← België

Arrest 266592 - Overheidsopdrachten - 05/05/2026

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.592 Rolnummer: A. 247844/XIV-40139 Zaak: Arrest 266592 - Overheidsopdrachten - 05/05/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-05-07 Raadplegingen: 46 - laatst gezien 2026-06-18 11:21 Fiche Arrest nr 266.592 van 5 mei 2026 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.592 no lien 289130 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 266.592 van 5 mei 2026 in de zaak A. 247.844/XIV-40.139 In zake: de NV A. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jo Blockeel en Jos Timmermans kantoor houdend te 9300 Aalst Leo de Béthunelaan 46 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het ZORGBEDRIJF MEETJESLAND (welzijnsvereniging) bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Gitte Laenen en Robin Depoorter, kantoor houdende te 2800 Mechelen Antwerpsesteenweg 16-18 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: de NV W. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bettina Poelemans kantoor houdende te 9051 Sint-Denijs-Westrem (Gent) Jean-Baptiste de Ghellincklaan 31 bus 001 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 8 april 2026, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de gunningsbeslissing van 24 maart 2026 van de raad van bestuur van de verwerende partij “waarbij wordt besloten om (o.a.): Art. 2 - Goedkeuring te verlenen aan het samenvattend verslag en voornoemde 3 bijlagen, als onder art. 1 bedoelde procedure, gedateerd 16.03.2026 en zoals opgesteld door het architectenbureau [A.] en opgenomen in bijlage bij onderhavig XIV-40.139-1/23 besluit, waardoor in de in het samenvattend verslag opgenomen motieven door de Raad van Bestuur worden eigen gemaakt. Art. 3 - De werken voor de realisatie van een nieuw woonzorgcentrum aan het Hoeksken 29 te Evergem, zoals beschreven in het bijzonder bestek A779-WZC Ter Caele, ruwbouw, afwerking en technieken en de bijhorende opmeting van de werken, de samenvattende opmeting, de plans en de bijlagen bij het bestek, goedgekeurd bij besluit van de Raad van Bestuur dd. 16.07.2025, te gunnen aan [ d e n v W . ] , op basis van diens offerte, ontvangen op 06.01.2026, zoals aangepast overeenkomstig de wijzigingen, opgenomen in het voorliggend samenvattend verslag en de bijlagen daarbij, voor een rangschikkingsbedrag van 15.105.153,68 euro exclusief BTW. Art. 4 - Goedkeuring te verlenen aan de voorliggende bestelling aan [ d e n v W . ] voor een bedrag van 15.047.411,59 euro exclusief BTW”. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij beschikking van 9 april 2026 werd, in samenspraak met het aangeduide lid van het auditoraat, de procedurekalender vastgesteld. De verwerende partij heeft een nota met opmerkingen en een administratief dossier ingediend. Met een verzoekschrift van 21 april 2026 heeft de nv W. gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 29 april 2026, om 14.00 uur. Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht. Advocaat Jos Timmermans, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Robin Depoorter, die verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Bettina Poelemans, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Auditeur Lennard Michaux heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. XIV-40.139-2/23 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. De verwerende partij plaatst een overheidsopdracht voor werken met als voorwerp ‘Nieuwbouw WZC Ter Caele Bijzonder Bestek: A779 Ruwbouw, afwerking en technieken’ (Besteknummer: BESA779). Het betreft een openbare procedure voor aanneming van werken met de prijs als enig gunningscriterium. De opdracht is nationaal en Europees bekendgemaakt. 3.2. Wat de verbetering van de eventuele foutieve hoeveelheden van de samenvattende opmeting betreft, bepaalt het bestek ’00.01 Administratieve bepalingen – algemeen’, wat volgt: “00.03.Bepalingen bij het KB Plaatsing 00.03.01. Prijsbepaling volgens een gemengde prijsvaststelling De prijzen der verschillende posten (artikels) van de meetstaat worden vastgesteld op één der volgende wijzen (zie ook onderstaand overzicht): − Indien er in de samenvattende opmetingstaat bij een post hoeveelheden worden aangegeven, zijn dit hetzij forfaitaire hoeveelheden (FH), hetzij vermoedelijke hoeveelheden (VH). − Posten waarvoor geen hoeveelheden worden opgegeven, worden gerekend als som over geheel (SOG). Het betreft de posten waarbij de opdrachtnemer door eigen berekeningen de exacte dimensionering en hoeveelheden moet bepalen. − Voor de in het bestek opgegeven vermoedelijke hoeveelheden dient de opdrachtnemer verplicht zijn offerte op te maken op basis van de in de meetstaat voorziene hoeveelheden. De afrekening zal geschieden volgens de werkelijke uitgevoerde hoeveelheden op basis van de ingediende eenheidsprijzen, evenwel rekening houdend met hetgeen voorzien is in 00.03.01.16, betalingen. − De geleverde prestaties worden verrekend op basis van de werkelijk uitgevoerde hoeveelheden, zoals die blijken uit een tegensprekelijke opmeting van de werken of een gezamenlijk akkoord over de berekende hoeveelheden op basis van de uitvoeringsplannen. De opdrachtnemer zal in dat verband aan de opdrachtgever de berekeningen ter controle voorleggen. − Posten met forfaitaire hoeveelheden of gerekend als som over geheel worden uitgevoerd tegen een vaste globale prijs. De eenheidsprijs wordt dan enkel ten titel van inlichting gegeven. De opdrachtnemer wordt geacht de hoeveelheden van de XIV-40.139-3/23 meetstaat te hebben nagerekend en eventueel te hebben aangevuld of verbeterd vóór het indienen van zijn offerte. Zij worden in geen geval verrekend, tenzij de opdrachtgever de opdrachtnemer schriftelijk opdraagt om wijzigingen aan te brengen aan de voorziene uit te voeren werken. − Indien er in het bijzonder bestek en/of de samenvattende opmeting bij een post niet uitdrukkelijk vermeld staat dat het om een vermoedelijke hoeveelheid of een som over geheel gaat, dient de hoeveelheid van die post als forfaitair te worden beschouwd en de overeenkomst voor die post als tegen een totale prijs. − Posten op grond van voorbehouden som (VS) zijn posten op basis van een voorzien vast bedrag dat bij aanbesteding onveranderlijk is voor alle inschrijvers en door geen enkele inschrijver gewijzigd mag worden, daar deze som geen onderdeel is van de concurrentie. Bij uitvoering wordt die post vergoed op basis van de door de opdrachtnemer te leveren bewijsstukken van gemaakte werkelijke uitgaven (facturen e.d.) of volgens de procedure beschreven bij het artikel waar de prijsbepaling voorzien is. − Posten met de vermelding pro memorie (PM) zijn posten welke enkel ter titel van inlichting worden opgenomen in de detail opmeting en de samenvattende opmeting. De omvang van die werken wordt beschreven in het bijzonder bestek; de kosten daarvoor dienen in de andere posten te worden inbegrepen en verrekend. Overzicht […] Opmerkingen De inschrijver is verplicht de eenheidsprijs op te geven voor elk artikel van de samenvattende opmeting waarvoor een hoeveelheid is vermeld of dat voorzien is als SOG. De hoeveelheden van de metingstaat zijn enkel bij wijze van inlichting verstrekt. In afwijking van artikel 00.00.03, worden de gebeurlijke vergissingen of leemten in de meetstaat door de inschrijver gemeld in een nota die als bijlage bij zijn offerte dient te worden gevoegd. De inschrijver zal zich na indiening van de offerte niet kunnen beroepen op enige leemte of fout in zijn offerte. De inschrijver wijzigt de fouten die hij ontdekt in de forfaitaire hoeveelheden. De inschrijver wijzigt tevens de fouten die hij ontdekt in de vermoedelijke hoeveelheden, op voorwaarde dat de vooropgestelde verbetering minstens tien percent (10%) in meer of min van de hoeveelheid van die post in kwestie bedraagt. Voor vermelde hoeveelheidswijzigingen wordt de hoeveelheid in de meetstaat niet rechtstreeks gewijzigd, maar stelt de inschrijver die voor op een afzonderlijke verklarende nota. De inschrijver stelt tenslotte leemten voor die hij meent te ontdekken in de opmeting. De inschrijver is verplicht elke voorgestelde wijziging van hoeveelheden, in min of in meer, te staven aan de hand van zijn eigen opmetingen en berekeningen die bij zijn offerte dienen te worden gevoegd. De berekeningen dienen de bij het bestek gevoegde gedetailleerde meting van het betwiste artikel over te nemen en regel per regel aan te duiden waar de fout(

  1. en)zit(ten). Indien deze werkwijze niet wordt gevolgd kunnen de opmerkingen verworpen worden en kan de offerte als onregelmatig worden beschouwd. […].” XIV-40.139-4/23 3.3. Tien inschrijvers (waaronder de verzoekende partij en de nv. W.) dienen een offerte in. Geen enkele van de offertes bevat een substantiële onregelmatigheid; alle inschrijvers voldoen aan de selectiecriteria. 3.4. Uit het PV van opening blijkt dat volgende inschrijvers de offerte met de laagste bedragen hebben ingediend: De nv. W. 15.080.433, 29 euro De verzoekende partij 15.185.486, 80 euro 3.5. Op 16 maart 2026 wordt een verslag van nazicht opgesteld. Daaruit blijkt dat het door de verwerende partij aangestelde architectenbureau een gedetailleerd rekenkundig nazicht heeft verricht. Uit dat verslag (en bijlagen) blijkt nog dat enkel de nv W., dit is de gekozen inschrijver, een opmerking op post 54.08.11.01 (‘branddeurmagneet-opbouw wand’) formuleert, namelijk dat de forfaitaire hoeveelheid in de samenvattende opmeting (100 stuks) een overschatting zou zijn. Op basis van eigen nacalculatie aan de hand van de plannen stelt deze inschrijver 46 stuks voor. Na controle aanvaardt het architectenbureau een gecorrigeerde hoeveelheid van 45 stuks. Deze vermindering/verlaging wordt uitsluitend in het voordeel van de nv W. verrekend. Na het rekenkundig nazicht bedraagt het rangschikkingsverschil tussen de nv W. en de verzoekende partij nog slechts 892,03 euro. 3.6. Op 24 maart 2026 gunt de verwerende partij de opdracht aan de nv W. Dit is de bestreden beslissing. 3.7. Deze beslissing wordt met een e-mail en een aangetekende brief van 26 maart 2026 aan de inschrijvers ter kennis gebracht, samen met het verslag van nazicht en bijlagen. XIV-40.139-5/23 3.8. Op 1 april laat de verzoekende partij weten niet akkoord te gaan met de behandeling van post 54.08.11.01. IV. Tussenkomst 4. De nv W. blijkt voordeel te halen uit de bestreden beslissing en heeft er belang bij dat de vordering wordt afgewezen. Bijgevolg moet haar verzoek tot tussenkomst worden ingewilligd. V. Vertrouwelijkheid van bepaalde stukken 5. De verzoekende partij, de verwerende partij en de tussenkomende partij vragen om de vertrouwelijke behandeling van bepaalde door hen neergelegde stukken die zij in de inventaris als vertrouwelijk aanduiden en waarbij zij de redenen opgeven waarom zij om die vertrouwelijke behandeling vragen. Er zijn geen gronden aangevoerd door de partijen om het aangevoerde vertrouwelijk karakter ervan te lichten. De Raad van State mag overigens deze stukken in zijn beoordeling betrekken. VI. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden 6. Krachtens artikel 17, §§ 1, 5 en 6, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, gelezen in samenhang met de artikelen 15 en 31 van de wet van 17 juni 2013 ‘betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies’, moet enkel worden onderzocht of in de voorliggende vordering tot schorsing die is ingesteld volgens de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, een ernstig middel waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling of een klaarblijkelijke onwettigheid wordt aangevoerd. XIV-40.139-6/23 VII. Onderzoek van het enig middel Uiteenzetting van het middel 7. In het enig middel dat zij opsplitst in drie middelonderdelen, voert de verzoekende partij de schending aan van “in hoofdorde artikel 34, § 1, van het koninklijk besluit van ‘plaatsing overheidsopdrachten in de klassieke sectoren’ van 18 april 2017 [hierna: het koninklijk besluit van 18 april 2017]), schending van artikel 00.03.01 van de administratieve bepalingen van het Bestek, titel “Opmerkingen”, laatste lid, schending van het patere legem quam ipse fecisti beginsel, schending van in ondergeschikte orde artikel 79, § 2 iuncto artikel 86, §§ 2 [lees: § 1] en 4 van het [koninklijk besluit van 18 april 2017], schending van in meer ondergeschikte orde artikel 4, eerste lid, van de wet van 17 juni 2016 ‘inzake overheidsopdrachten’ [hierna: wet van 17 juni 2016] en van het zorgvuldigheidsbeginsel”. De verzoekende partij acht deze bepalingen geschonden; “Doordat, eerste middelonderdeel in hoofdorde, Verwerende Partij naar aanleiding van een opmerking van Belanghebbende Partij over de hoeveelheid van post 54.08.11.01, de regel van artikel 86, § 2, lid 2 [lees: artikel 86, § 1, lid 2] KB Plaatsing toepast, waarbij aan Belanghebbende Partij in het rangschikkingsbedrag van haar offerte het zogenaamde voordeel in min wordt toegekend; Terwijl, door artikel 00.03.01 van de administratieve bepalingen van het Bestek, titel “Opmerkingen”, laatste lid, de inschrijver wordt verplicht om, wanneer hij wijzigingen van hoeveelheden voorstelt, in zijn berekeningen, die hij bij zijn offerte dient te voegen, “de bij het bestek gevoegde gedetailleerde meting van het betwiste artikel over te nemen en regel per regel aan te duiden waar de fout(
  2. en)zit(ten).”; Terwijl, aldus uit het toepasselijk Bestek volgt dat de voorschriften van artikel 86 KB Plaatsing inzake de verwerking van te wijzigen hoeveelheden in de offertes (inzonderheid §§ 2 [lees: § 1] en 4) enkel toepassing vinden, indien een wijziging van een hoeveelheid van de gedetailleerde meetstaat aan de orde is; Terwijl, indien er geen sprake is van een wijziging van de hoeveelheid van de gedetailleerde meetstaat, m.a.w. indien de hoeveelheid van de gedetailleerde meetstaat correct is en bijgevolg ongewijzigd dient te blijven, het niet gaat om een wijziging van de hoeveelheid in de zin van artikel 86, §§ 2 [lees: § 1] en 4 KB Plaatsing, maar wel om een zuiver materiële fout in de samenvattende meetstaat in de zin van artikel 34, § 1 KB Plaatsing; met name werd bij de opmaak van de opdrachtdocumenten de correcte hoeveelheid van de gedetailleerde meetstaat niet of verkeerdelijk naar de samenvattende meetstaat overgebracht; XIV-40.139-7/23 Terwijl, in post 54.08.11.01 : branddeurmagneet – opbouw wand van de gedetailleerde meetstaat een forfaitaire hoeveelheid van 45 stuks is opgenomen; overeenkomstig de plannen is dit aantal de correcte hoeveelheid; in de samenvattende meetstaat werd echter een forfaitaire hoeveelheid van 100 stuks vermeld; Terwijl, aangezien de hoeveelheid van post 54.08.11.01 van de gedetailleerde meetstaat correct was, de fout in de hoeveelheid van de samenvattende meetstaat een zuiver materiële fout in de zin van artikel 34, § 1 KB Plaatsing uitmaakte, die overeenkomstig deze bepaling, aanleiding diende te geven tot een gelijkelijke verbetering in alle offertes c.q. samenvattende meetstaten van de respectieve inschrijvers; Zodat, aan Belanghebbende Partij ten onrechte en in strijd met de verplichting van artikel 00.03.01, titel “Opmerkingen”, laatste lid, van de administratieve bepalingen van het Bestek en bijgevolg met het patere legem beginsel, evenals met artikel 34, § 1 KB Plaatsing, een voordeel in haar rangschikkingsbedrag werd toegekend; en Doordat, tweede middelonderdeel in ondergeschikte orde, artikel 79, § 2, 1°, KB Plaatsing bepaalt dat de inschrijver de verbeteringen doorvoert voor de fouten die hij ontdekt in de forfaitaire hoeveelheden van de samenvattende meetstaat, en deze verbeteringen vervolgens overeenkomstig artikel 86, §§ 2 [lees: § 1] en 4 KB Plaatsing dienen behandeld en verwerkt te worden; Terwijl, de verplichting bepaald in artikel 00.03.01 van de administratieve bepalingen van het Bestek, titel “Opmerkingen”, laatste lid, die de toepassing van artikel 79, § 2 juncto artikel 86, §§ 2 [lees: § 1] en 4 KB Plaatsing verbindt aan de bijkomende voorwaarde dat (ook) de hoeveelheid opgenomen in de gedetailleerde meetstaat met een fout moet zijn behept, een onwettige besteksbepaling uitmaakt, want strijdig met voormelde bepalingen van het KB Plaatsing; Terwijl, een overheidsopdracht niet wettig kan worden gegund op basis van een onwettig bestek; en Doordat, derde middelonderdeel in meer ondergeschikte orde, alle voorwaarden en modaliteiten van de gunningsprocedure in het bestek moeten worden geformuleerd op een duidelijke, nauwkeurige en ondubbelzinnige wijze, zodat alle behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijvers de juiste draagwijdte ervan kunnen begrijpen en zij deze op dezelfde manier kunnen interpreteren; Doordat, het zorgvuldigheidsbeginsel van de aanbestedende overheid vereist dat zij zorgvuldig te werk gaat bij het opstellen van haar opdrachtdocumenten; Doordat, uit artikel 00.03.01 van de administratieve bepalingen van het Bestek, titel “Opmerkingen”, laatste lid, onmiskenbaar blijkt dat Verwerende Partij de hoeveelheden van de gedetailleerde meetstaat als uitgangspunt neemt en dat inschrijvers bij de verbetering van een hoeveelheid moeten vertrekken van de detailmeting van de betreffende hoeveelheid in de gedetailleerde meetstaat; Terwijl, met dergelijk uitgangspunt, Verwerende Partij erover diende te waken dat de hoeveelheden van de samenvattende meetstaat dezelfde waren als deze van de gedetailleerde meetstaat, en zij derhalve zorgvuldig de hoeveelheden van de gedetailleerde meetstaat diende over te nemen in de samenvattende meetstaat; Terwijl, het onzorgvuldig handelen van Verwerende Partij heeft geleid tot onnauwkeurige en dubbelzinnige meetstaten (de gedetailleerde ten overstaan van de samenvattende); XIV-40.139-8/23 Terwijl, deze onnauwkeurigheid en dubbelzinnigheid er op hun beurt toe hebben geleid dat de ene inschrijver de foutieve hoeveelheid van een post van de samenvattende meetstaat verbeterde ofschoon in de gedetailleerde meetstaat de correcte hoeveelheid was opgenomen, terwijl een andere inschrijver dezelfde foutieve hoeveelheid van de post van de samenvattende meetstaat niet verbeterde precies omdat in de gedetailleerde meetstaat de correcte hoeveelheid was opgenomen; Terwijl, de onzorgvuldige opmaak van de opdrachtdocumenten, inzonderheid de onnauwkeurigheid en dubbelzinnigheid van de meetstaten, maakt dat de Opdracht niet wettig op basis hiervan kan worden gegund.”. De verzoekende partij vat (haar uiteenzetting bij) het middel als volgt samen: “In een eerste middelonderdeel werpt Verzoekende Partij de schending op van artikel 34, § 1 KB Plaatsing, van artikel 00.03.01 van de administratieve bepalingen van het Bestek, titel “Opmerkingen”, laatste lid en van het patere legem quam ipse fecisti beginsel. Naar aanleiding van een opmerking van Belanghebbende Partij over de hoeveelheid van post 54.08.11.01, heeft Verwerende Partij immers de regel van artikel 86, § 2, [lees: §1], lid 2 KB Plaatsing toegepast, waarbij aan Belanghebbende Partij in het rangschikkingsbedrag van haar offerte het zogenaamde voordeel in min werd toegekend. Artikel 00.03.01 van de administratieve bepalingen van het Bestek, titel “Opmerkingen”, laatste lid, verplicht de inschrijvers echter om, wanneer zij wijzigingen van hoeveelheden voorstellen, in hun berekeningen, die zij bij hun offerte dienen te voegen, “de bij het bestek gevoegde gedetailleerde meting van het betwiste artikel over te nemen en regel per regel aan te duiden waar de fout(
  3. en)zit(ten).” Uit het toepasselijk Bestek volgt aldus dat de voorschriften van artikel 86 KB Plaatsing inzake de verwerking van te wijzigen hoeveelheden in de offertes (inzonderheid §§ 2 [lees: §1] en 4) enkel toepassing vinden, indien een wijziging van een hoeveelheid van de gedetailleerde meetstaat aan de orde is. Indien er daarentegen geen sprake is van een wijziging van de hoeveelheid van de gedetailleerde meetstaat, m.a.w. indien de hoeveelheid van de gedetailleerde meetstaat correct is en bijgevolg ongewijzigd dient te blijven, gaat het niet om een wijziging van de hoeveelheid in de zin van artikel 86, §§ 2 [lees: § 1] en 4 KB Plaatsing, maar wel om een zuiver materiële fout in de samenvattende meetstaat in de zin van artikel 34, § 1 KB Plaatsing; met name werd bij de opmaak van de opdrachtdocumenten de correcte hoeveelheid van de gedetailleerde meetstaat niet of verkeerdelijk naar de samenvattende meetstaat overgebracht. In concreto, werd in post 54.08.11.01 : branddeurmagneet – opbouw wand van de gedetailleerde meetstaat een forfaitaire hoeveelheid van 45 stuks opgenomen. Overeenkomstig de plannen is dit aantal de correcte hoeveelheid. In de samenvattende meetstaat werd echter een forfaitaire hoeveelheid van 100 stuks vermeld. Bijgevolg was, aangezien de hoeveelheid van post 54.08.11.01 van de gedetailleerde meetstaat correct was, de fout in de hoeveelheid van de samenvattende meetstaat een zuiver materiële fout in de zin van artikel 34, § 1 KB Plaatsing, die overeenkomstig deze bepaling, aanleiding diende te geven tot een gelijkelijke verbetering in alle offertes c.q. samenvattende meetstaten van de respectieve inschrijvers. Aan Belanghebbende Partij werd dan ook ten onrechte en in strijd met de verplichting van artikel 00.03.01, titel “Opmerkingen”, laatste lid, van de administratieve XIV-40.139-9/23 bepalingen van het Bestek en bijgevolg met het patere legem beginsel, evenals met artikel 34, § 1 KB Plaatsing, een voordeel in haar rangschikkingsbedrag toegekend. In een tweede middelonderdeel werpt Verzoekende Partij ondergeschikt de schending op van artikel 79, § 2 iuncto artikel 86, §§ 2 [lees: § 1] en 4 KB Plaatsing. Artikel 79, § 2, KB Plaatsing bepaalt immers dat de inschrijver de verbeteringen doorvoert voor de fouten die hij ontdekt in de forfaitaire hoeveelheden van de samenvattende meetstaat, en deze verbeteringen vervolgens overeenkomstig artikel 86, §§ 2 [lees: § 1] en 4 KB Plaatsing dienen behandeld en verwerkt te worden. Zodoende maakt de verplichting bepaald in artikel 00.03.01 van de administratieve bepalingen van het Bestek, titel “Opmerkingen”, laatste lid, die de toepassing van artikel 79, § 2 iuncto artikel 86, §§ 2 [lees: § 1] en 4 KB Plaatsing verbindt aan de bijkomende voorwaarde dat (ook) de hoeveelheid opgenomen in de gedetailleerde meetstaat met een fout moet zijn behept, een onwettige besteksbepaling uit, want strijdig met voormelde bepalingen van het KB Plaatsing. Een overheidsopdracht kan niet wettig worden gegund op basis van een onwettig bestek. In een derde middelonderdeel werpt Verzoekende Partij meer ondergeschikt de schending op van artikel 4, eerste lid, van de Wet Overheidsopdrachten en van het zorgvuldigheidsbeginsel. Nu Verwerende Partij in artikel 00.03.01 van de administratieve bepalingen van haar Bestek, titel “Opmerkingen”, laatste lid, onmiskenbaar voorop stelde dat de hoeveelheden van de gedetailleerde meetstaat als uitgangspunt moeten genomen worden en zodoende de inschrijvers bij de verbetering van een hoeveelheid moeten vertrekken van de detailmeting van de betreffende hoeveelheid in de gedetailleerde meetstaat, kwam het Verwerende Partij toe erover te waken dat de hoeveelheden van de samenvattende meetstaat dezelfde waren als deze van de gedetailleerde meetstaat. Verwerende Partij diende zodus zorgvuldig de hoeveelheden van de gedetailleerde meetstaat over te nemen in de samenvattende meetstaat. Verwerende Partij nam evenwel haar verplichting tot zorgvuldig handelen niet in acht, met onnauwkeurige en dubbelzinnige meetstaten (de gedetailleerde ten overstaan van de samenvattende) tot gevolg. Deze onnauwkeurigheid en dubbelzinnigheid hebben ertoe geleid dat de ene inschrijver de foutieve hoeveelheid van een post van de samenvattende meetstaat verbeterde ofschoon in de gedetailleerde meetstaat de correcte hoeveelheid was opgenomen, terwijl een andere inschrijver dezelfde foutieve hoeveelheid van de post van de samenvattende meetstaat niet verbeterde precies omdat in de gedetailleerde meetstaat de correcte hoeveelheid was opgenomen. De onzorgvuldige opmaak van de opdrachtdocumenten, inzonderheid de onnauwkeurigheid en dubbelzinnigheid van de meetstaten, maakt dat op basis hiervan de Opdracht niet wettig kan worden gegund.”. Op de terechtzitting repliceert de verzoekende partij nog dat de gedetailleerde meetstaat wel degelijk een opdrachtdocument is en niet enkel “ten informatieve titel” geldt doch wordt gehanteerd voor het nazicht door de inschrijver om voorgestelde verbeteringen aanschouwelijk te maken. Zij herhaalt dat zij bij haar berekeningen en voorgestelde verbeteringen rekening heeft gehouden met de XIV-40.139-10/23 hoeveelheden opgenomen in de gedetailleerde meetstaat. Zij betwist met klem dat het harerzijds zou gaan, zoals de verwerende partij laat uitschijnen, om een post factum motivering “die haar goed uitkomt” of speculatief haar offerte heeft ingevuld door bewust om te gaan met deze discrepantie tussen de samenvattende meetstaat en gedetailleerde meting. Beoordeling Betreffende het eerste middelonderdeel 8. Artikel 34 van het koninklijk besluit van 18 april 2017 luidt: “§ 1. De aanbestedende overheid verbetert de offertes in functie van de door haar of een inschrijver vastgestelde rekenfouten en zuiver materiële fouten in de opdrachtdocumenten. § 2. De aanbestedende overheid verbetert de rekenfouten en zuiver materiële fouten in de offertes, zonder aansprakelijk te zijn voor de niet ontdekte fouten. Ten einde de rekenfouten en de zuiver materiële fouten die door haar vastgesteld worden in de offertes te verbeteren, gaat de aanbestedende overheid de werkelijke bedoeling na van de inschrijver via een globale analyse van de offerte en door deze te vergelijken met de andere offertes en met de marktprijzen. Indien deze bedoeling, na analyse van de offerte, niet voldoende duidelijk is, kan de aanbestedende overheid de inschrijver, binnen een door haar gestelde termijn, uitnodigen om de inhoud van zijn offerte te verduidelijken zonder haar te wijzigen en te vervolledigen en dit zonder afbreuk te doen aan de mogelijkheid om te onderhandelen indien de procedure zulks toelaat. Als er in dit laatste geval geen toelichting gegeven is of de toelichting niet aanvaardbaar is voor de aanbestedende overheid, verbetert ze de fouten naar eigen bevindingen. Mocht dit niet mogelijk zijn, dan kan de aanbestedende overheid hetzij beslissen dat de opgegeven eenheidsprijzen van toepassing zijn, hetzij de offerte als onregelmatig weren. § 3. Indien de aanbestedende overheid rechtstreeks fouten verbetert in de offertes, bewaart zij de oorspronkelijke versie van die offertes en ziet zij erop toe dat haar rechtzettingen duidelijk identificeerbaar zijn, terwijl ook de oorspronkelijke gegevens zichtbaar blijven.” Artikel 79 van datzelfde koninklijk besluit bepaalt: “§ 1. Indien bij de opdrachtdocumenten een samenvattende opmeting of inventaris is gevoegd, vult de inschrijver deze in en maakt hij de nodige berekeningen. § 2. De inschrijver voert, rekening houdende met de opdrachtdocumenten, zijn beroepskennis of persoonlijke vaststellingen, verbeteringen door voor: XIV-40.139-11/23 1° de fouten die hij ontdekt in de forfaitaire hoeveelheden; 2° de fouten die hij ontdekt in de vermoedelijke hoeveelheden waarvoor de opdrachtdocumenten een dergelijke verbetering toelaten en op voorwaarde dat de voorgestelde verbetering minstens tien percent in meer of in min van de hoeveelheid van de post in kwestie bedraagt; 3° de leemten in de samenvattende opmeting of inventaris. Hij voegt bij zijn offerte een nota ter verantwoording van deze verbeteringen.” Artikel 86, §§1 en 4 van datzelfde koninklijk besluit luiden: “§ 1. Wanneer een inschrijver, overeenkomstig de artikelen 34 en 79, § 2, de hoeveelheid van één of meer posten van de samenvattende opmeting of inventaris heeft verbeterd, ziet de aanbestedende overheid die wijzigingen na, verbetert ze zo nodig volgens eigen berekeningen en wijzigt desgevallend de opmetingen of inventarissen gevoegd bij de offertes. Voor de inschrijver die een vermindering heeft voorgesteld met toepassing van artikel 79, § 2, 2°, wordt de totale prijs die overeenstemt met de aldus verminderde hoeveelheid een forfaitaire prijs, op voorwaarde en in de mate dat de aanbestedende overheid deze verbetering aanvaardt. Wanneer de aanbestedende overheid de wijzigingen van een post met vermoedelijke hoeveelheden niet door eigen berekeningen kan nazien, brengt zij de voorgestelde verhoging of verlaging van de hoeveelheid terug tot de oorspronkelijke hoeveelheid van de opmeting of inventaris. […] §4. Enkel voor de rangschikking van de offertes worden de hoeveelheden aanvaard door de aanbestedende overheid die groter zijn dan of gelijk zijn aan de hoeveelheden van de oorspronkelijke op meting of inventaris, zonder onderscheid naar alle opmetingen of inventarissen gebracht. Daarentegen spelen de wijzigingen die door de aanbestedende overheid aanvaard worden en die een vermindering van de hoeveelheden tot gevolg hebben, enkel in het voordeel van de inschrijvers die ze gemeld hebben en enkel in de mate dat hun verantwoording is aanvaard. Aldus: 1° wordt, indien de hoeveelheid voorgesteld door de inschrijver kleiner is dan de hoeveelheid aanvaard door de aanbestedende overheid, deze laatste hoeveelheid in de opmeting of inventaris gebracht; 2° wordt, indien de hoeveelheid voorgesteld door de inschrijver ligt tussen de hoeveelheid aanvaard door de aanbestedende overheid en de hoeveelheid van de oorspronkelijke opmeting of inventaris, de hoeveelheid voorgesteld door de inschrijver in de opmeting of inventaris gebracht; 3° wordt, indien de hoeveelheid voorgesteld door de inschrijver, groter is dan de hoeveelheid van de oorspronkelijke opmeting of inventaris, de door de inschrijver voorgestelde hoeveelheid teruggebracht tot de hoeveelheid van de oorspronkelijke opmeting of inventaris”. Het beginsel patere legem quam ipse fecisti verplicht het bestuur de algemene regels die het zelf heeft vastgesteld te eerbiedigen bij de concrete toepassing ervan. Daaruit vloeit voort dat de verwerende partij bij de beoordeling XIV-40.139-12/23 van de offertes gebonden is door de regels die hieromtrent in het bestek zijn vastgesteld. Te dezen voorzien de administratieve bepalingen van het bestek het volgende over de correctie van fouten in de (samenvattende) meetstaat, wat de (te wijzigen) hoeveelheden betreft (cfr. supra punt 3.2): “00.03. Bepalingen bij het KB Plaatsing 00.03.01. Prijsbepaling volgens een gemengde prijsvaststelling [… ] Opmerkingen De inschrijver is verplicht de eenheidsprijs op te geven voor elk artikel van de samenvattende opmeting waarvoor een hoeveelheid is vermeld of dat voorzien is als SOG. De hoeveelheden van de metingstaat zijn enkel bij wijze van inlichting verstrekt. In afwijking van artikel 00.00.03, worden de gebeurlijke vergissingen of leemten in de meetstaat door de inschrijver gemeld in een nota die als bijlage bij zijn offerte dient te worden gevoegd. De inschrijver zal zich na indiening van de offerte niet kunnen beroepen op enige leemte of fout in zijn offerte. De inschrijver wijzigt de fouten die hij ontdekt in de forfaitaire hoeveelheden. De inschrijver wijzigt tevens de fouten die hij ontdekt in de vermoedelijke hoeveelheden, op voorwaarde dat de vooropgestelde verbetering minstens tien percent (10%) in meer of min van de hoeveelheid van die post in kwestie bedraagt. Voor vermelde hoeveelheidswijzigingen wordt de hoeveelheid in de meetstaat niet rechtstreeks gewijzigd, maar stelt de inschrijver die voor op een afzonderlijke verklarende nota. De inschrijver stelt tenslotte leemten voor die hij meent te ontdekken in de opmeting. De inschrijver is verplicht elke voorgestelde wijziging van hoeveelheden, in min of in meer, te staven aan de hand van zijn eigen opmetingen en berekeningen die bij zijn offerte dienen te worden gevoegd. De berekeningen dienen de bij het bestek gevoegde gedetailleerde meting van het betwiste artikel over te nemen en regel per regel aan te duiden waar de fout(
  4. en)zit(ten). Indien deze werkwijze niet wordt gevolgd kunnen de opmerkingen verworpen worden en kan de offerte als onregelmatig worden beschouwd”. 9. In het eerste middelonderdeel betreft de kritiek van de verzoekende partij in essentie dat de verbetering die de gekozen inschrijver XIV-40.139-13/23 voorstelt voor post 54.08.11.01 van de samenvattende meetstaat geen correctie inhield wanneer men rekening houdt met wat beschreven stond in de ‘gedetailleerde meting’. In de samenvattende meetstaat werd, samengevat, een forfaitaire hoeveelheid aangeduid van 100 stuks, daar waar in de gedetailleerde meting 45 stuks werden vooropgesteld. De gekozen inschrijver stelde, op basis van de plannen en eigen berekeningen, dat “slechts” 46 stuks nodig zouden zijn. De verwerende partij concludeert bij nazicht op basis van de opmerkingen van de gekozen inschrijver dat het aantal in de gedetailleerde meting

(45)correct was. Bij de rangschikking van de offertes wordt op basis van artikel 86, § 4, tweede lid, van het koninklijk besluit van 18 april 2017 het bijbehorende voordeel in min van 55 stuks voor deze post toegekend aan de offerte van de gekozen inschrijver. De verzoekende partij laat echter gelden dat, gelet op het feit dat het aantal
(45)van de gedetailleerde meting werd behouden, alsook dat naar dit document wordt gerefereerd in het bestek voor wat de methode/werkwijze betreft die door de inschrijvers dient te worden gehanteerd voor het opstellen van de nota bij voorstellingen tot wijzigingen van de hoeveelheden, dit geen “fout” betreft in de zin van artikel 79 van het koninklijk besluit van 18 april 2017 doch een zuiver “materiële fout” zoals beschreven in artikel 34 van datzelfde koninklijk besluit zodat, althans naar het oordeel van de verzoekende partij, het voordeel qua rangschikking zoals bedoeld in het eerdergenoemde artikel 86 niet mocht worden toebedeeld aan de gekozen inschrijver. 10. Ter beoordeling daarvan dient eerst en vooral acht te worden geslagen op het doel dat de regelgever heeft beoogd door de combinatie van de artikelen 79 en 86 van het koninklijk besluit van 18 april 2017. In het verslag aan de Koning bij artikel 86 kan onder meer worden gelezen [dat “wanneer de inschrijver een vermindering van de vermoedelijke hoeveelheden heeft voorgesteld en deze door de aanbestedende overheid werden aanvaard, de totale prijs die overeenstemt met de verminderde hoeveelheid volgens paragraaf 1, tweede lid, een forfaitaire prijs [wordt]. Dit forfaitair karakter kan een voordeel betekenen in hoofde van de betrokken inschrijver gezien hij de enige zal zijn die van deze vermindering van hoeveelheid zal genieten en bijgevolg ook van een lagere eindprijs voor de rangschikking van zijn offerte. Deze inschrijver zal echter ook alleen het risico dragen dat verbonden ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.592 XIV-40.139-14/23 is aan een eventuele onderschatting van de hoeveelheid van de verminderde post, want in dit geval zal hij de reële hoeveelheid moeten uitvoeren tegen een forfaitaire prijs]. Wat de vierde paragraaf van diezelfde bepaling betreft, wordt in het verslag aan de Koning onder meer nog toegelicht dat “[v]olgens het tweede lid de door de aanbestedende overheid toegelaten wijziging die leidt tot een vermindering van de hoeveelheden geen baat [heeft] voor anderen dan voor diegene die ze doorvoerde”. De verantwoording van deze bepaling ligt naar luid van het verslag aan de Koning, “voor de hand”. Immers, de aanpassing van de opmeting of van de inventaris bij de offertes van de andere inschrijvers zou het voordeel van de inschrijver, auteur van de rechtzetting tenietdoen. Deze laatste zou geen enkel belang meer hebben bij een dergelijke rechtzetting. Hij zou er aldus “vaak toe kunnen komen te verkiezen om niets voor te stellen en voordeel te halen uit een vermindering van hoeveelheden in de loop van de uitvoering van de opdracht, zonder weerslag op de prijs (vermindering die - het weze herhaald - reeds door hem had moeten voorzien zijn)”. Hieruit volgt, zo lijkt, dat de regelgever met deze bepaling tracht te voorzien in een drijfveer voor inschrijvers om verminderingen aan de (forfaitaire) hoeveelheden voor te stellen. Te dezen, kan niet anders dan worden vastgesteld dat de gekozen inschrijver – anders dan de verzoekende partij – aan de verwerende partij heeft meegedeeld dat de forfaitaire hoeveelheid voor de post 54.08.11.01 niet correct was. Daardoor zou de verzoekende partij dan ook, mocht de gekozen inschrijver deze opmerking niet hebben laten gelden, – bewust of onbewust (en zonder dat alhier te moeten onderzoeken) – het oneigenlijke voordeel kunnen genieten zoals beschreven in het verslag aan de Koning, namelijk het doorrekenen van een eenheidsprijs die hoger is dan wat nodig is voor het uitvoeren van de opdracht. Aldus dient vastgesteld, zo lijkt, dat de geest van de artikelen 79 en 86 (en het ermee beoogde oogmerk) door de verwerende partij wel degelijk is nageleefd. 11. In zoverre de verzoekende partij beargumenteert dat (i), aangezien het juiste aantal hoeveelheden reeds blijkt uit de gedetailleerde meetstaat, (
  1. i)het vastgestelde verschil in min (45 stuks in plaats van 100) enkel ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.592 XIV-40.139-15/23 een zuiver materiële fout kan betreffen en, voorts, dat (
  2. ii)de te hanteren methode/werkwijze zoals uiteengezet in het bestek voor het verantwoorden van aanpassingen aan de hoeveelheden zou impliceren dat een gebeurlijke foute hoeveelheid moet worden vastgesteld aan de hand van de gedetailleerde meting en niet aan de hand van de samenvattende meetstaat (cfr. supra de onder de punten 3.2. en 8 aangehaalde ‘Opmerking’ in fine), kan ook dit standpunt om de hierna uiteengezette redenen niet worden bijgevallen. Vooreerst, wat het mechanisme voor de door de inschrijver door te voeren verbetering van hoeveelheden betreft, vertrekt artikel 79 van het koninklijk besluit van 18 april 2017 vanuit de “samenvattende opmeting of inventaris” wanneer die, zoals te dezen, bij de opdrachtdocumenten is gevoegd. Ook de te dezen toepasselijke bestekbepaling ‘00.03.01. Prijsbepaling volgens een gemengde prijsvaststelling’, evenals de ‘Opmerking’ daarbij (cfr. aangehaald supra onder de punten 3.2 en 8) verwijst naar de hoeveelheden “in de metingstaat”, waarbij de hoeveelheden niet rechtstreeks mogen gewijzigd worden “in de meetstaat”. Dat de samenvattende meetstaat aldus als vertrekpunt diende te worden genomen voor het nazicht van de (forfaitaire) hoeveelheden, volgt zowel uit het koninklijk besluit van 18 april 2017 alsook uit de te dezen toepasselijke bestekbepalingen. Wel is het zo dat er, zoals de verzoekende partij aangeeft, wat betreft de methodiek/werkwijze voor de nota met verantwoording voor de (berekening van
  3. de)aangepaste hoeveelheden, wordt verwezen naar “de bij het bestek gevoegde gedetailleerde meting van het betwiste artikel” dewelke diende te worden overgenomen om de fouten aan te tonen. Ermee rekening houdende dat de weerhouden hoeveelheid (45 stuks) overeenkomt met de hoeveelheid uit de gedetailleerde meetstaat, kan de nota van de gekozen inschrijver logischerwijze niet in een dusdanige vergelijking voorzien. XIV-40.139-16/23 Er moet echter gewezen worden, zo lijkt, op de rol die dergelijke “nota ter verantwoording van deze verbeteringen” heeft in het kader van het meergenoemde artikel 79 van het koninklijk besluit van 18 april 2017. Het verslag aan de Koning bij deze bepaling stelt daarover het volgende: “De rechtvaardigende nota waarvan sprake in het tweede lid moet de aanbestedende overheid toelaten de pertinentie van de door de inschrijver aangebrachte verbeteringen te beoordelen. Aldus kan zij deze ofwel aanvaarden, ofwel rechtzetten of zelfs weigeren. Het past te melden dat de niet-eerbiediging van de verplichting tot het verstrekken van een rechtvaardigende nota, niet van substantiële aard is. Bij gebrek aan een dergelijke nota kan de aanbestedende overheid aan de inschrijver vragen zijn verbeteringen te rechtvaardigen of in geval van een onvoldoende uitleg, weigeren een verbetering in aanmerking te nemen die zij niet kan natrekken”. Wanneer aldus het ontbreken van de nota niet met zich mee mag brengen dat de aanbestedende overheid de voorgestelde wijzigingen zonder meer negeert of niet onderzoekt, kan ook het niet volgen van een vooropgestelde methodiek in de nota er niet toe leiden dat met een voorgestelde wijziging geen rekening mag of kan worden gehouden, en al zeker niet, zo lijkt, wanneer die (her)berekening van of in de samenvattende meetstaat gerechtvaardigd is, wat de verwerende partij te dezen ook heeft moeten vaststellen nadat zulks bij het rekenkundig nazicht (en getoetst aan de plannen) is komen vast te staan. 12. Ook het bestek zelf geeft expliciet een niet-substantieel karakter aan deze werkwijze. Er wordt namelijk het volgende gesteld: “Indien deze werkwijze niet wordt gevolgd kunnen de opmerkingen verworpen worden en kan de offerte als onregelmatig worden beschouwd.”. Dat verwerende partij aldus wel degelijk rekening heeft gehouden met de aangepaste hoeveelheden zoals voorgesteld door de gekozen inschrijver past binnen de discretionaire bevoegdheid die zij zichzelf heeft verleend in de bestekbepalingen. Er lijkt dus op het eerste gezicht geen sprake te kunnen zijn van een schending van het patere legem - beginsel. In zoverre de verzoekende partij bovendien stelt dat de discrepantie tussen de gedetailleerde en de samenvattende meetstaat had moeten worden gekwalificeerd als een zuiver materiële fout in de zin van artikel 34, § 1, van het koninklijk besluit van 18 april 2017, die aanleiding had moeten geven tot XIV-40.139-17/23 een gelijke verbetering in alle offertes, ook wat de rangschikking betreft, valt het evenwel op dat het bestek zelf uitdrukkelijk voorziet in de toepassing van het mechanisme van artikel 79 van het meergenoemde koninklijk besluit van 18 april 2017 voor hoeveelheidswijzigingen, en dat de gekozen inschrijver precies conform die procedure heeft gehandeld door een wijziging voor te stellen en daarbij een verantwoordingsnota met eigen plannenonderzoek en berekeningen te voegen. Gelet op de discretionaire beoordelingsmarge waarover de aanbestedende overheid beschikt bij de kwalificatie van een fout en de verwerking ervan in het plaatsingsproces, lijkt het op het eerste gezicht niet vereist dat zij in deze omstandigheden dwingend toepassing had moeten maken van artikel 34 in plaats van het door het bestek voorziene artikel 79 traject. Daarbij komt nog dat een fout niet uitsluitend hoeft voort te vloeien uit een intern gebrek aan één document, maar ook kan volgen uit een tegenstrijdigheid of discrepantie tussen verschillende onderdelen van de opdrachtdocumenten onderling – wat artikel 80 van het koninklijk besluit van 18 april 2017 overigens uitdrukkelijk erkent door een voorrangsregel te voorzien voor net dergelijke situaties –, zodat de gekozen inschrijver, die deze discrepantie heeft vastgesteld en op basis van de plannen het correcte aantal heeft geverifieerd, enkel heeft gedaan wat artikel 79 en het toepasselijke bestek van hem verlangden. Dat de aanbestedende overheid in dergelijk geval er dan ook voor opteert om de combinatie van de artikelen 79 en 86 van het koninklijk besluit toe te passen, en niet artikel 34 ervan, lijkt dan ook op het eerste gezicht niet onverenigbaar met deze reglementaire bepalingen. Daarbij dient opgemerkt dat krachtens het genoemde artikel 80 een inschrijver zich lijkt te mogen steunen op de in dat artikel bepaalde hiërarchie volgens hetwelk de plannen primeren op het bestek en het bestek op de samenvattende opmeting of inventaris om een verbetering van de opdrachtdocumenten te rechtvaardigen. 13. Dat artikel 00.04.06 ‘Opdrachtdocumenten, voorschriften en algemene onderrichtingen bij de aanneming’ van het te dezen toepasselijke bestek bepaalt dat ingeval van tegenstrijdigheid tussen de gedetailleerde en de XIV-40.139-18/23 samenvattende meetstaat de gedetailleerde meetstaat bindend is, doet aan het voorgaande geen afbreuk. Deze bestekbepaling behoort immers tot het hoofdstuk ‘00.04. Bepalingen bij het KB Uitvoering’ en regelt aldus de verhouding tussen opdrachtdocumenten tijdens de uitvoering van de opdracht; niet tijdens de plaatsingsfase zoals het geval is met de hiervoor sub 3.2 en 8 aangehaalde bestekbepaling ‘00.03. Bepalingen bij het KB Plaatsing’. Bovendien volgt uit artikel 79, §1, van het koninklijk besluit van 18 april 2017 uitdrukkelijk dat de inschrijver de samenvattende opmeting invult en de nodige berekeningen maakt op basis van die opmeting. Het zijn dan ook de hoeveelheden in de samenvattende meetstaat die, vermenigvuldigd met de door de inschrijver opgegeven eenheidsprijzen, het totale offertebedrag bepalen waartoe de inschrijver zich verbindt. Ook het bestek zelf bevestigt dit door inschrijvers te verplichten uitsluitend de samenvattende meetstaat in te vullen en bij te voegen, terwijl de gedetailleerde meetstaat door de inschrijvers niet wordt ingevuld noch aan de offerte toegevoegd. Precies omdat het de hoeveelheden in de samenvattende meetstaat zijn die de grondslag vormen van de offerteprijs en van het rekenkundig nazicht door de aanbestedende overheid, zijn het ook deze hoeveelheden die, overeenkomstig het genoemde artikel 79, door de inschrijvers dienen te worden nagekeken en zo nodig verbeterd – ongeacht of in een latere (uitvoering)fase een ander opdrachtdocument voorrang krijgt. Bij het rekenkundig nazicht en de gunning betreft het namelijk de offerteprijzen die volgen uit de samenvattende meetstaat dewelke aan nazicht worden onderworpen, zeker te dezen waar enkel ‘prijs’ als gunningscriterium wordt gehanteerd. 14. Gelet dan ook op het feit dat (
  4. i)het bestek duidelijk verwijst naar de verplichting voor inschrijvers om de hoeveelheden na te kijken – zoals ook is bepaald in artikel 79 van het koninklijk besluit van 18 april 2017 –, dat (
  5. ii)de gekozen inschrijver in dit geval (als enige) de verkeerde hoeveelheid heeft opgemerkt voor de betrokken post, dat (iii) daardoor het doel van de artikelen 79 en 86 van het koninklijk besluit van 18 april 2017 is bereikt en dat (
  6. iv)de ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.592 XIV-40.139-19/23 aanbestedende overheid niet verplicht was om deze opmerking te weren door een afwijking van de vooropgestelde werkwijze, dient het eerste middelonderdeel dan ook als niet ernstig te worden beschouwd. Betreffende het tweede middelonderdeel 15. In het tweede middelonderdeel voert de verzoekende partij aan dat – doordat het bestek vereist dat de fout ook diende aanwezig te zijn in de gedetailleerde meting –, de bestekbepaling onwettig is, namelijk in strijd met de artikelen 79 en 86 van het koninklijk besluit van 18 april 2017. Wat die beweerde onwettigheid betreft, kan in essentie worden verwezen naar wat reeds bij het eerste middelonderdeel is uiteengezet. Uit de geviseerde bestekbepaling blijkt duidelijk dat het de hoeveelheden in de ‘metingstaat’ zijn die dienden te worden nagekeken (maar niet (rechtstreeks) mochten worden aangepast), wat ook erop wijst dat het wel degelijk de samenvattende meetstaat betrof aangezien deze door de inschrijvers wordt ingevuld. De gedetailleerde meting kan hoe dan ook niet worden “aangepast”. Uit de bestekbepaling volgt dan ook dat – conform artikel 79 van het koninklijk besluit van 18 april 2017 – het de hoeveelheden uit de samenvattende meetstaat zijn die dienden te worden nagekeken. In zoverre de verwerende partij met diezelfde bestekbepaling een werkwijze oplegt om voorgestelde wijzigingen van hoeveelheden te staven met verwijzing naar de gedetailleerde meetstaat is dit als dusdanig niet voldoende om te concluderen dat dit ook de absolute verplichting inhield dat een fout zowel in de samenvattende meetstaat alsook in de gedetailleerde meting diende aanwezig te zijn. Minstens ontsloeg het een inschrijver niet van zijn verplichting om – wanneer er enkel een fout in de samenvattende meetstaat wordt vastgesteld – deze op basis van de bestekbepaling en artikel 79 door te geven, te meer – zo lijkt – nu de in te vullen samenvattende meetstaat bepalend is voor de (aangeboden) prijs. 16. Het tweede middelonderdeel ontbeert dan ook de op het eerste gezicht vereiste ernst. XIV-40.139-20/23 Betreffende het derde middelonderdeel 17. In het derde middelonderdeel acht de verzoekende partij dat – gelet op de discrepantie qua forfaitaire hoeveelheid in de samenvattende meetstaat en in de gedetailleerde meting – de verwerende partij een inbreuk heeft gemaakt op het zorgvuldigheidsbeginsel alsook op het gelijkheidsbeginsel zoals geconcretiseerd in artikel 4 van de wet van 17 juni 2016. Overeenkomstig artikel 4, eerste lid, van de wet van 17 juni 2016 dienen de aanbesteders de ondernemers op gelijke en niet-discriminerende wijze te behandelen en dienen zij op een transparante en proportionele wijze te handelen. De gelijkheid die aan de gunning van overheidsopdrachten ten grondslag ligt, veronderstelt onder meer dat degenen die voor de toewijzing van de opdracht in aanmerking willen komen, van tevoren weten wat zij daarvoor moeten doen of laten en dus met alle door de aanbestedende overheid cruciaal geachte gegevens rekening moeten kunnen houden bij het opstellen van hun offerte. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. De overheid is onder meer verplicht om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat zij met kennis van zaken kan beslissen. 18. Daarbij dient in het algemeen te worden opgemerkt dat de overheidsopdrachtenregeling, en in het bijzonder het koninklijk besluit van 18 april 2017 in procedures voorziet om fouten in de hoeveelheden recht te zetten. Ook het hierboven reeds aangehaalde artikel 80 van datzelfde koninklijk besluit voorziet in een voorrangsorde voor de interpretatie ingeval van tegenspraak of discrepantie tussen opdrachtdocumenten. Wanneer er, zoals in casu, bepaalde hoeveelheden niet overeenkomen tussen verschillende opdrachtdocumenten, maar dit wel wordt rechtgezet na melding hiervan door één (of meerdere) van de inschrijvers, kan er ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.592 XIV-40.139-21/23 bezwaarlijk, zo lijkt op het eerste gezicht, een onwettige onzorgvuldigheid of ongelijke behandeling worden verweten aan de aanbestedende overheid. Het rechtzetten van fouten of onvolmaaktheden in de opdrachtdocumenten wordt namelijk expliciet toegestaan en nagestreefd door (onder meer) de artikelen 34 en 79 van het koninklijk besluit van 18 april 2017. Een toepassing van deze bepalingen zoals te dezen, kan prima facie dan ook geen schending uitmaken van het zorgvuldigheidsbeginsel, noch van het gelijkheidsbeginsel. Dit zou namelijk, zo lijkt, de nuttige werking aan deze artikelen ontnemen. Bovendien dient te worden opgemerkt dat de verzoekende partij wel degelijk ook zelf in staat zou zijn geweest om, op basis van de verplichting die op haar rustte om de hoeveelheden in de samenvattende meetstaat na te kijken en te verbeteren, de correcte hoeveelheid op basis van de plannen en de gedetailleerde meting op te merken en door te geven. Dat zij dit niet heeft gedaan, heeft geleid tot de verschillende behandeling met de gekozen inschrijver die het met de artikelen 79 en 86 beoogde voordeel heeft genoten, hetgeen echter rechtstreeks voortvloeit uit het bestek iuncto de artikelen 79 en 86 van het genoemde koninklijk besluit. 19. Het derde middelonderdeel is niet ernstig. 20. De verzoekende partij maakt, gelet op wat voorafgaat, op het eerste gezicht niet aannemelijk dat de aanbestedende overheid de door haar in het eerste en enig middel aangevoerde bepalingen en beginselen zou hebben geschonden zodat het middel in het algemeen niet ernstig is. VIII. Besluit 21. Het enig middel is niet ernstig gebleken. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt dan ook verworpen. BESLISSING 1. Het verzoek van de nv W. tot tussenkomst wordt ingewilligd. XIV-40.139-22/23 2. De Raad van State verwerpt de vordering. 3. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 26 euro, en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op een rolrecht van 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vijf mei tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Kaat Leus, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Kaat Leus XIV-40.139-23/23 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.592 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.