id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.639 Rolnummer: A. 247743/XIV-40133 Zaak: Arrest 266639 - Overheidsopdrachten - 11/05/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-05-12 Raadplegingen: 33 - laatst gezien 2026-06-18 11:23 Fiche Arrest nr 266.639 van 11 mei 2026 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.639 no lien 289265 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 266.639 van 11 mei 2026 in de zaak A. 247.743/XIV-40.133 In zake: de NV V. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Robin Beck en Ellen Gerits kantoor houdend te 2018 Antwerpen Mechelsesteenweg 127A, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sophie Bleux kantoor houdend te 1000 Brussel Regentschapsstraat 58, bus 8 tegen: de KERKFABRIEK SINT-LAMBERTUS TE NEEROETEREN -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 27 maart 2026, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “de beslissing van de verwerende partij van onbekende datum waarbij: - de overheidsopdracht voor werken met voorwerp ‘Restauratiewerken aan de St. Lambertuskerk I Fase 1: Restauratiewerken aan het exterieur’ wordt gegund aan [een derde]; - de voormelde overheidsopdracht niet wordt gegund aan verzoekende partij.” II. Verloop van de rechtspleging
- Bij beschikkingen van 31 maart en 20 april 2026 werd, in samenspraak met het aangeduide lid van het auditoraat, de procedurekalender vastgesteld en werden de partijen opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 april
- XIV-40.133-1/4 Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Sophie Bleux, die verschijnt voor de verzoekende partij, is gehoord. Eerste auditeur Ines Martens heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Intrekking van de bestreden gunningsbeslissing
- Nadat bij beschikking van 31 maart 2026 de terechtzitting over de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid een eerste maal werd vastgesteld op 22 april 2026, werd de bestreden gunningsbelissing op 8 april 2026 ingetrokken door de verwerende partij. Ingevolge voormelde intrekking is de voorliggende vordering derhalve in haar geheel zonder voorwerp, ook wat de gevorderde schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid betreft van de (impliciete) beslissing om de opdracht niet aan de verzoekende partij te gunnen. IV. Kosten en rechtsplegingsvergoeding
- Ter terechtzitting doet de raadsvrouw van de verzoekende partij afstand van de kosten, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding. De toekenning van een rechtsplegingsvergoeding betreft een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en honoraria van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij (artikel 30/1, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State), dat, desgevallend, moet worden gevorderd door de betrokken partij in een processtuk of in een nota tot vereffening (art. 84/1 van het ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.639 XIV-40.133-2/4 besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: de algemene procedureregeling)). Partijen kunnen er derhalve aan verzaken. Het ter terechtzitting gedane verzoek maakt dat het eerder in het verzoekschrift begrote verzoek tot het veroordelen tot een rechtsplegingsvergoeding geen voorwerp meer heeft, in welk geval de Raad van State zich daarover niet meer hoeft uit te spreken.
- In de mate dat de verzoekende partij ter terechtzitting afstand doet van de overige kosten, kan dit verzoek niet worden bijgetreden. Tot de kosten behoren te dezen het op grond van artikel 70, § 1, 2°, van de algemene procedureregeling vereiste rolrecht waartoe de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid aanleiding geeft. Luidens artikel 66, 6°, van de algemene procedureregeling geeft de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid voor de Raad van State ook aanleiding tot het kwijten van de bijdrage bedoeld in artikel 4, § 4, van de wet van 19 maart 2017 ‘tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand’. Beide kosten zijn belastingen in de zin van artikel 170 van de Grondwet (zie respectievelijk GwH nr. 124/2006 van 28 juli 2006 (ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.124), punt B.6.
- en GwH nr. 22/2020 van 13 februari 2020 (ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.22), punt B.9.2.)). Voorts bepaalt artikel 68, derde lid, van de algemene procedureregeling dat de Raad van State de kosten begroot en uitspraak doet over de bijdrage in de betaling ervan. Op grond van artikel 68, vijfde lid, van de algemene procedureregeling wordt hierbij “in ieder geval […] het geheel van de kosten […] ten laste gelegd van de partij die ten gronde in het ongelijk gesteld wordt.” Uit wat voorafgaat volgt dat geen van de partijen aan de voorgaande regeling afbreuk kan doen, noch beletten dat de Raad van State zich ter zake uitspreekt, c.q. moet uitspreken. Bijgevolg legt de Raad van State te dezen de kosten die verband houden met de vordering tot schorsing bij uiterst dringende ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.639 XIV-40.133-3/4 noodzakelijkheid en de bijdrage ten laste van de verwerende partij, die ingevolge de intrekking van de bestreden beslissing, te dezen de partij is die in het ongelijk wordt gesteld. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 26 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op elf mei tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques kamervoorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-40.133-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.639 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.124 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div