Raad van State de tenuitvoerlegging van “beslissingen van de aanbestedende instanties” schorsen “op verzoek van elke persoon die een belang heeft of heeft gehad om een bepaalde opdracht […] te krijgen en die door de beweerde schending is of dreigt te worden benadeeld”. Het belangvereiste is overgenomen uit artikel 65/14 van de wet van 24 december 1993 ‘betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten’, ingevoegd bij de wet van 23 december
- Uit de parlementaire voorbereiding van die wetsbepaling blijkt dat de wetgever met betrekking tot het begrip “belang” een ruime interpretatie voor ogen stond, naar het voorbeeld van de ter zake toepasselijke regels van het recht van de Europese Unie, en zulks “om de moeilijkheden te vermijden die zouden kunnen voortvloeien uit een strikte toepassing van het begrip ‘belang’ als bedoeld in [artikel] 19 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State” (memorie van toelichting, Parl.St. Kamer 2009-2010, nr. 2276/001, 28).
- Te dezen wordt vastgesteld dat de verzoekende partij in haar enig middel onder meer een schending aanvoert van artikel 4 van de wet van 17 juni 2016 omdat de verwerende partij de inschrijvers, onder wie de verzoekende partij, niet op gelijke wijze zou hebben behandeld. Voorts blijkt niet dat de vermeende aanwezigheid van de voormelde uitsluitingsgrond in hoofde van de verzoekende partij in het verslag van XIV-40.138-11/22 nazicht, waar de bestreden beslissing op steunt, door de verwerende partij is vastgesteld, laat staan ingeroepen om de verzoekende partij uit te sluiten. Onder punt 4 ‘Uitsluitingsgronden en kwalitatieve selectie van de inschrijvers’ van dat verslag wordt in het kader van het nazicht van de verzoekende partij wat de verplichtingen tot betaling van belastingen en socialezekerheidsbijdragen betreft, immers telkens vermeld “OK”, waarna de verzoekende partij wordt geselecteerd. Uit voormeld artikel 68, § 1, van de wet van 17 juni 2016 volgt bovendien dat “indien de aanbestedende overheid vaststelt dat de fiscale dan wel sociale schulden het in het eerste lid, onder 1°, vermelde bedrag overschrijden, […] ze de kandidaat of inschrijver [vraagt] of deze zich in een in het eerste lid, onder 2°, bedoelde situatie bevindt. Uit deze bepaling volgt ook dat, “behalve om dwingende redenen van algemeen belang en behoudens het in paragraaf 3 vermelde geval” alvorens te beslissen een inschrijver uit te sluiten, een aanbestedende overheid deze inschrijver de kans dient te geven om zich binnen de vijf werkdagen in regel te stellen ten opzichte van de sociale en fiscale verplichtingen nadat zij een eerste maal heeft vastgesteld dat die op dit vlak niet voldeed aan de eisen. Zelfs indien de vermelding in het verslag van nazicht een materiële vergissing zou betreffen, zoals de verwerende partij ter terechtzitting opwerpt, toont zij niet aan dat zij gehandeld heeft in overeenstemming met de voormelde voorafgaande verplichtingen, zodat evenmin bij voorbaat lijkt vast te staan dat de opdracht niet aan de verzoekende partij kon worden gegund. Het gegeven dat de verzoekende partij hierover zelf geen uitleg of rechtvaardiging zou hebben opgenomen in haar offerte doet hier op het eerste gezicht niet aan af. Hetzelfde geldt op het eerste gezicht wat de argumentatie van de verwerende partij betreft dat de verzoekende partij nagelaten zou hebben om deze situatie te regulariseren bij het instellen van haar vordering dan wel om hierover een rechtvaardiging op te nemen in haar verzoekschrift, te meer daar de verzoekende partij niet werd uitgesloten van de opdracht.
- De exceptie wordt in de huidige stand van het geding dan ook verworpen. XIV-40.138-12/22 VII. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, §§ 1, 5 en 6, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, gelezen in samenhang met de artikelen 15 en 31 van de wet van 17 juni 2013, moet enkel worden onderzocht of in de voorliggende vordering tot schorsing die is ingesteld volgens de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, een ernstig middel waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling of een klaarblijkelijke onwettigheid wordt aangevoerd. VIII. Onderzoek van het enig middel Standpunt van de partijen
- Het eerste en enig middel is genomen uit de schending van de artikelen 4, 66, § 1, 1°, en 81, § 1, van de wet van 17 juni 2016, artikel 76 van het koninklijk besluit van 18 april 2017 ‘plaatsing overheidsopdrachten in de klassieke sectoren’ (hierna: koninklijk besluit van 18 april 2017), de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: wet van 29 juli 1991) juncto de bepalingen van de wet van 17 juni 2013, en de beginselen van behoorlijk bestuur, “waaronder de materiële motiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel, en het gelijkheids- en transparantiebeginsel”. De verzoekende partij betoogt in essentie dat de artikelen 4, 66, § 1, 1°, en 81, § 1, van de wet van 17 juni 2016 noodzakelijk veronderstellen dat de offertes worden vergeleken op basis van eenzelfde prestatie-inhoud en met inachtneming van de minimumeisen van het bestek. Uit de omschrijving van de gunningscriteria ‘Cateringconcept’ en ‘Prijs Catering’ in het bestek blijkt volgens haar voldoende duidelijk dat de bediening van dranken vanaf 19.30 uur tot 3.00 uur deel uitmaakte van de gevraagde prestatie-inhoud voor het cateringluik. Die verplichting is niet bijkomstig, maar raakt rechtstreeks aan de omvang van de te leveren dienst, aan de personeelsinzet en aan de prijszetting, zodat een offerte die slechts bediening voorziet tot 1.00 uur, zoals te dezen de offerte van de gekozen XIV-40.138-13/22 inschrijver, afwijkt van het bestek op een element dat de economische en functionele vergelijkbaarheid van de offertes rechtstreeks beïnvloedt. Door niettemin de offerte van de gekozen inschrijver zonder meer in de vergelijking te betrekken, en haar zelfs de maximumscore toe te kennen voor de prijs van de catering hoewel haar prijs geen rekening hield met de volledige in het bestek vereiste prestatieomvang, heeft de verwerende partij de inschrijvers niet op gelijke voet behandeld. Een inschrijver die een beperktere dienstverlening aanbiedt, kan immers een lagere prijs voorstellen en aldus een concurrentieel voordeel genieten ten opzichte van inschrijvers die wél het volledige bestek respecteren. Daarenboven blijkt noch uit het bestreden besluit, noch uit het verslag van nazicht van de offertes, dat de verwerende partij de vastgestelde afwijking juridisch heeft gekwalificeerd. Er wordt nergens uitdrukkelijk onderzocht of de bediening tot 1.00 uur een substantiële dan wel niet substantiële onregelmatigheid uitmaakt. Evenmin blijkt dat de verwerende partij zich de vraag heeft gesteld of deze onregelmatigheid noopte tot wering van de offerte, dan wel of regularisatie aangewezen of mogelijk was. De beoordeling in het verslag van nazicht is volgens de verzoekende partij ook intern tegenstrijdig waar de vastgestelde afwijking enerzijds als een minpunt wordt vermeld bij de kwalitatieve beoordeling van het cateringconcept, maar anderzijds zonder enige dragende motivering wordt geneutraliseerd bij de prijsbeoordeling, waar de betrokken inschrijver toch de maximumscore verkrijgt. De bestreden beslissing en het eraan ten grondslag liggende verslag van nazicht laten volgens de verzoekende partij bijgevolg niet toe na te gaan op welke in rechte aanvaardbare gronden de offerte van de gekozen inschrijver als regelmatig en volledig vergelijkbaar met de andere offertes werd beschouwd. Juist omdat de verwerende partij zelf heeft vastgesteld dat de bediening slechts was voorzien tot 1.00 uur, diende zij ofwel te oordelen dat een wezenlijke bestekvereiste niet werd nageleefd, met de daaraan verbonden gevolgen voor de regelmatigheid van de offerte, ofwel uitdrukkelijk te motiveren waarom die afwijking geen afbreuk deed aan de vergelijkbaarheid van de offertes en waarom regularisatie niet nodig was. Geen van beide is gebeurd. XIV-40.138-14/22 De motivering is aldus ontoereikend, omdat zij niet de feitelijke en juridische redenen vermeldt waarom een manifeste afwijking van de gevraagde prestatieomvang zonder verdere gevolgen is gebleven. Zij is tevens materieel gebrekkig, omdat de beslissing uitgaat van een vergelijking tussen offertes die inhoudelijk niet op identieke basis zijn opgesteld. Ten slotte is de beslissing onzorgvuldig en kennelijk onredelijk, omdat een zorgvuldig handelende aanbestedende overheid zich minstens expliciet had moeten uitspreken over de regelmatigheid van de betrokken offerte en de gevolgen daarvan voor de rangschikking.
- De verwerende partij werpt in haar nota met opmerkingen een exceptie van niet-ontvankelijkheid van het middel op. Zij stelt daarbij in de eerste plaats dat het geschonden geachte artikel 76 van het koninklijk besluit van 18 april 2017 niet van toepassing is aangezien de voorliggende opdracht betrekking zou hebben op cateringdiensten en het aldus zou gaan om een overheidsopdracht voor sociale en andere specifieke diensten, onder de Europese bekendmakingsdrempels. Uit het administratief dossier blijkt volgens haar ook dat geen enkele ingediende offerte volledig conform was aan de bepalingen van het bestek. Aangezien de offerte van de verzoekende partij zelf niet voldoet aan verschillende bestekbepalingen heeft zij volgens de verwerende partij geen belang bij het middel waarin gesteld wordt dat de offerte van de gekozen inschrijver geen bediening van dranken inhoudt tussen 01.00 en 03.00 uur en een aantal posten zouden ontbreken. Wat de ernst van het middel betreft, herhaalt zij dat artikel 76 van het koninklijk besluit van 18 april 2017, overeenkomstig artikel 4 van datzelfde besluit, niet van toepassing is in het kader van de voorliggende onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking in een overheidsopdracht voor sociale en specifieke andere diensten, zodat het middel in elk geval niet ernstig is voor zover het gehaald wordt uit de schending van deze bepaling. Voorts mist de kritiek van de verzoekende partij dat bepaalde elementen niet in de prijs zouden zijn opgenomen (glaswerk en keukenuitrusting) volgens de verwerende partij feitelijke grondslag aangezien het bestek nergens XIV-40.138-15/22 uitdrukkelijk vereist dat het glaswerk en de keukenuitrusting in de prijs moesten worden opgenomen. Zij doet gelden dat aangezien artikel 76 van het koninklijk besluit van 18 april 2017 en het daarin voorziene formele regelmatigheidsonderzoek niet van toepassing is, de aanbestedende overheid over een ruime beoordelingsmarge beschikt bij de beoordeling van de offertes. In casu blijkt volgens haar uit het verslag van nazicht dat de verwerende partij zich bewust was van de door de verzoekende partij aangehaalde afwijking inzake de bediening tot 01.00 uur, en dat deze effectief in rekening werd gebracht bij de beoordeling van de offertes. Meer bepaald werd de beperkte duur van de drankbediening door de gekozen inschrijver negatief beoordeeld in het kader van het gunningscriterium ‘Cateringconcept’, wat resulteerde in een lagere score op dit criterium. Deze afwijking verhindert volgens de verwerende partij op zich geen eerlijke vergelijking van de offertes. De betrokken bestekbepaling werd immers niet uitdrukkelijk als een minimumeis of substantiële vereiste omschreven, om welke reden de verwerende partij geoordeeld heeft dat deze afwijking er niet voor zorgde dat de offerte van de gekozen inschrijver onregelmatig was, maar wel een impact had op de kwalitatieve beoordeling ervan. Zij herhaalt dat ook de offertes van andere inschrijvers, waaronder de offerte van de verzoekende partij, afwijkingen vertoonden op de bestekbepalingen, onder meer met betrekking tot de elementen die in de aangeboden prijs voor de catering vervat moesten zitten en dat de verwerende partij deze afwijkingen op een consistente wijze heeft beoordeeld binnen het kader van de gunningscriteria, zonder bepaalde inschrijvers gunstiger te behandelen dan anderen zodat er volgens haar geen sprake is van een discriminerend voordeel dat exclusief aan de gekozen inschrijver zou zijn toegekend. Voorts faalt volgens de verwerende partij ook de kritiek inzake de vermeende schending van de motiveringsplicht. Uit het gunningsverslag en de bestreden beslissing blijkt op afdoende wijze welke elementen in aanmerking werden genomen bij de beoordeling van de offertes en waarom de offerte van de gekozen inschrijver als de economisch meest voordelige werd beschouwd. De ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.580 XIV-40.138-16/22 motivering laat de verzoekende partij toe de redenen van de beslissing te begrijpen. Zij benadrukt ten slotte dat de verzoekende partij evenmin aantoont dat zij de grenzen van haar beoordelingsmarge heeft overschreden, noch dat zij kennelijk onredelijk of onzorgvuldig heeft gehandeld. Beoordeling
- Ter terechtzitting doet de verzoekende partij afstand van het enig middel in zoverre daarin een schending wordt aangevoerd van artikel 76 van het koninklijk besluit van 18 april
- De exceptie van niet-ontvankelijkheid van het enig middel in zoverre een schending van deze bepaling wordt aangevoerd, behoeft dan ook geen beoordeling.
- De verwerende partij werpt voorts in de nota met opmerkingen een exceptie van niet-ontvankelijkheid van het middel op, genomen uit een gebrek aan belang, omdat de verzoekende partij zelf niet zou voldoen aan verschillende andere bestekbepalingen. Luidens het te dezen toepasselijke artikel 14 van de wet van 17 juni 2013, waarnaar artikel 15, eerste lid van diezelfde wet verwijst voor vorderingen tot schorsing, moeten de beweerde schendingen de verzoekende partij benadelen of dreigen te benadelen. Het staat aan de Raad van State te oordelen of een verzoeker die een zaak voor hem brengt, doet blijken van een belang bij het aangevoerde middel. De Raad van State dient er evenwel over te waken dat het belangvereiste niet op een buitensporig restrictieve of formalistische wijze wordt toegepast. Te dezen blijkt niet dat de vermeende onregelmatigheden in de offerte van de verzoekende partij waar de verwerende partij haar exceptie op steunt, in de bestreden beslissing door de verwerende partij werden vastgesteld, laat staan ingeroepen om de betrokken offerte te weren. Het komt niet aan de Raad van State toe om zijn eigen beoordeling in de plaats te stellen van de aanbestedende overheid en voor het eerst te oordelen dat een offerte onregelmatig is om een reden die niet in de bestreden beslissing werd opgemerkt. XIV-40.138-17/22 De exceptie van gebrek aan belang bij het middel wordt verworpen.
- Zonder dat het in de huidige stand van de procedure nodig is om de litigieuze overheidsopdracht te kwalificeren (overheidsopdracht voor diensten dan wel overheidsopdracht voor sociale diensten en andere specifieke diensten waarvoor bijzondere regels gelden), volstaat het om, zeker in een kortgedingprocedure ingeleid bij uiterst dringende noodzakelijkheid, vast te stellen dat de toepasselijkheid van de overige in het middel aangehaalde bepalingen en beginselen door de verwerende partij niet wordt betwist.
- Overeenkomstig artikel 4, eerste lid, van de wet van 17 juni 2016 dienen de aanbesteders de ondernemers op gelijke en niet-discriminerende wijze te behandelen en dienen zij op een transparante en proportionele wijze te handelen. De gelijkheid die aan de gunning van overheidsopdrachten ten grondslag ligt, veronderstelt onder meer dat degenen die voor de toewijzing van de opdracht in aanmerking willen komen, van tevoren weten wat zij daarvoor moeten doen of laten en dus met alle door de aanbestedende overheid cruciaal geachte gegevens rekening moeten kunnen houden bij het opstellen van hun offerte. Artikel 66, § 1, van de wet van 17 juni 2016 bepaalt dat overheidsopdrachten worden gegund op basis van één of meerdere gunningscriteria, vastgesteld overeenkomstig artikel 81, mits de aanbestedende overheid erop heeft toegezien dat onder meer is voldaan aan de voorwaarde dat de offerte voldoet aan de eisen, voorwaarden en criteria vermeld in de aankondiging van een opdracht en de opdrachtdocumenten, met inachtneming, indien van toepassing, van de varianten of opties. Evenzo lijkt de aanbestedende overheid op grond van het zorgvuldigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel, ertoe gehouden te zijn om na te gaan of de offertes van de inschrijvers overeenstemmen met de eisen en voorwaarden in de opdrachtdocumenten. Artikel 29/1, § 1, 2°, van de wet van 17 juni 2013 bepaalt: XIV-40.138-18/22 “§
- Voor de opdrachten waarvan de goed te keuren uitgave zonder belasting over de toegevoegde waarde de in artikel 29 § 1, eerste lid, bedoelde toepasselijke drempelbedragen niet overschrijdt, stelt de aanbestedende instantie een gemotiveerde beslissing op in onderstaande gevallen: […] 2° wanneer ze de opdracht gunt, ongeacht de procedure;” De formelemotiveringsplicht waarvan de schending wordt ingeroepen en die is vervat in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991, verplicht de administratieve overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op “afdoende” wijze. Het afdoend karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Bij de beoordeling van de naleving van de materiëlemotiveringsplicht is de Raad van State niet bevoegd om zijn oordeel omtrent de feiten in de plaats te stellen van het oordeel van de administratieve overheid. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de administratieve overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. Voorts mag enkel met de formeel uitgedrukte motieven rekening worden gehouden.
- Te dezen bepaalt punt I.3 van het op de opdracht toepasselijke bestek dat de kandidaat zijn prijsvoorstel dient op te splitsen in vaste kosten (maximaal €50.000,00 excl. btw) en variabele kosten (maximaal €110 excl. btw XIV-40.138-19/22 per persoon). Wat de variabele kosten betreft bepaalt het bestek voorts onder meer dat zij moeten worden uitgedrukt per persoon en de “kosten van het cateringconcept (incl. personeelsinzet)” omvatten. Wat de dranken betreft, bepaalt het bestek, weliswaar in het kader van de omschrijving van het gunningscriterium ‘Cateringconcept’, dat “de catering […] als volgt [dient] te worden georganiseerd: […] kwaliteitsvolle dranken worden vanaf 19u30 26/10/2026 tot 3u00 27/10/2026 geserveerd”. In het bestek wordt voorts, in het kader van de omschrijving van het gunningscriterium “Prijs catering” bepaald dat “de prijs […] de vergoeding voor de uitgeruste tafels, stoelen, receptietafels, barkrukken, kost van receptiebites en -hapjes, het diner en de dranken van 19u30 26/10/2026 tot 3u00 27/10/2026 omvat”.
- Dat de offerte van de gekozen inschrijver afwijkt van de voormelde bestekvereisten in de mate dat de bediening na 01u00 niet inbegrepen is in het door deze inschrijver voorgestelde ‘cateringconcept’ en de door hem voorgestelde ‘prijs catering’, wordt door de verwerende partij in de nota met opmerkingen niet betwist. Evenmin betwist zij dat de overige twee inschrijvers, onder wie de verzoekende partij, de personeelsinzet tussen 01u00 en 03u00 wél inbegrepen hebben in het door hen voorgestelde ‘cateringconcept’ en de door hen voorgestelde ‘prijs catering’.
- Nergens uit het verslag van nazicht, waar de bestreden beslissing op steunt, blijkt echter dat de verwerende partij heeft vastgesteld dat de offerte van de gekozen inschrijver op het voormelde punt afwijkt van het voormelde bestekvereiste. Meer nog, het verslag van nazicht, waar de bestreden beslissing op steunt, vermeldt inzake het regelmatigheidsonderzoek van de offerte van de gekozen inschrijver zelfs uitdrukkelijk dat geen substantiële onregelmatigheden, noch niet-substantiële onregelmatigheden werden vastgesteld, zodat de besluitvorming op dit punt alvast te kort lijkt te schieten aan de formelemotiveringsverplichting. Voorts wordt op het eerste gezicht vastgesteld dat noch uit de bestreden beslissing en het verslag van nazicht, noch uit de overige stukken van het administratief dossier, blijkt dat de verwerende partij op zorgvuldige wijze de ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.580 XIV-40.138-20/22 regelmatigheid van de offerte van de gekozen inschrijver heeft onderzocht. Zij blijkt integendeel zonder meer over de afwijkingen van de voormelde bestekbepalingen in de offerte van de gekozen inschrijver te zijn heengestapt. Het feit dat de verwerende partij een mindere score gaf aan de offerte van de gekozen inschrijver voor het gunningscriterium ‘cateringconcept’ is in die omstandigheden niet pertinent. Het gegeven dat ook de offertes van de andere twee inschrijvers, waaronder de offerte van de verzoekende partij, zouden afwijken van andere bestekvereisten, biedt de verwerende partij op het eerste gezicht geen vrijgeleide om voorbij te gaan aan een zorgvuldig regelmatigheidsonderzoek van de offertes en deze elementen enkel in aanmerking te nemen bij de beoordeling van de gunningscriteria. Bovendien bepaalt het bestek uitdrukkelijk dat de catering “dient” te worden georganiseerd op een wijze dat kwaliteitsvolle dranken vanaf 19u30 op 26 oktober 2026 tot 3u00 op 27 oktober 2026 worden geserveerd en dat de prijs voor de catering een vergoeding voor onder meer deze bediening tot 3u00 dient te omvatten. De libellering van de bestekvereisten lijkt aldus de interpretatie van de verzoekende partij te ondersteunen dat het gaat om een verplichting die niet bijkomstig is, maar rechtstreeks raakt aan de omvang van de te leveren dienst, aan de personeelsinzet en aan de prijszetting, zodat een offerte die slechts in een bediening voorziet tot 1.00 uur, zoals te dezen de offerte van de gekozen inschrijver, afwijkt van het bestek op een element dat de economische en functionele vergelijkbaarheid van de offertes rechtstreeks beïnvloedt. Nergens uit het verslag van nazicht blijkt waarom die afwijking geen afbreuk deed aan de vergelijkbaarheid van de offertes en waarom regularisatie niet nodig was, zodat ook op dit punt de formele motivering van de bestreden beslissing tekort lijkt te schieten. Ook lijkt de voormelde afwijking van het bestek in de offerte van de gekozen inschrijver wat de personeelsinzet betreft tot 1u00 in de plaats van de in het bestek vereiste 3u00 zijn weerslag te hebben gehad op de prijsopgave en derhalve op de vergelijkbaarheid van de offertes. Aldus lijkt ook de materiëlemotiveringsplicht geschonden en de gelijkheid onder de inschrijvers in het gedrang te zijn gekomen. XIV-40.138-21/22
- Het enig middel is in de aangegeven mate ernstig. IX. Besluit
- Het enig middel is in de aangegeven mate ernstig gebleken. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt dan ook ingewilligd. BESLISSING De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van het College van Burgemeester en Schepenen van de Stad Ieper van 23 maart 2026, waarbij de opdracht ‘Organisatie Ieper Awards 2026’ wordt gegund aan de bv C. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vijf mei tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Inge Vos, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Inge Vos XIV-40.138-22/22 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.580 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div