← België

Arrest 266622 - Dierenwelzijn - 11/05/2026

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.622 Rolnummer: A. 247980/XII-10096 Zaak: Arrest 266622 - Dierenwelzijn - 11/05/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-05-12 Raadplegingen: 31 - laatst gezien 2026-06-18 11:23 Fiche Arrest nr 266.622 van 11 mei 2026 Sociale zaken en volksgezondheid - Dierenwelzijn Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 266.622 van 11 mei 2026 in de zaak A. 247.980/XII-10.096 In zake: XXXX wonende te waar woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Steve Ronse en Deborah Smets kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 27 april 2026, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van: “1) de hierna vermelde geantidateerde bestemmingsbeslissing van het departement Omgeving van de Vlaamse overheid, afdeling Dierenwelzijn, d.d. 17 april 2026 ontvangen op 21 april 2026 van het departement Omgeving van de Vlaamse overheid, afdeling Dierenwelzijn, waarbij beweerdelijk volgens de bestemmingsbeslissing beweerdelijk de katten die niet gevangen konden worden, waaronder de katten met chipnummer 967000010369285 (eigen toevoeging van verzoeker Bandiet) en 967000010069787 (eigen toevoeging van verzoeker Beau), in toepassing van artikel 72, § 3, van de Vlaamse Codex Dierenwelzijn van 17/05/2024, volgens verzoeker ten onrechte in volle eigendom gegeven worden aan een erkend dierenasiel dat daarmee instemt na beweerde plaatselijke inbeslagname door de politie Zele d.d. 20 februari 2026.” XII-10.096-1/14 en “2) van de hierna vermelde voorafgaandelijk aan de bestemmingsbeslissing beweerdelijk gedane doch nooit aan verzoeker medegedeelde plaatselijke inbeslagname beweerdelijk d.d. 20 februari 2026 door de politie Zele”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij beschikking van 28 april 2026 werd de procedurekalender vastgesteld en werden de partijen opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 7 mei
  3. De nota met opmerkingen en het administratief dossier werden ingediend overeenkomstig de procedurekalender. Staatsraad Ann Coolsaet heeft verslag uitgebracht. Verzoeker en advocaat Deborah Smets, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Op 20 februari 2026 doet de lokale politie – naar aanleiding van een melding – vaststellingen inzake overtredingen op het dierenwelzijn met betrekking tot een reeks katten aangetroffen in twee naast elkaar gelegen woningen die eigendom zijn van verzoeker. XII-10.096-2/14 3.
  6. Op 20 februari 2026 beslist de lokale politie om in toepassing van artikel 72, § 1, van de Vlaamse Codex Dierenwelzijn de volgende dieren bestuurlijk in beslag te nemen: - de twee katten die op dat ogenblik konden worden gevangen; - alle andere aanwezige katten die op dat ogenblik niet konden worden gevangen, waaronder twee katten aangetroffen in de woning op huisnummer
  7. Dit is de tweede bestreden beslissing. 3.
  8. Op 24 februari 2026 gaat de lokale politie, vergezeld van onder meer een dierenarts-inspecteur, opnieuw ter plaatse om de achtergebleven katten te vangen. In totaal kunnen nog vijf katten worden gevangen. 3.
  9. Van de voormelde vaststellingen wordt een aanvankelijk proces- verbaal opgesteld, dat wordt afgesloten op 5 maart
  10. 3.
  11. Verzoeker doet afstand van de voormelde zeven in beslag genomen katten. Voor deze katten is een afzonderlijke bestemmingsbeslissing genomen, die niet door verzoeker is aangevochten. 3.
  12. Op 26 februari 2026 wordt verzoeker uitgenodigd om strafrechtelijk te worden verhoord. Deze uitnodiging wordt herhaald op 5 maart
  13. 3.
  14. Op 2 april 2026 wordt verzoeker uitgenodigd om zijn schriftelijk verweer in te dienen naar aanleiding van de inbeslagname en met het oog op de mogelijke bestemmingsbeslissing. In de brief wordt verduidelijkt dat deze uitnodiging de katten betreft die ter plaatse administratief in beslag werden genomen en niet de zeven katten die al werden overgebracht naar het asiel en waarvan verzoeker afstand deed. XII-10.096-3/14 3.
  15. Op 17 april 2026 beslist het afdelingshoofd Dierenwelzijn van het departement Omgeving van de Vlaamse overheid in toepassing van artikel 72, § 3, van de Vlaamse Codex Dierenwelzijn om de katten die niet konden worden gevangen, waaronder de katten Bandiet met chipnummer 967000010369285 en Beau met chipnummer 967000010069787, in volle eigendom te geven aan een erkend asiel, alsook dat deze katten moeten worden overgebracht naar een erkend dierenasiel tegen ten laatste 6 mei
  16. Dit is de eerste bestreden beslissing. 3.
  17. Op 24 april 2026 worden de katten Beau en Bandiet, die door verzoeker tijdelijk waren gehuisvest in een kattenopvang, door de lokale politie overgebracht naar een erkende opvang. IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
  18. Krachtens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van de bestreden beslissing prima facie kan worden verantwoord. Overeenkomstig paragraaf 5 van datzelfde artikel wordt de zaak behandeld bij uiterst dringende noodzakelijkheid en derhalve binnen een termijn van vijftien dagen of minder, wanneer zulks in het opschrift wordt vermeld. XII-10.096-4/14 V. Ernst van de middelen Vooraf
  19. Een middel dat in een schorsingsvordering wordt aangebracht dient, om als ernstig te kunnen worden aangemerkt, dermate duidelijk te zijn dat het bij de eerste lezing meteen aannemelijk is dat er een nietigverklaring op kan worden gesteund, zonder dat een doorgedreven onderzoek van het middel noodzakelijk is. Het respect voor het recht van verdediging in de procedure van het administratief kortgeding, waar die rechten door de procedure al beperkt zijn, en de summaria cognitio waarmee de Raad van State van vorderingen tot schorsing kennis neemt, gebieden dan ook dat een verzoekende partij, op straffe van haar middelen als niet ernstig verworpen te zien, zeer nauwkeurig moet aanvoeren welke precieze rechtsregel of welk rechtsprincipe zij geschonden acht en al even nauwkeurig moet vermelden waarin de schending precies bestaat. In een schorsingsprocedure die, zoals te dezen, is ingeleid bij uiterst dringende noodzakelijkheid, is zulks des te meer het geval, omdat het onderzoek van de Raad van State in die procedure uiterst snel moet kunnen verlopen.
  20. Artikel 2, § 1, derde lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: algemeen procedurereglement) is op grond van artikel 8, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 19 november 2024 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding en tot wijziging van diverse besluiten betreffende de procedure voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ – dat immers verwijst naar artikel 4, § 1, tweede lid, van dat besluit – van toepassing op een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid. XII-10.096-5/14 De vordering moet bijgevolg een samenvatting van het middel bevatten als voor het middel een verdere uiteenzetting nodig is. Luidens voornoemd artikel 2, § 1, derde lid, van het algemeen procedurereglement kan de ontstentenis van de samenvatting van de grief niet leiden tot de niet- ontvankelijkheid van het middel, maar luidens het verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit van 21 juli 2023 ‘tot wijziging van diverse besluiten betreffende de procedure voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ dat deze verplichting invoerde, heeft “die ontstentenis […] als enig mogelijk gevolg voor de verzoeker dat de draagwijdte van zijn grief niet correct samengevat en dus begrepen wordt in het verslag van de auditeur en in het arrest” (BS 26 juli 2023, Ed. 2, 62.630). Te dezen bevat het verzoekschrift weliswaar een uiteenzetting van het middel, maar niet voor alle middelen een samenvatting van de grieven in de zin van de voornoemde bepalingen, terwijl verzoeker wel aan de hand van zeer omstandige toelichtingen concreter ingaat op de argumenten die volgens hem het middel ondersteunen. Uit wat voorafgaat, volgt dat, zeker in een kortgedingprocedure ingeleid bij uiterst dringende noodzakelijkheid waarin ook het recht van verdediging van de overige partijen is beperkt, verzoeker moet verdragen dat de Raad van State de grieven samenvat en begrijpt zoals hierna wordt gedaan.
  21. Verzoeker maakt in het enig verzoekschrift een onderscheid tussen de middelen die zich lenen tot een versnelde behandeling en de middelen ten gronde. Dergelijk onderscheid mag door een verzoekende partij worden gemaakt, zoals blijkt uit de memorie van toelichting bij het ontwerp dat de wet van 11 juli 2023 ‘tot wijziging van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973’ is geworden, waarin is te lezen (KAMER, 2022-2023, 14 maart 2023, nr. 55-3220/1, 17): “Aangezien, ten slotte, het gewone kort geding niet meer gelijktijdig met het beroep tot nietigverklaring moet worden ingesteld, zullen de verzoekers kunnen aangeven XII-10.096-6/14 welke middelen sneller onderzocht zullen kunnen worden en welke middelen een complexer onderzoek vergen. Op te merken valt dat sommige advocaten nu reeds dat onderscheid maken tussen de middelen die ze in hun enig verzoekschrift opwerpen en de Raad van State in zijn rechtspraak al heeft aangegeven welke middelen niet onderzocht konden worden binnen de korte termijn van een kort geding.” Deze tekst in de memorie van toelichting werd eveneens door het Grondwettelijk Hof, in het arrest nr. 156/2024 van 19 december 2024 waarbij het beroep tot gedeeltelijke vernietiging van artikel 5 van de wet van 11 juli 2023 werd verworpen, geciteerd (ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.156). Het Grondwettelijk Hof haalt eveneens aan dat de minister van Binnenlandse Zaken, Institutionele Hervormingen en Democratische Vernieuwing in de parlementaire voorbereiding heeft verklaard (KAMER, 2022-2023, 18 april 2023, nr. 55-3220/6, 6): “De advocaten zijn zich al van die problematiek bewust, aangezien zij in hun vorderingen tot vernietiging en tot schorsing aangeven dat sommige middelen zich alleen in het kader van het verzoekschrift tot vernietiging tot een onderzoek ten gronde lenen. Dat betekent dus niet dat die andere middelen niet meer zullen worden onderzocht, maar wel dat dit onderzoek in het kader van de procedure tot vernietiging zal plaatsvinden. Uit dat oogpunt wordt dus geen afbreuk gedaan aan de huidige regelgeving, noch aan voorwaarden voor de schorsingsprocedure. […] Ten slotte merkt de minister op dat, in tegenstelling tot wat AVOCATS.BE beweert, het uiteindelijk de auditeur en vervolgens de Raad toekomt om te beoordelen welke middelen zich tot een snelle behandeling in kortgeding lenen en welke niet.” De wetgever heeft dus zelf een onderscheid willen invoeren tussen middelen die zich lenen tot een versnelde behandeling en middelen die enkel ten gronde moeten worden onderzocht. Een verzoekende partij bepaalt derhalve zelf de omvang van haar vordering en welke middelen zij in het kader van de vordering tot schorsing (bij uiterst dringende noodzakelijkheid) wenst te laten behandelen en welke middelen zij voorbehoudt voor een onderzoek in het kader van het beroep tot nietigverklaring.
  22. Gelet op wat voorafgaat, beperkt de Raad van State het onderzoek van de ernst van de middelen tot de middelen die zich volgens verzoeker lenen tot een versnelde behandeling en wel zoals omschreven in de hoofding van XII-10.096-7/14 elk middel en, voor zover verzoeker het middel heeft samengevat, tot de samenvatting van dat middel. Uiteenzetting van het eerste middel
  23. In het eerste middel voert verzoeker in het verzoekschrift de schending aan van artikel 64, § 4, van de Vlaamse Codex Dierenwelzijn. Verzoeker omschrijft het eerste middel als volgt: “de laattijdige mededeling van de beweerde plaatselijke inbeslagname beweerdelijk d.d. 20 februari 2026 en bijgevolg de schending van artikel 64 §4 van de Vlaamse Codex Dierenwelzijn”. Verzoeker voert in wezen aan dat het proces-verbaal van 20 februari 2026, afgewerkt op 5 maart 2026, pas op 21 april 2026 door de afdeling Dierenwelzijn werd bezorgd, zodat er geen bijzondere bewijskracht meer aan verbonden is en het maximaal als een inlichting kan worden beschouwd. Volgens verzoeker is bijgevolg niet bewezen dat hem een plaatselijke inbeslagname werd meegedeeld, een gegeven dat hij formeel betwist. Beoordeling
  24. Artikel 64, § 4, tweede lid, van de Vlaamse Codex Dierenwelzijn luidt: “Het proces-verbaal dat wordt opgemaakt door de personen, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 1° en 2°, heeft bewijskracht tot het tegenbewijs is geleverd. De personen, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 1° en 2°, kunnen ook een proces-verbaal opstellen voor overtredingen op de verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten en tot wijziging van de Richtlijnen 64/432/EEG en 93/119/EG en van Verordening (EG) nr. 1255/97 die begaan zijn op het grondgebied van het Vlaamse Gewest, na vaststellingen op basis van een melding door een bevoegde autoriteit in het buitenland. Een afschrift van het proces-verbaal wordt, op straffe van verval van de bewijswaarde tot het tegendeel, binnen vijftien XII-10.096-8/14 dagen nadat het proces-verbaal is afgesloten, aan de overtreders toegezonden.”
  25. Het gegeven dat de bewijswaarde tot het tegendeel van het proces-verbaal van 20 februari 2026 op grond van artikel 64, § 4, tweede lid, van de Vlaamse Codex Dierenwelzijn zou zijn vervallen, verhindert niet, zoals de verwerende partij terecht opwerpt, dat de daarin opgenomen feiten niet meer in aanmerking kunnen worden genomen. Een bestuurshandeling zoals de bestreden bestemmingsbeslissing kan steunen op een geheel van pertinente en overeenstemmende feitelijke gegevens, waaronder het proces-verbaal dat te dezen enkel ten titel van inlichting geldt, en waarvan het bestuur de bewijswaarde op discretionaire wijze beoordeelt. Voorts wijst de Raad van State erop dat aan een overheidsonderzoek het vermoeden van wettigheid kleeft. Om de onwettigheid van de motieven van de beslissing van het bestuur aan te tonen, mag een verzoekende partij niet volstaan met het louter ontkennen of in vraag stellen van de feitelijke elementen waarop de beoordeling door het bestuur berust. Het is zaak van de verzoekende partij om aanwijzingen te verschaffen die het vermoeden wettigen of aantonen dat de door het bestuur in aanmerking genomen gegevens niet juist zijn.
  26. De eerste bestreden beslissing vermeldt dat op 20 februari 2026 de overige aanwezige katten die niet konden worden gevangen ter plaatse onder beslag werden gezet. Dit is in overeenstemming met de bewoordingen van het proces-verbaal met nummer DE.63.L8.[…] van die datum: “Wij delen [verzoeker] deze beslissing mee en delen hem mee dat alle aanwezige katten door opsteller ter plaatse onder beslag worden gezet en dat wij dagelijks zullen komen met oog op het ophalen van deze katten.” Gelet op het vermoeden van wettigheid waarmee de eerste bestreden beslissing is bekleed, kan verzoeker er prima facie niet mee volstaan het bestaan van de inbeslagname zonder meer te ontkennen. De Raad van State stelt voorts prima facie vast dat verzoeker verder nalaat om aanwijzingen te verschaffen XII-10.096-9/14 die het vermoeden wettigen of aantonen dat de door het bestuur in aanmerking genomen gegevens niet juist zijn.
  27. In zoverre verzoeker aanvoert dat, wat de twee katten betreft die het voorwerp uitmaken van het geding, er nooit tot inbeslagname is overgegaan, moet prima facie worden vastgesteld dat die bewering feitelijke grondslag mist.
  28. Daar prima facie is vastgesteld dat verzoeker niet aantoont dat de tweede bestreden beslissing niet is genomen in toepassing van artikel 72, § 1, van de Vlaamse Codex Dierenwelzijn, moet worden verwezen naar artikel 72, § 4, van de Vlaamse Codex Dierenwelzijn, dat luidt: “Het beslag, vermeld in paragraaf 1, wordt van rechtswege opgeheven door de beslissing, vermeld in paragraaf 3, of, bij het uitblijven van de voormelde beslissing, na zestig dagen vanaf de datum van de inbeslagname.” Hieruit volgt dat de tweede bestreden beslissing intussen van rechtswege is opgeheven ingevolge de eerste bestreden beslissing, zodat de vordering in de mate dat ze is gericht tegen de tweede bestreden beslissing prima facie geen voorwerp meer heeft en aldus niet ontvankelijk is.
  29. Uit wat voorafgaat, volgt dat het eerste middel niet ernstig is. Uiteenzetting van het tweede middel
  30. In het tweede middel voert verzoeker in het verzoekschrift de schending aan van artikel 72, §§ 1 en 3, van de Vlaamse Codex Dierenwelzijn. Verzoeker vat het tweede middel samen als volgt: “Geen bestemmingsbeslissing zonder wettelijke voorafgaandelijke inbeslagname zoals in casu.” XII-10.096-10/14 Beoordeling
  31. Artikel 72, §§ 1 en 3, van de Vlaamse Codex Dierenwelzijn luidt: “§
  32. Als de personen, vermeld in artikel 64, § 1, eerste lid, 1° en 2°, een overtreding van dit decreet, de uitvoeringsbesluiten ervan of de Europese verordeningen, beschikkingen en besluiten ter zake vaststellen en die overtreding over levende dieren gaat, kunnen ze die dieren administratief in beslag nemen en als dat nodig is onderbrengen in een geschikte opvangplaats. De personen, vermeld in artikel 64, § 1, eerste lid, 1° en 2°, kunnen ook dieren in beslag nemen als die gehouden worden terwijl er een verbod of een beperking van toepassing is die is opgelegd met toepassing van artikel 68, 2° en 3°. Als de dieren die in beslag worden genomen met toepassing van deze paragraaf, worden opgevangen in een erkend dierenasiel, bezorgt het erkende dierenasiel aan het departement een overzicht van de dieren die zijn opgevangen en de tijdsduur waarin ze zijn opgevangen. Er wordt een vergoeding betaald aan het erkende dierenasiel voor de opvang en voor de kosten die verbonden zijn aan de opvang. Als de dieren niet worden opgevangen in een erkend dierenasiel, wordt die vergoeding betaald aan de natuurlijke persoon of rechtspersoon in kwestie die instond voor de opvang. De Vlaamse Regering bepaalt het bedrag van de vergoeding, vermeld in het vierde lid, en de nadere regels van de procedure, vermeld in het derde en vierde lid. […] §
  33. Het departement bepaalt de bestemming van het levende dier dat conform paragraaf 1 in beslag is genomen. De volgende bestemmingen kunnen conform het eerste lid worden bepaald: 1° het dier al dan niet onder voorwaarden teruggeven aan de verantwoordelijke van het in beslag genomen dier; 2° het dier verkopen; 3° het dier in volle eigendom geven aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon; 4° het dier slachten of het doden.”
  34. Het tweede middel steunt op de premisse dat er geen beslissing bestaat – en nooit heeft bestaan – waarbij de katten Beau en Bandiet in beslag zijn genomen. Uit de prima facie beoordeling van het eerste middel is echter gebleken dat dit uitgangspunt feitelijke grondslag mist. Deze vaststelling volstaat om het tweede middel niet ernstig te bevinden.
  35. Uit wat voorafgaat, volgt dat het tweede middel niet ernstig is. XII-10.096-11/14 Uiteenzetting van het derde middel
  36. In het derde middel voert verzoeker in het verzoekschrift de schending aan van artikel 6 juncto artikel 72 van de Vlaamse Codex Dierenwelzijn. Verzoeker vat het derde middel samen als volgt: “Gezien de door verzoeker ingeroepen exceptie van medische overmacht, is er juridisch geen overtreding, kan er juridisch geen inbeslagname gebeuren en dus ook geen bestemmingsbeslissing.” Beoordeling
  37. Artikel 6 van de Vlaamse Codex Dierenwelzijn luidt: “Niemand mag, uitgezonderd bij overmacht, handelingen plegen die niet door dit decreet zijn bepaald of nalaten handelingen te stellen, als dat redelijkerwijze mogelijk is, waardoor een dier zonder noodzaak omkomt of zonder noodzaak het welzijn van het dier op een andere manier op fysiologisch en/of ethologisch vlak wordt geschaad.”
  38. Verzoeker beroept zich in het derde middel in wezen op medische overmacht, ingevolge het op 1 augustus 2025 vastgestelde hartfalen en de gevolgen daarvan op zijn gezondheid. Hoewel verzoeker aantoont dat hij sinds augustus 2025 kampt met hartfalen en voldoende aannemelijk maakt dat hij daarvan nog steeds een ernstige impact op zijn gezondheid ondervindt, maakt verzoeker daarmee prima facie nog niet aannemelijk dat overmacht hem verhinderde om ervoor te zorgen dat de katten konden worden gehuisvest in hygiënische en veilige omstandigheden. Tussen de diagnose van het hartfalen en de vaststelling van inbreuken op het dierenwelzijn – met name het gegeven dat de katten niet werden gehouden volgens hun fysiologische en ethologische behoeften, wegens de onhygiënische omstandigheden, de extreme wanorde en de geuroverlast – is immers geruime tijd verstreken. Verzoeker maakt prima facie niet aannemelijk dat zijn hartfalen en de daaruit voortvloeiende impact op zijn gezondheid hem hebben verhinderd om XII-10.096-12/14 tegen 20 februari 2026 de nodige stappen te zetten om, hetzij zelf, hetzij via een beroep op derden, alle verplichtingen na te komen die op hem rusten ingevolge de beslissing om dieren te houden en die voortvloeien uit artikel 10 van de Vlaamse Codex Dierenwelzijn. Verzoeker overtuigt derhalve prima facie niet dat er sprake is van overmacht.
  39. Uit wat voorafgaat, volgt dat het derde middel niet ernstig is. VI. Conclusie
  40. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 5, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. BESLISSING
  41. De Raad van State verwerpt de vordering.
  42. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker niet bekendgemaakt. XII-10.096-13/14 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op elf mei tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Ann Coolsaet, staatsraad, waarnemend voorzitter bijgestaan door Ilse Anné, griffier. De griffier De voorzitter Ilse Anné Ann Coolsaet XII-10.096-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.622 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.156 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.