← België

Arrest 266600 - Overheidsopdrachten - 06/05/2026

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.600 Rolnummer: A. 246143/XIV-39899 Zaak: Arrest 266600 - Overheidsopdrachten - 06/05/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-05-08 Raadplegingen: 44 - laatst gezien 2026-06-18 11:21 Fiche Arrest nr 266.600 van 6 mei 2026 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Afstand Opheffing Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 266.600 van 6 mei 2026 in de zaak A. 246.143/XIV-39.899 In zake: de BV W. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Carlos De Wolf kantoor houdend te 9680 Maarkedal Etikhovestraat 6 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de STAD KORTRIJK bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Van Heuven kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 2 december 2025, strekt tot de nietigverklaring van beslissing van 30 september 2025 van de stad Kortrijk waarbij de opdracht ‘reinigen en inspecteren van riolen 2025’ wordt gegund aan een derde. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij arrest nr. 264.870 van 17 november 2025 (ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.870) is de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid bevolen van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. XIV-39.899-1/4 Overeenkomstig artikel 26, § 2, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’, heeft de voorzitter van de XIVe kamer bij beschikking van 27 februari 2026 aan de partijen voorgesteld dat de zaak niet op een openbare terechtzitting wordt behandeld, tenzij één van de partijen hierom verzoekt. Geen van de partijen heeft om een terechtzitting gevraagd. Overeenkomstig bovenvermelde beschikking, werd het debat gesloten en werd de zaak in beraad genomen op 22 april
  3. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Verzoek tot afstand
  5. Bij brief van 16 februari 2026 deelt de verzoekende partij de Raad van State mee dat zij met de verwerende partij een minnelijke regeling heeft bereikt tot afsluiting van de gerezen betwisting en dat zij afstand doet van haar verzoek tot nietigverklaring. Tevens bevestigt zij dat “naar aanleiding van deze afstand, geen aanspraak wordt gemaakt op het bekomen van een rechtsplegingsvergoeding, waarbij ook de proceskosten werden geregeld.” IV. Kosten
  6. Gezien de omstandigheden van de zaak is het gepast de kosten van het geding ten laste te leggen van de verwerende partij. XIV-39.899-2/4 Met de voormelde brief van 16 februari 2026 doet de verzoekende partij afstand van haar aanspraak op een rechtsplegingsvergoeding. De toekenning van een rechtsplegingsvergoeding betreft een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en honoraria van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij (artikel 30/1, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State), dat, desgevallend, moet worden gevorderd door de betrokken partij in een processtuk of in een nota tot vereffening (art. 84/1 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: de algemene procedureregeling)). Partijen kunnen er derhalve aan verzaken zoals de verzoekende partij deed, wat maakt dat het eerder in het verzoekschrift begrote verzoek tot het veroordelen tot een rechtsplegingsvergoeding geen voorwerp meer heeft, zodat de Raad van State zich daarover niet meer hoeft uit te spreken. BESLISSING
  7. De Raad van State verleent akte van de afstand.
  8. De Raad van State heft de bij arrest nr. 264.870 van 17 november 2025 bevolen schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid op.
  9. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro en een bijdrage van 52 euro. XIV-39.899-3/4 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zes mei tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-39.899-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.600 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.870 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.