← België

Arrest 266631 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 11/05/2026

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.631 Rolnummer: A. 243441/IX-10579 Zaak: Arrest 266631 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 11/05/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-05-21 Raadplegingen: 34 - laatst gezien 2026-06-18 11:23 Fiche Arrest nr 266.631 van 11 mei 2026 Openbaar ambt - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping heropening debatten Depersonalisatie Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ecli_input ECLI:EU:C:2021 ecli_prefixe ECLI ecli_pays EU ecli_cour C ecli_annee 2021 ecli_ordre Ongeldig ECLI-nummer - 4 element (

  1. en)ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI ECLI:EU:C:2021 invalide Ongeldig ECLI-nummer - 4 element (
  2. en)RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 266.631 van 11 mei 2026 in de zaak A. 243.441/IX-10.579 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Bart Staelens en Joost Hoste kantoor houdend te 8000 Brugge Gerard Davidstraat 46/1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de UNIVERSITEIT ANTWERPEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Christophe Coen kantoor houdend te 2018 Antwerpen Mechelsesteenweg 210 A/10 bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Johan Verbist kantoor houdende te 2000 Antwerpen Amerikalei 187/302 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 8 november 2024, strekt tot de nietig- verklaring van: “1/ Het besluit van het Bestuurscollege van de Universiteit Antwerpen van 30 augustus 2024, […], waarbij niet de verzoekende partij maar [NC] wordt aangesteld tot voltijds docent in het tenure track stelsel in het domein ‘Go- vernance of learning in an era of globalization’ binnen de [faculteit] Sociale Wetenschappen met terugwerkende kracht vanaf 1 oktober 2018. 2/ De impliciete weigering om aldus verzoekster aan te stellen tot voltijds docente in de graad die overeenstem[t] met haar verdiensten in het domein ‘Governance of learning in an era of globalization’ met terugwerkende kracht vanaf 1 december 2015, minstens voltijds in tenure track stelsel vanaf 1 oktober 2018.” IX-10.579-1/30 II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Daniël Plas heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 27 april 2026. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Bart Staelens, die verschijnt voor de verzoekende par- tij en advocaten Christophe Coen en Liesbeth Van der Straten, die verschijnen voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Daniël Plas heeft advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoör- dineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Verzoekster is sinds 20 september 1999 met opeenvolgende ar- beidsovereenkomsten of tijdelijke aanstellingen voor bepaalde duur, BAP of ZAP, tewerkgesteld bij de Universiteit Antwerpen. IX-10.579-2/30 Op 20 november 2012 beslist de raad van bestuur van de Uni- versiteit Antwerpen om verzoekster met ingang van 1 december 2012 aan te stellen voor een periode van drie jaar als deeltijds docent (40%) in het domein ‘Onder- wijsrecht en Internationalisering van opleiding en onderwijs’ bij het Instituut voor Onderwijs en Informatiewetenschappen. Verzoekster doceert vanaf het academie- jaar 2012-2013 de opleidingsonderdelen ‘Onderwijsrecht’ en ‘Internationalisering van opleiding en onderwijs’. Die aanstelling, ten einde gelopen op 30 november 2015, wordt niet verlengd. Het daarop aansluitende beroep van verzoekster tot nietigverkla- ring van “[de] beëindiging van de aanstelling [van verzoekster] als deeltijds ZAP- lid van de Universiteit Antwerpen op 30 november 2015 door de Raad van Bestuur van de Universiteit Antwerpen en [haar] niet-aanstelling op 17 november 2015 door de Raad van Bestuur van de Universiteit Antwerpen tot hoofddocente” wordt door de Raad van State verworpen bij arrest nr. 247.434 van 21 april 2020. 3.2. Op 23 januari 2018 beslist het bestuurscollege van de Universi- teit Antwerpen een vacature uit te schrijven voor een voltijds onderzoeksprofessor in het domein Governance of learning in an era of globalisation. Op 28 augustus 2018 beslist het bestuurscollege om NC met in- gang van 1 oktober 2018 aan te stellen als voltijds docent in het zogenoemde tenure track stelsel bij het departement Opleidings- en Onderwijswetenschappen van de faculteit Sociale Wetenschappen met een opdracht van onderwijs, onderzoek en dienstverlening in het domein Governance of learning in an era of globalisation voor een periode van vijf jaar. Op 11 december 2018 wordt die beslissing door het bestuurscol- lege ingetrokken en op dezelfde datum neemt het bestuurscollege een nieuwe be- slissing waarbij NC opnieuw wordt aangesteld. IX-10.579-3/30 Op vordering van verzoekster vernietigt de Raad van State voor- meld aanstellingsbesluit van 11 december 2018 bij arrest nr. 249.191 van 10 de- cember 2020. 3.3. Op 8 januari 2021 zendt verzoekster de verwerende partij een aanmaning “krachtens art. 14, § 3 Raad van State-wet om [haar] deze aanstelling te verlenen”, namelijk “als docent in een tenure track stelsel met een opdracht van onderwijs, onderzoek en dienstverlening in het domein Governance of learning in an era of globalisation”. 3.4. Op 26 januari 2021 beslist het bestuurscollege de selectieproce- dure voor de vacature voor onderzoeksprofessor in het domein Governance of lear- ning in an era of globalisation in het departement Opleidings- en Onderwijsweten- schappen van de faculteit Sociale Wetenschappen met de belanghebbenden te her- vatten. Op 23 maart 2021 beslist het bestuurscollege om NC met uitwer- king vanaf 1 oktober 2018 aan te stellen als voltijds docent in het tenure track stelsel in het domein Governance of learning in an era of globalisation bij het de- partement Opleidings- en Onderwijswetenschappen van de faculteit Sociale We- tenschappen met een opdracht van onderwijs, onderzoek en dienstverlening voor een periode van vijf jaar. De Raad van State vernietigt deze beslissing, op vordering van verzoekster, bij arrest nr. 258.554 van 24 januari 2024. Datzelfde arrest verwerpt daarentegen het beroep, in zoverre het is gericht, eensdeels, tegen de stilzwijgend afwijzende beslissing om verzoekster aan te stellen als voltijds docent in het tenure track-stelsel in het domein Gover- nance of learning in an era of globalisation, afgeleid uit het stilzwijgen van de verwerende partij na het verstrijken van een termijn van vier maanden vanaf de door haar op 8 januari 2021 betekende aanmaning conform artikel 14, § 3, RvS- IX-10.579-4/30 wet en, anderdeels, tegen de impliciete weigering om verzoekster aan te stellen als voltijds docent in het tenure track-stelsel in het domein Governance of learning in an era of globalisation, afgeleid uit de eveneens met het beroep aangevochten aan- stelling van NC van 23 maart 2021. 3.5. Op 2 november 2023 zendt verzoekster aan de verwerende partij een aangetekend schrijven waarin deze laatste met verwijzing naar artikel 14, § 3, RvS-Wet aangemaand wordt “om een besluit te nemen en onverwijld het Unierecht toe te passen zoals geïnterpreteerd in de zaak waar de Universiteit Antwerpen zelf verwerende partij bij was” en waarin verzoekster vordert dat de verwerende partij haar “onverwijld de aanstelling verleent en […] haar vergoedt voor de schade die haar door het wederrechtelijk handelen werd toegebracht”. Verzoekster stelt op 30 april 2024 een beroep tot nietigverklaring in bij de Raad van State, gericht tegen “het niet nemen door de Universiteit Ant- werpen na daartoe overeenkomstig art. 14 § 3 wetten op de Raad van State op 2 november 2023 te zijn aangemaand, verzoekster aan te stellen tot docente”. Dat beroep is bij arrest nr. 263.911 van 8 juli 2025 verworpen. 3.6. Het bestuurscollege van de verwerende partij beslist op 19 maart 2024 om de selectieprocedure te hervatten. Verzoekster wordt uitgenodigd voor een proefles en gesprek met de leden van de selectiecommissie op 28 juni 2024. Vervolgens adviseert de selectiecommissie om NC gunstig te rangschikken en verzoekster niet te rangschikken. Op 28 augustus 2024 beslist de faculteitsraad van de faculteit Sociale Wetenschappen om zich aan te sluiten bij de beoordeling, de rangschikking van de kandidaten, en de bijbehorende motiveringen zoals opgenomen in het ver- slag van de selectiecommissie. IX-10.579-5/30 De onderzoeksraad van de Universiteit Antwerpen beslist op 29 augustus 2024 om, voortgaand op de beslissing van de selectiecommissie, NC als enige kandidaat voor te dragen voor de invulling van de vacante positie. Op 30 augustus 2024 beslist het bestuurscollege om NC aan te stellen als voltijds docent in het tenure track-stelsel bij het departement Opleidings- en Onderwijswetenschappen van de faculteit Sociale Wetenschappen in het do- mein Governance of learning in an era of globalisation voor een periode van vijf jaar met ingang van 1 oktober 2018. Dat is de eerste bestreden beslissing. 3.7. Naast de beroepen bij de Raad van State heeft verzoekster tegen de verwerende partij ook een procedure bij de arbeidsgerechten gevoerd, onder meer om de verwerende partij te bevelen verzoekster “te re-integreren in haar func- tie”. Op 14 december 2020 worden de vorderingen van verzoekster afgewezen door het arbeidshof van Antwerpen. Een voorziening in cassatie van dit arrest wordt door het Hof van Cassatie op 18 november 2024 verworpen. IV. Rechtsmacht van de Raad van State Exceptie 4. De verwerende partij werpt op “wat betreft de tweede bestreden beslissing, […] dat verzoekster zich niet dienstig op artikel 14, § 3 van de gecoör- dineerde wetten op de Raad van State kan steunen, daar het werkelijke voorwerp van haar vordering de erkenning van een subjectief recht betreft”. Aangezien de uitdrukkelijke weigering een subjectief recht te er- kennen geen handeling is die vatbaar is voor een beroep bij de Raad van State, kan het stilzwijgen van een bestuur over een aanvraag tot erkenning van een subjectief IX-10.579-6/30 recht immers ook niet via artikel 14, § 3, RvS-Wet worden bestreden, zo stelt de verwerende partij. Beoordeling 5. Niet zonder reden repliceert verzoekster dat het niet duidelijk is “waarom de verwerende partij het heeft over art. 14 § 3 [RvS-Wet]”, want dit “is voor de huidige betwisting niet relevant”. Het tweede voorwerp van huidig beroep is immers niet een stil- zwijgend afwijzende beslissing, die al dan niet te onderkennen valt in het stilzitten van het bestuur na een aanmaning als bedoeld in voormeld artikel 14, § 3. Met het tweede voorwerp bestrijdt verzoekster wél de impliciete weigering om haar te benoemen, die zij afleidt uit het eerste voorwerp van haar beroep, namelijk de uitdrukkelijke beslissing waarbij NC is benoemd. 6. De exceptie die vertrekt van een verkeerd uitgangspunt, is onge- grond. 7. Ten overvloede herinnert de Raad eraan dat hij met zijn arresten nr. 222.357 en nr. 222.358, van 1 februari 2013, gewezen in algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak, heeft aangenomen – en in tal van arresten nadien herhaald – dat onder welbepaalde uitzonderlijke omstandigheden impliciete weigeringsbeslissingen zoals verzoekster er thans met het tweede voorwerp één aanvecht, voor vernietiging in aanmerking komen in het geval van een gebonden bevoegdheid voor het betrokken bestuur. De vraag of die voorwaarden vervuld zijn, dient nu nog niet onderzocht te worden maar is te onderscheiden van de vraag naar de rechtsmacht van de Raad van State. IX-10.579-7/30 V. Ontvankelijkheid van het beroep A. Ambtshalve exceptie 8.1. Verzoekster heeft in het auditoraatsverslag kunnen lezen - dat de eerste bestreden beslissing betrekking heeft op de invulling van een vaca- ture voor een voltijds onderzoeksprofessor in het tenure track-stelsel, op basis van een vacaturebericht van 23 januari 2018 en waarbij de eerst mogelijke indiensttre- ding werd voorzien op 1 oktober 2018, - en dat, die gegevens van de zaak in acht genomen, een impliciete weigeringsbe- slissing om haar in diezelfde vacature aan te stellen vanaf 1 december 2015 niet af te leiden valt uit de eerste bestreden beslissing, zodat - de tweede bestreden beslissing, in zoverre ze betrekking heeft op de impliciete weigering om haar aan te stellen “vanaf 1 december 2015”, onbestaande is. 8.2. Verzoekster weerspreekt die analyse niet in haar laatste memo- rie. 8.3. Om de redenen uiteengezet in het auditoraatsverslag, die de Raad bijvalt, moet ambtshalve worden vastgesteld dat het beroep niet ontvankelijk is in de mate waarin de impliciete weigering tot aanstelling van verzoekster wordt aan- gevochten “vanaf 1 december 2015”. B. Exceptie van de verwerende partij Uiteenzetting van de exceptie 9. In de memorie van antwoord werpt de verwerende partij op dat verzoekster geen belang kan hebben bij haar beroep tegen de tweede bestreden beslissing (voetnoten zijn weggelaten): IX-10.579-8/30 “De vordering die zij stelt, heeft immers reeds het voorwerp uitgemaakt van verschillende procedures voor Uw Raad en een procedure voor het Arbeids- hof die definitief beslecht werden en in kracht van gewijsde zijn. Verzoekster heeft reeds meermaals een vordering gesteld voor Uw Raad tot aanmaning van verwerende partij om verzoekster te re-integreren en tegen de impliciete weigering om verzoekster te re-integreren en aan te stellen. Deze procedures werden beslecht met de arresten van Uw Raad van 21 april 2020, nr. 247.434; 10 december 2020, nr. 249.191 en 24 januari 2024, nr. 258.554. Daarnaast werd eenzelfde vordering tot re-integratie reeds gesteld door ver- zoekster in haar procedure voor de arbeidsrechtbank en het arbeidshof. (stukken 14-18 administratief dossier) De vordering werd door het arbeids- hof afgewezen. Door verzoekster werd een voorziening in Cassatie inge- steld tegen het arrest van het arbeidshof. Bij arrest dd. 18.11.2024 werd het cassatieberoep verworpen. (stuk 41 administratief dossier) In elk geval ver- hindert het gezag van gewijsde dat aan dit arrest toekomt dat deze vordering opnieuw wordt ingesteld (artikel 25 Ger. W.).” Beoordeling 10. Nogmaals gaat de verwerende partij uit van een verkeerd begrip van het gevorderde. Gewis hééft verzoekster al met andere procedures bij de ge- wone rechter – of met andere beroepen bij de Raad van State – gepoogd om haar re-integratie bij de verwerende partij af te dwingen. Daarvan is evenwel het huidige tweede voorwerp van het beroep te onderscheiden, namelijk de impliciete weige- ringsbeslissing om haar te benoemen in de welbepaalde betrekking – vanaf 1 ok- tober 2018, zie sub 8 – waarin NC met de als eerste voorwerp bestreden beslissing van 30 augustus 2024 is aangesteld. Vorige procedures kúnnen geen betrekking hebben op de thans bestreden impliciete weigering, die een nieuwe rechtshandeling is en die op dat ogenblik niet bestond. Ook de Raad heeft er zich dan ook met zijn vroegere arresten nog niet over uitgesproken. Van enige schending van het gezag van gewijsde is bijgevolg geen sprake. IX-10.579-9/30 11. Het wordt niet betwist dat verzoekster een belang heeft bij de nietigverklaring van de eerste bestreden beslissing. Zodoende kan zij eveneens in beginsel worden geacht een belang te hebben bij de nietigverklaring van de tweede bestreden beslissing. De beoordeling of de tweede bestreden beslissing eveneens in aanmerking komt voor een uitdrukkelijke nietigverklaring hangt samen met de grond van de zaak. 12. De exceptie wordt verworpen. VI. Vertrouwelijkheid van sommige stukken Probleemstelling 13. De verwerende partij heeft naar aanleiding van een vraag van de auditeur-verslaggever op 5 september 2025 bijkomende informatie en stukken aan- geleverd. Een aantal van deze stukken legt de verwerende partij vertrou- welijk neer, in de niet-vertrouwelijke inventaris als volgt omschreven: “4. Presentatie [NC] 4.1. E-mail [NC] met presentaties 4.2. Presentatie 4.3. Presentatie 5. Notities bij selectiegesprekken 5.1. Bevestiging geen andere notities.” Ter verantwoording van het vertrouwelijk karakter van deze stukken, schrijft de verwerende partij: “a. Presentatie [NC] De presentaties die door [NC] werden bezorgd ter voorbereiding van de selectiegesprekken worden vertrouwelijk neergelegd. b. Opname van de interviews De selectiegesprekken werden niet opgenomen door verwerende partij. […] IX-10.579-10/30 Het selectiegesprek heeft plaatsgevonden op de link met als titel ‘Selectie- gesprek [verzoekster]’. Van dit gesprek werd geen opname gemaakt. Er werd evenmin een PV opgemaakt met de letterlijke weergave van de gesprekken. Er werden wel notities voor intern gebruik gemaakt van beide selectiegesprekken. Deze zullen eveneens vertrouwelijk worden neerge- legd, daar deze werden gemaakt in eenzelfde document en aldus vertrou- welijke informatie bevatten m.b.t. de presentatie van [NC]. De verwerende partij verzoekt de Raad van State uitdrukkelijk overeenkomstig artikel 87 § 2 van het Besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, om de op gevoegde inventaris gevoegde stukken als vertrouwelijk te behandelen daar deze stukken betrekking op gegevens die auteursrechtelijk beschermd zijn of persoonlijke gegevens betreffen van een andere kandi- daat. Losse notities maken bovendien geen deel uit van administratief dos- sier en zijn persoonlijke notities van de persoon die ze opstelde.” 14. Verzoekster argumenteert dat de notities van de selectiegesprek- ken door de commissie zijn gebruikt als feitelijke grondslag voor de evaluatie van de kandidaten. Het argument dat het slechts om “persoonlijke losse notities” zou gaan, is daarom niet houdbaar. Zodra deze notities mee de beoordeling bepalen, maken ze volgens verzoekster deel uit van het administratief dossier en zijn ze aan te merken als processtukken. Het onthouden van inzage plaatst haar in een onmo- gelijke bewijspositie en belemmert de effectieve tegenspraak. Dit is strijdig met het beginsel van gelijkheid van wapens en met de zorgvuldigheidsplicht van het bestuur. Volgens haar moet zij ook inzage krijgen van “wat de concurrent klaarblijkelijk op [een] dusdanig alle concurrentie verbrijzelende briljante wijze zou gedaan hebben”. Een beoordeling van de presentatie van haar concurrent is “de essentie” om de vergelijking te kunnen maken. Bovenal ziet verzoekster niet welke problemen er kunnen ontstaan met het auteursrecht van een proefles: dan zouden studenten geen notities meer mogen maken in de les. 15. In haar laatste memorie betoogt de verwerende partij nog dat de notities informatie bevatten over de inhoud van de proefles van de andere kandidaat die rechtstreeks betrekking hebben op de presentatie en de bescherming van het auteursrecht van de andere kandidaat. Het advies van de selectiecommissie van IX-10.579-11/30 28 juni 2024, met inbegrip van de weergave van de hoorzitting met de beide kan- didaten, werd niet vertrouwelijk neergelegd en verzoekster kon dit stuk raadplegen in het kader van de huidige procedure. De motivering die heeft geleid tot de beslis- sing van de selectiecommissie is duidelijk voor verzoekster. Zo dient te worden vastgesteld dat haar rechten van verdediging in het kader van onderhavige betwis- ting zijn gewaarborgd. Door het vertrouwelijk behandelen van de notities van de proefles worden de auteursrechten van de andere kandidaat gewaarborgd. Beoordeling 16. Ten aanzien van het recht op toegang tot de rechter zijn enkel die maatregelen die de rechten van verdediging beperken legitiem die absoluut nood- zakelijk zijn. Het recht op een eerlijk proces wordt geschonden, wanneer een partij geen toegang krijgt tot documenten die essentieel zijn voor de oplossing van het geschil. Dat principe moet slechts in uitzonderlijke gevallen ter eerbiedi- ging van andere belangen wijken, bijvoorbeeld wanneer de strikte toepassing daar- van een kennelijke schending zou teweegbrengen van het recht op de eerbiediging van het privéleven van sommige personen, door hen een bijzonder ernstig en zeer moeilijk te herstellen risico te laten lopen (GwH nr. 118/2007 van 19 september 2007, B.9.2, met verwijzing naar Europese rechtspraak). 17. Het valt aan de Raad van State toe te controleren of het door de verwerende partij aangevoerde vertrouwelijk karakter relevant is, rekening hou- dend met de vereisten van een effectieve rechtsbescherming en van de eerbiediging van het recht op woord en wederwoord van de procespartijen en met het vereiste dat de procedure op alle onderdelen het recht op een eerlijk proces eerbiedigt. IX-10.579-12/30 18. Van een procespartij die zich op het vertrouwelijk karakter van een neergelegd document beroept, moet om die reden worden verwacht dat zij de redenen aangeeft die het noodzakelijk maken dat het geviseerde document op een dermate vertrouwelijke wijze wordt behandeld dat een andere partij in het geding geen inzage ervan zou mogen verkrijgen. Het ligt met andere woorden op de weg van de partij die de vertrouwelijkheid vraagt, om de Raad van State op afdoende wijze in te lichten zodat hij met volledige kennis van zaken de juiste afweging kan doen van het vereiste van een eerlijk proces en de bescherming van de vertrouwe- lijke aard van een document. 19. Artikel 87, § 2, van het algemeen procedurereglement stelt daar- enboven als vormvereiste dat een partij de motieven van haar verzoek uiteenzet “in het processtuk waarbij het bewuste stuk wordt gevoegd”. Voorts moet een proces- partij op een loyale en diligente wijze meewerken aan de procesvoering. In het kader van een behoorlijk procesverloop houdt de Raad van State dan ook enkel rekening met de argumenten die overeenkomstig voormeld artikel 87, § 2, het ini- tiële verzoek ondersteunen; het meer uitvoerige betoog van de verwerende partij in haar laatste memorie is laattijdig en wordt bijgevolg niet in het debat ontvangen. 20.1. Dat stukken auteursrechtelijk beschermd zijn, is een feitelijk ge- geven dat niet volstaat als motief om verzoekster te verhinderen er kennis van te nemen in het kader van huidig proces. De verwerende partij beweert niet dat er zelfs maar enige vrees bestaat dat verzoekster het auteursrecht van NC niet zou respecteren, of dat het eventuele auteursrecht van NC om een andere concrete re- den moet opwegen tegen het recht op een eerlijk proces. Overigens heeft de ver- werende partij er geen auteursrechtelijke graten in gezien om het bij zijn sollicitatie gevoegde onderzoeksplan van NC als niet-vertrouwelijk stuk neer te leggen in het administratief dossier. 20.2. Als motief louter opgeven dat een document persoonlijke gege- vens bevat, volstaat niet om van de noodzakelijke vertrouwelijkheid van dat stuk te doen blijken. Bij een beroep in het kader van een benoemingsprocedure naar IX-10.579-13/30 keuze waarin de benoemende overheid over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt, is het sollicitatiedossier van de kandidaten van bepalend belang. Het is dan ook de regel dat een verzoekende partij inzage krijgt van de dossiers van haar concurrenten. Zonder die informatie is het voor die verzoekende partij ten enen male onmogelijk om te controleren of die concurrenten terecht de verdiensten zijn toegeschreven op grond waarvan zij voorrang krijgen en of die verdiensten op ge- lijke wijze zijn onderzocht en beoordeeld. Dat houdt in dat wie een beroep instelt, bij bepaling kennis krijgt van persoonlijke gegevens van anderen. Daarmee is niet bewezen dat die gegevens betrekking hebben op de persoonlijke levenssfeer, laat staan dat de openbaarmaking ervan ernstige schade kan toebrengen aan derden. Meent de verwerende partij dat er toch reden is bepaalde gegevens vertrouwelijk te houden, dan moet zij dat méér concreet verantwoorden dan met de enkele opgaaf dat het om persoonlijke gegevens gaat. De summiere verwijzing naar het voorhan- den zijn van persoonlijke gegevens laat de Raad van State niet toe om het belang van verzoekster bij een effectieve rechtsbescherming hiertegenover af te wegen. 20.3. Vertrouwelijk stuk 5 ten slotte, blijkt niet “persoonlijke notities” te behelzen van een jurylid, maar wel degelijk een synthese van het volledige ver- loop van de interviews en de aansluitende deliberatie over de kandidaten. Het do- cument is daarenboven opgesteld door een persoon waarvan de verwerende partij in het kader van het eerste middel betoogt – en waarvan stuk 34 van het admini- stratief dossier bevestigt – dat zij specifiek instond voor de verslaggeving van de adviescommissie. Het stuk is bijgevolg toe te rekenen aan de secretaris van de jury en niet aan een individueel jurylid voor eigen gebruik. Het stuk is formeel geen proces-verbaal, maar deze persoon omschrijft het document wel als “mijn notulen van de hoorzitting”. Het heeft duidelijk gediend om naderhand de motivering op te stellen. Ook al is dit verslag meer in een telegramstijl geredigeerd dan in lopende tekst, is er geen reden om het stuk anders op te vatten dan als een feitelijke notule- ring van het verloop van de vergadering van de jury. Er is dan ook geen reden om het stuk als vertrouwelijk te bestempelen. IX-10.579-14/30 20.4. Uit wat voorafgaat volgt dat de vertrouwelijkheid van de bespro- ken stukken 4 en 5 moet worden opgeheven en dat verzoekster een nieuwe termijn moet worden gegeven om haar verzoekschrift aan te vullen met argumenten die zij kan putten uit de gegevens die zij ingevolge de opheffing van de vertrouwelijkheid van de desbetreffende stukken kan vernemen, in de mate dat die gegevens haar nog niet eerder bekend waren. 21. Het auditoraat heeft de vier middelen in het auditoraatsverslag onderzocht en stelt voor om deze te verwerpen. De Raad stelt vast, gezien het eerste en het tweede middel ver- band houden met het verloop van de selectieprocedure, dat het niet uitgesloten is dat verzoekster na inzage van de nieuwe stukken deze middelen wenst aan te vullen of bij te sturen. Om die reden is een onderzoek van die middelen voorbarig. Het vierde middel is enkel gericht tegen de impliciete weige- ringsbeslissing en kan maar dienstig worden onderzocht nadat de middelen tegen de aanstellingsbeslissing zijn beoordeeld. Een uitspraak hierover is bijgevolg even- eens voorbarig. Het derde middel daarentegen is vreemd aan het eigenlijke ver- loop van de selectieprocedure en staat los van de voormelde aanvullende stukken 4 en 5. Daarover kan in huidig arrest dan ook al uitspraak worden gedaan. VII. Derde middel Standpunt van de partijen 22. Verzoeksters derde middel “is gegrond op de schending van het Unie-recht met betrekking tot deeltijdse en opeenvolgende tijdelijke aanstellingen zoals geïnterpreteerd door het Hof van Justitie van de Europese Unie (Richtlijn 1999/70/EG van de Raad van 28 juni 1999 ‘betreffende de door het EVV de IX-10.579-15/30 UNICE en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd’ en Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep (hierna Richtlijn 2000/78/EG)” (hierna ook “richtlijn 1999/70/EG”, resp. “richtlijn 2000/78/EG”). Verzoeksters samenvatting van het middel luidt: “De verzoekende partij maakt aanspraak op een aanstelling krachtens haar vroegere meer dan een decennium durende band met de verwerende partij. Europeesrechtelijk kan verzoekster dus hoe dan ook niet gepasseerd wor- den. Daaromtrent is er overigens een zaak aanhangig bij Uw Raad, gekend onder G/A 241.829/IX-10464. Door opnieuw [NC] aan te stellen, poogt de ver- werende partij klaarblijkelijk nog eens te ontkomen aan de verplichtingen die wegen op de verwerende partij krachtens de Unie-regelgeving. Daarop wordt verder ingegaan en wordt aangegeven krachtens welke draai- deurconstructies, waarbij ook geheime duwers meewerken, de Europese re- gelgeving ten aanzien van de verzoekende partij verder blijvend geschon- den worden.” Verzoeker zet vervolgens het middel in de volgende bewoordin- gen uiteen (voetnoten zijn weggelaten): “III.3.3. Eerste onwettige draaideurconstructie om ten onrechte gebruik te maken van de nationale bevoegdheidsverdeling tussen rechtbanken om de rechtsbescherming onderuit te halen Verzoekende partij stelt dat de Universiteit Antwerpen haar loopbaan we- derrechtelijk heeft opgesplitst in verschillende statuten, waardoor zij gedu- rende 16 jaar ononderbroken in precaire arbeidsverhoudingen werd tewerk- gesteld zonder recht op een opzegvergoeding bij beëindiging. Dit, terwijl zij dezelfde taken verrichtte als vastbenoemd academisch personeel binnen de betreffende opleiding. Verzoekende partij stelt vast dat Uw Raad bij de rechten die zij aan het Unie-recht ontleent, volgens verzoekster in strijd met de rechtspraak van het Hof van Justitie, rekening houdt met de door verwerende instelling ge- maakte opsplitsing in contractuele en statutaire aanstellingen, en in strijd met het Unie-recht zich beroept op nationale bevoegdheidsregels om bij de bepaling van de ketting van (contractuele en statutaire) opeenvolgende ar- beidsverhoudingen, zich te beperken tot uitsluitend de statutaire aanstelling (EU-HvJ arrest van 3 oktober 2019 in zaak C-274/18, Minoo SchuchGhan- nadan tegen Medizinische Universität Wien). Deze werkwijze creëert een wederrechtelijke draaideurtechniek als ontsnappingsroute uit de IX-10.579-16/30 ontslagbescherming, miskent het begrip ‘arbeidsverhouding’ zoals gebruikt in de raamovereenkomsten, en ondermijnt de doeltreffende werking van het Unie-recht en de verplichting tot uniforme toepassing van het Unie-recht binnen de Europese Unie waarvan de Raad van State als Europees rechter de toepassing moet garanderen, in het bijzonder als hoogste administratieve rechtbank van België. (zie beschikking in EU-HvJ zaak C-760/18, arrest van 11 februari 2021 ECLI:EU:C:2021:113/OTA, rechtsoverwegingen 47 en 48, M.V. and Other, Contrats de travail à durée déterminée successifs dans Ie secteur public) 2) Clausule 5, punt 1, van de raamovereenkomst inzake arbeids- overeenkomsten voor bepaalde tijd moet aldus worden uitgelegd dat wanneer misbruik is gemaakt van opeenvolgende arbeidsovereen- komsten voor bepaalde tijd in de zin van deze bepaling, de verplich- ting voor de verwijzende rechter om aan de betrokken bepalingen van nationaal recht zoveel mogelijk een uitlegging en toepassing te geven waarmee dat misbruik naar behoren kan worden bestraft en de gevolgen van de schending van het Unie-recht ongedaan kunnen worden gemaakt Zeker na het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap in een vergelijkbare zaak C-265/20 tegen de Universiteit Antwerpen, kan geen twijfel bestaan over het onwettig karakter van draaideurtechnieken die door verwerende partij wordt toegepast om te beletten dat een kritische vrouwelijke docent zou vast benoemd worden of een vergoeding kan krij- gen bij beëindiging. Het EU-Hof oordeelt in C-265/20 in de eerste plaats dat de moge- lijkheid van een vaste benoeming onder het begrip ‘arbeidsvoor- waarden’ in de zin van artikel 4, lid 1 van de raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid valt. Vervolgens oordeelt het EU-Hof dat artikel 91 van het universitei- ten decreet, gelezen in samenhang met artikel 7 van het ZAP-sta- tuut, leidt tot een verschil in behandeling op de enkele grond dat de betrokken werknemer zijn arbeid in deeltijd verricht. Werknemers met een voltijdse onderwijsopdracht worden namelijk automatisch vast benoemd, terwijl werknemers met een deeltijdse opdracht, en- kel in aanmerking komen voor een vaste benoeming. Verder oordeelt het EU-Hof dat zowel artikel 91 van het universi- teitendecreet als artikel 7 van het ZAP-statuut geen objectieve rechtvaardiging voor de ongelijke behandeling bevatten. De verzoekende partij ontwikkelt hier dus een verdere redenering om net die draaideurtechniek, die volgens Uw Raad toetsing in de weg staat en dus ook prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie in de weg staat, als on- rechtmatig te kwalificeren. Want via die draaideurtechniek poogt de ver- werende partij te verhinderen dat er besloten wordt door Uw Raad om pre- judiciële vragen te stellen aan het Hof bij het vaststellen van de ketting van opeenvolgende tijdelijke arbeidsverhoudingen bij de toepassing van richt- lijn 1999/70/EG van de Raad van 28 juni 1999 ‘betreffende de door het EW de UNICE en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsover- eenkomsten voor bepaalde tijd’. IX-10.579-17/30 De verzoekende partij wenst Uw Raad er dus van te overtuigen die draai- deurtechnieken als onrechtmatig opzij te schuiven, zodat volop toepassing kan gemaakt worden van de nationale bevoegdheidsverdeling tussen recht- bank en de effectieve en doeltreffende werking van het Unie-recht waaraan verzoekende partij haar rechten ontleent, niet in de weg mogen staan. (HvJ C 378/17 arrest van het Hof (Grote kamer) van 4 december 2018). Om tot een oplossing te komen van het geschil met betrekking tot haar aan- stelling sinds 1999 aan de Universiteit Antwerpen, moet gebruik gemaakt worden van het Unie-recht en richtlijn1999/70/EG van de Raad van 28 juni 1999 ‘betreffende de door het EW de UNICE en het CEEP gesloten raam- overeenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd’, waaraan verzoekende partij haar rechten ontleent. Het voorwerp van het beroep en het uitdrukkelijke verzoek aan de Univer- siteit Antwerpen voor herziening van het ontslag, daartoe aangemaand door verzoekende partij op grond van Artikel 14, § 3 van de gecoördineerde wet- ten op de Raad van State om haar te reïntegreren en vast te benoemen na het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in G-265/20 tegen Universiteit Antwerpen verantwoorden des te meer de vraag van verzoe- kende partij om aan het Hof van Justitie van de Europese Unie en aan het Grondwettelijk Hof prejudiciële vragen voor te leggen die verband houden met richtlijn 1999/70/EG van de Raad van 28 juni 1999 ‘betreffende de door het EW, de UNICE en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd’ en van de op 6 juni 1997 geslo- ten raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid, die is opgenomen in de bij- lage bij richtlijn 97/81/EG van de Raad van 15 december 1997 betreffende de door de Unice, het CEEP en het EVV gesloten raamovereenkomst in- zake deeltijdarbeid. Het ontslag in 2015 zonder enige vorm van ontslagvergoeding berust vol- gens verzoekende partij op een onjuiste uitlegging van het gemeenschaps- recht, gegeven zonder dat de Raad van State het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft verzocht om een prejudiciële beslissing. Verzoekende partij verwijst ook naar het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 93/2021 van 17 juni 2021 voor wat betreft het recht op een aanstelling voor onbe- paalde duur. In C-265/20 legde het Hof van Justitie het Unie-recht uit in een vergelijkbare zaak van deeltijdse en tijdelijke opeenvolgende aanstel- lingen aan verwerende partij en liet het geen twijfel bestaan over de onver- enigbaarheid van het toepasselijke Vlaams recht met artikel 4, lid 1 van de raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid en artikel 4, lid 1 van de raam- overeenkomst […] inzake arbeid voor een bepaalde duur. In naam van de verzoekende partij wordt ook de Raad van State verzocht om het arrest nr. 247.434 in de zaak A. 218.452/1X-8822 te herzien, op grond van vast- staande rechtspraak ontwikkeld in de zaak C-453/00 Kühne & Heitz NV. Volgens Uw Raad wordt de ketting van opeenvolgende arbeidsverhoudin- gen bij de toepassing van richtlijn 1999/70/EG van de Raad van 28 juni 1999 ‘betreffende de door het EVV de UNICE en het CEEP gesloten raam- overeenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd’ bepaald door het aantal statutaire aanstellingen waarvoor de Raad van State op grond van de nationale bevoegdheidsregelingen, bevoegd is. IX-10.579-18/30 Met het derde middel wenst de verzoekende partij Uw Raad ervan te over- tuigen dat eens Uw Raad heeft vastgesteld dat Uw Raad bevoegd is voor een beroep tot vernietiging, de ketting van opeenvolgende arbeidsverhou- dingen bij de toepassing van richtlijn 1999/70/EG van de Raad van 28 juni 1999 ‘betreffende de door het EVV de UNICE en het CEEP gesloten raam- overeenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd’ bepaald worden los van de nationale bevoegdheidsregeling, in de zin van het Unie- recht dat bij de bepaling van de ketting de opeenvolgende ‘arbeidsverhou- dingen’ rekent, ongeacht of het om contractuele of statutaire arbeidsver- houdingen gaat en ongeacht de nationale bevoegdheidsverdeling van de na- tionale rechter. Verzoekende partij meent dat ze klaar en duidelijk heeft aangetoond dat de raamovereenkomst is geschonden maar indien dit als dusdanig niet aanzien wordt, dient er uiteraard een prejudiciële vraag te worden gesteld. Indien de eis van verzoekende partij niet direct wordt toegekend, vraagt zij nogmaals uitdrukkelijk aan het Hof van Justitie een prejudiciële vraag te stellen. Dit wordt ondersteund door verwijzing naar artikel 267 van het Ver- drag betreffende de werking van de Europese Unie, dat de hoogste natio- nale rechters verplicht om vragen over de uitlegging van het Unie-recht voor te leggen aan het Hof van Justitie wanneer dit nodig is voor de oplos- sing van een geschil (C 160/14 Joao Filipe Ferreira da Silva e Brito e.a. tegen Estado portugues met conclusie van advocaat-generaal Y. Bot). Dit middel is uiteraard opnieuw aan de orde aangezien de verwerende partij opnieuw is overgegaan tot aanstelling van [NC], in tegenstelling van de Europees rechtelijke bestaande verplichting om de verzoekende partij aan te stellen. Via een draaideurconstructie kan er niet aan gedacht worden om in de plaats van verzoekster iemand anders aan te stellen. Het Arbeidshof van Brussel (2016/AB/1117) doet uitspraak over de beëin- diging van een mannelijk academisch personeelslid tewerkgesteld met op- eenvolgende arbeidsverhoudingen voor bepaalde tijd aan de VUB en kent de academicus een aanzienlijke schadevergoeding en de rechtsplegingsver- goeding toe. Het Hof van Beroep van Antwerpen betreft een mannelijk academisch per- soneelslid die met opeenvolgende arbeidsverhoudingen voor bepaalde tijd aangesteld aan Universiteit Antwerpen, en wordt, na C-265/20 in dezelfde zin beëindigd. De tussenkomst van het Grondwettelijk Hof, arrest nr. 93/2021 van 17 juni 2021, rolnummer 7447, wordt voor het Arbeidshof van Gent op een gelijk- aardige wijze voor een mannelijk personeelslid opgelost. Enkel verzoekende partij, een vrouwelijk academisch personeelslid met het hoogst aantal arbeidsverhoudingen en de langste duur en opeenvolgende positieve evaluaties, krijgt noch een re-integratie, noch een schadevergoe- ding. Uw Raad is uiteraard wel degelijk bevoegd om uitspraak over de beëindi- ging van een statutaire aanstelling op basis van nationale bevoegdheidsre- gels, en bij de beslechting ervan mag de Raad van State niet zomaar al de contractuele arbeidsverhoudingen die aan de statutaire arbeidsverhouding voorafgaan terzijde schuiven bij het beoordelen van de keten van IX-10.579-19/30 arbeidsverhoudingen van de verzoekende partij bij dezelfde werkgever. Het Unie-recht spreekt van keten van arbeidsverhoudingen en maakt geen on- derscheid tussen contractuele of statutaire arbeidsverhoudingen bij de toe- passing van de bescherming van de raamovereenkomsten. Nu de Raad van State bevoegd is op grond van nationale bevoegdheidsregels, is de Raad – als Europees rechter – gebonden bij het beslechten van het geschil het aan- tal arbeidsverhoudingen in overweging te nemen, ongeacht of die van con- tractuele of statutaire aard zijn. Dat Uw Raad zich niet kan uitspreken over contractuele relaties, verhindert niet dat Uw Raad bij het constateren van een ketting, ook kan constateren dat er contractuele schakels zich in die ketting bevinden. Eventueel kan Uw Raad daaromtrent uiteraard ook prejudiciële vragen stellen Infra worden de door verzoekende partij voorgestelde prejudiciële vragen geformuleerd. III.3.4. Tweede onwettige draaideurconstructie: uitstellen (voltijdse) open vacature De tweede draaideurconstructie betrof het systematisch uitstellen sinds 1999 van een open vacature voor de permanente functie waarvoor pas in 2012 een deeltijdse en later een hernieuwde voltijdse versie in 2018 (met minder opleidingsonderdelen!) werd uitgeschreven. Hierdoor werd verzoe- kende partij gedurende 16 jaar ononderbroken met een ketting van meer dan 20 arbeidsverhoudingen aangesteld in tijdelijke contracten voor de- zelfde functie en verantwoordelijkheden van vast benoemde collega’s. Door de fusie van drie Antwerpse universitaire instellingen tot één Univer- siteit Antwerpen werden herhaaldelijk wijzigingen aangebracht in haar per- soneelscategorie en statuut. Bij elke wijziging moest zij formeel akkoord gaan met de beëindiging en de daaropvolgende weder aanstelling. De ge- wijzigde opeenvolgende arbeidsverhoudingen moeten volgens jurispruden- tie van het Hof van Justitie van de Europese Unie als nieuwe schakels wor- den beschouwd in de bestaande keten van opeenvolgende arbeidsverhou- dingen. (EU-HvJ zaak C-760/18, arrest van 11 februari 2021 ECLI:EU:C:2021 :113/OTA, rechtsoverwegingen 47 en 48, M.v. and Other, Contrats de travail à durée déterminée successifs dans le secteur pu- blic) 47 In deze context moet ook worden geconstateerd dat het begrip ‘tijd’ van de arbeidsverhouding een essentieel onderdeel is van elke overeenkomst voor bepaalde tijd. Volgens clausule 3, punt 1, van de raamovereenkomst wordt ‘het einde (van de arbeidsovereen- komst of -verhouding) bepaald door objectieve voorwaarden zoals het bereiken van een bepaald tijdstip, het voltooien van een be- paalde taak of het intreden van een bepaalde gebeurtenis’. Een wij- ziging van de einddatum van een arbeidsovereenkomst voor be- paalde tijd vormt dan ook een wezenlijke verandering van deze overeenkomst, die mag worden gelijkgesteld met de sluiting van een nieuwe arbeidsverhouding voor bepaalde tijd die de vorige ar- beidsverhouding opvolgt en die dus binnen de werkingssfeer van clausule 5 van de raamovereenkomst valt. IX-10.579-20/30 48 Zoals immers naar voren komt uit de tweede alinea van de pre- ambule van de raamovereenkomst en uit de punten 6 en 8 van de algemene overwegingen ervan, wordt het genot van vaste dienstbe- trekkingen opgevat als een essentieel onderdeel van de werkne- mersbescherming, terwijl arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd slechts in bepaalde omstandigheden in de behoeften van zowel de werkgever als de werknemer kunnen voorzien (arrest van 19 maart 2020, Sánchez Ruiz e.a., C-103/18 en C-429/18, EU:C:2020:219, punt 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Het schrijven van verwerende instelling van 14 december 2015 dat haar arbeidsverhouding op 30 november 2015 een einde nam is zonder meer constitutief met de bedoeling expliciet en wederrechtelijk een einde te ma- ken aan het mandaat van verzoekende partij, wat aanleiding geeft tot re- integratie en schadevergoeding. Recente jurisprudentie van verschillende rechtbanken, waaronder de recht- bank Den Haag (30 juli 2021) en het Grondwettelijk Hof in arrest nr. 93/2021 van 17 juni 2021 (een wijziging van de arbeidsverhouding is een nieuwe arbeidsovereenkomst), ondersteunen deze interpretatie. De verzoekende partij verzoekt de Raad van State dan ook om deze inter- pretatie te volgen en te oordelen dat wijzigingen in de looptijd van de ar- beidsverhouding als nieuwe en opeenvolgende arbeidsverhoudingen moe- ten worden beschouwd, zoals gestaafd door recente arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie (C-265/20 tegen de Universiteit Antwer- pen/ C-586/10, C-22/13, C-331/17, C-614/15, C-3/10). Daarnaast benadrukt de verzoekende partij haar jarenlange toewijding en bijdrage aan verwerende partij, waarbij zij gedurende 16 jaar consistent po- sitieve beoordelingen ontving en dezelfde taken uitvoerde als vast benoemd academisch personeel en heeft zij verwerende partij voortdurend haar be- reidheid te doceren meegedeeld. Het feit dat zij pas in 2012 deelnam aan een open vacature en als beste kandidaat werd verkozen, onderstreept de onrechtmatigheid van de voortdurende tijdelijke aanstellingen zonder wer- vingsprocedures. In overeenstemming met de aangehaalde jurisprudentie en richtlijnen, dient de Raad van State te oordelen dat de wijzigingen in de arbeidsverhouding van de verzoekende partij als nieuwe arbeidsverhoudingen moeten worden beschouwd, en dat zij recht heeft op erkenning van haar volledige loopbaan en bijbehorende rechten. III.3.5. Derde onwettige draaideurconstructie: opsplitsing aanstelling in deeltijds statutair en deeltijds contractueel Ook de derde draaideurconstructie is onrechtmatigheid. Verzoekende partij werd na 2012 tewerkgesteld in twee afzonderlijke arbeidsverhoudingen binnen de opleiding Opleidings- en Onderwijswetenschappen (OOW), re- sulterend in een kunstmatige opsplitsing van deeltijds statutair en deeltijds contractueel. Het misbruik van dergelijke draaideurconstructie en het ondermijnen van de ontslagbescherming werd terecht onwettig verklaard door het Arbeids- hof Brussel (zaak Chimkovich, arrest van 5 juni 2018 Arbeidshof Brussel), het Hof van Beroep Antwerpen (C-265/20) en het Grondwettelijk Hof en IX-10.579-21/30 door o.m. de rechtbank van Den Haag (zaak 8935814 \ CV EXPL 20-4229 eiser tegen Universiteit Leiden, uitspraak van 30-06-2021) waar telkens uit- drukkelijk naar het Unie-recht en de richtlijn wordt verwezen in het geval van opsplitsing, draaideurtechnieken en misbruiken van opeenvolgende aanstellingen voor bepaalde duur: De verzoekende partij beweert dat de beëindiging van haar arbeidsverhou- ding na 24 opeenvolgende tijdelijke aanstellingen voor dezelfde perma- nente functie, zonder re-integratie of passende vergoeding, in strijd is met Richtlijn 1999/70/EG en de raamovereenkomst voor arbeidsovereenkom- sten voor bepaalde tijd. Zij benadrukt dat haar tewerkstelling gedurende 16 jaar consistent was en dat zij nooit expliciet heeft ingestemd met het mis- bruik van opeenvolgende tijdelijke aanstellingen. Het schrijven van verwerende instelling van 14 december 2015 dat haar arbeidsverhouding op 30 november 2015 een einde nam had expliciet de bedoeling wederrechtelijk een einde te maken aan de arbeidsverhouding met verzoekende partij, wat aanleiding geeft tot schadevergoeding (HvJ C- 103/18 en C-429/18 Conclusie J. Kokott in Ruiz). De verzoekende partij wijst erop dat verwerende instelling haar aanstelling als deeltijds tijdelijk statutair en deeltijds tijdelijk contractueel beschouwt, echter dit doet geen afbreuk aan haar rechten onder het Unie-recht en de raamovereenkomst dat gebruikt maakt van ‘arbeidsverhoudingen’ (zowel contractueel als statutair) om de ketting van opeenvolgende arbeidsover- eenkomsten voor bepaalde tijd te bepalen. De verzoekende partij verwijst naar recente jurisprudentie, met name het arrest van het Grondwettelijk Hof van 17 juni 2021 (Grondwettelijk Hof, arrest nr. 93/2021 van 17 juni 2021), waarin misbruik van opeenvolgende tijdelijke contracten en de draaideurtechniek wordt afgewezen en waarin wordt gesteld dat de regelgever dergelijke praktijken moet beëindigen. Het feit dat verwerende partij beweert dat de aanstelling van de verzoe- kende partij in 2012 slechts tijdelijk was, doet volgens de verzoekende par- tij geen afbreuk aan haar rechten onder het Unie-recht en de raamovereen- komst voor arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd. De verzoekende partij concludeert dan ook dat de beëindiging van haar arbeidsverhouding zonder passende vergoeding in strijd is met het Unie-recht en de nationale wetgeving. Zij benadrukt dat de verwerende instelling geen recht heeft om haar rechten onder het Unie-recht te beperken en dat zij recht heeft op een rechtmatige re-integratie of een passende vergoeding voor het misbruik van opeenvolgende tijdelijke aanstellingen. Wat de discriminatie betreft in deeltijdse aanstellingen in combinatie met het misbruik van opeenvolgende arbeidsverhoudingen voor bepaalde tijd aan Vlaamse universiteiten, verwijst zij naar de uitspraak van het Hof van Justitie over de onverenigbaarheid van Artikel V.28 van de Codex Hoger Onderwijs met het Unie-recht en in het bijzonder met de raamovereenkom- sten (zie C-265/20 tegen verwerende partij Universiteit Antwerpen – su- pra). Door de opsplitsing van de arbeidsverhouding van de enige vrouwe- lijke docent binnen OOW in verschillende statuten werd een nepstatuut ge- creëerd dat discriminatie en misbruik van deeltijdse aanstellingen mogelijk maakt. IX-10.579-22/30 Uw Raad kan uiteraard de doeltreffende werking van de richtlijnen niet miskennen, of zich beroepen op nationale procedurele bepalingen. Natio- nale bevoegdheidsverdeling tussen rechtbanken mag de effectieve en doel- treffende werking van het Unie-recht waaraan verzoekende partij haar rech- ten ontleent, niet in de weg staan (HvJ C 378/17 arrest van het Hof (Grote kamer) van 4 december 2018). Er is onder het feitenrelaas al verwezen naar de Europeesrechtelijke evolu- tie en verzoekende partij verwijst hierbij nogmaals naar de conclusie van Advocaat-Generaal J. Kokott van 17 oktober 2019 in gevoegde zaken C103/18 en C-429/18 inzake Ruiz e.a. in de prejudiciële vraag gesteld door de Spaanse bestuursrechter om een prejudiciële beslissing over misbruik van opeenvolgende arbeidsverhoudingen voor bepaalde tijd in publiekrech- telijke instellingen. Verzoekende partij kan zich nog steeds na de kennisgeving van de Rector op 6 december 2012 beroepen op de rechten die zij ontleent aan het Unie- recht en de raamovereenkomst voor bepaalde tijd. In gevoegde zaken C103/18 en C-429/18 Ruiz tegen Comunidad de Madrid op verzoek van de Spaanse bestuursrechtbank om een prejudiciële beslissing verduidelijkt Advocaat-Generaal Kokott uitdrukkelijk in de conclusie van 17 oktober 2019 de procesrechtelijke positie van tijdelijk personeel. Na de uitspraak van het Hof in de zaak C-265/20 tegen de Universiteit Ant- werpen, blijkt dat verzoekende partij het al die tijd bij het rechte eind te hebben gehad.” 23. De verwerende partij werpt op dat het middel onontvankelijk is. Dat is onder meer het geval, zo betoogt zij, omdat verzoekster het middel steunt op een beweerde schending van richtlijn 1999/70 EG en de raamovereenkomst. Een richtlijn is evenwel slechts een rechtshandeling die een bepaald doel vastlegt dat alle lidstaten moeten bereiken, waarbij de richtlijn enkel ten aanzien van die lidsta- ten bindend is en de lidstaten zelf de interne rechtsregels kunnen of moeten vast- stellen om het doel van de richtlijn te bereiken. In beginsel heeft een richtlijn dan ook geen rechtstreekse werking. Verzoekster mag zich niet rechtstreeks op richtlijn 1999/70 EG beroepen, “omdat enerzijds [de] Nationale Arbeidsraad in zijn advies nr. 1342 van 15 maart 2001 heeft gesteld dat clausule nr. 5 van de raamovereen- komst in de Belgische arbeidswetgeving reeds geldend recht is, meer bepaald in artikel 10, 10bis en 11 van de Wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereen- komsten, zodat de richtlijn waarbij de raamovereenkomst is gevoegd, geen nadere implementatie behoeft, en anderzijds omdat de Richtlijn voor het overige in het Belgisch recht werd omgezet door de wet van 5 juni 2002 [‘betreffende het non- IX-10.579-23/30 discriminatiebeginsel ten voordele van werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd’]”. Verzoekster voert niet aan, laat staan bewijst, dat de bestre- den beslissingen in strijd zijn met de wet van 3 juli 1978 of met de wet van 5 juni 2002. Het middel is derhalve niet ontvankelijk. 24. Verzoekster repliceert dat de verwerende partij in gebreke blijft om aan te tonen waarom het Unierecht niet van toepassing zou zijn op het voorlig- gende geschil. Zij gaat evenwel niet specifiek in op de voormelde exceptie met betrekking tot de aard van richtlijnen. 25. In haar laatste memorie argumenteert verzoekster dat het middel ten onrechte wordt “afgewimpeld” omdat het om een richtlijn zou gaan en om niets meer. Zij heeft duidelijk de interpretatie daaromtrent door het Hof van Justitie uit- eengezet. In het kader van de huidige betwisting moet er worden vastgesteld dat de verwerende partij bij een consistente interpretatie van het Europees recht overeen- komstig de jurisprudentie van het Hof van Justitie bij de nieuwe vacature zonder meer moet constateren dat zij ertoe gehouden is verzoekster aan te stellen. Beoordeling a. richtlijn 2000/78/EG 26. Artikel 2, § 1, eerste lid, 3°, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrecht- spraak van de Raad van State’ (“algemeen procedurereglement”) schrijft voor dat het verzoekschrift een uiteenzetting van de middelen dient te bevatten. Onder middel moet worden verstaan: de omschrijving zowel van de rechtsregel of het rechtsbeginsel waarvan de schending wordt aangevoerd als van de wijze waarop die regel of dat beginsel concreet door de bestreden rechts- handeling wordt geschonden (zie artikel 2, § 1, tweede lid, algemeen procedurere- glement). Die omschrijving moet voldoende duidelijk zijn, wat betekent dat het IX-10.579-24/30 niet nodig is veronderstellingen over de juiste bedoelingen van de verzoekende partij te maken, waardoor in werkelijkheid de verwerende partij en de Raad van State ertoe gebracht worden het verzoekschrift op te stellen in de plaats van de verzoekende partij. Die uiteenzetting strekt er toe het tegensprekelijke karakter van de schriftelijke procedure en de rechten van verdediging van de verwerende partij te waarborgen en is daarom een essentieel onderdeel van de inleidende akte. Het laat de andere partijen toe zich te verdedigen tegen de grieven die ten aanzien van de bestreden beslissing worden aangevoerd en stelt de Raad van State in staat de gegrondheid van die grieven te beoordelen. Elk verzuim op dit vlak is een vormgebrek dat na het verstrijken van de beroepstermijn niet meer kan worden goedgemaakt in latere memories. 27. Verzoekster voert onder meer de schending aan van richtlijn 2000/78/EG, maar brengt naderhand in de toelichting bij het middel – of in haar latere procedurestukken – deze richtlijn helemaal niet meer ter sprake, laat staan dat zij zou uiteenzetten hoe de verwerende partij die richtlijn concreet heeft ge- schonden. Alvast wat richtlijn 2000/78/EG betreft, voldoet verzoekster niet aan de stelplicht die op haar rust opdat een middel ontvankelijk zou zijn. b. richtlijn 1999/70/EG 28. Verzoekster vermeldt in het middel niet welke bepalingen van richtlijn 1999/70/EG de bestreden beslissing schendt. In de toelichting bij het mid- del vermeldt zij wel clausule 3, punt 1; clausule 4, punt 1; en clausule 5, punt 1 van de bijlage van richtlijn 1999/70/EG. IX-10.579-25/30 29. De verwerende partij voert terecht aan dat richtlijnen geen recht- streekse werking hebben. Europeesrechtelijk is een richtlijn verbindend ten aanzien van het te bereiken resultaat voor elke lidstaat waarvoor ze bestemd is, doch wordt aan de nationale instanties de bevoegdheid gelaten vorm en middelen te kiezen. Een richtlijn is aldus niet rechtstreeks toepasselijk in de interne rechtsorde van de lid- staten. Ze verkrijgt haar volwaardige normatieve status in die rechtsorde slechts nadat ze is omgezet in het nationale recht. Het door de richtlijn voorgeschreven resultaat moet slechts worden bereikt op het einde van de in de richtlijn bepaalde omzettingstermijn. Het is pas indien een lidstaat nalaat een richtlijn om te zetten in het nationale recht of wanneer de omzetting niet in overeenstemming is met de richtlijn, dat een particulier rechten kan putten uit de bepalingen van een richtlijn en dan nog enkel in zoverre deze een zogenaamde directe werking hebben, meer bepaald voldoende nauwkeurig en onvoorwaardelijk zijn, zodat de lidstaten bij de omzetting ervan geen beleidsvrijheid hebben. 30. Enkel in de gevallen waarin de bepalingen van een richtlijn in- houdelijk gezien onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig zijn, mogen particu- lieren zich bijgevolg voor de nationale rechter op deze bepalingen beroepen tegen- over de Staat, hetzij wanneer deze heeft verzuimd deze richtlijn binnen de gestelde termijn om te zetten in intern recht, hetzij wanneer hij deze richtlijn onjuist heeft omgezet. Dat moge vaste rechtspraak heten van de Raad van State, zo bijvoorbeeld de arresten nr. 242.804 van 25 oktober 2018 en nrs. 256.918 en 256.919 van 23 juni 2023. 31. Verzoekster voert in het middel geen schending aan van een re- gel van intern recht die de omzetting is van de voornoemde richtlijn, noch voert zij aan dat de richtlijn of de individuele bepalingen ervan die zij aanhaalt niet, niet volledig of niet correct zouden zijn omgezet in het Belgische recht. Daartoe IX-10.579-26/30 onderneemt zij in haar memorie van wederantwoord noch in haar laatste memorie evenmin een poging. 32. De schending van richtlijn 1999/70/EG vormt geen ontvankelijk middel. Dat verzoekster daarenboven rechtspraak vermeldt van het Hof van Justitie over de interpretatie van die richtlijn, doet niet anders besluiten. c. conclusie 33. De exceptie is gegrond. Het middel is niet ontvankelijk. Gelet op de onontvankelijkheid van het middel, dienen de in het kader van dit middel voorgestelde prejudiciële vragen niet te worden gesteld. d. obiter dictum 34. In het derde middel bekritiseert verzoekster het gebruik van drie “draaideurtechnieken” die door de verwerende partij worden toegepast om te be- letten dat zij “vast benoemd [zou] worden of een vergoeding kan krijgen bij beëin- diging”. In het kader daarvan hekelt verzoekster dat zij in de periode van 1999 tot 2015 is tewerkgesteld bij de verwerende partij aan de hand van opeenvolgende “deeltijdse” arbeidsverhoudingen. Verzoekster acht zich duidelijk gegriefd door de wijze waarop de verwerende partij haar tewerkstelling tussen 1999 en 2015 vorm heeft gegeven en de beëindiging daarvan. Dat maakt het beroep tot nietigverklaring tegen de be- streden beslissingen nog niet het geschikte instrument om die grieven te beslechten. Zoals de Raad van State in het verleden al mocht constateren, voert verzoekster een rechtsstrijd waarvoor zij bij de Raad van State het verkeerde forum opzoekt, dan wel de verkeerde beslissingen aanvecht, dan wel laattijdig op- treedt. IX-10.579-27/30 Voor een bevel tot re-integratie of tot betaling van civiele scha- devergoedingen is de Raad van State zonder bevoegdheid. Als verzoekster meent dat zij op een bepaald ogenblik in het ver- leden ten onrechte is ontslagen, of van rechtswege in haar bestaande functie of ambt statutair of contractueel moet zijn verlengd, dan valt dat niet recht te zetten met een beroep tegen de thans bestreden beslissing. Verzoekster betwist noch met huidig beroep noch met een ander beroep bij de Raad de vacantverklaring van de betrekking van voltijds docent in het tenure track stelsel in het domein Governance of learning in an era of globali- zation. Hoe de verwerende partij dan zo een betrekking in een tenure track stelsel kan begeven zónder vervolgens met inachtneming van de artikelen 10, 11 en 33 van de Grondwet, na een objectieve vergelijking van aanspraken en verdiensten, de objectief beste kandidaat uit te kiezen, valt niet in te zien. Verzoekster toont alleszins niet aan dat zo een verplichting de strekking is van het Unierecht. Verzoekster mag dan de overtuiging hebben dat zij het altijd bij het rechte eind had, maar bij de Raad van State presenteert zij zich met het derde middel op de verkeerde plaats, op het verkeerde ogenblik en met de verkeerde ar- gumenten. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep, in zoverre het is gericht tegen de impliciete weigering van het bestuurscollege van de Universiteit Antwerpen om XXXX aan te stellen tot voltijds docente in het tenure track stelsel in het domein Governance of learning in an era of globalization met terugwerkende kracht “vanaf 1 december 2015”. 2. De Raad van State heropent het debat. IX-10.579-28/30 3. De Raad van State heft de vertrouwelijkheid van de aanvullende stukken 4 en 5 van het administratief dossier op. 4. De verzoekende partij beschikt over een termijn van zestig dagen, te reke- nen vanaf de kennisgeving van huidig arrest, om in een aanvullende memorie haar eerste, tweede en vierde middel al dan niet te handhaven, aan te vullen of nader uit te werken of nieuwe middelen aan te voeren, op grond van de haar tot op heden onbekende gegevens die vervat zijn in de voormelde stukken van het administratief dossier. 5. Aan de verwerende partij wordt in voorkomend geval een termijn van zes- tig dagen verleend, te rekenen vanaf de betekening door de griffie van de aan- vullende memorie van de verzoekende partij, om een aanvullende memorie neer te leggen. 6. Het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt ermee belast, in voorkomend geval na kennisname van de bedoelde aanvul- lende memorie of memories, het onderzoek van de zaak voort te zetten. 7. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. IX-10.579-29/30 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op elf mei tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Jurgen Neuts, staatsraad, Francis Van Nuffel, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Geert Van Haegendoren IX-10.579-30/30 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.631 Gerelateerde publicatie(
  3. s)citeert: ECLI:EU:C:2021:113 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.