← België

Arrest 266628 - Reglementen (cultuur, media en telecommunicatie) - 11/05/2026

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.628 Rolnummer: A. 247435/IX-10902 Zaak: Arrest 266628 - Reglementen (cultuur, media en telecommunicatie) - 11/05/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-05-13 Raadplegingen: 164 - laatst gezien 2026-06-18 20:13 Fiche Arrest nr 266.628 van 11 mei 2026 Onderwijs en cultuur - Reglementen (cultuur, media en telecommunicatie) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.628 no lien 288842 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 266.628 van 11 mei 2026 in de zaak A. 247.435/IX-10.902 In zake: 1. XXXX 2. XXXX 3. XXXX 4. XXXX 5. XXXX 6. XXXX 7. de VZW MUSLIM RIGHTS WATCH BELGIË 8. de VZW FURIA 9. de VZW ELLA – KENNISCENTRUM GENDER EN ETNICITEIT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Mieke Van Laer en Timo Lehaen kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Van Ruusbroecstraat 76-78 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de PROVINCIE OOST-VLAANDEREN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dirk Vanheule en Anne-Sophie Claus kantoor houdend te 9000 Gent Coupure 5 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 17 februari 2026, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de provincieraad van de provincie Oost-Vlaanderen van 17 december 2025 houdende vaststelling van de gemeenschappelijke tekst van het schoolreglement van de Richtpunten voor het schooljaar 2026-2027. IX-10.902-1/20 II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij beschikking van 26 februari 2026 werd de procedurekalender vastgesteld. De verwerende partij heeft een nota met opmerkingen en een administratief dossier ingediend. Met toepassing van artikel 90, § 1, vierde lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, is de zaak verwezen naar een kamer met drie leden. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 27 april 2026. Staatsraad Jurgen Neuts heeft verslag uitgebracht. De eerste tot vierde verzoekende partij en advocaten Mieke Van Laer en Timo Lehaen, die verschijnen voor de verzoekende partijen, en advocaat Dirk Vanheule, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Daniël Plas heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. De verwerende partij is het schoolbestuur van onder meer secundaire scholen in de provincie Oost-Vlaanderen. Deze provinciale secundaire scholen dragen alle de naam ‘Richtpunt’. IX-10.902-2/20 De eerste zes verzoeksters zijn op heden allen leerling in de school Richtpunt campus Gent Henleykaai: eerste en vierde verzoekster zijn leerling in het eerste jaar van de derde graad ‘Taal en communicatie’, tweede en derde verzoekster in hetzelfde leerjaar in de studierichting ‘Commerciële organisatie’ respectievelijk ‘Bedrijfsorganisatie’, vijfde verzoekster is leerling in het eerste jaar van de tweede graad ‘Bedrijf en organisatie’ en zesde verzoekster in het eerste leerjaar A. Niet wordt betwist dat deze verzoekende partijen – ook op school – de hoofddoek dragen als uiting van hun geloofsovertuiging. Evenmin wordt betwist dat tot op vandaag het dragen van levensbeschouwelijke kentekens, waaronder de islamitische hoofddoek, in de voormelde onderwijsinstelling is toegelaten. 3.2. Zevende verzoekster stelt zich, blijkens haar statuten, onder meer tot doel “[h]et creëren van wederzijds begrip tussen verschillende geloofsovertuigingen en culturen”, “[e]rvoor zorgen dat er tegen de criminalisering, discriminatie, ongelijke behandeling of achterstelling van moslims geageerd wordt” en “[e]rvoor zorgen dat de godsdienstvrijheid en/of vrijheid van meningsuiting van moslims gewaarborgd en gestimuleerd wordt”. Naar luid van artikel 4 van de statuten van achtste verzoekster is het haar “belangeloos doel om zich vanuit een feministisch perspectief in te zetten voor een solidaire en inclusieve samenleving zonder ongelijkheid en discriminatie”. Negende verzoekster “stelt zich tot belangeloos doel het onderbouwen van het emancipatie- en participatieproces van vrouwen en meisjes met een migratieachtergrond door:

  1. a)in te spelen op specifieke noden en behoeften en
  2. b)het zichtbaar maken van deze groep binnen een superdiverse samenleving”. IX-10.902-3/20 Zevende, achtste en negende verzoekster verklaren “nauw betrokken” te zijn bij de totstandkoming van het thans bestreden besluit, dan wel “actief [te ijveren] tégen verboden op levensbeschouwelijke kentekens in het onderwijs”. 3.3. Op 30 april 2025 stelt de provincieraad van de provincie Oost- Vlaanderen een gemeenschappelijke tekst van het schoolreglement van de Richtpunten voor het schooljaar 2025-2026 vast, om op 1 september 2025 in werking te treden. Daarin wordt onder punt ‘6.4.3 Verzorgd uiterlijk en kledij’ opgenomen wat volgt: “Het provinciaal onderwijs verloopt in een sfeer van levensbeschouwelijke neutraliteit. Kentekens, symbolen of kledij die daaraan afbreuk doen, die voor anderen aanstootgevend of kwetsend kunnen zijn, of die uiting geven aan een politieke of religieuze overtuiging zijn daarom niet toegelaten tijdens alle onderwijsactiviteiten, zowel binnen als buiten de school. Je draagt gepaste kledij die rekening houdt met deze principes. Het verbod op levensbeschouwelijke symbolen geldt niet tijdens de lessen van levensbeschouwelijke vakken. Indien er een polemiek ontstaat in verband met je voorkomen of je kleding, dan beslist de directeur of zijn afgevaardigde over het al dan niet aangepast zijn.” Tegen dat besluit wordt opgekomen middels twee klachten bij de toezichthoudende overheid en onder meer met een schorsingsvordering en een annulatieberoep van eerste verzoekster bij de Raad van State. 3.4. Bij ministerieel besluit van 23 juli 2025 vernietigt de Vlaamse minister van Binnenland, Steden- en plattelandsbeleid, Samenleven, Integratie en Inburgering, Bestuurszaken, Sociale Economie en Zeevisserij het voormelde besluit van 30 april 2025. Daarbij overweegt de betrokken Vlaamse minister dat het provincieraadsbesluit van 30 april 2025 artikel 21 van het provinciedecreet van 9 december 2025 en artikel 22 van het decreet van 2 april 2004 ‘betreffende participatie op school en de Vlaamse Onderwijsraad’ schendt omdat “essentiële documenten, te weten de verslagen van de schoolraden waarin een fundamentele wijziging van het schoolreglement besproken werd, niet aanwezig waren in het IX-10.902-4/20 dossier” voor de provincieraadsleden, zodat “de provincieraad geen rechtsgeldige beslissing kon nemen over dat punt”. 3.5. De Raad van State verwerpt het beroep tot nietigverklaring en de vordering tot schorsing van onder meer eerste verzoekster bij arrest nr. 264.605 van 22 oktober 2025 omdat het beroep, door de vernietigingsbeslissing van de bevoegde Vlaamse minister, zonder voorwerp is gevallen. 3.6. Na het ontwerp ervan voor overleg aan de betrokken schoolraden te hebben voorgelegd, beslist de provincieraad van Oost-Vlaanderen op 17 december 2025 om de gemeenschappelijke tekst van het schoolreglement voor de Richtpunten voor het schooljaar 2026-2027 vast te stellen. Dit is het bestreden besluit. Daarin wordt, in identieke bewoordingen als wat sub 3.3 is aangehaald, onder meer een verbod ingevoerd om levensbeschouwelijke kentekens, symbolen of kledij te dragen tijdens “alle onderwijsactiviteiten, zowel binnen als buiten de school”, met uitzondering van de lessen van levensbeschouwelijke vakken. IV. Precisering van het voorwerp van de vordering 4.1. Volgens de verwerende partij blijkt de voorliggende vordering slechts gericht te zijn tegen het verbod op het dragen van kentekens, symbolen of kledij die uiting geven aan een religieuze overtuiging, zoals ingevoegd bij het voormelde punt 6.4.3 van het schoolreglement 2026-2027. Daarom vraagt zij “dat de draagwijdte van het beroep tot vernietiging en schorsing wordt beperkt tot artikel 6.4.3. in het provinciale schoolreglement”. 4.2. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om de precieze omvang van de vordering van de verzoekende partijen te beoordelen. Een onderzoek daarvan en een uitspraak daarover zouden alleen nodig zijn indien de IX-10.902-5/20 grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. V. Schorsingsvoorwaarden 5. Krachtens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van de bestreden akte of het bestreden reglement prima facie kan worden verantwoord. VI. Spoedeisendheid Uiteenzetting in het inleidend verzoekschrift 6.1. De eerste zes verzoeksters wijzen erop dat het verbod om de hoofddoek te dragen geldt vanaf 1 september 2026 en dat niet in overgangsmaatregelen werd voorzien. Zij voeren aan, met verwijzing naar ’s Raads arrest nr. 202.039 van 18 maart 2010, dat in een “gelijkaardig geval (over het GO!)” het bestaan van een “moeilijk te herstellen ernstig nadeel” werd aangenomen. Vervolgens gaat elk van deze zes verzoeksters in op haar situatie. 6.2. Eerste verzoekster doet gelden dat zij “nog één jaar in het secundair onderwijs [heeft] te gaan na afloop van dit schooljaar”. Het afwachten van de vernietigingsprocedure betekent voor haar “kiezen tussen twee kwaden”: ofwel legt zij haar hoofddoek af om onderwijs te volgen in haar huidige school, ofwel gaat ze naar een andere school waar het wel is toegelaten om een hoofddoek te dragen. IX-10.902-6/20 Over de eerste hypothese verklaart zij zulks “eigenlijk niet eens [te kunnen] voorstellen aangezien het dragen van de hoofddoek dermate deel uitmaakt van haar identiteit dat ze beide niet los kan zien van elkaar”. Zij zou “tegen haar geloofsovertuiging […] moeten ingaan, wat elke dag opnieuw voor een prangend gewetensconflict zou zorgen”. Wat de tweede mogelijkheid betreft, voert eerste verzoekster aan dat zij “heeft […] vastgesteld dat er in het Gentse géén school is die haar richting, Taal en Communicatie, aanbiedt en waar het toegestaan is om een hoofddoek te dragen”. Zij zou bijgevolg, zo betoogt zij, een andere studierichting moeten kiezen en haar leerjaar overdoen, want het is niet mogelijk om bij de overgang van het eerste naar het tweede jaar van de derde graad van studierichting te veranderen. Dat verlies van een schooljaar betekent volgens eerste verzoekster een “moeilijk te herstellen en ernstig nadeel”. Zij noemt het “erg problematisch” om de studierichting die zij thans volgt, te moeten verlaten: zij verklaart “reeds verschillende richtingen” te hebben “geprobeerd” en voelt zich naar eigen zeggen “eindelijk op haar plaats”. Een andere studierichting volgen, zou volgens haar kunnen leiden tot schoolmoeheid of zelfs “afhaken”. Zij wijst erop eerder al een leerjaar te hebben overgedaan, zodat zij een jaar ouder is dan haar klasgenoten. Opnieuw een jaar overdoen, zou “al te zwaar” zijn. Eerste verzoekster betoogt voorts “veel stress” te ervaren door het bestreden besluit en de gespannen situatie op school. Zij weet niet welke keuze ze moet maken en “de twijfels blijven voortdurend door haar hoofd spoken”. Zij verklaart onder meer: “Ik wil niet naar een school moeten gaan waar ik een richting studeer die ik niet graag doe, die mij niet interesseert en waar ik later niets mee zal bereiken.” 6.3. Ook tweede verzoekster stelt dat zij, na het lopende schooljaar, nog één jaar secundair onderwijs moet volgen. Zij acht “het niveau op de stedelijke IX-10.902-7/20 scholen waar het dragen van de hoofddoek toegelaten is, eigenlijk te laag om daarheen over te schakelen”. Tweede verzoekster is naar eigen zeggen “vastberaden”: “zij legt haar hoofddoek niet af”. Zij meent aldus gedwongen te worden haar opleiding via de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap te voleindigen. Dit betekent volgens haar dat zij zonder begeleiding van leerkrachten en zonder klasgenoten moet studeren. Dat is, zo betoogt zij, “erg moeilijk”. Op die manier mist zij ook de eindejaarsreis en “de laatste 100 dagen”, “mooie herinneringen […] in een mensenleven”. Tweede verzoekster ervaart veel stress door het bestreden besluit en de gespannen situatie op school, zo stelt zij. Zij “weet helemaal niet wat ze moet gaan doen en de twijfels blijven voortdurend door haar hoofd spoken”. Zij verklaart onder meer wat volgt: “Persoonlijk heb ik ervoor gekozen om mijn laatste jaar van de middelbare af te maken via examencommissie, zodat ik mijn hoofddoek aan kan houden, maar veel dames zoals bijvoorbeeld mijn zusje, die net begonnen is in het eerste middelbaar, kunnen deze keuze jammer genoeg niet maken. […] Het kan zo zwaar worden dat vele dames gaan beslissen te stoppen met school. Hebben wij geen recht op een eerlijke educatie en toekomst?” 6.4. Derde verzoekster heeft eveneens, na dit schooljaar, nog één jaar secundair onderwijs voor de boeg. Zij herhaalt wat eerste verzoekster heeft gesteld over de keuze tussen “twee kwaden”. De hoofddoek afleggen kan zij zich niet voorstellen. Derde verzoekster ziet “in het Gentse” één school waar haar studierichting ook wordt aangeboden én waar het dragen van de hoofddoek is toegestaan, namelijk ‘Het Spectrum’, waarvan de stad Gent het schoolbestuur is. IX-10.902-8/20 Volgens derde verzoekster “blijkt [daar] een plaatstekort te zijn”, zodat zij er “wellicht” niet terechtkan. Dat heeft tot gevolg dat zij een andere studierichting moet kiezen en haar vijfde jaar overdoen, zo stelt zij. Het verlies van een schooljaar is een “moeilijk te herstellen en ernstig nadeel”. Ook zij noemt het “erg problematisch” om de studierichting die zij thans volgt, te moeten verlaten: zij verklaart “reeds verschillende richtingen” te hebben “geprobeerd” en voelt zich naar eigen zeggen “eindelijk op haar plaats”. Een andere studierichting volgen, zou volgens haar kunnen leiden tot schoolmoeheid of zelfs “afhaken”. Derde verzoekster stelt nog te overwegen haar diploma secundair onderwijs te behalen via de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap, maar dat schat zij zelf als “erg moeilijk” in: zij heeft nood aan leerkrachten die de leerstof met haar doornemen. Derde verzoekster ervaart naar eigen zeggen “veel stress” door het bestreden besluit en de gespannen situatie op school. Zij weet niet wat ze moet doen en “de twijfels blijven voortdurend door haar hoofd spoken”. Zij verklaart onder meer: “Vanaf het eerste tot het vierde middelbaar studeerde ik in de school Freinet school Keerpunt Oudenaarde. Daar volgde ik de richting freinetpedagogie. Dit was echt niets voor mij, maar ik had geen keuze. Dit was de enige school in Oudenaarde waar ik hoofddoek kon dragen. Maar na het vierde middelbaar maakte ik een overstap naar een school in Gent, namelijk Richtpunt Campus Gent Henleykaai. […] Ik wilde allang naar een andere school gaan maar er waren gewoon geen scholen waar ik hoofddoek kon dragen. […] Dus: Ik wil niet naar een school waar ik het niet leuk vind of voor een richting moet kiezen die ik niet graag doe, die mij niet interesseert en waar ik later niet mee zal bereiken. En ik wil ook mijn jaar niet opnieuw doen.” 6.5. Vierde verzoekster heeft ook nog één jaar secundair onderwijs voor de boeg, na het huidige schooljaar. Zij betoogt dat zij door de aankondiging van een hoofddoekenverbod in haar vorige school in Oudenaarde “dermate gestresseerd [raakte] dat ze zich niet meer kon concentreren op haar studies en haar motivatie ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.628 IX-10.902-9/20 verloor”. Op het einde van dat schooljaar werd beslist dat vierde verzoekster haar jaar moest overdoen. Zij heeft dan de overstap gemaakt naar haar huidige school te Gent. Nu maakt zij daar hetzelfde mee, waardoor er volgens haar sprake is van “ernstige psychische schade”. Zij ontwikkelde “fysieke stressklachten” en volgt naar eigen zeggen in overleg met het CLB een halftijds traject “om de druk draaglijk te houden”. Ook vierde verzoekster sluit zich aan bij de keuze tussen “twee kwaden”. De hoofddoek afleggen kan ook vierde verzoekster zich niet voorstellen. In de regio Gent is er volgens haar dan weer geen enkele school die haar studierichting aanbiedt én waar zij de hoofddoek mag dragen. Zij zal, zo vreest zij, een andere studierichting moeten kiezen en het jaar overdoen. Zij herhaalt dat het “erg problematisch” is om de studierichting die zij thans volgt, te moeten verlaten: ook vierde verzoekster heeft “reeds verschillende richtingen geprobeerd” en voelt zich naar eigen zeggen “eindelijk op haar plaats”. Een andere studierichting volgen, zou volgens haar kunnen leiden tot schoolmoeheid of zelfs “afhaken”. Zij wijst erop het eerste leerjaar van de derde graad al te hebben overgedaan, zodat zij een jaar ouder is dan haar klasgenoten. Opnieuw een jaar overdoen, zou “al te zwaar” zijn. Vierde verzoekster betoogt voorts “veel stress” te ervaren door het bestreden besluit en de gespannen situatie op school. Zij weet niet welke keuze ze moet maken en “de twijfels blijven voortdurend door haar hoofd spoken”. Zij verklaart onder meer: “Indien het verbod effectief wordt ingevoerd, rest mij helaas geen andere keuze dan thuis te blijven, aangezien ik reeds onderzocht heb of de examencommissie een alternatief zou kunnen bieden, maar daar geen enkele richting wordt aangeboden die aansluit bij mijn interesses of mijn toekomstplannen. Hierdoor zou ik opnieuw geconfronteerd worden met dezelfde obstakels die mij eerder al hinderden, waardoor de problemen zich ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.628 IX-10.902-10/20 blijven herhalen. Het is bijzonder uitputtend voor een leerling om zich te moeten focussen op haar studies wanneer ze voortdurend nieuwe barrières worden opgeworpen die rechtstreeks ingaan tegen haar recht op onderwijs. […] Met deze brief wil ik formeel aankaarten dat de manier waarop het aangekondigde hoofddoekverbod werd gecommuniceerd en behandeld, schadelijk, discriminerend en uiterst belastend was voor mijn mentale gezondheid. De aanpak had een directe negatieve impact op mijn schoolloopbaan, welzijn en gevoel van veiligheid.” 6.6. Vijfde verzoekster, die, zoals gezien, leerling is in het eerste leerjaar van de tweede graad, kan zich evenmin voorstellen dat zij de hoofddoek aflegt. Een verandering van school, ziet zij “helemaal niet zitten”. Vijfde verzoekster licht nog toe “veel stress” te ervaren door het bestreden besluit en de gespannen situatie op school. Zij stelt “helemaal niet [te weten] wat ze moet gaan doen en de twijfels blijven voortdurend door haar hoofd spoken. Zij verklaart nog – onder meer – dat haar toekomst “volledig zwart en leeg” aanvoelt. 6.7. Zesde verzoekster, leerlinge in het eerste leerjaar A, betoogt eind vorig schooljaar te hebben “beslist om de hoofddoek te dragen”. Zij stelt in dat verband nog “licht onzeker en zoekende” te zijn. In de school van de verwerende partij had zij tot nu toe de mogelijkheid om haar religieuze identiteit te ontdekken: zij kon ervoor kiezen om de hoofddoek te dragen of om dat niet te doen. Het bestreden besluit staat eraan in de weg een zorgeloze identiteitsontwikkeling door te maken. Omdat het dragen van de hoofddoek voor haar op dit ogenblik het beste aanvoelt, kan zesde verzoekster zich moeilijk voorstellen deze af te leggen. Een schoolverandering wil zij niet. Zij gaat graag naar de betrokken school en heeft daar haar vrienden. IX-10.902-11/20 Wat de stress betreft, verklaart zij nog dat het haar “een beetje verdrietig [maakt] dat we [de hoofddoek] niet meer gaan mogen dragen”. 6.8. Zevende, achtste en negende verzoekster “sluit[en] zich aan bij de hoogdringendheid zoals geformuleerd door eerste tot en met zesde verzoeksters”. Beoordeling 7. Het komt er voor een verzoekende partij die beweert dat de zaak te spoedeisend is om de uitkomst van het annulatieberoep te kunnen afwachten, op aan om van die urgentie te overtuigen aan de hand van de concrete feiten die zij in haar vordering aanvoert. Dit houdt in dat het aan deze partij toevalt om in haar verzoekschrift op de omstandigheden van haar zaak betrokken, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen waarom de nadelige gevolgen die een tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing voor haar persoonlijk veroorzaakt, niet gedragen kunnen worden gedurende de gewone doorlooptijd van de annulatieprocedure en waarom de afloop van deze procedure bijgevolg niet afgewacht kan worden. Die gegevens moeten door de verzoekende partij worden onderbouwd op een wijze die de rechter toelaat om ze te verifiëren, zodat hij kan aftoetsen of ze de beweerde spoedeisendheid inderdaad verantwoorden. 8. Zevende, achtste en negende verzoekster verwijzen uitsluitend naar de uiteenzetting van de eerste zes verzoeksters. Die uiteenzetting heeft echter slechts betrekking op de gevolgen die het bestreden besluit heeft voor de laatstgenoemde verzoeksters. Daarmee tonen zevende, achtste en negende verzoekster in het geheel niet aan welke nadelen zíj, als vereniging zonder winstoogmerk, ondervinden van de onmiddellijke tenuitvoerlegging van dat besluit. IX-10.902-12/20 Alleen al om die reden moet worden geoordeeld dat zevende, achtste en negende verzoekster niet van de spoedeisendheid van hun zaak doen blijken. 9. De eerste vijf verzoeksters verklaren allen dat zij zich het afleggen van de hoofddoek niet kunnen voorstellen; het zou hen dagelijks voor een “prangend gewetensconflict” stellen. In dat opzicht leidt het bestreden besluit ertoe dat deze verzoeksters vanaf 1 september 2026 niet zonder overtreding van het daarmee vastgestelde schoolreglement 2026-2027 kunnen schoollopen in één van de Richtpunten van de verwerende partij. Daarvan wil de Raad van State aannemen dat het de spoedeisendheid van de zaak van deze verzoeksters vermag te verantwoorden, althans voor zover zij ervan kunnen overtuigen dat geen of geen redelijk alternatief voorhanden is om in het volgende schooljaar de door hen geambieerde studierichting voort te zetten in afwachting van de uitkomst van de annulatieprocedure. Deze verzoeksters refereren in hun uiteenzetting over de spoedeisendheid immers zelf aan het voorhanden zijn, al dan niet, van andere scholen die hun studierichting aanbieden en het dragen van de hoofddoek toelaten, als redelijk alternatief. Het is bijgevolg uit dat oogpunt dat ook de Raad van State de overtuigingskracht van de door deze vijf verzoeksters aangevoerde spoedeisendheid onderzoekt. 10. Eerst moet echter worden vastgesteld dat, anders dan de eerste vijf verzoeksters, zesde verzoekster zich het afleggen van de hoofddoek slechts “moeilijk” kan voorstellen; zij is op dat vlak nog “licht onzeker en zoekende”. Zij beweert – anders dan de eerste vijf verzoeksters – opvallend níét door het bestreden besluit voor een “prangend gewetensconflict” te staan. IX-10.902-13/20 Bijgevolg moet worden geoordeeld dat er ten aanzien van haar van een “onbetwist ingrijpend karakter” van het bestreden verbod, geen sprake is, minstens dat het zodanig moet worden genuanceerd dat het niet de spoedeisendheid van haar zaak kan rechtvaardigen. Een onderzoek naar een redelijk alternatief dringt zich in haar geval derhalve niet op, zodat de argumentatie van zesde verzoekster op dat vlak zonder relevantie is. 11.1. Eerste en vierde verzoekster geven in een door hen neergelegd stuk zélf aan dat opzoekingen via de ‘onderwijskiezer’ van de Vlaamse overheid opleveren dat in de regio Gent zeven andere scholen, behorend tot verschillende netten – Gemeenschapsonderwijs en vrij (katholiek) onderwijs – de door hen gevolgde studierichting aanbieden, maar dat zij telkens moeten vaststellen dat de hoofddoek op die scholen niet is toegelaten. 11.2. De verwerende partij brengt als alternatief het Onze-Lieve- Vrouwcollege, campus Centrum, te Zottegem naar voor. 11.3. Eerste en vierde verzoekster betwisten niet dat de door hen geambieerde studierichting – ‘Taal en communicatie’ – in de laatstgenoemde school wordt aangeboden. De enige tegenwerpingen die deze verzoeksters in dat verband ter terechtzitting maken is

(1)dat uit een “telefonische oproep” zou blijken dat ook op deze school een verbod op het dragen van de hoofddoek geldt en
(2)dat zij dan erg lang – “één uur en vierendertig minuten” – met het openbaar vervoer onderweg zullen zijn naar school. 11.
  1. Spijts de bewering van eerste en vierde verzoekster, die zij op geen enkele manier staven, is in het thans geldende schoolreglement van de betrokken school over ‘kledij’ enkel het volgende opgenomen: IX-10.902-14/20 “We verwachten van onze leerlingen een stijlvolle kledij, haartooi en opsmuk. Precieze richtlijnen hieromtrent zijn moeilijk te geven, maar we rekenen erop dat je je laat leiden door goede wil, netheid en goede smaak. Strand-, bad-, sport- en uitgangskledij passen niet in de school. Schik je naar de bemerkingen die je eventueel krijgt van directie, leraars of opvoeders.” Een verbod op het dragen van levensbeschouwelijke kentekens, symbolen of kledij, leest de Raad van State daarin op het eerste gezicht niet, net zomin als in de overige bepalingen van dat schoolreglement. Voorshands kan dan ook niet worden besloten dat deze school geen redelijk alternatief zou zijn, om reden dat het dragen van de hoofddoek niet toegelaten zou zijn. 11.
  2. Van de reistijd naar deze school te Zottegem leggen deze verzoeksters evenmin enig bewijs voor. Een eenvoudige raadpleging van de routeplanner van de Vlaamse Vervoersmaatschappij ‘De Lijn’ kan de verklaringen van eerste en vierde verzoekster alvast niet bevestigen. Daaruit blijkt immers dat eerste verzoekster op een weekdag één uur en twee minuten onderweg zou zijn naar school – vertrek om 7u09 om aan te komen om 8u11; de school start om 8u25 – en vierde verzoekster 42 minuten. Waarom dát niet binnen het redelijke zou vallen, verduidelijken deze verzoeksters niet en ziet de Raad van State ook niet spontaan in. Immers, voor het door henzelf bijgebrachte alternatief Campus Zomergem is, blijkens dezelfde routeplanner, eerste verzoekster 47 tot 49 minuten onderweg en vierde verzoekster maar liefst twee uur en drie minuten. Het verschil in reistijd naar de voormelde school te Zomergem die eerste en vierde verzoekster zelf ter sprake hebben gebracht en naar de door de verwerende partij voorgestelde school te Zottegem is in het geval van eerste verzoekster – 47 tot 49 minuten versus één uur en twee minuten – dermate miniem dat het niet de spoedeisendheid van haar zaak kan verantwoorden. IX-10.902-15/20 Wat vierde verzoekster betreft, luidt de conclusie – gelet op de hiervóór vermelde reistijden – evident niet anders. Wat haar betreft, bedenkt de Raad van State nog dat zij nu ook al iedere schooldag de verplaatsing maakt van haar woonplaats te Oudenaarde naar Gent. Bij dit alles brengt de Raad van State eveneens de leeftijd van beide verzoeksters in rekening: de ene is al meerderjarig, de andere wordt over enkele weken achttien. 11.
  3. Vermits er, gelet op de concrete omstandigheden van de zaak van eerste en vierde verzoekster, moet worden aangenomen dat een redelijk alternatief voorhanden is om de door hen geambieerde studierichting verder te zetten, lijkt ook de vrees dat zij “een andere studierichting zou[den] moeten kiezen”, “het vijfde jaar zou[den] moeten overdoen”, “een schooljaar [zouden] verliezen”, met alle risico’s van dien – “schoolmoeheid”, “afhaken” – onterecht en in ieder geval niet van aard om op die gronden tot de spoedeisendheid van de zaak te besluiten.
  4. Met betrekking tot tweede verzoekster moet worden vastgesteld dat zij in het inleidend verzoekschrift erkent in een school van het stedelijk onderwijs terecht te kunnen om haar studierichting – ‘Commerciële organisatie’ – voort te zetten. Óók bevestigt zij dat daar het dragen van de hoofddoek is toegelaten. De enige reden waarom zij die overstap niet wenst, is omdat zij “het niveau op de stedelijke scholen […] eigenlijk te laag [acht]”. Een dergelijke niet-onderbouwde stelling kan de Raad van State niet anders dan gratuit noemen. Tweede verzoekster kan er bezwaarlijk op steunen om aannemelijk te maken dat voor haar geen redelijk alternatief beschikbaar is. IX-10.902-16/20 Bovendien verklaart zij in haar verzoekschrift al een oplossing te hebben gevonden. Zij heeft “ervoor gekozen om [haar] laatste jaar van de middelbare af te maken via examencommissie”. In die omstandigheden overtuigt tweede verzoekster in die mate niet van de spoedeisendheid van haar zaak.
  5. Ook derde verzoekster laat in het inleidend verzoekschrift verstaan dat zij ervan op de hoogte is dat één stedelijke school in Gent haar studierichting aanbiedt én het dragen van de hoofddoek toelaat. Daarvan stelt zij dat er een plaatstekort “blijkt te zijn”, zodat zij er “wellicht” niet terechtkan. Derde verzoekster laat evenwel na om daaromtrent enig bewijsstuk bij te brengen. Daarmee verhindert zij dat de Raad van State een onderzoek kan voeren naar de juistheid van deze beweringen. Derde verzoekster moet daarom verdragen dat ze niet in aanmerking worden genomen. Ze kunnen bijgevolg ook niet de spoedeisendheid van haar zaak schragen, net zomin als alle gevolgtrekkingen die derde verzoekster daaruit heeft gemaakt wat haar schoolloopbaan en slaagkansen betreft. Voor zover derde verzoekster nog erop wijst dat zij “niet naar een school [wil] waar [zij] het niet leuk vind[t]”, valt het de Raad van State op dat zij zélf verklaart in het verleden reeds te hebben gekozen voor een school en studierichting die “echt niet voor [haar]” was, maar dat zij “geen keuze [had]”, omdat het de enige school was waar zij de hoofddoek kon dragen. Daaruit moet worden afgeleid dat derde verzoekster bevestigt dat zij in het verleden al bij haar schoolkeuze voorrang geeft aan de mogelijkheid om de hoofddoek te dragen, in plaats van zich te laten leiden door andere criteria zoals het pedagogisch project van de school, de visie op onderwijs of de concrete schoolorganisatie. Ook derde verzoekster overtuigt in die mate derhalve niet van de spoedeisendheid van haar zaak. IX-10.902-17/20 14.
  6. Ten aanzien van vijfde verzoekster kan de Raad van State alleen maar vaststellen dat zij geen enkele inspanning levert om een (tijdelijke) overstap naar een andere school te onderzoeken. Zij betoogt slechts dat zij het veranderen van school “helemaal niet [ziet] zitten”. Zij licht in dat verband enkel toe dat zij “eindelijk [haar] plekje [heeft] gevonden”. Die stelling verbaast, aangezien uit de door vijfde verzoekster zelf geschetste schoolloopbaan blijkt dat zij pas dit schooljaar in de school van de verwerende partij is gestart. Verderop in het inleidend verzoekschrift verklaart zij dat “[o]p de eerste schooldag […] door [de directrice] meteen [werd] gezegd tegen de leerlingen dat een hoofddoek volgend jaar verboden zou zijn, wat [haar] een negatief gevoel gaf”. Hoe dan ook volstaat dit niet om de Raad te overtuigen dat een redelijk alternatief zelfs niet moet worden gezocht. 14.
  7. Volgens de verwerende partij zijn er twee scholen waar vijfde verzoekster terechtkan om haar opleiding voort te zetten én de hoofddoek te dragen: de al eerder vermelde school in Zottegem en een school van het stedelijk onderwijs te Gent. Vijfde verzoekster spreekt zulks niet tegen. In die mate kan de spoedeisendheid van haar zaak dus evenmin worden aangenomen.
  8. De Raad van State wil best aannemen dat het bestreden besluit een zekere onrust bij de eerste zes verzoeksters veroorzaakt en zelfs enige psychische impact op hen kan hebben. Opdat evenwel deze verzoeksters op die grond de spoedeisendheid van de vordering zouden aantonen, dienen zij – in het licht van hun uiteenzetting – te staven dat hun gezondheid dermate nadelen ondervindt van ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.628 IX-10.902-18/20 het bestreden besluit dat zij een uitspraak over de annulatieprocedure niet kunnen afwachten. Daarvan overtuigen deze verzoeksters niet. Zij brengen geen enkel stavingsstuk bij. Vierde verzoekster verwijst wel naar eerdere concentratie- en motivatieproblemen en een “halftijds traject” dat zij thans, in overleg met het CLB, zou volgen. Maar ook daarvan worden geen bewijsstukken overgelegd. Net als de andere verzoeksters, stelt zij derhalve de rechter niet in staat om na te gaan of de stress die zij verklaart te ervaren, zijn oorzaak vindt in het bestreden besluit en of deze de perken van wat iedere verzoekende partij bij de Raad van State normaal moet kunnen verdragen, te buiten gaat. Bijgevolg vermogen deze klachten dan ook niet de spoedeisendheid van de zaak aan te tonen.
  9. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. BESLISSING
  10. De Raad van State verwerpt de vordering.
  11. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State worden de identiteiten van de eerste tot de zesde verzoekende partij niet bekendgemaakt. IX-10.902-19/20 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op elf mei tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Jurgen Neuts, staatsraad, Jim Deridder, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Geert Van Haegendoren IX-10.902-20/20 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.628 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.