id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.606 Rolnummer: A. 247581/XII-10065 Zaak: Arrest 266606 - Tucht (openbaar ambt) - 06/05/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-05-11 Raadplegingen: 46 - laatst gezien 2026-06-18 11:22 Fiche Arrest nr 266.606 van 6 mei 2026 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 266.606 van 6 mei 2026 in de zaak A. 247.581/XII-10.065 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Crispyn kantoor houdend te 9030 Mariakerke Mazestraat 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de politiezone 5347 Rupel bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Koen Clonen en Flora Wauters kantoor houdend te 2610 Wilrijk Sneeuwbeslaan 14 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 6 maart 2026, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de hogere tuchtoverheid waarbij verzoekster de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege is opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij beschikking van 9 maart 2026 werd de procedurekalender vastgesteld en werden de partijen opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 30 april 2026. De nota met opmerkingen en het administratief dossier werden ingediend overeenkomstig de procedurekalender. XII-10.065-1/54 Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een verslag opgesteld. Staatsraad Ann Coolsaet heeft verslag uitgebracht. Advocaat Peter Crispyn, die verschijnt voor verzoekster, en advocaat Flora Wauters, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Verzoekster was inspecteur van politie bij de lokalepolitiezone. 3.2. Op 16 januari 2024 vond een huiszoeking plaats in de kantoren van de lokalepolitiezone. 3.3. Op 17 januari 2024 meldt de procureur des Konings aan de gewone tuchtoverheid dat verzoekster in verdenking werd gesteld in het kader van een gerechtelijk onderzoek. 3.4. Op 17 januari 2024 beslist de korpschef om verzoekster bij hoogdringendheid voorlopig te schorsen met een inhouding van 25% van de bruto maandwedde met ingang van de datum van ontvangst van die beslissing. Nadat verzoekster op 19 januari 2024 wordt gehoord, bekrachtigt het politiecollege op 22 januari 2024 de voorlopige schorsing bij ordemaatregel. XII-10.065-2/54 Op 8 mei 2024 beslist het politiecollege om de voorlopige schorsing bij ordemaatregel te verlengen voor een termijn van vier maanden met inhouding van 25% van de bruto maandwedde. Volgens de bestreden beslissing wordt deze voorlopige schorsing bij ordemaatregel vervolgens telkenmale verlengd tot 16 januari 2025. 3.5. Op 2 februari 2024 verkrijgt de gewone tuchtoverheid inzage in het strafdossier. 3.6. Op 12 februari 2024 gelast de gewone tuchtoverheid een voorafgaand onderzoek met betrekking tot de feiten die het voorwerp vormen van het gerechtelijk onderzoek. Op 7 maart 2024 stelt de gewone tuchtoverheid opnieuw een voorafgaand onderzoeker aan met betrekking tot die feiten. Op 7 april 2024 stelt de gewone tuchtoverheid een voorafgaand onderzoeker aan naar aanleiding van het terugvinden van een kogelwerende vest uitgeschreven op naam van verzoekster. 3.7. Op 22 mei 2024 legt de voorafgaand onderzoeker een tussentijds verslag neer met betrekking tot de feiten die het voorwerp vormen van het gerechtelijk onderzoek. Op 23 mei 2024 legt de voorafgaand onderzoeker zijn verslag neer met betrekking tot het terugvinden van een kogelwerende vest uitgeschreven op naam van verzoekster. Op 4 juni 2024 legt de voorafgaand onderzoeker een tweede tussentijds verslag neer met betrekking tot de feiten die het voorwerp vormen van het gerechtelijk onderzoek. XII-10.065-3/54 3.8. Op 6 juni 2024 beslist de gewone tuchtoverheid om de zaak aanhangig te maken bij de hogere tuchtoverheid. 3.9. Op 7 juni 2024 stelt de hogere tuchtoverheid het inleidend verslag op met daarin het voornemen om de zware tuchtstraf van de afzetting op te leggen vanaf de datum van ingang van de voorlopige schorsing. Dit inleidend verslag wordt bij aangetekende zending van 10 juni 2024 aan verzoekster toegestuurd. Verzoekster dient op 7 juli 2024 een schriftelijk verweer in. Zij wordt op 15 juli 2024 door de afgevaardigde van de hogere tuchtoverheid – zijnde de gewone tuchtoverheid – mondeling gehoord. 3.10. Op 18 juli 2024 keurt de hogere tuchtoverheid het ontwerp van voorstel van zware tuchtstraf goed. Op 18 juli 2024 vraagt de hogere tuchtoverheid aan de procureur des Konings om hierover advies te verlenen. Op 22 juli 2024 verleent de procureur des Konings advies. 3.11. Op 30 juli 2024 stelt de hogere tuchtoverheid voor de zware tuchtstraf van de afzetting op te leggen met ingang van de datum van ingang van de voorlopige schorsing. Tegen dat voorstel dient verzoekster op 14 augustus 2024 een verzoek tot heroverweging in bij de Tuchtraad. 3.12. Op 4 september 2024 worden de partijen opgeroepen om op 16 oktober 2024 te verschijnen voor de Tuchtraad. XII-10.065-4/54 3.13. Bij vonnis van 26 juni 2025 van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, zetelend in correctionele zaken, wordt verzoekster vrijgesproken van de haar in de strafprocedure ten laste gelegde feiten. 3.14. Op 25 augustus 2025 worden de partijen opnieuw opgeroepen om op 1 oktober 2025 te verschijnen voor de Tuchtraad. De oproepingsbrief vermeldt: “Daar de zetel van de Tuchtraad niet rechtsgeldig kon worden samengesteld werd uw zaak, die door de oproepingsbrief van 4 september 2024 was vastgesteld, op de zitting van 16 oktober 2024 sine die uitgesteld. Intussen is de Nederlandstalige Kamer van de Tuchtraad opnieuw rechtsgeldig samengesteld zodat u bij deze opgeroepen wordt om te verschijnen op de zitting van woensdag 1 oktober 2025 om 09.00 uur.” 3.15. Op 3 december 2025 adviseert de Tuchtraad: “vast te stellen dat [verzoekster] niet langer tuchtrechtelijk vervolgd wordt voor het oorspronkelijke eerste en tweede onderdeel van de hoger onder randnummer 5.1 vermelde tenlastelegging, de tuchtrechtelijke vervolging voor het nieuw omschreven eerste onderdeel van de hoger onder randnummer 5.1 vermelde tenlastelegging niet ontvankelijk te verklaren, vast te stellen dat de feiten omschreven in het oorspronkelijke eerste (in zoverre de tuchtvordering ontvankelijk zou zijn), tweede (in zoverre de tuchtvordering ontvankelijk zou zijn), derde, vierde en zevende onderdeel van de hoger onder randnummer 5.1 vermelde tenlastelegging niet bewezen zijn, vast te stellen dat de feiten omschreven in het oorspronkelijke vijfde en zesde onderdeel van de hoger onder randnummer 5.1 vermelde tenlastelegging geen tuchtvergrijpen uitmaken in de zin van artikel 3 TWP, aan [verzoekster] geen tuchtstraf op te leggen.” 3.16. Op 22 december 2025 formuleert de hogere tuchtoverheid het voornemen om af te wijken van het advies van de Tuchtraad. Op 2 januari 2026 dient verzoekster haar aanvullend verweer in. 3.17. Op 8 januari 2026 beslist de hogere tuchtoverheid aan verzoekster de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen met ingang van 17 januari 2024. XII-10.065-5/54 Dit is de bestreden beslissing. IV. Schorsingsvoorwaarden 4. Krachtens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van deze beslissing prima facie kan worden verantwoord. V. Ernst van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 5. Verzoekster voert in het verzoekschrift in het eerste middel de schending aan van artikel 20 van de wet van 13 mei 1999 ‘houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten’ (hierna: tuchtwet) in samenhang met artikel 23 van de wet van 7 december 1998 ‘tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus’ (hierna: wet van 7 december 1998) en artikel 58 van het decreet van 22 december 2017 ‘over het lokaal bestuur’ (hierna: decreet lokaal bestuur), alsook de onbevoegdheid van de steller van de handeling. Zij vat het eerste middel als volgt samen: “Verzoeker meent dat de burgemeesters welke het politiecollege vormen onbevoegd waren als burgemeester om het politiecollege te vormen en waardoor het politiecollege onbevoegd en dus onregelmatig was samengesteld en op haar beurt onbevoegd tot handelen.” XII-10.065-6/54 Uit de toelichting bij het middel blijkt dat verzoekster in wezen aanvoert dat het politiecollege onregelmatig is samengesteld, omdat de burgemeesters die er deel van uitmaken, werden benoemd door de Vlaamse minister van Binnenland, Steden- en Plattelandsbeleid, Samenleven, Integratie en Inburgering, Bestuurszaken, Sociale Economie en Zeevisserij, terwijl zij hadden moeten worden benoemd door de Vlaamse regering. Volgens verzoeker verleent het besluit van de Vlaamse regering van 5 juli 2024 ‘tot delegatie van beslissingsbevoegdheden aan de leden van de Vlaamse Regering’ (hierna: besluit van de Vlaamse Regering van 5 juli 2024) enkel delegatie voor het nemen van beslissingen voor de toepassing van onder meer besluiten van de Vlaamse Regering, doch niet voor het nemen van besluiten van de Vlaamse regering. Beoordeling 6. Artikel 20 van de tuchtwet luidt: “De hogere tuchtoverheid is: 1° wat de personeelsleden van de lokale politie betreft:
(2)de resultaten van de logging controle die los van het strafonderzoek bekomen werd van het DRI Service Center. Gelet op uw vrijspraak wordt het eerste tuchtfeit door de hogere tuchtoverheid niet langer weerhouden noch heromschreven (infra). Het strafdossier zelf noch de in het Nederlands vertaalde stukken hieruit hebben betrekking op de andere mogelijke tuchtfeiten en de beoordeling ervan door de hogere tuchtoverheid. De mogelijke tuchtfeiten 2, 3 en 5 kunnen blijken uit het nazicht van de logging die de tuchtoverheid ontvangen heeft van het DRI Service Center. Het mogelijke feit 4 XII-10.065-20/54 kan blijken uit de verklaring die u zelf aan de tuchtoverheid overhandigde, uit uw administratief verhoor en uit de door de tuchtoverheid bij de politiezone Antwerpen opgevraagde processen-verbaal die volledig losstaan van het ontvangen strafdossier (infra). Ook zonder lezing van het tuchtdossier kon de tuchtoverheid op basis van de via DRI bekomen informatie vaststellen dat er sprake was van een onregelmatige consultatie van de kwestieuze personen. Het feit dat deze naam zou voorkomen in het strafdossier, doet hieraan geen afbreuk. Bovendien heeft u zelf aangegeven dat de naam [O.G.] u bekend klonk. De functie die u binnen de politiezone uitoefende, ontslaat u allerminst van de naleving van de wettelijke en reglementaire voorschriften met betrekking tot het gebruik van de politionele databasis. Het bestaan van een link tussen het nazicht van DRI en het strafdossier tast ook de betrouwbaarheid van het nazicht door DRI niet aan. Aangezien de tuchtoverheid het strafdossier volledig buiten beschouwing laat en haar integrale beoordeling is gesteund op elementen onafhankelijk van het strafdossier, is er geen sprake van een schending van de taalwetgeving of het recht van verdediging.” In diezelfde rubriek overweegt de bestreden beslissing met betrekking tot het verweer ten aanzien van feit 3: “Dit feit heeft betrekking op: Het (onrechtmatig) raadplegen van de politionele databanken met betrekking tot de genaamden [O.G.] en [K.I.] zonder dat hieraan een reden van bestuurlijke en/of gerechtelijke politie aan de basis ligt; De hogere tuchtoverheid verwijst ter zake naar haar uiteenzetting met betrekking tot deze feiten in het voorstel van zware tuchtstraf. Uit de analyse van de lijst DRI 1036LKI blijkt dat u op 6 april 2021 om 19.36 uur, zonder opgave van een reden van raadpleging, en meer dan een maand nadat zij deze voor een eerste maal had opgezocht i.h.k.v een meldingsfiche dat had geleid naar een informatierapport, opnieuw de heer [K.I.] opzoekt in het rijksregister, om dan via toepassing PLC en diens ANG-verleden terecht te komen bij ene [G.O.] […]. In tegenstelling tot wat u voorhoudt, blijkt deze consultatie wel degelijk uit de listing DRI die als bijlage gevoegd is aan stuk 31. Uit nazicht blijkt dat het informatierapport en de gerelateerde meldingsfiche reeds voordien werden geviseerd en afgehandeld door het bureel kwaliteitszorg, zodat de nieuwe opzoeking van 6 april 2021 dus mogelijk geen gerechtvaardigde grond meer [had]. Er blijkt in elk geval dat er voor deze laatste opzoekingen ook geen verplichte reden van raadpleging werd ingegeven […]. Naar aanleiding van uw administratief verhoor verklaarde u dienaangaande dat de naam [O.G.] u bekend voorkwam en dat u betrokkene ‘500 procent zeker voor de federale gerechtelijke politie Antwerpen opgezocht [heeft] in de bestanden.’ Ondervraagd naar de identiteit van de opdrachtgever van deze opzoeking en de wettige reden hiervoor wenste u evenwel niets te verklaren […]. U kan ook niet worden gevolgd in de loze bewering dat er met betrekking tot deze opzoekingen allicht wel redenen voorhanden waren om deze (rechtmatig) uit te voeren. Dit volstaat evenwel niet. Indien er sprake was van een reden van gerechtelijke en/of bestuurlijke politie om de kwestieuze opzoekingen uit te voeren, had er hiervoor een melding moeten bestaan, niet alleen ter staving van de opzoeking maar ook om de (mogelijke) verdenking te registreren binnen de politie. XII-10.065-21/54 De integriteit van de logging die van DRI Service Center ontvangen werd, kan niet ernstig ter discussie worden gesteld. De reden van raadpleging, voor zover door u reeds vermeldt, is terug te vinden als laatste vermelding op elke lijn van het werkblad.” 28. De Raad van State stelt prima facie vast dat verzoekster deze omstandige motivering in de bestreden beslissing in het geheel niet betrekt in de uiteenzetting van het middel. Gelet op de op haar rustende stelplicht moet verzoekster aantonen welke niet-vertaalde stukken essentieel kunnen zijn voor de beoordeling van de tuchtfeiten, niettegenstaande de omstandige hiervoor weergeven formele motivering van de bestreden beslissing desbetreffend. Verzoekster weerlegt prima facie niet het standpunt van de hogere tuchtoverheid dat het tuchtfeit op zich steun vindt in de door de hogere tuchtoverheid vermelde bewijsstukken en dat de vermeldingen in het vonnis daarom zonder belang zijn. Verzoekster beperkt zich in haar grief louter tot het opperen van een mogelijkheid dat het stuk wel eens nuttig zou kunnen zijn. Daarmee toont verzoekster prima facie nog niet aan dat een stuk, dat wezenlijke elementen kon bevatten voor de besluitvorming door de hogere tuchtoverheid, ten onrechte niet werd vertaald. 29. In de mate dat verzoekster aanvoert dat de korpschef niet over het vereiste taalattest beschikt om de stukken die wel naar het Nederlands zijn vertaald, te vertalen, blijft verzoekster prima facie in gebreke om aannemelijk te maken dat de vertaling dient te gebeuren door een beëdigd vertaler, alsook waarom een certificaat dat volgens verzoekster het “tweetalig functioneren binnen de dienst, zoals voor interne communicatie, bevelvoering en opleiding” attesteert, niet zou volstaan. Dit geldt temeer daar verzoekster niet aanvoert dat de vertalingen door de korpschef fouten bevatten die de besluitvorming door de hogere tuchtoverheid op wezenlijke wijze hebben beïnvloed of verhinderd. 30. Uit wat voorafgaat, volgt dat verzoekster prima facie niet aannemelijk maakt dat de tuchtoverheid haar verweer of bepaalde stukken van het dossier niet heeft begrepen. 31. Het derde middel is niet ernstig. XII-10.065-22/54 D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel 32. Verzoekster voert in het verzoekschrift in het vierde middel de schending aan van het onpartijdigheidsbeginsel. Zij vat het vierde middel als volgt samen: “verzoeker stelt vast dat het politiecollege blijk heeft gegeven van vooringenomenheid.” Uit de verdere toelichting blijkt dat verzoekster het onpartijdigheidsbeginsel geschonden acht omwille van de vooringenomenheid die zou blijken uit het inleidend verslag en het voorstel van zware tuchtstraf. Beoordeling 33. Verzoekster verwijst ter onderbouwing van deze grief naar het deskundigenverslag van de Inspecteur-generaal in de procedure voor de Tuchtraad, waarin tot vooringenomenheid wordt besloten gelet op het affirmatief taalgebruik in het inleidend verslag en het voorstel van zware tuchtstraf. 34. Allereerst stelt de Raad van State prima facie vast dat verzoekster in het verzoekschrift niet één concreet voorbeeld geeft van een affirmatief taalgebruik in het inleidend verslag waaruit een vooringenomenheid zou blijken. In de mate dat verzoekster ter onderbouwing van haar grief verwijst naar het deskundigenverslag van 23 september 2025, merkt de Raad van State op dat verzoekster ter onderbouwing van haar grief niet zonder meer kan verwijzen naar stukken uit het administratief dossier, die niet eens bij het verzoekschrift zijn gevoegd, zodat de Raad van State zelf maar op zoek moet gaan naar het concrete voorwerp van verzoeksters kritiek, nog daargelaten dat het deskundigenverslag van 23 september 2025 waarnaar verzoekster verwijst, volgens een later “aanvullend” XII-10.065-23/54 deskundigenverslag “als nietig en ongeldig” moet worden beschouwd. Louter ten overvloede valt de Raad van State de bevindingen van het auditoraatsverslag bij dat van een affirmatief taalgebruik of vooringenomenheid in het inleidend verslag prima facie geen sprake is. In de mate dat de grief slaat op het inleidend verslag, is hij niet ernstig. 35. In de mate dat de grief betrekking heeft op het voorstel van zware tuchtstraf, verwijst verzoekster naar de zin in het voorstel van zware tuchtstraf dat de hogere tuchtoverheid van mening is “dat deze feiten ontegensprekelijk vaststaan en u kunnen worden toegerekend”. 36. Artikel 38sexies van de tuchtwet luidt: “Op grond van het volledige dossier en van het verweer, deelt de hogere tuchtoverheid haar beslissing mede door kennisgeving aan het betrokken personeelslid tegen een ontvangstbewijs of bij een ter post aangetekend schrijven. De beslissing kan zijn, ofwel dat zij beslist heeft geen tuchtstraf uit te spreken, ofwel dat zij beslist heeft één van de lichte tuchtstraffen uit te spreken, ofwel dat zij beslist heeft een voorstel van één van de zware tuchtstraffen uit te spreken. De beslissing wordt aan het betrokken personeelslid medegedeeld, uiterlijk vijftien dagen na het verstrijken van de in artikel 38quater bedoelde termijn van dertig dagen en vermeldt het recht van de betrokkene om tegen het voorstel van zware tuchtstraf bij de tuchtraad overeenkomstig artikel 51bis een verzoek tot heroverweging in te stellen. Wanneer geen verzoek tot heroverweging ingesteld wordt overeenkomstig artikel 51bis, bevestigt en deelt met een ter post aangetekend schrijven of door kennisgeving tegen een ontvangstbewijs, de hogere tuchtoverheid haar definitieve beslissing mede aan het betrokken personeelslid, zonder het voorstel tot zware tuchtstraf te kunnen wijzigen. In de in artikel 24 bedoelde gevallen kan de hogere tuchtoverheid haar definitieve beslissing slechts mededelen na kennis genomen te hebben van de in artikel 24, eerste en tweede lid, bedoelde adviezen, of, bij ontstentenis, ten vroegste de dag na de periode waarin de betrokken overheid geacht wordt geen bijkomend advies te willen formuleren. Wanneer geen enkele in het eerste lid bedoelde beslissing genomen wordt binnen de in het eerste lid bedoelde termijn van vijftien dagen, in voorkomend geval verlengd met de termijn bedoeld in artikel 24, derde lid, of verlengd met de noodzakelijke termijn om artikel 38quinquies toe te passen, wordt de hogere tuchtoverheid geacht af te zien van de vervolgingen voor de feiten die betrokkene ten laste gelegd werden. De in het eerste lid bedoelde beslissingen en voorstellen van beslissingen van de hogere tuchtoverheid, worden formeel gemotiveerd.” XII-10.065-24/54 Uit deze bepaling blijkt prima facie dat het voorstel van zware tuchtstraf wel degelijk een beslissing is die, indien er overeenkomstig artikel 51bis van de tuchtwet geen verzoek tot heroverweging wordt ingediend bij de Tuchtraad, onmiddellijk wordt gevolgd door een definitieve beslissing waarbij de hogere tuchtoverheid het voorstel tot zware tuchtstraf zelfs niet meer kan wijzigen. In dat stadium van de procedure oordeelt de hogere tuchtoverheid, met inachtneming van het volledige dossier en het verweer van de betrokkene, over het bestaan, de kwalificatie en de toerekenbaarheid van de feiten, alsook over de concrete straftoemeting. Prima facie valt niet in te zien waarom de hogere tuchtoverheid zich daarbij niet in affirmatieve zin zou mogen uitspreken over de hiervoor vermelde constitutieve onderdelen van het voorstel van zware tuchtstraf. Verzoekster heeft op dat ogenblik immers haar recht van verdediging kunnen uitoefenen en het komt vervolgens de hogere tuchtoverheid toe om over het tuchtdossier – daarin inbegrepen het verweer van het betrokken personeelslid – een gemotiveerde beslissing te nemen die, zoals blijkt uit artikel 38sexies van de tuchtwet, bij gebrek aan verzoek tot heroverweging van rechtswege de niet meer wijzigbare inhoud van de eindbeslissing bepaalt. Het gegeven dat, in het geval wel een verzoek tot heroverweging wordt ingediend, nog een advies van de Tuchtraad volgt, waarna de hogere tuchtoverheid haar oordeel mogelijk dient te ‘heroverwegen’ in het licht van dat advies, doet niet anders oordelen en noopt de hogere tuchtoverheid niet tot dezelfde terughoudendheid die – gelet op het recht van verdediging en het vermoeden van onschuld – geldt bij het opstellen van het inleidend verslag. 37. Het vierde middel is niet ernstig. XII-10.065-25/54 E. Vijfde middel Uiteenzetting van het middel 38. Verzoekster voert in het verzoekschrift in het vijfde middel de schending aan van artikel 24 van de tuchtwet, het zorgvuldigheidsbeginsel, de materiëlemotiveringsplicht en het onpartijdigheidsbeginsel. Zij vat het vijfde middel als volgt samen: “verzoeker stelt vast dat er niet op een zorgvuldige en deugdelijke wijze is omgegaan met het benaarstigen van het wettelijk voorziene advies van de [P]rocureur des Konings, welk advies - waar de tuchtoverheid leunt - zelf ook niet deugdelijk is en niet op een zorgvuldige wijze is tot stand gekomen.” Verzoekster licht verder toe dat de adviesvraag en de daarbij door de hogere tuchtoverheid gevoegde stukken niet volstonden om de procureur des Konings toe te laten om op een zorgvuldige wijze een advies te verlenen. Voorts voert verzoekster aan dat de adviesvraag niet aan de procureur des Konings te Antwerpen werd gericht, maar wel aan een eerste substituut procureur des Konings met de vermelding dat het “een dossier u wel gekend” betreft, zodat het advies behept is met een schijn van partijdigheid. Beoordeling 39. Artikel 24 van de tuchtwet luidt: “[…] Wanneer feiten werden gepleegd die rechtstreeks betrekking hebben op de uitvoering van een opdracht van gerechtelijke politie kan een zware tuchtstraf slechts worden opgelegd na het advies van de procureur des Konings tot wiens ambtsgebied de lokale politie of de op arrondissementeel niveau gedeconcentreerde directie of dienst van de federale politie waarvan het betrokken personeelslid deel uitmaakt, behoort. Voor de overige personeelsleden van de federale politie is het advies van de federale procureur of zijn gemachtigde vereist. De in het eerste en tweede lid bedoelde adviezen moeten gemotiveerd zijn en worden verleend binnen een termijn van twintig dagen te rekenen van de dag waarop het voorstel tot straf aan de betrokken overheid wordt toegestuurd en vooraleer de tuchtraad zich uitspreekt. Eens die termijn verstreken is, wordt de betrokken overheid geacht geen aanvullend advies te willen verstrekken. XII-10.065-26/54 De in het eerste en tweede lid bedoelde adviezen moeten eveneens aan het voorstel van zware tuchtstraf van de hogere tuchtoverheid toegevoegd worden.” Artikel 24 van de tuchtwet bepaalt de gevallen waarin de hogere tuchtoverheid, alvorens zij een personeelslid van het operationeel kader van de politiediensten een zware tuchtstraf oplegt, het advies moet inwinnen van, te dezen, de procureur des Konings. Deze adviesverplichting is een substantiële vormvereiste die ertoe strekt de mening van bepaalde overheden waaraan geen bestraffingsbevoegdheid is toegekend – te dezen de procureur des Konings gelet op de omstandigheid dat feiten werden gepleegd die rechtstreeks betrekking hebben op de uitvoering van een opdracht van gerechtelijke politie – te doen kennen inzake een voorstel tot het opleggen van een zware tuchtstraf. Voorts moet luidens artikel 24, derde lid, van de tuchtwet dat advies gemotiveerd zijn en moet het worden verleend binnen een termijn van twintig dagen te rekenen van de dag waarop “het voorstel tot straf” aan, te dezen, de bevoegde procureur des Konings wordt toegestuurd. Hieruit blijkt dat het advies moet worden gevraagd naar aanleiding van het “voorstel van tuchtstraf”. Dat is het in artikel 38sexies, eerste lid, van de tuchtwet bedoelde voorstel van zware tuchtstraf, zijnde één van de drie beslissingen die de hogere tuchtoverheid op grond van het artikel 38sexies, eerste lid, van de tuchtwet kan nemen “op grond van het volledige dossier en van het verweer” en moet worden meegedeeld aan het betrokken personeelslid. Voorts moet op grond van artikel 38sexies, vijfde lid, dat voorstel van beslissing van de hogere tuchtoverheid tot het opleggen van een zware straf formeel worden gemotiveerd. 40. De procureur des Konings dient derhalve zijn advies te verstrekken op grond van het hem toegestuurde “voorstel van tuchtstraf”. Artikel 24, derde lid, van de tuchtwet bepaalt niet de nadere inhoud ervan, doch het voorstel van tuchtstraf moet op grond van artikel 38sexies van de tuchtwet genomen zijn “op grond van het volledige dossier en van het verweer”. Opdat de procureur des Konings aldus zijn rechtsplicht tot adviseren op zorgvuldige wijze zou kunnen uitoefenen, dient het voorstel van tuchtstraf dat naar die adviserende overheid is gezonden, derhalve alle nuttige gegevens te bevatten op grond waarvan XII-10.065-27/54 die overheid met kennis van zaken een correct beeld kan vormen van de tuchtzaak en haar advies kan verstrekken. Daar van de adviserende overheid mag worden verwacht dat zij adviseert na een zorgvuldig onderzoek en afweging van alle relevante feiten en belangen, behoren tot die nuttige gegevens de (in voorkomend geval, toereikende samenvatting van
- de)middelen of argumenten van verweer van het betrokken personeelslid, daar die als essentieel element van het tuchtdossier, noodzakelijk bij de verantwoording van een voorstel van zware straf moeten worden betrokken. Artikel 24 van de tuchtwet houdt evenwel niet de rechtsplicht in het (integrale) tuchtdossier aan de adviserende overheid over te maken. 41. Te dezen stelt de Raad van State prima facie vast dat de brief van 18 juli 2024 waarmee de hogere tuchtoverheid het advies van de procureur des Konings vraagt, de volgende bijlagen vermeldt: het ontwerp van voorstel van zware tuchtstraf, een kopie van het verhoor van verzoekster afgelegd bij de federale gerechtelijke politie Brussel, een kopie van het verhoor van verzoekster afgelegd bij de onderzoeksrechter, een kopie van het verhoor van verzoekster afgelegd in het kader van het voorafgaand onderzoek, het proces-verbaal van de hoorzitting van 15 juli 2024 en het schriftelijk verweer van verzoekster. Verzoekster maakt prima facie niet aannemelijk dat de adviesvraag en de daarbij gevoegde stukken daarmee niet alle nuttige gegevens zou bevatten op grond waarvan de procureur des Konings met kennis van zaken een correct beeld kon vormen van de tuchtzaak en op een zorgvuldige wijze zijn advies kon verstrekken. In de mate dat verzoekster aanvoert dat bij de adviesvraag ook de verslagen van het voorafgaand onderzoek en de processen-verbaal betreffende het door de broer van verzoekster gestolen voertuig moesten worden gevoegd, en aldus uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het middel prima facie naar recht. Het volstaat dat het aan de adviserende instantie toegezonden voorstel van straf alle nuttige gegevens bevat in de zin als hiervoor is gesteld. Verzoekster toont aldus prima facie niet aan dat de procureur des Konings zijn adviesverplichting niet met kennis van zaken en niet op een zorgvuldige wijze kon uitoefenen. XII-10.065-28/54 42. Voorts voert verzoekster aan dat het advies niet werd gevraagd aan de procureur des Konings, maar aan de eerste substituut, waarbij de hogere tuchtoverheid aangaf dat het dossier van verzoekster hem wel gekend was, wat volgens verzoekster een schijn van partijdigheid wekt. 43. Het onpartijdigheidsbeginsel waarborgt, voor zover van toepassing op organen van het actief bestuur, zowel de persoonlijke onpartijdigheid als de structurele onpartijdigheid van het orgaan van actief bestuur, op het vlak van het verloop van de procedure en het tot stand komen van zijn beslissingen. Het onpartijdigheidsbeginsel moet eveneens in acht worden genomen door adviesorganen, zij het dat de toepassing ervan er niet mag toe leiden dat het nemen van een regelmatige beslissing onmogelijk wordt, met name doordat dit beginsel het optreden van het bevoegde adviesorgaan of van het beslissend orgaan van actief bestuur onmogelijk zou maken. 44. Te dezen steunt verzoekster de schijn van partijdigheid op het loutere gegeven dat in de adviesvraag wordt vermeld dat de eerste substituut aan wie het verzoek wordt gericht bekend zou zijn met het dossier. De bestreden beslissing antwoordt – onder de rubriek waar wordt gerepliceerd op de verweerschriften van 31 oktober 2025 en 2 januari 2026 – op een gelijkaardige grief aangevoerd voor de hogere tuchtoverheid: “Er ligt hic et nunc geen enkel element voor dat zou kunnen doen besluiten dat de procureur des Konings niet op een objectieve wijze tot zijn advies zou zijn gekomen. De loutere verwijzing naar het feit dat het dossier de procureur ‘wel gekend’ zou zijn, is niet van aard hieraan afbreuk te doen. In het kader van het voorafgaand onderzoek werd bv. aan de procureur des Konings immers toestemming gevraagd bepaalde processen-verbaal te raadplegen en aan te wenden in tuchtzaken. Zoals u terecht opmerkt, is het ambt van de procureur des Konings één en ondeelbaar en heeft de hogere tuchtoverheid geen enkel zeggenschap over wie binnen het parket Antwerpen gelast wordt met de aflevering van het gevraagde advies. Nog veel minder heeft de hogere tuchtoverheid kennis van enig gegeven waaruit zou kunnen blijken dat eerste substituut [B.T.], die het bewuste advies formuleerde, betrokken zou zijn bij enige strafvordering lastens u. Eerste substituut [B.T.] is XII-10.065-29/54 binnen het parket gelast met de opvolging van soortgelijke zaken zodat hij in dit geval als eerste aanspreekpunt werd beschouwd. Het was en is zijn verantwoordelijkheid om aan de vraag tot advies van de tuchtoverheid intern parket het nodige gevolg te verlenen en de vraag desgevallend voor te leggen aan de binnen zijn diensten bevoegde persoon.” Deze repliek in de bestreden beslissing spoort prima facie met de richtlijn in de omzendbrief nr. 04/2003 van het College van procureurs-generaal bij de hoven van beroep betreffende de tuchtwet, dat “bij elk parket van eerste aanleg en auditoraat een referentiemagistraat [zal] worden aangesteld die zal zorgen voor het beheer van de dossiers en de opvolging en de toepassing van de omzendbrief”. Verzoekster zet niet uiteen waarom de hogere tuchtoverheid deze referentiemagistraat niet rechtstreeks zou mogen aanschrijven. Voorts stelt de Raad van State prima facie vast dat verzoekster de repliek in de bestreden beslissing op haar grief in het geheel niet betrekt in de uiteenzetting van het middelonderdeel. Dit volstaat om deze grief niet ernstig te bevinden. 45. Het vijfde middel is niet ernstig. F. Zesde middel Uiteenzetting van het middel 46. Verzoekster voert in het verzoekschrift in het zesde middel de schending aan van “het beginsel van de beslotenheid der vergadering”. Zij vat het zesde middel als volgt samen: “verzoeker stelt vast dat de Korpschef en zelfs derden zetelden bij de vergaderingen van het politiecollege en aldus de vereiste beslotenheid van de vergadering werd aangetast.” Verzoekster licht toe dat de korpschef aanwezig was op de zittingen van het politiecollege van 7 juni 2024, 18 juli 2024 en 25 [lees:13] XII-10.065-30/54 november 2025 waarop het tuchtdossier lastens verzoekster aan bod kwam, alsook dat de heer T.C. in de hoedanigheid van waarnemend korpschef naast de korpschef eveneens aanwezig was op de zitting van het politiecollege van 25 [lees: 13] november 2025. Volgens verzoekster is artikel 29 van de wet van 7 december 1998 geen deugdelijke grondslag voor de aanwezigheid van de (waarnemend) korpschef, daar de korpschef en het politiecollege door de tuchtwet van elkaar onderscheiden tuchtoverheden zijn en aan de korpschef geen rol is toebedeeld bij de afhandeling van een tuchtprocedure door het politiecollege. Wat de aanwezigheid van de heer T.C. betreft, voert verzoekster nog aan dat hij op de zitting van het politiecollege van 13 november 2025 geen waarnemend korpschef kon zijn, daar de korpschef ook aanwezig was. Beoordeling 47. In de mate dat het middel de aanwezigheid van de korpschef en van de heer T.C. tijdens de zitting van het politiecollege van 13 november 2025 bekritiseert, stelt de Raad van State prima facie vast dat op deze vergadering het politiecollege “kennis [neemt] van de actuele stand van de procedure voor de Tuchtraad en de stukken zoals hierboven uiteengezet” en voorts “zich aan[sluit] bij het namens haar voor de Tuchtraad ontwikkelde standpunt en […] dit voor zoveel als nodig [bevestigt]”. Verzoekster zet niet uiteen dat hiermee een beslissing zou zijn genomen die enige invloed kon uitoefenen op de bestreden beslissing. Deze grief kan derhalve de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing niet verantwoorden. 48. Wat de aanwezigheid van de korpschef op de vergaderingen van het politiecollege van 7 juni en 18 juli 2024 betreft, verwijst de verwerende partij prima facie terecht naar artikel 29, tweede lid, van de wet van 7 december 1998. Deze bepaling luidt: “De korpschef van de lokale politie is belast met de voorbereiding van de zaken die aan de politieraad of aan het politiecollege worden voorgelegd en woont de vergaderingen van de raad en het college bij.” XII-10.065-31/54 Volgens verzoekster rijmt deze bepaling niet met de tuchtwet, doch verzoekster blijft in gebreke om een rechtsnorm aan te duiden die artikel 29, tweede lid, van de wet van 7 december 1998 in tuchtzaken ipso facto zou terzijde schuiven. Voorts maakt verzoekster niet aannemelijk dat de korpschef door zijn optreden als gewone tuchtoverheid, door bepaalde stukken te hebben vertaald of door verzoekster in opdracht van het politiecollege te hebben gehoord, dermate vooringenomen zou zijn dat hij zich op grond van het onpartijdigheidsbeginsel had moeten onthouden van aanwezigheid op de vergaderingen van het politiecollege. 49. Het zesde middel is niet ernstig. G. Zevende middel Uiteenzetting van het middel 50. Verzoekster voert in het verzoekschrift in het zevende middel de schending aan van artikel 6 van het Verdrag ‘tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden’ ondertekend te Rome op 4 november 1950 (hierna: EVRM) , het algemeen rechtsbeginsel omtrent de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter, het onpartijdigheidsbeginsel en artikel 28 van de wet van 7 december 1998. Zij vat het zevende middel als volgt samen: “verzoeker stelt vast dat het politiecollege niet heeft gestemd niettegenstaande zulks tot de regelmatigheid van de besluitvorming behoort en minstens een schijn van partijdigheid en/of gebrek aan onafhankelijkheid in hoofde van de leden van het politiecollege en het college als orgaan zelf, met zich brengt.” Beoordeling 51. Verzoekster voert in wezen aan dat het politiecollege “daadwerkelijk” moest stemmen over de bestreden beslissing en dat uit de notulen niet blijkt dat er een stemming heeft plaatsgevonden. Het middel wordt vanuit dat oogpunt onderzocht. XII-10.065-32/54 52. Artikel 28 van de wet van 7 december 1998 luidt: “De artikelen 104, eerste en derde lid, en 105 van de nieuwe gemeentewet zijn van overeenkomstige toepassing op het politiecollege. Het politiecollege mag alleen dan beraadslagen en besluiten als de meerderheid van de stemmen bedoeld in artikel 24 is vertegenwoordigd. De besluiten van het politiecollege worden bij meerderheid van de stemmen bedoeld in het vorige lid genomen. Bij staking van stemmen verdaagt het politiecollege de zaak tot een volgende vergadering. Indien bij meerderheid van stemmen in het politiecollege de behandeling van de zaak vooraf spoedeisend is verklaard, of wanneer de zaak in een vorige vergadering na staking van stemmen werd verdaagd, is bij staking van stemmen de stem van de voorzitter beslissend. Het politiecollege kan, mits alle leden hiermee akkoord gaan, in zijn huishoudelijk reglement de gevallen bepalen waarin en de nadere regels volgens welke de leden van het college op afstand kunnen deelnemen aan de vergadering. De leden van het college die op deze manier deelnemen aan de vergadering worden beschouwd als aanwezig voor de naleving van de quorum- en meerderheidsvoorwaarden.” Artikel 29 van de wet van 7 december 1998 luidt: “In de meergemeentezone wordt de functie van secretaris van de politieraad en van het politiecollege door een lid van het personeel van het administratief en logistiek kader van het lokaal politiekorps of van een gemeentelijke administratie van de zone vervuld. Hij wordt respectievelijk aangeduid door de politieraad of het politiecollege. Hij stelt de notulen van de raad en van het college op en zorgt voor de overschrijving ervan. De korpschef van de lokale politie is belast met de voorbereiding van de zaken die aan de politieraad of aan het politiecollege worden voorgelegd en woont de vergaderingen van de raad en het college bij. De overgeschreven notulen worden door de voorzitter en door de secretaris getekend. De notulen vermelden alle besproken onderwerpen alsook het gevolg dat werd gegeven aan die punten waaromtrent geen beslissing werd genomen. Zij maken eveneens duidelijk melding van alle beslissingen. De briefwisseling uitgaande van de politieraad en het politiecollege wordt door de voorzitter ondertekend en door de korpschef medeondertekend tenzij daarvoor delegatie wordt verleend.” Artikel 104, eerste en derde lid, van de Nieuwe Gemeentewet luidt: “Het college van burgemeester en schepenen vergadert op de dagen en uren door het reglement bepaald, en zo dikwijls de spoedige afdoening van de zaken het vereist. […] De vergaderingen van het college van burgemeester en schepenen zijn niet openbaar. Alleen de beslissingen worden opgenomen in de notulen en in het register van de beraadslagingen bedoeld in artikel 108: alleen de beslissingen kunnen rechtsgevolgen hebben.” XII-10.065-33/54 53. De artikelen 28 en 29 van de wet van 7 december 1998 bepalen onder meer op welke wijze het politiecollege zijn beslissingen neemt en hoe die beslissingen op schrift worden gesteld. Luidens artikel 29, vierde lid, van de wet van 7 december 1998 vermelden de notulen van de vergaderingen van het politiecollege “alle besproken onderwerpen alsook het gevolg dat werd gegeven aan die punten waaromtrent geen beslissing werd genomen. Zij maken eveneens duidelijk melding van alle beslissingen.” Het bestaan van een beslissing van het politiecollege, de totstandkoming ervan en het vervuld zijn van de wettelijk vereiste vormvoorschriften moeten blijken uit de notulen van de vergadering. De notulen zijn authentieke akten waarmee het bestaan van een beslissing wordt aangetoond, alsook dat de wettelijk voorgeschreven vormen inzake het houden van de vergadering en de regelmatigheid van de besluitvorming zijn geëerbiedigd. 54. In weerwil van wat verzoekster lijkt aan te nemen, schrijft artikel 28 van de wet van 7 december 1998 prima facie niet voor dat de notulen uitdrukkelijk moeten vermelden dat en hoe er precies werd gestemd noch wat de stemuitslag was. Het bestaan van een beslissing van een politiecollege en het vervullen van de wettelijk vereiste vormvoorschriften moeten weliswaar blijken uit de notulen van de vergadering. Niet vereist is evenwel dat de notulen gewag maken van de concrete stemming noch de precieze stemmenverdeling onder de verschillende leden van het politiecollege, daar dit om een objectief en vast gegeven gaat dat in het kader van een individuele beslissing niet meer kan worden betwist en waarvan de vermelding ook niet wettelijk vereist is. De notulen zijn bovendien authentieke akten waarmee ook wordt aangetoond dat de wettelijk voorgeschreven vormen inzake het houden van de vergadering en de regelmatigheid van de stemmingen geëerbiedigd zijn. 55. Uit het uittreksel uit de notulen van de vergadering van het politiecollege van 8 januari 2026 blijkt welke leden aanwezig waren en hebben deelgenomen aan de beraadslaging en besluitvorming. Verzoekster betwist niet dat het politiecollege rechtsgeldig kon beraadslagen en besluiten. Uit het uittreksel uit de notulen van het politiecollege 8 januari 2026 blijkt dat “[h]et politiecollege, in XII-10.065-34/54 haar hoedanigheid van hogere tuchtoverheid, na beraadslaagd te hebben over het volledige dossier, […]eenparig [beslist] om aan [verzoekster] voor de weerhouden feiten, de zware tuchtstraf van het ONTSLAG VAN AMBTSWEGE met ingang van 17 januari 2024 (datum ingang voorlopige schorsing), op te leggen”, alsook dat het politiecollege “[eenparig] beslist […] om aan [verzoekster] het bijgevoegde kennisgeving van zware tuchtstraf te laten betekenen”. Hieruit moet prima facie worden afgeleid dat het politiecollege op 8 januari 2026 met eenparigheid van stemmen de bestreden beslissing heeft genomen. Immers, artikel 28 van de wet van 7 december 1998 noch de bepalingen waarnaar dit artikel verwijst, leggen uitdrukkelijk op dat de notulen van de vergaderingen van het politiecollege steeds uitdrukkelijk moeten vermelden dat er – “daadwerkelijk” zoals verzoekster betoogt – werd gestemd noch wat de uitslag van die stemming was. Uit de vermelding dat de bestreden beslissing “eenparig” is genomen, kan voorts prima facie niet anders worden afgeleid dan dat is vastgesteld dat alle aanwezige leden van het politiecollege zich akkoord hebben verklaard met de bestreden beslissing. In de mate dat verzoekster aanvoert dat door niet “daadwerkelijk” te stemmen – waarbij de Raad van State vaststelt dat verzoekster niet uiteenzet wat onder “daadwerkelijk” moet worden begrepen – de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de leden van het politiecollege in het gedrang wordt gebracht, moet met de verwerende partij prima facie worden vastgesteld dat de enige manier om de vermeende groepsdruk te voorkomen een geheime stemming is en dat dan nog – gelet op het onderscheiden gewicht van de stemmen van de burgemeesters – het stemgedrag aan het licht kan komen. Verzoekster erkent evenwel terecht dat er te dezen geen verplichting bestaat voor het politiecollege om in tuchtzaken geheim te stemmen. 56. Het zevende middel is niet ernstig. XII-10.065-35/54 H. Achtste middel Uiteenzetting van het middel 57. Verzoekster voert in het verzoekschrift in het achtste middel de schending aan van de materiëlemotiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en artikel 3 van de tuchtwet. Zij vat het achtste middel als volgt samen: “verzoeker stelt vast dat de verweten tuchtfeiten niet op deugdelijke gronden zijn gestoeld, dat er zelfs geen sprake is van een tuchtfeit, aspecten niet afdoende zijn onderzocht en er minstens sprake is van onredelijkheid.” Verzoekster licht dit vervolgens toe voor elk van de haar verweten tuchtvergrijpen. Beoordeling 58. Artikel 3 van de tuchtwet luidt: “Elke handeling of gedraging, zelfs buiten de uitoefening van het ambt, die een tekortkoming aan de beroepsplichten uitmaakt of die van aard is de waardigheid van het ambt in het gedrang te brengen, is een tuchtvergrijp en kan aanleiding geven tot het opleggen van een tuchtstraf.” De tuchtoverheid heeft bij de uitoefening van haar tuchtbevoegdheid een discretionaire beoordelingsbevoegdheid op het vlak van de tuchtrechtelijke kwalificatie van de ten laste gelegde feiten. De tuchtoverheid beoordeelt aldus discretionair of zij feiten en onachtzaamheden gepleegd door politieambtenaren als tuchtrechtelijk strafbare vergrijpen aanmerkt. Het komt aan de Raad van State binnen het raam van zijn wettigheidstoezicht niet toe om zelf een beoordeling te maken van, te dezen, de kwalificatie van de aan verzoeker ten laste gelegde feiten als tuchtvergrijpen in de zin van artikel 3 van de tuchtwet. De Raad van State is enkel bevoegd om XII-10.065-36/54 desgevraagd na te gaan of de tuchtoverheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen. 59. De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere bestuurshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Bij de beoordeling van de naleving van de materiëlemotiveringsplicht is de Raad van State niet bevoegd om zijn oordeel omtrent de feiten in de plaats te stellen van het oordeel van het bestuur. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of het bestuur is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of het die correct heeft beoordeeld en of het op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot zijn besluit is kunnen komen. Voorts mag enkel met de formeel uitgedrukte motieven rekening worden gehouden. Aan een overheidsonderzoek kleeft het vermoeden van wettigheid. Om de onwettigheid van de motieven van de beslissing van het bestuur aan te tonen, mag een verzoeker niet volstaan met het louter ontkennen of in vraag stellen van de feitelijke elementen waarop de beoordeling door het bestuur berust. Het is zaak van verzoeker om aanwijzingen te verschaffen die het vermoeden wettigen of aantonen dat de door het bestuur in aanmerking genomen gegevens niet juist zijn. 60. Krachtens het zorgvuldigheidsbeginsel moet elk bestuur zich gedragen zoals een voorzichtig en redelijk handelend bestuur, geplaatst in dezelfde omstandigheden. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt onder meer in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten, die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. Het bestuur is onder meer verplicht om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat het met kennis van zaken kan beslissen. XII-10.065-37/54 Het komt aan verzoeker toe om met concrete gegevens aannemelijk te maken dat de handelwijze van de hogere tuchtoverheid niet doet blijken van het vereiste zorgvuldig handelen. Het formuleren door verzoeker van eigen aannames, veronderstellingen en kritieken zonder enig begin van bewijs, volstaat niet om aannemelijk te maken dat de bestreden beslissing op een onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. 61. Een schending van het redelijkheidsbeginsel (of van het evenredigheidsbeginsel, dat er een bijzondere toepassing van
- is)als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, veronderstelt dat het bestuur bij het nemen van de beslissing onredelijk heeft gehandeld, met andere woorden dat het de hem toegekende discretionaire beoordelings- of beleidsvrijheid onjuist heeft gebruikt. Van een schending van het redelijkheidsbeginsel (en van het evenredigheidsbeginsel) kan slechts sprake zijn wanneer een beslissing, waarvan is vastgesteld dat ze berust op deugdelijke grondslagen, inhoudelijk dermate afwijkt van het normale beslissingspatroon of, nog, er een zodanige wanverhouding bestaat tussen die motieven en de inhoud van de beslissing, dat het niet denkbaar is dat een ander zorgvuldig handelend bestuur in dezelfde omstandigheden tot die besluitvorming zou komen of die beslissing zou nemen. De Raad van State is in de uitoefening van zijn wettigheidstoezicht enkel bevoegd om, desgevraagd, na te gaan of het bestuur op grond van de juiste en correct beoordeelde feitelijke gegevens, in redelijkheid tot de bestreden beslissing is kunnen komen. Het komt de Raad van State evenwel niet toe zijn beoordeling in de plaats te stellen van die van het bevoegde bestuur. De Raad van State gaat bij de beoordeling van de redelijkheid of de evenredigheid van de bestreden beslissing uit van de feiten zoals ze blijken uit de bestreden beslissing en waarvan verzoeker de onwettigheid niet heeft aangetoond, getoetst aan de door verzoeker in het middel aangevoerde argumenten die volgens verzoeker doen blijken dat de bestreden beslissing het redelijkheids- of het evenredigheidsbeginsel miskent. XII-10.065-38/54 Eerste grief 62. In wat als een eerste grief kan worden beschouwd, sluit verzoekster zich aan bij de overwegingen in het advies van de Tuchtraad dat de redenen waarom zij strafrechtelijk is vrijgesproken mutatis mutandis eveneens van toepassing zijn op de aan verzoekster ten laste gelegde opzoekingen van A.K., K.I. en O.G. Het tuchtdossier zou niet toelaten met zekerheid te bepalen of de opzoekingen zijn gedaan door verzoekster, dan wel door iemand die zich toegang heeft verschaft tot haar al dan niet vergrendelde computer, dan wel of de opzoeking is gedaan door een externe hacker. 63. Op voormeld onderdeel van het advies van de Tuchtraad, dat verzoekster als grief herneemt, antwoordt de bestreden beslissing – onder de rubriek “[a]nalyse van het advies van de Tuchtraad – Afwijking van het advies” – als volgt: “De hogere tuchtoverheid onderschrijft dit standpunt niet. Vooraleerst dient opgemerkt te worden dat de rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel zich beperkt tot de beoordeling van de opzoekingen met betrekking tot de genaamde [M.V.] en zich derhalve niet uitspreek[t] over de andere consultaties van de politionele databanken die u in het kader van de tuchtprocedure verweten worden. De opzoekingen die u in het kader van deze feiten verweten worden hebben betrekking op: - Op 15-01-2021 om 13:18 uur: 1e bevraging Rijksregister op naam van [A.K.]. - Op 06-04-2021 om 19:36 - 19:37 - 19:50 uur: diverse opzoekingen in het Rijksregister (RRN) en de toepassing PCL (ANG-consultatie) van de genaamde [K.I.]; - Op 06-04-2021 om 19:37 - 19:40 uur: diverse opzoekingen in de toepassing PLC (ANG-consultatie) van de genaamde [O.G.]. Er ligt hic et nunc geen enkel element voor dat ook maar zou kunnen doen veronderstellen dat zowel de systemen van de Federale Politie (ANG) en/of bij uitbreiding deze van het Rijksregister (RRN) het voorwerp zouden geweest zijn van een interne of externe hacking die zou mogelijk gemaakt hebben dat een derde, misbruik makend van uw identiteit en/of login gegevens, deze opzoekingen zou hebben uitgevoerd. Dit geldt des te meer nu de kwestieuze opzoekingen zich situeren in zowel januari als april 2021. Al evenmin ligt er enige aanwijzing voor die zou kunnen doen veronderstellen dat de opzoekingen niet door uzelf werden uitgevoerd. U maakt dit ook niet waarschijnlijk. Dit alles des te meer nu op u de verplichting rust(
- te)om de nodige maatregelen te nemen om elk misbruik van uw toegang tot de politionele databases te vermijden.” XII-10.065-39/54 64. De tuchtvergrijpen 2 en 3 waarop deze grief betrekking heeft, worden in de bestreden beslissing in rubriek 8 vastgesteld en aan verzoekster toegerekend op grond van de volgende overwegingen: “Feit 2 U heeft een niet-geautoriseerde opzoeking in de politionele gegevensbanken van de genaamde [A.K.], uitgevoerd en dit inzonderheid: - Op 15-01-2024 om 13:18 uur: 1e bevraging Rijksregister op naam van [A.K.] Uit de analyse van de lijst DRI 1036KLI blijkt dat u op 15-01-2024 om 13.18 uur de heer [A.K.] heeft opgezocht in het rijksregister en dit zonder vooraf een geldige reden van raadpleging in te geven. In het strafdossier waarvan u het voorwerp uitmaakt, komt een familie [K.] ter sprake en wordt er meer bepaald melding gemaakt van de broers [M., F., R. en A.K.] die volgens het strafdossier allen gekend zouden zijn voor drugsfeiten. Het is niet duidelijk of voormelde personen gerelateerd zijn aan [A.K.] maar uit het onderzoek komt alleszins naar voor dat u - volgens nazicht van de configuratie 'opzoeken element' in ISLP – geen dossier inzake [A.K.] in behandeling had op het moment van de opzoeking. Uw verhoor dienaangaande in het kader van het voorafgaand onderzoek bracht al evenmin duidelijkheid. Deze opzoeking was dus niet ingegeven door rechtmatige motieven van bestuurlijke en/of gerechtelijke politie terwijl naar aanleiding van de consultatie al evenmin voorafgaandelijk een reden van raadpleging werd vermeld zoals nochtans voorzien is. Feit 3 U heeft een niet-geautoriseerde opzoeking in de politionele gegevensbanken van de genaamden [K.I.] en [O.G.] verricht en dit inzonderheid: - Op 06-04-2021 om 19:36 - 19:37 - 19:50 uur: diverse opzoekingen in het Rijksregister (RRN) en de toepassing PCL (ANG-consultatie) van de genaamde [K.I.]; - Op 06-04-2021 om 19:37 - 19:40 uur: diverse opzoekingen in de toepassing PLC (ANG-consultatie) van de genaamde [O.G.]. Uit de analyse van de lijst DRI 1036LKI blijkt dat u op 06-04-2021 om 19.36 uur de heer [K.I.] heeft opgezocht in het rijksregister. Dit zonder opgave van een reden van raadpleging en meer dan een maand nadat u deze een eerste maal had opgezocht in het kader van een meldingsfiche die had geleid tot het opstellen van een informatierapport. U heeft dan vervolgens via de toepassing PLC (ANG- consultatie) en diens ANG-verleden doorgeklikt naar een zekere [O.G.] wiens naam eveneens voorkomt in het ten laste van u gevoerde strafonderzoek. Uit intern nazicht blijkt dat het informatierapport en de gerelateerde meldingsfiche inzake [I.] van 02-03-2021 en 04-03-2021 reeds op 01-04-2021 werden geviseerd en afgehandeld door het bureel kwaliteitszorg. De nieuwe opzoekingen van 06-04- 2021 hebben dus geen gerechtvaardigde reden van bestuurlijke en/of gerechtelijke politie. In elk geval blijkt dat er voor deze laatste opzoekingen ook geen voorafgaande verplichte reden van raadpleging werd ingegeven. Naar aanleiding van uw verhoor verklaarde u hierover dat u [G.] ‘500 % zeker’ in de bestanden heeft opgezocht in opdracht van de FGP Antwerpen. Verder wou u hierover niets meer verklaren. Uit navraag bij FGP Antwerpen en meer bepaald adjunct-diensthoofd 1CP [M.] van de FGP Antwerpen, blijkt dit evenwel niet correct is. Met valt trouwens moeilijk in te zien waarom een andere politiedienst, die toegang heeft tot dezelfde politionele databanken, een beroep op u zou moeten doen voor dergelijk nazicht. XII-10.065-40/54 Hieruit blijkt dat deze opzoekingen niet ingegeven waren door rechtmatige redenen van bestuurlijke en/of gerechtelijke politie terwijl hierbij al evenmin een reden van raadpleging werd vermeld zoals nochtans voorzien is.” 65. De bestreden beslissing overweegt – onder de rubriek waar wordt gerepliceerd op de verweerschriften van 31 oktober 2025 en 2 januari 2026 – over de tuchtvergrijpen 2 en 3 voorts: “Met betrekking tot feit 2 Dit feit heeft betrekking op: - Het (onrechtmatig) raadplegen van de politionele databanken met betrekking tot de genaamde [A.K.] zonder dat hieraan een reden van bestuurlijke en/of gerechtelijke politie aan de basis ligt; De hogere tuchtoverheid verwijst ter zake naar haar uiteenzetting met betrekking tot deze feiten in het voorstel van zware tuchtstraf. Door de voorafgaand onderzoeker werd een Logging Controle aangevraagd bij het DRI Service Center van de federale politie met als doel het nazicht van de regelmatigheid van de door u gedane opzoekingen. Op15 maart 2024 maakt het DRI Service Center de resultaten van de aanvraag over waaronder het bestand 1036LKI, houdende alle opzoekingen die u uitvoerde in de politionele databanken in de periode 1 juni 2020 tot 7 maart 2024. Uit analyse van de lijst DRI 1036KLI blijkt dat u op 15 januari 2024 om 13.18 uur de heer [A.K.] heeft opgezocht in het rijksregister, zonder vooraf een geldige reden van raadpleging in te geven […]. Uit nazicht bleek dat u noch een andere collega volgens nazicht configuratie 'opzoeken element' in ISLP enig dossier van [A.K.] in behandeling had op het moment van de opzoeking […]. Maar zelfs al mocht dit zo zijn, dan nog doet dit geen afbreuk aan uw individuele verantwoordelijkheid om de vigerende richtlijnen inzake de consultatie na te leven. Het al dan niet voorkomen van de naam van betrokkene in andere politionele databanken is irrelevant. Naar aanleiding van uw administratief verhoor wenste u ter zake geen verklaring af te leggen […]. De integriteit van de logging die van DRI Service Center ontvangen werd, kan niet ernstig ter discussie worden gesteld. De reden van raadpleging, voor zover door u reeds vermeldt, is terug te vinden als laatste vermelding op elke lijn van het werkblad. Volledigheidshalve dient opgemerkt te worden dat het ISLP systeem een allesomvattend systeem is waarin alle onderzoekelementen zijn opgenomen die betrekking hebben op bestuurlijke en gerechtelijke dossiers. Het nazicht door de voorafgaand onderzoeker, commissaris met volledige toegang tot alle onderdelen van het systeem, heeft geen enkele link aangetoond met een opdracht van bestuurlijke en/of gerechtelijke politie. Met betrekking tot feit 3 Dit feit heeft betrekking op: Het (onrechtmatig) raadplegen van de politionele databanken met betrekking tot de genaamden [O.G.] en [K.I.] zonder dat hieraan een reden van bestuurlijke en/of gerechtelijke politie aan de basis ligt; De hogere tuchtoverheid verwijst ter zake naar haar uiteenzetting met betrekking tot deze feiten in het voorstel van zware tuchtstraf. Uit de analyse van de lijst DRI 1036LKI blijkt dat u op 6 april 2021 om 19.36 uur, zonder opgave van een reden van raadpleging, en meer dan een maand nadat zij XII-10.065-41/54 deze voor een eerste maal had opgezocht i.h.k.v. een meldingsfiche dat had geleid naar een informatierapport, opnieuw de heer [K.I.] opzoekt in het rijksregister, om dan via toepassing PLC en diens ANG-verleden terecht te komen bij ene [G.O.] […]. In tegenstelling tot wat u voorhoudt, blijkt deze consultatie wel degelijk uit de listing DRI die als bijlage gevoegd is aan stuk 31. Uit nazicht blijkt dat het informatierapport en de gerelateerde meldingsfiche reeds voordien werden geviseerd en afgehandeld door het bureel kwaliteitszorg, zodat de nieuwe opzoeking van 6 april 2021 dus mogelijk geen gerechtvaardigde grond meer [had]. Er blijkt in elk geval dat er voor deze laatste opzoekingen ook geen verplichte reden van raadpleging werd ingegeven […]. Naar aanleiding van uw administratief verhoor verklaarde u dienaangaande dat de naam [O.G.] u bekend voorkwam en dat u betrokkene ‘500 procent zeker voor de federale gerechtelijke politie Antwerpen opgezocht [heeft] in de bestanden.’ Ondervraagd naar de identiteit van de opdrachtgever van deze opzoeking en de wettige reden hiervoor wenste u evenwel niets te verklaren[…]. U kan ook niet worden gevolgd in de loze bewering dat er met betrekking tot deze opzoekingen allicht wel redenen voorhanden waren om deze (rechtmatig) uit te voeren. Dit volstaat evenwel niet. Indien er sprake was van een reden van gerechtelijke en/of bestuurlijke politie om de kwestieuze opzoekingen uit te voeren, had er hiervoor een melding moeten bestaan, niet alleen ter staving van de opzoeking maar ook om de (mogelijke) verdenking te registreren binnen de politie. De integriteit van de logging die van DRI Service Center ontvangen werd, kan niet ernstig ter discussie worden gesteld. De reden van raadpleging, voor zover door u reeds vermeldt, is terug te vinden als laatste vermelding op elke lijn van het werkblad.” 66. Uit de voormelde overwegingen in de bestreden beslissing betreffende de tuchtvergrijpen 2 en 3 blijkt prima facie dat zij steunen op in rechte en in feite aanvaardbare motieven en dat de hogere tuchtoverheid binnen de perken van de redelijkheid kon besluiten dat deze feiten vaststaan en aan verzoekster kunnen worden toegerekend. Het loutere herhalen van een reeds voor de tuchtoverheid aangevoerde grief, zonder de beoordeling van en de repliek op die grief in de bestreden beslissing te betrekken in de uiteenzetting van het middel, volstaat niet om het vermoeden te wettigen dat de door het bestuur in aanmerking genomen gegevens niet juist zijn. De eerste grief is niet ernstig. XII-10.065-42/54 Tweede grief 67. In wat als een tweede grief kan worden beschouwd, verwijt verzoekster de hogere tuchtoverheid, wat de ten laste gelegde opzoeking van A.K. betreft, een gebrek aan zorgvuldig onderzoek om diverse redenen: de overzichtslijsten waarop de hogere tuchtoverheid steunt, zouden niet betrouwbaar zijn en het aangewende rekenblad niet authentiek, het zou niet duidelijk zijn welke kolom van de gebruikte logging de reden van raadpleging vermeldt, en er werd onvoldoende onderzoek gedaan naar mogelijke andere redenen waarom verzoekster bepaalde opzoekingen zou hebben gedaan. De hogere tuchtoverheid zou zich schuldig maken aan een “tunnelvisie en bestraffingsdrift”. 68. Verzoekster heeft deze grief ook opgeworpen voor de hogere tuchtoverheid. De hogere tuchtoverheid heeft deze grief onderzocht en in de bestreden beslissing gemotiveerd waarom zij deze niet volgt (zie supra, nr. 65). De bestreden beslissing verwijst daarbij naar de stukken van het tuchtdossier waarin verzoekster één en ander kan terugvinden. Gelet op het vermoeden van wettigheid waarmee de bestreden beslissing is bekleed, volstaat het prima facie niet om zonder meer de voor de tuchtoverheid aangevoerde grief te herhalen en zonder meer te poneren dat de gegevens aangeleverd door de directie van de Politionele Informatie en de ICT- middelen (DRI) van de federale politie niet betrouwbaar of niet authentiek zijn. Op verzoekster rust immers de plicht om minstens aan de hand van concrete elementen aannemelijk te maken dat er vragen kunnen rijzen bij de authenticiteit of de betrouwbaarheid van de stukken aangewend in het tuchtdossier. Verzoekster doet dit evenwel niet. Verzoekster overtuigt prima facie evenmin dat het onderzoek door de hogere tuchtoverheid en, daaraan voorafgaand, door de voorafgaand onderzoeker niet zouden getuigen van de vereiste zorgvuldigheid. Op basis van de formele motivering van de bestreden beslissing desbetreffend en de stukken van het tuchtdossier waarop die beoordeling steunt, kan de hogere tuchtoverheid prima XII-10.065-43/54 facie het tweede tuchtvergrijp voor bewezen houden, zonder dat verder onderzoek nodig was. Verzoekster maakt niet met concrete gegevens aannemelijk dat de handelwijze van de hogere tuchtoverheid niet doet blijken van het vereiste zorgvuldig handelen. Het formuleren door verzoekster van eigen aannames, veronderstellingen en kritieken zonder enig begin van bewijs, volstaat niet om aannemelijk te maken dat de bestreden beslissing op een onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen (zie supra, nr. 60). 69. De tweede grief is niet ernstig. Derde grief 70. In wat als een derde grief kan worden beschouwd, verwijt verzoekster de hogere tuchtoverheid, wat de ten laste gelegde opzoekingen van O.G en K.I. betreft, dat de precieze datum van de opzoekingen niet blijkt uit het tuchtdossier, dat verzoekster goede redenen kan hebben gehad voor de opzoekingen, maar dit niet werd onderzocht, alsook dat de opzoekingen wel degelijk kaderen in een professionele noodwendigheid. 71. Verzoekster heeft deze grief ook opgeworpen voor de hogere tuchtoverheid. De hogere tuchtoverheid heeft deze grief onderzocht en in de bestreden beslissing gemotiveerd waarom zij deze niet volgt (zie supra, nr. 65). De bestreden beslissing verwijst daarbij naar de stukken van het tuchtdossier waarin verzoekster één en ander kan terugvinden. In weerwil van wat verzoekster aanvoert, blijken de data van de opzoekingen prima facie wel degelijk uit het administratief dossier. De bestreden beslissing vermeldt overigens uitdrukkelijk op welk stuk de hogere tuchtoverheid zich baseert. De Raad van State herhaalt voorts dat, gelet op het vermoeden van wettigheid waarmee de bestreden beslissing is bekleed, verzoekster prima facie niet kan volstaan met het zonder meer opwerpen dat – niettegenstaande XII-10.065-44/54 verzoekster het blijkens de bestreden beslissing niet nodig vond om in strijd met de geldende voorschriften een reden voor haar opzoekingen te vermelden – zij toch goede redenen kan hebben gehad voor de opzoeking, alsook dat de opzoekingen wel degelijk kaderen in een professionele noodwendigheid, zonder de formele motivering van de bestreden beslissing op dat vlak in haar grief te betrekken. Verzoekster maakt immers niet met concrete gegevens aannemelijk dat de handelwijze van de hogere tuchtoverheid niet doet blijken van het vereiste zorgvuldig handelen. Het formuleren door verzoekster van eigen aannames, veronderstellingen en kritieken zonder enig begin van bewijs, volstaat niet om aannemelijk te maken dat de bestreden beslissing op een onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen (zie supra, nr. 60). 72. De derde grief is niet ernstig. Vierde grief 73. In wat als een vierde grief kan worden beschouwd, bekritiseert verzoekster de bestreden beslissing in de mate dat die het tuchtvergrijp ten laste legt, waarbij verzoekster wordt verweten niet professioneel en deontologisch correct te zijn opgetreden naar aanleiding van de kennisname van strafrechtelijke feiten waarbij haar broer was betrokken. Verzoekster herneemt vooreerst het advies van de Tuchtraad desbetreffend en besluit dat er geen sprake kan zijn van een tuchtvergrijp in de zin van artikel 3 van de tuchtwet. Zij voert voorts aan dat de hogere tuchtoverheid pas in het voornemen tot afwijking van het advies van de Tuchtraad aangaf hoe zij dan wel had moeten handelen. Daarenboven acht verzoekster het onzorgvuldig dat de hogere tuchtoverheid zich voor haar beoordeling steunt op slechts twee navolgende processen-verbaal, zonder het volledige strafdossier bij haar beoordeling te betrekken. Tot slot acht verzoekster het onredelijk dat haar dit tuchtvergrijp wordt verweten op grond van theoretische beschouwingen, terwijl
- i)zij op het moment zelf diende te handelen binnen een kort tijdsbestek,
- ii)zij haar uiterste best heeft gedaan haar broer ertoe te bewegen om het voertuig terug te brengen, iii) dankzij haar tussenkomst de burger ook effectief zijn voertuig spoedig heeft teruggekregen, en
- iv)zij handelde omtrent XII-10.065-45/54 daden gesteld door haar broer, “wat een emotionele familiaalrechtelijke inslag impliceert”. 74. Op voormeld onderdeel van het advies van de Tuchtraad, dat verzoekster als grief herneemt, antwoordt de bestreden beslissing – onder de rubriek “[a]nalyse van het advies van de Tuchtraad – Afwijking van het advies” – als volgt: “Met betrekking tot feit 4 De Tuchtraad is van mening dat uw handelen met betrekking tot dit verweten feit hoogstens aanzien kan worden als een uiterst lichte fout. De hogere tuchtoverheid deelt de mening van de Tuchtraad in deze niet en verwijst ter zake in eerste instantie naar wat zij heeft toegelicht in het kader van uw eerder verweer. Zij is van mening dat u vanaf het eerste contact met uw zus en zeker uw broer een politiedienst diende te contacteren, zeker nadat uw broer u haast onmiddellijk bevestigde dat hij het kwestieuze voertuig wel degelijk had gestolen (daar waar er voordien hierover mogelijk nog onduidelijkheid was). Nadat u uw broer de raad gaf om het voertuig terug te bezorgen bleef u nog actief betrokken bij de wijze waarop dit zou gebeuren, onder meer door verdere communicatie met uw broer en door het opvolgen van de locatie van het voertuig. Dit zonder enige betrokkenheid van enige politiedienst. U had nochtans kennis van het feit dat minstens de lokale politie van de woonplaats van uw zuster reeds betrokken was in deze zaak zodat u deze op [eigen] initiatief in kennis diende te stellen van de bijkomende informatie die u van uw broer had ontvangen. De correcte procedure was geweest om de onderzoekende dienst onmiddellijk te informeren dat u contact had met de verdachte. De onderzoekers hadden dan kunnen beslissen over de te volgen strategie. Door zelf te onderhandelen, doorkruiste u de officiële politionele en gerechtelijke aanpak. Nadat u op 27 februari 2020 de locatie van het voertuig via een screenshot van uw broer had vernomen, begaf u zich ter plaatse en contacteerde u nadien de politiezone Antwerpen. Het voertuig werd niet slotvast aangetroffen en werd getakeld. Het is geheel onduidelijk hoe u in het bezit kwam van de twee contactsleutels maar u heeft deze in elk geval niet - onmiddellijk noch nadien - overhandigd aan de politiediensten. Het kan in dit kader niet uitgesloten worden dat u de sleutels op een later tijdstip van uw broer heeft ontvangen maar hiervan mogelijk geen melding heeft gemaakt. Ook dit vormt een tekort aan zorgvuldigheid in de omgang met potentiële bewijselementen van een misdrijf, wat de goede werking en geloofwaardigheid van de gerechtelijke politie schaadt. Dit heeft voor de eigenaar van het betrokken voertuig bovendien ongetwijfeld aanzienlijke kosten met zich meegebracht omdat deze de sleutels van het voertuig diende te laten vervangen. Juist omdat u wist dat er een onderzoek liep, had u zich volstrekt afzijdig moeten houden. In plaats van een passieve informatiebron te zijn voor de onderzoekers, nam u een actieve, regisserende rol op u: uw broer contacteren, hem overtuigen, de locatie van het voertuig ontvangen en pas dan de politie van Antwerpen bellen. Het feit dat uw interventie uiteindelijk leidde tot het terugvinden van het voertuig, heiligt de middelen niet. De procedurele correctheid, onpartijdigheid en het respect voor de bevoegdheidsverdeling zijn fundamentele pijlers van ons politiebestel. Door deze te negeren, zelfs met de beste bedoelingen, heeft u een ernstige tekortkoming XII-10.065-46/54 aan uw beroepsplichten begaan die de waardigheid van het ambt in het gedrang brengt. Uw handelen was dan ook in strijd met de artikelen 23 en 28 van de deontologische code. Artikel 23 van de Deontologische Code (DC) heeft betrekking op handelingen of gedragingen van personeelsleden die persoonlijk betrokken zijn bij een zaak waarbij hun onpartijdigheid ter discussie kan worden gesteld. Artikel 28 DC heeft betrekking op gedragingen die het vervullen van de ambtsplichten in de weg staan of strijdig zijn met de waardigheid van het ambt, dan wel het vertrouwen van de bevolking in de politie kunnen aantasten. De tuchtoverheid is van mening dat feit 4 een schending uitmaakt van deze bepalingen. De mogelijke schending van deze bepalingen werd reeds opgenomen in het inleidend verslag en zijn derhalve allerminst nieuw zodat u de mogelijkheid had hierover verweer te voeren.” 75. Het tuchtvergrijp 4 waarop deze grief betrekking heeft, wordt in de bestreden beslissing in rubriek 8 vastgesteld en aan verzoekster toegerekend op grond van de volgende overwegingen: “Naar aanleiding van de huiszoeking in uw woning werden 2 contactsleutels van een personenauto VW Golf aangetroffen. Naar de herkomst van deze sleutels gevraagd, verklaarde u dat deze 2 sleutels toebehoorden aan een VW Golf GTI die door uw broer zou zijn gestolen en waarvan u naar eigen zeggen melding had gemaakt bij de politiezone Antwerpen. Tijdens uw administratief verhoor van 07-05-2024 verklaarde u hierover dat u inderdaad de politie had gebeld, uw broer als dader had aangewezen en een verklaring had afgelegd in de hoedanigheid van getuige. U wou hierover verder niets verklaren en deelde mee dat de tuchtoverheid inzage kon vragen in het gevoerde opsporingsonderzoek. U gaf wel toe dat u vergeten was dat de contactsleutels van het voertuig nog in uw woning lagen. Uit het onderzoek blijkt dat deze feiten het voorwerp uitmaken van een opsporingsonderzoek gekend onder referte KO.17.L4.[…] van 25-02-2020 met betrekking tot de ontvreemding van personenauto's door uw broer [K.] en een derde. U heeft niet correct gehandeld naar aanleiding van de kennisname van dit feit in de periode 25-02-2020 tot en met 27-02-2020. Uit de door de politiezone Antwerpen ter beschikking gestelde processen-verbaal blijkt immers dat u reeds op 25-02-2020 door uw zus in kennis werd gesteld van het feit dat uw broer [K.M.] een auto zou hebben gestolen. In het proces-verbaal relateren de verbalisanten dat u van uw zus zou vernomen hebben dat uw broer [K.] kortstondig een voertuig op haar oprit (bij die zus dus) had gestald. De zus zou u toen gemeld hebben dat de politie daar al was langs geweest met de melding dat het voertuig mogelijk gestolen kon zijn (pas later zou blijken dat er geen nummerplaten op het voertuig hingen). U heeft na het telefoontje van uw zus van thuis uit naar eigen zeggen een berichtje naar uw broer gestuurd met de vraag waarmee hij bezig was. Deze laatste zou hierop volgens u ontwijkend geantwoord hebben. Op 26-02-2020 zou u uw broer dan volgens hebben gebeld. In dit gesprek zou uw broer toegegeven hebben dat hij de auto had gestolen. U zou hem naar eigen zeggen de raad gegeven hebben om de politie te bellen en het feit aan te geven. Eerst zou uw broer dit geweigerd hebben maar enige uren later zou hij u spontaan hebben laten weten dat hij met de auto naar Antwerpen zou komen om hem af te geven. Op 27-02-2020 om 03u50 zou hij u een screenshot gestuurd hebben met de locatie van het voertuig. U heeft tot slot XII-10.065-47/54 verklaard dat u eerst zelfs ter plaatse bent gegaan om u ervan te vergewissen dat het voertuig er wel degelijk stond en zou dan vervolgens de politie gebeld hebben. Het voertuig zou niet slotvast geweest zijn en werd getakeld. U verklaarde dat u uw broer in kennis zou stellen van het feit dat hij een verklaring diende af te leggen, waaruit kan geconcludeerd worden dat hij niet ter plaatse was. Het is onduidelijk op welke wijze u in het bezit zou zijn gekomen (en gebleven) van de beide contactsleutels van het voertuig doch deze werden kennelijk door u niet overhandigd aan de tussenkomende politiedienst(en). Dit alles temeer omdat het voertuig kennelijk door uw broer (en mededader) werd bekomen door middel van oplichting en deze allicht beide contactsleutels heeft verkregen bij de ontvangst van het kwestieuze voertuig. Hierbij bent u tekortgeschoten aan uw ambtsplichten en opdrachten van gerechtelijke politie. Het getuigt bovendien niet van een deontologisch en correct optreden om tussen te komen in een zaak waarin uw broer betrokken is, zonder hiervan onmiddellijk een onafhankelijke politiedienst in kennis te stellen. Hetzelfde moet gezegd worden over het grote tijdsverloop tussen uw kennisname van het feit op 25-02-2020 en de uiteindelijke verwittiging van de politiezone Antwerpen op 27-0[2]-2020, dit slechts nadat u uw broer overtuigd had om het voertuig ergens achter te laten.” 76. De bestreden beslissing overweegt – onder de rubriek waar wordt gerepliceerd op de verweerschriften van 31 oktober 2025 en 2 januari 2026 – over het tuchtvergrijp 4 voorts: “Met betrekking tot feit 4 Het mogelijke feit 4 heeft betrekking op het aantreffen in uw woning van de sleutels van een door uw broer eerder ontvreemd voertuig zoals dit bleek uit het door u overgemaakte verhoor bij de FGP Brussel. Het aantreffen van deze sleutels werd nader onderzocht in het kader van het voorafgaand onderzoek en bestaat derhalve onafhankelijk van het al dan niet kennisnemen van het strafdossier. De hogere tuchtoverheid verwijst ter zake naar haar uiteenzetting met betrekking tot deze feiten in het voorstel van zware tuchtstraf. De hogere tuchtoverheid nam kennis van dit mogelijk feit door de eigen verklaringen die u persoonlijk overhandigde en welke in het Nederlands vertaald werden[…]. Door de tuchtoverheid werden de relevante processen-verbaal met betrekking tot dit feit met toestemming van het parket opgevraagd bij de PZ Antwerpen en deze werden als stukken 37 en 38 aan het tuchtdossier gevoegd. Naar aanleiding van uw administratief verhoor verklaarde u met betrekking tot dit feit: ‘Ik weet dat het allemaal heel eigenaardig klinkt maar ik heb hieraangaande volledig correct gehandeld. Ik heb de politie gebeld en een verklaring afgelegd. Er werd door de PZ Antwerpen een PV opgesteld. Ik wens daar verder niets over te verklaren. Er is een opsporingsonderzoek gevoerd en misschien kan daar door de tuchtoverheid inzage in gevraagd worden. Het klopt wel dat ik vergeten was dat die sleutels nog in mijn woning lagen. Dit is niet meer dan een vergetelheid. Wat zou ik trouwens kunnen uitrichten met 2 contactsleutels en geen auto?’[…] De hogere tuchtoverheid onderschrijft uw standpunt met betrekking tot uw optreden in deze zaak evenwel niet. Ze is van mening dat u vanaf het eerste contact met uw zus en zeker uw broer een politiedienst diende te contacteren, zeker nadat uw broer u haast onmiddellijk XII-10.065-48/54 bevestigde dat hij het kwestieuze voertuig wel degelijk had gestolen (daar waar er voordien hierover mogelijk nog onduidelijkheid was). Nadat u uw broer de raad gaf om het voertuig terug te bezorgen bleef u nog actief betrokken bij de wijze waarop dit zou gebeuren, onder meer door verdere communicatie met uw broer en door het opvolgen van de locatie van het voertuig. Dit zonder enige betrokkenheid van enige politiedienst. U had nochtans kennis van het feit dat minstens de lokale politie van de woonplaats van uw zuster reeds betrokken was in deze zaak zodat u deze op [eigen] initiatief in kennis diende te stellen van de bijkomende informatie die u van uw broer had ontvangen. De correcte procedure was geweest om de onderzoekende dienst te informeren dat u contact had met de verdachte. De onderzoekers hadden dan kunnen beslissen over de te volgen strategie. Door zelf te onderhandelen, doorkruiste u de officiële politionele en gerechtelijke aanpak. Nadat u op 27 februari 2020 de locatie van het voertuig via een screenshot van uw broer had vernomen, begaf u zich ter plaatse en contacteerde u nadien de politiezone Antwerpen. Het voertuig werd niet slotvast aangetroffen en werd getakeld. Het is geheel onduidelijk hoe u in het bezit kwam van de twee contactsleutels maar u heeft deze in elk geval niet - onmiddellijk noch nadien - overhandigd aan de politiediensten. Ook dit vormt een tekort aan zorgvuldigheid in de omgang met potentiële bewijselementen van een misdrijf, wat de goede werking en geloofwaardigheid van de gerechtelijke politie schaadt. Dit heeft voor de eigenaar van het betrokken voertuig bovendien ongetwijfeld aanzienlijke kosten met zich meegebracht omdat deze de sleutels van het voertuig diende te laten vervangen. Juist omdat u wist dat er een onderzoek liep, had u zich volstrekt afzijdig moeten houden. In plaats van een passieve informatiebron te zijn voor de onderzoekers, nam u een actieve, regisserende rol op u: uw broer contacteren, hem overtuigen, de locatie van het voertuig ontvangen en pas dan de politie van Antwerpen bellen. Uw bewering dat de tuchtoverheid het volledige strafdossier van de autodiefstal maar had moeten opvragen om duidelijkheid te krijgen over het slot van de sleutels van het ontvreemde voertuig, wordt door haar niet gevolgd. U beperkt zich hierbij verder tot de vaststelling dat het ‘inderdaad onduidelijk’ is hoe u in het bezit van de contactsleutels ‘bent gebleven.’ Dit uitgangspunt wordt u uiteraard niet verweten maar getuigt toch niet van een grote transparantie over uw tussenkomst in het verloop van de feiten. Het feit dat uw interventie uiteindelijk leidde tot het terugvinden van het voertuig, heiligt de middelen niet. De procedurele correctheid, onpartijdigheid en het respect voor de bevoegdheidsverdeling zijn fundamentele pijlers van ons politiebestel. Door deze te negeren, zelfs met de beste bedoelingen, heeft u een ernstige tekortkoming aan uw beroepsplichten begaan die de waardigheid van het ambt in het gedrang brengt. Het door u in uw laatste verweerschrift ontwikkelde verweer is niet van aard om de mening van de tuchtoverheid dienaangaande te wijzigen.” 77. Op basis van de hiervoor weergegeven formele motivering van de bestreden beslissing kan verzoekster prima facie wel degelijk weten waarom de hogere tuchtoverheid het advies van de Tuchtraad en de argumenten waarop dat advies steunt, niet volgt. Verzoekster betrekt deze formele motivering in het geheel niet in de uiteenzetting van haar grief, maar beperkt zich daarentegen tot het standpunt dat de hogere tuchtoverheid haar blijft “diaboliseren”. XII-10.065-49/54 Gelet op de ruime discretionaire beoordelingsbevoegdheid van de hogere tuchtoverheid terzake, kon zij op grond van de hiervoor weergegeven formele motivering prima facie besluiten dat het vierde tuchtvergrijp als een tuchtrechtelijk strafbaar vergrijp in de zin van artikel 3 van de tuchtwet wordt aangemerkt. Verzoekster geeft weliswaar blijk van een eigen appreciatie van de feiten en hun kwalificatie, doch toont niet aan dat de hogere tuchtoverheid niet is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, die niet correct heeft beoordeeld en dat zij niet binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen. In de bestreden beslissing kan verzoekster voorts lezen dat het tuchtvergrijp bewezen wordt geacht, zowel op basis van de eigen verklaringen van verzoekster, als op basis van de relevante processen-verbaal waarvan de hogere tuchtoverheid aantoont dat zij die rechtmatig kon aanwenden. Verzoekster licht niet toe waarom de hogere tuchtoverheid daarenboven het (integrale) strafdossier diende op te vragen om te kunnen beschikken over “meer complete gegevens”, noch welke gegevens eventueel ontbraken, noch hoe die tot een andere kijk op de zaak hadden kunnen leiden. In de mate, tot slot, dat verzoekster verwijst naar een aantal feitelijke omstandigheden om aan te tonen dat de bestreden beslissing “verregaand onredelijk” is, overtuigt zij daarmee prima facie niet dat het niet denkbaar is dat een ander zorgvuldig handelend bestuur in dezelfde omstandigheden tot dezelfde besluitvorming zou komen. 78. De vierde grief is niet ernstig. Vijfde grief 79. In wat als een vijfde grief kan worden beschouwd, bekritiseert verzoekster de bestreden beslissing wat het vijfde tuchtvergrijp betreft. Zij voert XII-10.065-50/54 aan dat de stukken van het tuchtdossier desbetreffend niet duidelijk en niet bewijskrachtig zijn, zodat de materiëlemotiveringsplicht is geschonden. Voorts ontkent verzoekster niet dat zij bij haar opzoekingen niet steeds een voorafgaande reden vermeldde, maar zij wijst op een bestaande praktijk aan het onthaal waarbij wegens tijdsdruk het niet altijd mogelijk was om te werken met de ingave van een voorafgaande reden. Volgens verzoekster werd haar ook aangeleerd dat er geen of amper redengevingen voor opzoekingen werden ingevuld en werd dit binnen de politiezone ook jarenlang getolereerd. Verzoekster wijst erop dat zij desbetreffend om getuigenverhoren heeft gevraagd, doch de hogere tuchtoverheid ging niet in op die vraag. 80. De Raad van State stelt prima facie vast dat verzoekster in het verzoekschrift niet ontkent dat de gedane opzoekingen niet steeds gepaard zijn gegaan met de ingave van een voorafgaande reden. Zij betwist de materiële grondslag van dit vijfde tuchtvergrijp aldus niet. Deze vaststelling volstaat om de grief, in de mate dat daarin wordt aangevoerd dat de stukken van het tuchtdossier desbetreffend niet duidelijk en niet bewijskrachtig zijn, als niet ernstig te verwerpen. 81. In de mate dat verzoekster als verschoning aanvoert, eensdeels, een vaste praktijk aan het onthaal die erin bestaat dat er amper of geen redenen voor een opzoeking werden ingegeven en, anderdeels, dat die praktijk ook werd getolereerd binnen de politiezone, stelt de Raad van State vast dat dit verweer als volgt wordt beantwoord in de bestreden beslissing. De bestreden beslissing overweegt – onder de rubriek waar wordt gerepliceerd op de verweerschriften van 31 oktober 2025 en 2 januari 2026 – desbetreffend: “[…] Elke politiefunctionaris wordt reeds tijdens zijn of haar basisopleiding vertrouwd gemaakt met de richtlijnen en opgelegde beperkingen omtrent informatiegaring in de politionele databanken. De tuchtoverheid verwijst in dit verband onder meer naar de bepalingen van de Wet op het Politieambt (art 44/1 e.v.), de gemeenschappelijke richtlijn MFO-3 betreffende informatiebeheer inzake gerechtelijke en bestuurlijke politie, de Wet ter XII-10.065-51/54 bescherming van de persoonlijke levenssfeer, de omzendbrief 1/2024-ARR van parket Antwerpen, de permanente nota CGO-2007/3141 van 2007, de interne korpsnota 200078/2022 rond ICT-DPO gedragscode en de aandacht vestigingen op Polinfo/Sharepoint/Wikipol rond dit onderwerp. Uw standpunt dat het niet vermelden van de reden van consultatie binnen de politiezone de facto een gebruikelijke praktijk was, wordt door de hogere tuchtoverheid formeel tegengesproken. Er werden in de PZ Rupel in het verleden steekproefsgewijs verschillende Logging Controles uitgevoerd bij medewerkers uit verschillende diensten in opdracht van de korpschef. Deze werden vanuit oogpunt van sensibilisering en preventie steeds kenbaar gemaakt bij de medewerkers via mail en/of het vroegere intranet, waarbij steeds werd gewezen op het belang van het ingeven van een heel concrete reden van raadpleging teneinde in staat te zijn om de opzoeking bij een a posteriori controle afdoende te rechtvaardigen. Desondanks bleef u zich kennelijk tot aan uw schorsing begin 2024 beperken tot het ofwel helemaal niet ingeven van een reden van raadpleging of in het beste geval een nietszeggende en een a posteriori oncontroleerbare reden als: ‘onderzoek’, ‘ID’, ‘onthaal’, ‘rec