id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.629 Rolnummer: A. 244312/IX-10634 Zaak: Arrest 266629 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 11/05/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-05-19 Raadplegingen: 33 - laatst gezien 2026-06-18 11:23 Fiche Arrest nr 266.629 van 11 mei 2026 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 266.629 van 11 mei 2026 in de zaak A. 244.312/IX-10.634 In zake: XXXX tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën woonplaats kiezend te 1030 Brussel North Galaxy – Toren B - 26ͤ verdieping Koning Albert II – laan 33/ bus 015 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 5 maart 2025, strekt tot de nietigverkla- ring van “de beslissing van 6 januari 2025, van [de FOD] Financiën – Personeel en Organisatie (dienst bevorderingen), waarbij verzoekende partij niet geslaagd wordt bevonden voor fase 3 etappe 2 van de bevorderingsprocedure A3-1022-266 Advi- seur A3 – Teamchef P, KMO & GO en waarbij verzoekende partij wordt uitgeslo- ten van de procedure”. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Jonas Riemslagh heeft een verslag opgesteld. IX-10.634-1/21 De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 27 april
- Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge- bracht. Verzoekster en jurist Leonova Elizaveta, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Jonas Riemslagh heeft een met dit arrest eenslui- dend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoör- dineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Op 28 november 2022 wordt in het Belgisch Staatsblad de in- competitiestelling bekendgemaakt van, onder meer, “77 betrekkingen waaraan de functie is verbonden van Adviseur A3 – Teamchef P, KMO & GO (functieclassi- ficatie: TP_002) bij de buitendiensten van de Algemene Administratie van de Fis- caliteit – Particulieren (P), Kleine en Middelgrote Ondernemingen (KMO) & Grote Ondernemingen (GO) (Dienst Beheer / Controle / Expertise) (P&O-code: A3- 1022-266)”. Verzoekster schrijft zich hiervoor in. Op 9 maart 2023 wordt haar meegedeeld dat zij voldoet aan de deelnemingsvoorwaarden en dat haar kan- didatuur ontvankelijk is. Dat is de eerste stap van de aanwervingsprocedure. IX-10.634-2/21 De volgende, tweede stap in de procedure is een evaluatie van de technische competenties van de kandidaten. Die stap is “eliminerend”. Verzoek- ster behaalt hierop 82,14% en stroomt door naar de derde stap, “fase 3” genoemd, die twee “etappes” omvat: “Etappe 1 – Evaluatie van de specifieke bekwaamheden met betrekking tot de rol” en “Etappe 2 – Mondeling onderhoud”. Tijdens dit on- derhoud worden, door middel van open vragen, “de motivatie van de kandidaat, zijn visie op de functie en het functioneren in het algemeen” onderzocht. Voormelde “etappe 2” van “fase 3” is eveneens “eliminerend”. Om toegelaten te worden tot de volgende ronde van de procedure – “fase 4” – die- nen de kandidaten: - minstens 50% te behalen voor wat de onderdelen ‘motivatie’ en ‘visie’ samen betreft, en - minstens 50% te behalen “voor het geheel van etappe 2 van fase 3”. 3.
- “Etappe 1” van “fase 3” bestaat uit een (niet-eliminerend) as- sessment, waarop verzoekster een score van 13 op 30 behaalt. 3.
- Op 11 oktober 2024 neemt verzoekster deel aan het mondeling onderhoud van “etappe 2” van “fase 3”; zij behaalt een score “visie en motivatie samen” van 40% en een totaalscore van 46,67%. Op 6 januari 2025 wordt haar meegedeeld dat zij wordt uitgeslo- ten van het vervolg van de procedure, met verwijzing naar voormelde scores, om- dat zij daarmee niet voldoet aan de voorwaarden om toegelaten te worden tot het vervolg van de procedure. Dat is de bestreden beslissing. 3.
- Nadat zij van die beslissing kennis heeft genomen, vraagt ver- zoekster in het kader van de openbaarheid van bestuur om bepaalde bijkomende IX-10.634-3/21 inlichtingen en inzage in documenten. Hierop wordt deels ingegaan. Na een ver- zoek tot heroverweging en een advies van de commissie voor de toegang tot en het hergebruik van bestuursdocumenten wordt op 9 mei 2025 nog een deel van de ge- vraagde gegevens aan haar meegedeeld. Tegen de weigering om de overige gege- vens mee te delen dient zij op 12 juni 2025 een afzonderlijk beroep tot nietigver- klaring in, bekend onder rolnummer A. 245.055/IX-10.
- In die zaak wordt bij arrest nr. 266.630 van heden het debat heropend. 3.
- Verzocht om het dossier te actualiseren, deelt de verwerende par- tij op 16 februari 2026 mee “dat de bevorderingsprocedure in kwestie nog lopende is” en dat er “op heden” nog geen rangschikking is vastgesteld. IV. Opmerking over het voorwerp van het beroep
- De verwerende partij werpt terecht geen exceptie van niet-ont- vankelijkheid op. Toch is het voor een goed begrip nuttig om erop te wijzen dat de beslissing die met het huidige beroep wordt bestreden geen eindbeslissing is, maar slechts een voorbereidende beslissing. In beginsel is een voorbereidende beslissing niet voor vernietiging vatbaar en moet haar eventuele onwettigheid worden aange- voerd in het kader van een beroep tegen de eindbeslissing. Bij een zogenaamde complexe administratieve verrichting, zoals deze bevorderingsprocedure er ongetwijfeld een is, mag een benadeelde partij evenwel worden toegelaten om ook de nietigverklaring te vorderen van vóórbeslis- singen die dadelijk werkende rechtsgevolgen meebrengen en die haar definitief na- deel berokkenen. Dat is het geval met de thans bestreden beslissing, die verzoek- ster definitief uitsluit van de bevorderingsprocedure. Het is verzoekster dan ook toegelaten om, zoals zij met huidig beroep doet, die vóórbeslissing dadelijk in een afzonderlijk annulatieberoep te bestrijden. IX-10.634-4/21 Hiervóór sub 3.5 is vastgesteld dat de bevorderingsprocedure “nog lopende” is, zodat het verzoekster hoe dan ook niet kan worden verweten dat zij de eindbeslissing ongemoeid heeft gelaten. Evenmin zijn er op heden inmiddels definitief gevestigde rechtstoestanden op de bestreden beslissing gevolgd, die het door verzoekster beoogde rechtsherstel verhinderen. V. Administratief dossier
- De verwerende partij heeft, samen met de memorie van ant- woord, een administratief dossier neergelegd. Naast stukken die rechtstreeks be- trekking hebben op verzoekster, bevat het als stuk 35 ook een “Geanonimiseerde puntenlijst van alle kandidaten van fase 3, etappe 2, opgesplitst per taalrol, alsook hun deelresultaten op de 3 onderdelen motivatie, visie en algemeen functioneren”. Dat stuk 35 was ook al op 9 mei 2025, op haar vraag, aan verzoekster bezorgd.
- In haar laatste memorie werpt verzoekster op dat het administra- tief dossier niet volledig is. Volgens haar ontbreken “documenten die toelaten te controleren hoe de verschillende jury’s hebben beoordeeld; informatie die relevant is om de verschillen tussen de gewesten en de jury’s te kunnen beoordelen; volle- dige vergelijkende scoretabellen of andere gegevens die toelaten te verifiëren dat kandidaten alsnog gelijk en vergelijkbaar werden beoordeeld”.
- Van partijen in een geschil voor de Raad van State wordt ver- wacht dat zij loyaal meewerken aan het behoorlijke procesverloop. Verzoekster had haar bezwaar over de samenstelling van het administratief dossier kunnen – en dus moeten – laten gelden in haar memorie van wederantwoord. Dat zij hiermee pas voor de dag komt in haar laatste memorie betekent dat de verwerende partij er niet meer op kan reageren in een procedurestuk en dat het auditoraat er geen stand- punt over kan neerschrijven in zijn verslag. Hierin meegaan zou de procesgang ook ernstig vertragen op een ogenblik dat de laatste memories zijn gewisseld en de zaak in staat van wijzen is. IX-10.634-5/21 Op deze laattijdige vraag wordt dan ook niet ingegaan. VI. Onderzoek van de middelen A. Derde middel Uiteenzetting van het middel
- Het derde middel is geput uit de schending van de rechten van verdediging, zoals die ook zijn gewaarborgd bij artikel 6 EVRM. Verzoekster wijst op de inlichtingen die zij in het kader van de openbaarheid van bestuur heeft gevraagd en die haar werden geweigerd.
- In de memorie van wederantwoord betoogt verzoekster dat zelfs wanneer artikel 6 EVRM in strikte zin niet van toepassing wordt geacht op de ad- ministratieve procedure, het recht op verdediging ook voortvloeit uit de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, die hun toepassing vinden op elke bestuurshan- deling met nadelige gevolgen. Beoordeling
- De rechten van verdediging zijn niet van toepassing op een be- noemings- of bevorderingsprocedure. De waarborgen voor een eerlijk proces bedoeld in artikel 6 EVRM zijn niet van toepassing op een administratieve overheid die optreedt als orgaan van actief bestuur. Het middel, dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. IX-10.634-6/21
- Ten overvloede mag worden vastgesteld dat het middel in wezen betrekking heeft op de wijze waarop ná de bestreden beslissing is omgegaan met een verzoek tot openbaarheid. Zélfs indien met betrekking tot dat verzoek is ge- handeld in strijd met de openbaarheidswetgeving – wat wordt onderzocht in de zaak A. 245.055/IX-10.682 – kan zulks onmogelijk de wettigheid aantasten van de voorheen al genomen, met huidig beroep bestreden beslissing die verzoekster uit- sluit van de bevorderingsprocedure.
- Het middel wordt verworpen. B. Eerste en tweede middel Standpunt van de partijen 13.
- Het eerste middel is geput uit de schending van het gelijkheids- beginsel. Het tweede middel is geput uit de schending van “gelijke behan- deling en objectiviteit”. Uit de toelichting bij de beide middelen blijkt dat verzoekster in wezen telkens dezelfde wettigheidskritiek aanvoert – namelijk de wisselende sa- menstelling van de jury en de weerslag daarvan op de beoordeling van de kandida- ten – zodat de beide middelen hierna samen worden behandeld. 13.
- Verzoekster zet uiteen dat de wisselende samenstelling van de jury, zowel wat betreft de voorzitter als de twee assessoren, impliceert dat niet alle kandidaten op gelijke voet zijn beoordeeld. Zij stelt meer in het bijzonder dat er op verschillende manieren is gepeild naar bepaalde indicatoren waarop de kandidaten werden beoordeeld, waardoor er tevens sprake is van een subjectieve, ongelijke behandeling. Tijdens IX-10.634-7/21 haar mondeling onderhoud is gepeild naar de indicator ‘De kandidaat heeft zich op verschillende manieren geïnformeerd over de functie’ met de vraag “Hoe heeft u zich voorbereid op dit interview?”. Aangezien zij reeds bij het schetsen van haar motivatie had aangegeven dat zij sinds bijna vijf jaar de functie uitoefent als inte- rimaris in het kader van een tijdelijk hogere functie, heeft zij deze vraag beant- woord door te wijzen op de stappen die zij heeft ondernomen: het bestuderen van het nieuwe leiderschapsmodel, het volgen van een individuele coaching voor lei- dinggevenden, het bestuderen van de vereiste competenties voor de functie, het bestuderen van de visie en de missie van de FOD Financiën, het bestuderen van de waardes van de FOD Financiën,… Dat heeft geleid tot de score ‘eerder zwak’ voor deze indicator. Voor dezelfde indicator heeft een anders samengestelde jury aan een andere kandidaat de vraag gesteld “Heb je bij bepaalde collega’s geïnformeerd over de inhoud van de functie?”. Het antwoord van die kandidaat – dat zij aan twee teamchefs heeft gevraagd wat de functie precies inhoudt – heeft geleid tot de score ‘goed’. Verzoekster is van oordeel dat het gelijkheidsbeginsel veronder- stelt dat elke kandidaat door dezelfde jury moet worden beoordeeld. Elke jury kan onbewust of bewust andere beoordelingscriteria hanteren, zelfs als er formeel richt- lijnen zijn vastgelegd. Dit kan leiden tot inconsistenties in de beoordeling van kan- didaten. Als kandidaten onder verschillende omstandigheden worden beoordeeld, kan de ene jury strenger of juist soepeler in zijn beoordeling zijn dan de andere. Dit betekent dat niet iedereen een gelijke kans krijgt in het kader van de bevorde- ringsprocedure. De voorzitter van de jury speelt een belangrijke rol in het sturen van de evaluatie. Een wisselende voorzitter kan leiden tot variërende interpretaties van competenties en prestaties, wat de objectiviteit in gevaar brengt. Om discrimi- natie ten aanzien van bepaalde kandidaten te voorkomen zou voor één bevorde- ringsselectie zeker de voorzitter van de jury, die de kandidaten ondervraagt, de- zelfde moeten zijn. Er kan immers niet worden verzekerd dat een anders samenge- stelde jury op eenzelfde wijze zou oordelen. IX-10.634-8/21 Verzoekster stelt voorts dat de slaagpercentages van de kandida- ten van P Centrum Antwerpen en P Centrum Mechelen aanzienlijk hoger liggen dan die van P Centrum Hasselt en dat geen enkel jurylid verbonden was aan P Cen- trum Hasselt. Dat wijst op een gebrek aan uniformiteit in de beoordeling. Zij ziet ook een schending van de aangevoerde beginselen in de afwezigheid van een uniforme beoordelingsprocedure en het feit dat de jury’s ver- schillende vraagstellingen hebben gehanteerd. Elke kandidaat moet door dezelfde jury worden beoordeeld en de vraagstelling tijdens het mondeling onderhoud moet identiek zijn. Tot slot somt zij de inlichtingen op die zij aan de verwerende partij in het kader van de openbaarheid van bestuur heeft gevraagd om haar grieven te staven. Zij is van oordeel dat die inlichtingen haar ten onrechte zijn geweigerd en dat door de inlichtingen niet te verschaffen haar rechten van verdediging ernstig worden geschonden.
- De verwerende partij wijst in de memorie van antwoord op een uitzondering op het beginsel dat alle deelnemende kandidaten door dezelfde jury moeten worden beoordeeld. Zij stelt dat een dergelijke verplichting niet geldt voor procedures waaraan een grote hoeveelheid van kandidaten deelneemt en waarbij de mondelinge proeven over een langere periode plaatsvinden. Voor deze bevor- deringsprocedure waren 316 kandidaten ingeschreven, waarvan er uiteindelijk 191 beoordeeld moesten worden door een jury. De juryleden zijn ambtenaren die te- werkgesteld zijn bij verschillende diensten van de FOD Financiën die de taak als jurylid uitoefenen bovenop hun dagdagelijkse taken. Om die redenen is gebruik gemaakt van verschillende jury’s, namelijk vier Nederlandstalige en drie Fransta- lige. De stelling dat de kandidaten op een subjectieve en ongelijke manier zijn beoordeeld, berust volgens de verwerende partij op een persoonlijke IX-10.634-9/21 en subjectieve overtuiging van verzoekster. De juryleden hebben vóór de aanvang van de bevorderingsprocedure een specifieke vorming gevolgd teneinde de objec- tiviteit tijdens de interviews te bewaren en de indicatoren op eenzelfde manier te toetsen. De juryleden werden gebriefd over de aspecten waar zij aandacht aan moe- ten besteden tijdens de mondelinge proeven om de competenties en de prestaties van de kandidaten te beoordelen. Zo hebben de juryleden de instructie gekregen om open vragen te stellen, wat meer ruimte geeft voor een variërende vraagstelling. De vragen om naar een bepaalde indicator te peilen kunnen bovendien in verschil- lende bewoordingen worden gesteld, zelfs als die van éénzelfde jury uitgaan. Wat de score ‘eerder zwak’ op de indicator ‘De kandidaat heeft zich op verschillende manieren geïnformeerd over de functie’ betreft, merkt de verwerende partij op dat het feit dat verzoekster de functie reeds uitoefent geen garantie biedt dat zij tijdens het mondeling onderhoud correct antwoordt op de ge- stelde vragen. Zij benadrukt dat een mondeling onderhoud slechts een momentop- name is waarbij de antwoorden van de kandidaat in rekening worden gebracht. Dat verzoekster een ander beeld heeft over haar competenties toont niet automatisch aan dat de motivering van de score op onjuiste gegevens steunt, dan wel onredelijk is. Anders dan verzoekster het ziet is de score ‘eerder zwak’ ook niet het gevolg van een welbepaalde samenstelling van de jury. Die score ligt in lijn met het resul- taat van het assessment dat zij heeft afgelegd bij een gespecialiseerd extern bedrijf. Zo scoorde zij ‘zwak’ op de competentie ‘Informatie integreren’ en ‘onvoldoende’ op de competentie ‘Organiseren’. Daarnaast werd vastgesteld dat verzoekster nog niet voldoet aan de verwachtingen voor de competentie ‘Medewerkers ontwikke- len’ en heeft ze ‘ruimte voor verdere verbetering’ op de competentie ‘Adviseren’. Dat de jury die verzoekster heeft beoordeeld niet uitzonderlijk streng is geweest, blijkt ook uit het feit dat twee van de zes kandidaten die op dezelfde dag als ver- zoekster voor die jury zijn verschenen, wél geslaagd zijn voor het mondeling on- derhoud. De verwerende partij betwist de stelling dat een verschil in vraagstelling automatisch leidt tot een ongelijke behandeling. Zij wijst erop dat IX-10.634-10/21 elke kandidaat op een unieke manier zal antwoorden. Het is onredelijk om te eisen dat alle juryleden telkens exact dezelfde bewoordingen gebruiken in de vragen voor de kandidaten. Ook betwist zij de door verzoekster vermelde slaagpercentages. Er bestaan geen statistieken per regio. Eventuele verschillen tussen regio’s berus- ten op toeval.
- Verzoekster repliceert in de memorie van wederantwoord dat het grote aantal kandidaten de verwerende partij niet ontslaat van de verplichting om de eenheid van de beoordeling maximaal te waarborgen. Zij stelt vast dat er zeven jury’s zijn samengesteld voor in totaal 34 interviewdagen. Het is haar niet duidelijk waarom zeven verschillende juryvoorzitters zijn aangewezen, aangezien de voor- zitters ambtenaren van de stafdienst Personeel en Organisatie zijn. Voor hen geldt het argument niet dat zij de taken als jurylid moeten combineren met hun dagda- gelijkse taken, zoals dat voor de assessoren het geval is. Er vond geen overleg plaats tussen de leden van de verschillende jury’s na het afleggen van de interviews. De deliberatie vindt plaats onmiddellijk na het interview, hetgeen ook blijkt uit de motivatiefiche over verzoekster die op de dag van haar interview is opgesteld en ondertekend. Het ontbreken van afstem- ming over de beoordeling van alle kandidaten leidt tot een subjectieve beoordeling. De vorming die voor de juryleden is georganiseerd volstaat vol- gens verzoekster niet om de gelijkheid van de kandidaten te garanderen. Zij ver- wijst daarbij naar verschillende passages uit de door de verwerende partij neerge- legde presentatie bij die vorming en stelt vast dat die geen waarborgen bevat om de continuïteit en de objectiviteit in de beoordeling van het mondeling onderhoud te waarborgen. De suggestie om open vragen te stellen ondersteunt eerder haar zienswijze. IX-10.634-11/21 Verzoekster benadrukt dat bij een beoordeling door verschillend samengestelde jury’s een zekere subjectiviteit niet kan worden uitgesloten. Ook de grens tussen de verschillende beoordelingen en de daarbij horende scores is niet volledig objectief te trekken. Nergens blijkt dat tussen leden van de verschillende jury’s is afgestemd wanneer zij welke score geven. In de presentatie wordt niet vermeld welk antwoord wordt verwacht om een bepaalde score te krijgen op een indicator. Bovendien kan verzoekster niet achterhalen waarom zij op de indicato- ren een bepaalde score heeft gekregen en andere kandidaten een andere score, wat het arbitraire karakter van de beoordeling aantoont. Zij kan niet vaststellen dat het- geen in haar motivatiefiche staat daadwerkelijk betrekking heeft op haar gesprek, omdat de beoordeling niet wordt onderbouwd met zaken die zij tijdens het inter- view heeft aangehaald. Zij kan evenmin uit het verslag van het mondeling onder- houd afleiden waarom zij minder scoort dan haar collega’s op een bepaalde indi- cator. Zij kan zichzelf niet vergelijken met de andere kandidaten, noch achterhalen wat zij precies kan doen om zich te verbeteren. Verzoekster merkt op dat er in elk geval verschillen zijn in de beoordeling van enerzijds de Nederlandstalige en anderzijds de Franstalige kandi- daten, waarvan vaststaat dat die groepen door andere jury’s zijn beoordeeld. Zij wijst onder meer op verschillen inzake het slaagpercentage (49,55% tegenover 67%), de gemiddelde score (53,05% tegenover 62,81%) en de hoogste score (85,56% tegenover 97,78%). Zij kan geen analyse maken per jury, omdat zij niet over die gegevens beschikt. Zij noemt het wel opvallend dat de slaagpercentages bij de kandidaten van P Centrum Antwerpen en P Centrum Mechelen aanzienlijk hoger liggen dan in P Centrum Hasselt. In P Centrum Antwerpen en P Centrum Mechelen ligt het slaagpercentage op 100%. Voor P Centrum Hasselt bedraagt het slaagpercentage slechts 40%. Zij merkt op dat de twee assessoren in de jury telkens twee afde- lingshoofden uit de pijler P of KMO zijn. De afdelingshoofden van P Centrum Hasselt hebben zich, om de objectiviteit te bewaren, niet opgegeven als jurylid, terwijl andere afdelingshoofden dat wel hebben gedaan. Het kan niet worden IX-10.634-12/21 uitgesloten dat kandidaten zijn beoordeeld door het afdelingshoofd van hun eigen administratie, waardoor de objectiviteit niet is gewaarborgd. De verwijzing van de verwerende partij naar haar evaluatie voor “etappe 1” van “fase 3” acht verzoekster voor de beoordeling van dit middel niet relevant, onder meer omdat er andere competenties worden beoordeeld en beide etappes een andere weging krijgen. Tot slot merkt verzoekster op dat haar moeilijk kan worden ver- weten dat zij haar beweringen niet staaft, omdat de verwerende partij weigert be- paalde stavingsstukken te bezorgen. Zelfs indien het inderdaad niet haalbaar zou zijn om alle kandi- daten door één identiek samengestelde jury te laten beoordelen, ontslaat dit de FOD Financiën niet ervan om de objectiviteit en gelijkheid van de procedure op af- doende wijze te waarborgen. In casu blijkt niet dat daartoe passende en afdoende maatregelen werden genomen, zo resumeert verzoekster nog.
- In haar laatste memorie merkt de verwerende partij nog op dat afstemming tussen de verschillende jury’s nadat alle kandidaten werden gehoord, geen gunstige invloed zou hebben op de beoordeling van de kandidaten. Juryleden die een bepaalde kandidaat niet hebben geïnterviewd, zouden geen correct oordeel kunnen vellen over deze specifieke kandidaat. Er kan van de juryleden ook niet worden verwacht dat zij alle antwoorden van alle kandidaten die zij gezien hebben, onthouden met als doel om hier later over te beraadslagen. De verwerende partij herinnert aan het hoge aantal kandidaten en wijst erop dat gelijktijdig, naast deze procedure, nog andere procedures gevoerd worden voor een totaal van 320 functies met net geen 5000 inschrijvingen. Geen enkele ambtenaar binnen de FOD Financiën – ook de voorzitters van de jury’s niet – heeft uitsluitend de taak om kandidaten in een selectieprocedure te evalueren en telkens een vaste jury samenstellen is “een buitensporig moeilijke opgave”. IX-10.634-13/21 De ambtenaren die de rol van voorzitter in een jury uitoefenen, zijn telkens personeelsleden van de verschillende diensten binnen de stafdienst P&O die een speciale certificering hebben gevolgd om deze rol op zich te kunnen nemen. Ten slotte blijft de verwerende partij erbij dat er geen sprake is van een abnormaal strenge jury. Er dient herhaald te worden dat twee van de zes kandidaten wel geslaagd waren verklaard op de dag van het interview van verzoek- ster. Verzoekster stelt dat haar lage score op het interview te wijten is aan de jury die zij toegewezen kreeg. Haar score op het interview ligt in lijn met de score die zij heeft behaald op het assessment. Dit assessment werd afgenomen door een ex- tern bureau en had als doel om op een objectieve en pertinente manier te evalueren of de verwachte competenties voor een bepaalde functie binnen de organisatie bij de kandidaat aanwezig zijn en op welk niveau deze zich bevinden. Het assessment center laat toe om een duidelijk advies te geven met betrekking tot de geschiktheid van het competentieprofiel van de kandidaat. Het verslag steunt op het profiel en de verwachtingen op vlak van “de job- en organisatiefit”. Het doel van de evaluatie is om te oordelen hoe de kandidaat binnen een bepaalde functie, binnen een be- paalde context zou functioneren. Dit wijst er duidelijk op dat de lage score die verzoekster toegewezen kreeg niet te wijten is aan een te strenge jury, maar veeleer aan de (manier van het overbrengen van) competenties van de kandidate zelf.
- In haar laatste memorie zet verzoekster haar grieven nogmaals schematisch uiteen. Zij noemt de verschillen in gemiddelde scores, hogere maxi- mumscores en hoger slaagpercentage bij de Franstalige kandidaten statistisch sig- nificant om te bevestigen dat jury’s anders scoren en kandidaten bijgevolg geen gelijke kans hebben gekregen. Verzoekster beweert niet, zo stelt zij, dat zij een te strenge jury heeft gehad tijdens het mondeling onderhoud; zij kan echter op geen enkele manier zekerheid hebben dat zij door een andere jury op dezelfde manier IX-10.634-14/21 zou worden beoordeeld. Net dat maakt de beoordeling volgens haar niet objectief en niet gelijk voor alle kandidaten. Het assessmentresultaat is volgens verzoekster niet relevant: het beoordeelt andere competenties, heeft een andere weging, is niet vergelijkend. De procedure is een loterij, aldus nog verzoekster. Beoordeling
- Verzoekster voert in het eerste en het tweede middel in wezen de schending van het gelijkheidsbeginsel aan omdat het mondeling onderhoud van de kandidaten plaatsvond voor verschillend samengestelde jury’s.
- Het past, eraan te herinneren dat in het licht van het gelijkheids- beginsel, betrokken op de toegang tot een openbaar ambt, de eenheid in de beoor- deling een wezenlijk element uitmaakt van de vergelijking tussen de kandidaten omdat daardoor discriminatie ten aanzien van bepaalde kandidaten voorkomen wordt. De vereiste eenheid in de beoordeling die de gelijkheid van de kandidaten waarborgt, onderstelt in de regel dat in eenzelfde bevorderingsproce- dure waarbij de selectie gebeurt door het afnemen van examens of interviews, een- zelfde examencommissie of jury alle kandidaten beoordeelt. Er kan immers niet worden verzekerd dat een anders samengestelde examencommissie op eenzelfde wijze zou oordelen, zodat niet alle kandidaten op dezelfde wijze zouden zijn be- oordeeld. 20.
- Zoals de verwerende partij evenwel terecht aangeeft, moet niet- temin een zekere soepelheid in de samenstelling van de beoordelingscommissies worden aangenomen indien er veel kandidaten zijn die op meerdere data moeten IX-10.634-15/21 worden ondervraagd, waardoor éénzelfde commissie voor alle kandidaten niet praktisch haalbaar is. 20.
- Voor de betrokken bevorderingsprocedure hebben zich initieel 316 kandidaten ingeschreven. Zoals blijkt uit het administratief dossier, kwamen uiteindelijk 191 kandidaten in aanmerking voor het interview in kwestie, waarvan er 189 ook effectief hebben deelgenomen. Voorts blijkt dat voor elke kandidaat in een tijdspanne van een uur was voorzien, waarvan vijfenveertig minuten voor het interview en een kwartier voor de deliberatie en dat een jury zes kandidaten per dag zou horen. Rekening houdend met die feitelijke gegevens, mag worden aan- genomen dat de betrokken bevorderingsprocedure behoort tot de gevallen waarin het grote aantal kandidaten en de lengte van de periode waarin zij ondervraagd moeten worden een zekere soepelheid in de samenstelling kan rechtvaardigen.
- Een voorwaarde hierbij is dan wel, dat met het oog op de vereiste eenheid van beoordeling, middels passende maatregelen toch een voldoende con- tinuïteit bij de beoordeling wordt gewaarborgd. Het ligt op de weg van de benoemende overheid die afwijkt van het zo-even in herinnering gebracht principe, om ervan te overtuigen dat de maat- regelen die zij heeft getroffen die waarborg effectief bieden. Hierbij moet in het bijzonder rekening worden gehouden met de aard van de af te nemen proeven en andere concrete omstandigheden van de selec- tieprocedure, zoals in de huidige zaak onder meer het gegeven dat het interview tot doel heeft de kandidaten onderling te vergelijken en het gegeven dat het interview wordt gevoerd aan de hand van open vragen – wat op zich niet verboden is – en niet moet peilen naar specifieke kennis, maar naar “de motivatie van de kandidaat, zijn visie op de functie en het functioneren in het algemeen”. Deze aspecten IX-10.634-16/21 bepalen mede de mate van soepelheid die kan worden verdragen om van een strikte gelijkheid af te zien en toch een gelijke behandeling te borgen.
- Garanties heeft de verwerende partij in de thans voorliggende zaak alvast niet gezocht in een gedeeltelijk overlappende samenstelling van de exa- menjury’s.
- Wel wijst de verwerende partij op de voorafgaande opleiding die de juryleden hebben gevolgd. Zonder te willen uitsluiten dat een voorafgaande opleiding een voldoende waarborg kán zijn, moet de Raad evenwel vaststellen dat de concrete opleiding zoals die in de huidige zaak is gebeurd – althans volgens de informatie die erover aan de Raad is meegedeeld – niet kan volstaan. Gewis zorgen de voorafgaande instructies voor een zeker stroomlijnen van de interviews. Uit de presentatie van die opleiding (stuk 12 van het administratief dossier) blijkt onder meer dat de structuur van het interview, een omschrijving van de te beoordelen onderdelen en de rollen van de voorzitters en de assessoren aan bod zijn gekomen. Wat het praktische verloop van het gesprek betreft, wijst het document op “Do’s & dont’s” die betrekking hebben op de wijze van vraagstelling, bijvoorbeeld door “dubbele of suggestieve vragen” af te raden. Voorts is verwezen naar instrumenten (“tools”) waarover elke jury beschikt, waar- onder een generieke fiche (niet in het administratief dossier neergelegd), een indi- viduele fiche en een interviewfiche (niet in het administratief dossier neergelegd). Uit de individuele fiche van het mondeling onderhoud met verzoekster (stuk 19 van het administratief dossier) blijkt dat voor elk van de te toetsen onderdelen ver- schillende indicatoren zijn opgesomd. Elke indicator moet vervolgens worden be- oordeeld aan de hand van een schaal van zes niveaus (zeer zwak, zwak, eerder zwak, eerder goed, goed, zeer goed). Elk van die niveaus stemt overeen met een numerieke score op basis waarvan de totaalscore per onderdeel wordt berekend. IX-10.634-17/21 Per onderdeel wordt de beoordeling in enkele zinnen gemotiveerd. Zulke docu- menten dragen bij aan de eenvormigheid van de beoordeling. Daar staat echter tegenover dat de verwerende partij niet kan aantonen dat vooraf enige afstemming is gebeurd over de inhoudelijke wijze van beoordelen zelf. Daarover bevatten de voorgelegde instructies niets. Evenmin blij- ken de jury’s op een andere wijze, los van opgelegde instructies, hun beoordelings- maatstaf onderling vooraf feitelijk te hebben afgestemd. Daar waar het voor één jury mogelijk is om de verschillende kan- didaten die zij hoort op een consistente wijze een score toe te kennen op basis van het voorziene beoordelingsschema en die kandidaten zodoende onderling te rang- schikken – en geargumenteerd zou kunnen worden dat zulks ook nog het geval is bij een beperkte variatie in de samenstelling – geldt dat niet wanneer er volledig verschillende jury’s zijn samengesteld. De zo-even vermelde maatregelen kunnen die onmogelijkheid niet compenseren. Die maatregelen dragen weliswaar bij tot een eenvormigheid van de vragen die de jury’s aan de kandidaten stellen en de wijze waarop zij dat doen, maar waarborgen als dusdanig niet dat de antwoorden van de kandidaten op eenzelfde, consistente manier worden beoordeeld. Te meer gelet op het open karakter van minstens een deel van de te bevragen indicatoren, is het niet duidelijk hoe wordt gewaarborgd dat elke onderscheiden jury aan eenzelfde of gelijkwaardig antwoord eenzelfde beoordeling en de daarmee overeenstem- mende puntenscore zal toekennen.
- Er moet dan ook worden besloten dat, als gevolg van de volledig verschillende samenstelling van de diverse jury’s zonder passende flankerende maatregelen, de continuïteit bij de beoordeling niet voldoende is gewaarborgd.
- Aan het voorgaande wordt geen afbreuk gedaan door het argu- ment van de verwerende partij dat de juryleden ambtenaren zijn die zijn tewerkge- steld bij verschillende diensten van de FOD Financiën en dat zij hun taak als jurylid uitvoeren boven op hun dagdagelijkse taken. Ook de vaststelling dat twee van de IX-10.634-18/21 zes kandidaten die op dezelfde dag als verzoekster door dezelfde jury zijn gehoord wel geslaagd zijn, leidt niet tot een andere conclusie. Hetzelfde geldt voor het ar- gument dat bepaalde van haar scores in lijn zouden liggen met het assessment dat zij heeft afgelegd in “etappe 1” van “fase 3”.
- Het eerste en het tweede middel zijn in de aangegeven mate ge- grond. De overige in die middelen geformuleerde grieven hoeven niet te worden onderzocht, aangezien deze niet kunnen leiden tot een ruimere nietigverklaring. VII. Herstel
- De hierna uit te spreken nietigverklaring noopt de verwerende partij ertoe jegens verzoekster een rechtsherstellende beslissing te nemen – met andere woorden een beslissing die haar een gelijke behandeling waarborgt bij het afleggen van de mondelinge proef. Op de terechtzitting verklaart de verwerende partij niet in te zien hoe zulks op een praktisch haalbare wijze te realiseren valt. Hiervóór is sub 20.2 vastgesteld dat de betrokken procedure be- hoort tot de gevallen waarin een zekere soepelheid is gerechtvaardigd in de samen- stelling van de jury. Alle kandidaten opnieuw ondervragen met éénzelfde examen- jury is dus niet de enige mogelijkheid tot rechtsherstel. Al de geslaagden belasten met een nieuwe deelname, zou daar- enboven een zware impact hebben op hen en op de werking van de dienst. Deze aanpak is evenwel niet de enige manier waarop verzoekster rechtsherstel kan worden geboden. De Raad oordeelt daarom dat verzoekster, die als enige momen- teel het verloop van deze procedure heeft aangevochten, in het licht van de gegrond IX-10.634-19/21 bevonden middelen afdoende rechtsherstel verkrijgt indien zij het mondeling on- derhoud opnieuw kan afleggen voor een jury die is samengesteld uit leden van de jury’s die al voorheen andere kandidaten in deze procedure hebben beoordeeld. De Raad wenst erop te wijzen dat hij hiermee een mogelijke op- lossing aanreikt voor deze specifieke situatie voor het opnieuw beoordelen van één kandidaat in de feitelijke context van dit dossier – zonder een algemene regel te willen formuleren voor toekomstige procedures – en dat het uiteindelijk aan de verwerende partij toevalt om over de strekking van de herstelmaatregel te beslis- sen. BESLISSING
- De Raad van State vernietigt de beslissing, van de FOD Financiën – Perso- neel en Organisatie (dienst bevorderingen) van 6 januari 2025, waarbij XXXX niet geslaagd wordt verklaard voor “fase 3 etappe 2” van de bevorderingspro- cedure A3-1022-266 Adviseur A3 – Teamchef P, KMO & GO en waarbij zij wordt uitgesloten van die procedure.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nie- tigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 26 euro.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. IX-10.634-20/21 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op elf mei tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Jurgen Neuts, staatsraad, Jim Deridder, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Geert Van Haegendoren IX-10.634-21/21 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.629 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div