id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.647 Rolnummer: A. 242420/VII-42582 Zaak: Arrest 266647 - Milieuvergunningen - 12/05/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-05-19 Raadplegingen: 31 - laatst gezien 2026-06-18 11:28 Fiche Arrest nr 266.647 van 12 mei 2026 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging Verwerping Inwilliging tussenkomst bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.647 no lien 289273 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 266.647 van 12 mei 2026 in de zaak A. 242.420/VII-42.582 In zake :
- W.V.
- A.V. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Johan Verstraeten kantoor houdend te 3000 Leuven Fonteinstraat 1A/501 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD VAN VLAAMS-BRABANT Tussenkomende partij : de NV ETABLISSEMENTS MALICE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Nicolas Houssiau kantoor houdend te 1180 Brussel Vossendreef 6, bus 3 bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Philippe Vande Casteele kantoor houdend te 2900 Schoten Klamperdreef 7 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 11 juli 2024, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de deputatie van de provincieraad van Vlaams- Brabant van 2 mei 2024, houdende het verlenen van een milieuvergunning aan de nv Etablissements Malice voor het uitbaten van een aannemingsbedrijf gelegen aan de Gerselarendries 52 te Grimbergen. VII-42.582-1/21 II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Met een verzoekschrift van 23 september 2024 heeft de nv Etablissements Malice gevraagd om in het geding te mogen tussenkomen. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft op 28 mei 2025 een verslag opgesteld. De tussenkomende partij en de verwerende partij hebben een verzoek tot voorzetting van het geding en laatste memorie ingediend en de tussenkomende partij heeft daarbij tevens subsidiair een verzoek tot handhaving van de gevolgen ingediend. De verzoekende partijen hebben een laatste memorie ingediend. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een geschreven advies opgesteld over het verzoek tot handhaving van de gevolgen. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 5 februari
- Staatsraad Frédéric Vanneste heeft verslag uitgebracht. Advocaat Sara Van Genechten, die loco advocaat Johan Verstraeten verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Philippe Vande Casteele, die tevens loco advocaat Nicolas Houssiau verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. VII-42.582-2/21 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna: RvS-wet). III. Feiten 3.
- Het vernietigingsberoep is gericht tegen een beslissing die werd genomen in heroverweging, nadat twee eerder verleende vergunningen werden vernietigd door de Raad van State met arrest nr. 244.789 van 13 juni 2019 en arrest nr. 258.288 van 21 december
- 3.
- In arrest nr. 258.288 van 21 december 2023 worden de feiten als volgt weergegeven: “3.
- Op 10 september 2014 dient de tussenkomende partij bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Grimbergen een milieuvergunningsaanvraag in voor het exploiteren van een inrichting aan de Gerselarendries 52 te Grimbergen, omvattende: - de opslag en sortering van 800 m³ steenpuin, 800 m³ betonpuin en 990 m³ uitgegraven grond; - de opslag en sortering van 90 ton niet gevaarlijke afvalstoffen; - de opslag en mechanische behandeling van 990 m³ uitgegraven grond; - garages, parkeerplaatsen en herstellingswerkplaatsen voor maximaal 5 motorvoertuigen; - een inrichting voor het fysisch behandelen van gassen, met een totale drijfkracht van 12 kW; - een opslagplaats voor samengeperste, vloeibaar gemaakte of in oplossing gehouden gassen van 800 liter; - de opslag van 2.900 liter stookolie in een bovengrondse opslagtank; - een brandstofverdeelinstallatie voor motorvoertuigen met 1 verdeelslang; - een inrichting voor het mechanisch behandelen van metalen en vervaardigen van voorwerpen uit metaal met een drijfkracht van 30,6 kW. 3.
- De geplande inrichting is volgens het geldende gewestplan Halle- Vilvoorde-Asse gelegen in industriegebied. Overeenkomstig het bijzonder plan van aanleg (hierna: BPA) ‘Verbrande Brug’ is het betrokken perceel bestemd voor ‘wonen en werken’. De verzoekende partijen zijn eigenaars en bewoners van een woning gelegen aan de Gerselarendries […] te Grimbergen. Hun perceel grenst aan het perceel waarop de milieuvergunningsaanvraag betrekking heeft. 3.
- Bij besluit van 8 december 2014 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Grimbergen de gevraagde milieuvergunning gedeeltelijk voor een termijn van 1 jaar op proef. Een aantal aangevraagde indelingsrubrieken wordt ambtshalve gewijzigd. Tegelijk worden aan de vergunning een reeks bijzondere voorwaarden verbonden. VII-42.582-3/21 3.
- Tegen deze beslissing stellen de verzoekende partijen bij de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant beroep in. 3.
- Met een besluit van 30 april 2015 beslist de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant om het beroep slechts gedeeltelijk in te willigen, en de verleende vergunning op proef voor één jaar te bevestigen. 3.
- Op 12 november 2015 beslist de deputatie om de vergunning op proef met één jaar te verlengen. 3.
- Vervolgens verleent de deputatie van de provincieraad van Vlaams- Brabant op 24 november 2016 de gevraagde milieuvergunning voor een termijn van 20 jaar met ingang vanaf de proefvergunning van 8 december
- 3.
- Bij arrest nr. 244.789 van 13 juni 2019 vernietigt de Raad van State voormelde vergunningsbeslissing op grond van de volgende motieven: ‘[…] Artikel 21, § 2, 2°, van Vlarem I bepaalt dat de adviezen van het departement Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed, het college van burgemeester en schepenen, de gemeentelijke of provinciale stedenbouwkundige ambtenaar, onder meer ‘een gemotiveerde beoordeling van de verenigbaarheid van de inrichting waarvoor een vergunning wordt gevraagd met de omgeving en de goede plaatselijke ruimtelijke ordening’ moet bevatten. Luidens artikel 25, 2°, van Vlarem I dient ook het advies van de Provinciale Milieuvergunningscommissie (hierna: PMVC) een dergelijke beoordeling te bevatten. Deze bepalingen vereisen een afdoende stedenbouwkundige toetsing van de milieuvergunningsaanvraag die moet worden onderscheiden van de beoordeling van de vergunningsaanvraag uit milieuhygiënisch oogpunt. Motieven in een vergunningsbeslissing die betrekking hebben op de milieuhygiënische aanvaardbaarheid van de inrichting, tonen niet zonder meer aan dat de inrichting ook uit stedenbouwkundig oogpunt verenigbaar is met de stedenbouwkundige bestemmingsvoorschriften, en met de omgeving en de goede plaatselijke ruimtelijke ordening. De beslissing over de milieuvergunningsaanvraag dient in een eigen redengeving aan te geven waarom zulks het geval is. Overeenkomstig de vereisten van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet moet de gegeven motivering afdoende zijn. Het afdoende karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. […] Uit de formele motieven zoals weergegeven sub 3.7 blijkt dat de bestreden beslissing er zich, wat betreft de overeenstemming met de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan en van het BPA, toe beperkt deze voorschriften te beschrijven, zonder een beoordeling te maken. De bestreden beslissing bevat niet de minste aanwijzing van de motieven die de verwerende partij ertoe gebracht hebben de inrichting als verenigbaar met de bestemmingsvoorschriften te beschouwen. De loutere verwijzing naar een stedenbouwkundige vergunning ‘voor het verbouwen van een bestaande opslagplaats, uitbreiding vooraan kantoren met 2 appartementen, uitbreiding achteraan opslagplaats met laadkades met toegangshelling’ kan -daargelaten de vraag of deze stedenbouwkundige vergunning betrekking heeft op de exploitatie van de inrichting als dusdanig- dit gebrek niet goedmaken, ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.647 VII-42.582-4/21 evenmin als de overweging dat de industriële bestemming van het terrein als gevolg daarvan sinds 2010 dus ‘gekend’ is. Naast voornoemde overwegingen wordt in de bestreden beslissing alsdan een omschrijving wordt gegeven van de activiteiten van de inrichting, van de vaststellingen gedaan door de afdeling Milieuvergunningen op 12 september 2016 en van de verschillende controles uitgevoerd door de toezichthouder van de afdeling Milieu-inspectie, alsook wordt verwezen naar het plaatsbezoek van de cel leefmilieu van de gemeente waaruit blijkt dat aan alle opgelegde bijzondere voorwaarden van de vergunning op proef wordt voldaan. Geconcludeerd wordt dat de risico’s voor hinder bij naleving van de opgelegde exploitatievoorwaarden tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt. Deze overwegingen betreffen de milieuhygiënische aanvaardbaarheid van de inrichting, terwijl de bestreden beslissing daarentegen de vraag naar de verenigbaarheid van de milieuvergunningsaanvraag met de gewestplanbestemming en het BPA gewoon open heeft gelaten. Waar de verwerende partij in haar memorie van antwoord verwijst naar de ‘bespreking van de bezwaren in de beslissing van het CBS’ en bevestigt dat de inrichting volgens het gewestplan gelegen is in industriegebied, met verwijzing naar de motivering dienaangaande in ‘het verslag van de LNE […]’ (d.i. van 23 februari 2015), blijkt dat deze motiveringen niet zijn opgenomen in de bestreden beslissing, en bijgevolg niet dienstig zijn. Waar de tussenkomende partij argumenteert dat het BPA ‘Verbrande Brug’ buiten toepassing moet worden gelaten -terwijl de bestreden beslissing er uitdrukkelijk naar verwijst- verstrekt zij eveneens een a posteriori- motivering, dat het motiveringsgebrek niet vermag goed te maken. Het gebrek aan motivering wat de stedenbouwkundige verenigbaarheid betreft, klemt te dezen des te meer nu de verzoekende partijen in de voorafgaande procedures, in het bijzonder in hun verweernota van 26 oktober 2016 voorafgaand aan de zitting van de PMVC op dezelfde dag, uitdrukkelijk op deze stedenbouwkundige toets en de onverenigbaarheid van de aangevraagde vergunning met de bestemming van het BPA hebben gewezen.’ 3.
- Vervolgens wordt de beroepsprocedure hernomen en in dit kader worden opnieuw een aantal adviezen ingewonnen. 3.
- Met het thans bestreden besluit van 17 oktober 2019 willigt de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant de beroepen gedeeltelijk in en verleent zij een vergunning voor de exploitatie van: - een tussentijdse opslagplaats voor uitgegraven bodem met een capaciteit van maximaal 990 m³; - een opslag- en sorteerplaats voor niet gevaarlijke afvalstoffen bestaande uit papier en karton, hout, textiel, kunststoffen, metaal, glas, rubber, bouw- en sloopafval, met een opslagcapaciteit van maximaal 45 ton; - een opslag- en sorteerplaats voor inerte afvalstoffen met een opslagcapaciteit van maximaal 1.000 m³; - een stalplaats voor 5 bedrijfsvoertuigen; - lastoestellen met een totaal vermogen van 12 kW; - een opslagplaats voor gassen in verplaatsbare recipiënten met een gezamenlijk inhoudsvermogen van 800 liter; VII-42.582-5/21 - een opslagplaats voor 2.900 liter mazout in een bovengrondse dubbelwandige tank; - een brandstofverdeelinstallatie met 1 slang voor diesel voor de bevoorrading van bedrijfseigen voertuigen; - inrichtingen voor het mechanisch behandelen van metalen met een geïnstalleerde totale drijfkracht van 30,6 kW.” Bij datzelfde arrest van 21 december 2023 vernietigt de Raad van State de vergunningsbeslissing van 17 oktober 2019 op grond van de volgende motieven: “
- Uit de motivering van de bestreden beslissing blijkt in essentie dat het voorwerp van de vergunningsaanvraag door de verwerende partij wordt aangemerkt als een ‘kleinschalige containerdienst’. Uit de ‘aard en omvang’ van de beoogde activiteiten leidt zij af dat het gaat om een ambachtelijk bedrijf in de zin van het toepasselijke BPA. Meer in het bijzonder meent de verwerende partij dat door het ‘manueel of hoogstens met lichte gereedschappen uitsorteren van niet gevaarlijk afval, inert afval en het sporadisch zeven van partijen grond’ waarbij steen- of betonpuin op de inrichting niet wordt ‘gebroken of gezeefd’, de vergelijking met ‘industriële afvalverwerkers’ die veel grotere hoeveelheden afvalstoffen verwerken met behulp van een mobiele breker en een zeefinstallatie, niet opgaat. Die vergelijking brengt de verwerende partij tot het besluit dat de inrichting principieel verenigbaar is met de door het BPA vastgestelde bestemmingsvoorschriften.
- De aangehaalde motieven van de bestreden beslissing laten niet toe als evident of gemakshalve aan te nemen dat de vergunde activiteiten, die onder meer bestaan uit de (tussentijdse) opslag van maximaal 990 m3 uitgegraven bodem die niet voldoet aan een toepassing volgens het besluit van de Vlaamse regering van 14 december 2007 ‘houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering en de bodembescherming’ (Vlarebo), de opslag van maximaal 45 ton niet gevaarlijke afvalstoffen (papier, karton, hout, textiel, kunststoffen, metaal, glas, rubber en bouw- en sloopafval) en de opslag en het sorteren van inerte afvalstoffen met een maximale opslagcapaciteit van 1.000 m3, behoren tot een ambachtelijk bedrijf zoals bedoeld door het BPA ‘Verbrande Brug’.
- Het eerste onderdeel van het eerste middel is gegrond.” 3.
- Op 2 mei 2024 neemt de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant een nieuwe beslissing omtrent de aangevraagde vergunning. Ze verleent een vergunning voor een exploitatie van: - een tussentijdse opslagplaats voor uitgegraven bodem die niet voldoet aan het Vlarebo, met een capaciteit van maximaal 990 m3 (rubriek 2.1.3.1 - klasse 2); VII-42.582-6/21 - de opslag en het sorteren van niet gevaarlijke afvalstoffen bestaande uit papier en karton, hout, textiel, kunststoffen, metaal, glas, rubber, bouw- en sloopafval, met een opslagcapaciteit van maximaal 45 ton (rubriek 2.2.1.c.1 - klasse 2); - de opslag en het sorteren van inerte afvalstoffen met een opslagcapaciteit van maximaal 1.000 m3 (rubriek 2.2.1.a - klasse 2); - een stalplaats voor 5 bedrijfsvoertuigen (rubriek 15.1.1 - klasse 3); - lastoestellen met een totaal vermogen van 12 kW (rubriek 16.3.2.1.a - klasse 3); - de opslag van gassen in verplaatsbare recipiënten met een gezamenlijk inhoudsvermogen van 800 liter (rubriek 16.7.1 - klasse 3); - de opslag van 2.900 liter mazout in een bovengrondse dubbelwandige tank (rubriek 17.3.6.1.b - klasse 3); - een brandstofverdeelinstallatie met 1 slang voor diesel voor bevoorrading van bedrijfseigen voertuigen (rubriek 17.3.9.1 - klasse 3); - inrichtingen voor het mechanisch behandelen van metalen met een geïnstalleerde totale drijfkracht van 30,6 kW (rubriek 29.5.2.1 - klasse 3). Dit is het bestreden besluit. IV. Tussenkomst
- De nv Etablissements Malice is de begunstigde van de milieuvergunning. Zij heeft bijgevolg belang bij de uitkomst van de procedure. Het verzoek tot tussenkomst wordt ingewilligd. V. Onderzoek van het eerste onderdeel van het eerste middel Standpunt van de partijen
- In een eerste middel, verdeeld in twee onderdelen, voeren de verzoekende partijen de schending aan van de artikelen 17, eerste lid, en 18 van het decreet van 28 juni 1985 ‘betreffende de milieuvergunning’ (hierna: milieuvergunningsdecreet), van de artikelen 21, § 2, 1°, - 2° en 25, 2°, van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 ‘houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning’ (hierna: Vlarem I), van de ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.647 VII-42.582-7/21 artikelen 4.3.1, §§ 1 en 2, en 4.4.9/1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO), juncto het bijzonder plan van aanleg nr. 36 ‘Verbrande Brug’ (hierna: BPA), juncto de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, juncto artikel 5.3.1 van het decreet van 5 april 1995 ‘houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid’ (hierna: DABM) en juncto de beginselen van behoorlijk bestuur, met name het ‘motiveringsbeginsel’, het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel. In het eerste middelonderdeel stellen de verzoekende partijen dat de inrichting gelegen is in zone D3 van het BPA Verbrande Brug, waarin de ruimtelijke bestemming van het gebied uitdrukkelijk wordt vastgelegd. Zone D betreft een ‘gemengde zone wonen en werken’, waarover in het BPA het volgende wordt bepaald: “Volgende bestemmingen of een combinatie van deze bestemmingen zijn toegelaten: Wonen, handel, horeca, kantoren, openbaar nut, diensten en ambachtelijke bedrijven. Bedrijven ingedeeld in klasse I volgens bijlage I van Vlarem I en inrichtingen die abnormaal hoge rook-, reuk-, lawaai-, verkeers- of andere hinder teweegbrengen, zijn echter niet toegelaten.” Hieruit dient te worden afgeleid dat men kan exploiteren indien aan beide voorwaarden cumulatief wordt voldaan. De bestreden beslissing acht de vergunningsaanvraag verenigbaar met het BPA. Specifiek zou het aangevraagde mogelijk zijn conform het BPA als “ambachtelijk bedrijf” en als bedrijf dat geen ‘abnormale’ hinder met zich meebrengen. De verzoekende partijen delen deze visie niet, waarbij zij onder meer wijzen op het vernietigingsarrest van 21 december
- In eerste instantie laten zij gelden dat het vergunde project niet beantwoordt aan de in het BPA toegelaten bestemming. In de bestreden beslissing wordt ten onrechte van het ambachtelijke karakter van de onderneming uitgegaan. De aangevraagde en vergunde activiteiten kunnen niet als een ambachtelijke onderneming worden omschreven. Desalniettemin oordeelt de bestreden beslissing dat het begrip breed moet worden geïnterpreteerd. De bestreden beslissing negeert de vaststaande rechtspraak dat er naar aanleiding van de “aard en de omvang” van een exploitatie in concreto geoordeeld moet worden of er wel sprake is van een ambachtelijk karakter, en spreekt over de “grootte-orde” van het bedrijf. Gelet op de rechtspraak kan niet om het even welk gebruik van machines geacht worden in overeenstemming te zijn met bedoeld ambachtelijk karakter maar enkel en alleen ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.647 VII-42.582-8/21 dat gebruik van machines waarbij nog steeds handwerk primeert. De bestreden beslissing suggereert volgens de verzoekende partijen “ongenuanceerd en ten onrechte dat ‘ambachtelijk’ karakter ofwel louter en alleen handwerk zou bedoelen en al decennialang niet meer wordt gelezen als ‘handwerk’, ofwel eerder verwijst naar de grootte-orde van een bedrijf”. Daarnaast strookt de omvang van het bedrijf evenmin met het ambachtelijke karakter. Niet alleen betreft het een mechanische verzameling en behandeling van afval die aldus op geen enkele wijze verband houdt met handwerk maar bovendien is de omvang van de verwerking van afval, alsmede het karakter van de onderneming niet verenigbaar met het ambachtelijk karakter. Het uitbaten van een aannemersbedrijf gaat immers gepaard met een enorme opslag en sorteeractiviteiten, en de activiteiten hebben te dezen een duidelijk industrieel karakter. Uit de rechtspraak kan worden afgeleid dat een afvalverwerkingsbedrijf waarbij meer dan 1.000 m³ afval mechanisch wordt behandeld, bezwaarlijk kan vallen onder de definitie van een ambachtelijke onderneming. Het is alleszins niet evident een dergelijke exploitatie als ‘ambachtelijk’ te kwalificeren. Daarenboven dient te worden gewezen op de grootte van de onderneming en de tewerkstelling. Het betreft een opslagplaats voor een grote onderneming van aannemingswerken waarbij verschillende personen worden tewerkgesteld. Het betreft hier in geen geval een opslagplaats van een kleine zelfstandige aannemer. De aannemingswerken van de onderneming vinden plaats op verschillende niet-lokale werven en genereren zeer grote hoeveelheden afval, dewelke vanuit de verschillende werven met grote vrachtwagens in de zone voor wonen en werken worden geïmporteerd. Dit alles kan niet als ambachtelijk worden beschouwd. Dit wordt tevens bevestigd door het grote aantal vervoersbewegingen met vrachtwagens, dit in tegenstelling tot de andere gevestigde ondernemingen die hoofdzakelijk met bestelwagens rijden. Een belangrijke bron van hinder komt voort uit geluidshinder, met name afkomstig van het verplaatsen van de grote hoeveelheden grond, steenpuin en betonpuin buiten het gebouw. Daarnaast is er ook een enorme geluidshinder van het sorteren van de 45 ton hout, pvc, gyproc, glas, papier en karton, die in verschillende containers worden gegooid. De sortering gebeurt achteraan het terrein, zowel buiten als binnen de loods. Ook de metaalbewerking vooraan in het gebouw zorgt voor geluidsoverlast op het perceel van de verzoekende partijen, nu het bedrijfsgebouw een niet geïsoleerde loods betreft. Ook het aan- en afrijden van grote vrachtwagens ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.647 VII-42.582-9/21 met containers zorgt voor de nodige geluidsoverlast. Samenvattend komt dit neer op de geluidsoverlast van een permanente en continue actieve werf. Dit terwijl voor de bestemming van het gebied “wonen” als een belangrijke functie is aangeduid. Voorts wijzen de verzoekende partijen op de stof- en puinhinder die zij ondergaan doordat de wind stof opwaait van grond, steenpuin of betonpuin. Daarenboven ontstaan er grote stofwolken wanneer het betonpuin, het steenpuin of de grond wordt op- en afgeladen of wordt verplaatst. Deze hinder beperkt zich niet tot de droge periodes van het jaar. Daarnaast stelt de bestreden beslissing de abnormale hinder enerzijds wel vast (gelet op het opleggen van een voorwaarde), doch tegelijkertijd oordeelt zij dat er geen noemenswaardige hinder zou ontstaan. De bestreden beslissing is dan ook intern tegenstrijdig. De onderneming zorgt ook voor een verkeersonveilige situatie nu de wegeninfrastructuur niet geschikt is voor de activiteiten van de betrokken onderneming. Het vrachtverkeer van de betrokken inrichting betreft zwaar vrachtverkeer waarbij de materialen in grote containers worden af- en aangevoerd via smalle wegen, die hoegenaamd niet zijn aangepast aan dergelijk verkeer. De breedte van de zachte, onverharde weg laat immers niet eens toe dat twee personenwagens elkaar kruisen zonder uit te wijken in de zachte, onverharde berm. Het verkeer van vrachtwagens brengt de verkeersveiligheid dan ook in het gedrang en zorgt voor ernstige beschadigingen van het wegdek. De verzoekende partijen hebben eveneens hinder van de overbelasting van het terrein waarop de inrichting is gelegen. Daarenboven dient te worden opgemerkt dat de activiteiten vergund door de bestreden beslissing zelfs veel verder gaan dan de omschrijving van ‘ambachtelijke onderneming in industriegebied’. Het betreft immers niet alleen opslag van goederen en van schroot, er worden tevens meerdere tonnen puin verwerkt. De motivering die in de bestreden beslissing wordt aangeboden om te besluiten dat de inrichting een “ambachtelijke onderneming” betreft in het kader van het BPA is niet afdoende, en vormt niet het resultaat van een zorgvuldig onderzoek naar de pertinente elementen uit het aanvraagdossier. De bestreden beslissing negeert dat de exploitant voor de afvalverwerking geenszins louter manueel en met lichte gereedschappen tewerk gaat maar ook gebruik maakt van zware machines, zijnde een grote graafmachine en een wiellader. Dergelijke machines zijn geen “licht gereedschap”. In het voorafgaand vernietigingsarrest werd bovendien overwogen dat de verwijzing naar “industriële afvalverwerkers” niet kon volstaan om te voldoen aan de motiveringsplicht. De omvang van de ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.647 VII-42.582-10/21 afvalstromen wordt bovendien niet betrokken bij de beoordeling, ondanks de verstrengde motiveringsplicht die het gevolg is van het ongunstig advies dat door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Grimbergen werd gegeven. De bestreden beslissing werd aldus ten onrechte en op onzorgvuldige wijze genomen. Er wordt geen onderzoek uitgevoerd en geen beoordeling opgenomen omtrent het feit of de betrokken onderneming een ambachtelijke onderneming betreft. Evenmin wordt een onderzoek gevoerd naar de diverse vormen van hinder, die door de verzoekende partijen worden aangevoerd in hun bezwaarschrift. Bij gebrek aan recente controles herneemt de bestreden beslissing gewoon de vernietigde beslissing van
- De bestreden beslissing stelt dat het vernietigingsarrest van 21 december 2023 de nadruk legt op de abnormale hinder. Dergelijke lezing blijkt echter niet uit het arrest. Uit het arrest dient te worden afgeleid dat de beoordeling van het bedrijf als “ambachtelijk” geenszins evident was gelet op de grote hoeveelheden van afvalverwerking. Het redelijkheidsbeginsel werd geschonden nu de inhoud van wat wordt vergund manifest de grenzen van wat door het BPA als een toelaatbare onderneming wordt bepaald, overschrijdt. Tevens werd de formele- en materiëlemotiveringsplicht geschonden nu de bestreden beslissing niet, laat staan afdoende en draagkrachtig, motiveert waarom een dermate hinderlijke inrichting in overeenstemming is met het BPA dat dergelijke hinderlijke inrichtingen expliciet verbiedt in de betrokken zone voor wonen en werken. Ook het zorgvuldigheidsbeginsel werd geschonden nu de beoordeling over de hinderlijkheid van de betrokken onderneming niet op een zorgvuldige wijze werd gewaardeerd. Het karakter van de hinder diende immers te worden beoordeeld in het licht van de functie van het gebied ‘wonen en werken’ met een bescherming voor de woonfunctie.
- De verwerende partij antwoordt dat in de bestreden beslissing uitvoerig wordt uiteengezet waarom de inrichting ingepast kan worden in de bestemmingsvoorschriften van het toepasselijke BPA. Daarop citeert ze de bestreden beslissing.
- De tussenkomende partij werpt op dat uit de motivering van de bestreden beslissing blijkt dat rekening is gehouden met de geldende stedenbouwkundige voorschriften. Zowel uit de bestemming die is vastgesteld in ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.647 VII-42.582-11/21 het gewestplan als in het BPA blijkt dat de woning van de verzoekende partijen niet is gelegen in een woongebied in de enge betekenis van het woord. Uit de bepalingen van het BPA blijkt uitdrukkelijk dat bedrijven niet zijn uitgesloten, mits zij aan bepaalde voorwaarden voldoen. De bestreden beslissing bespreekt ook terdege de andere aspecten zoals hinder, mobiliteit. Het gegeven dat de verzoekende partijen dit anders zien, is nog geen reden om te besluiten tot de onwettigheid.
- In de memorie van wederantwoord merken de verzoekende partijen op dat de verwerende partij niet de bestreden beslissing citeert, doch wel de door de Raad van State vernietigde beslissing van 17 oktober
- Dit onderstreept volgens de verzoekende partijen de onzorgvuldigheid waarmee de verwerende partij te werk is gegaan. Bovendien geeft de verwerende partij geen enkele toelichting bij haar citaat. De verzoekende partijen benadrukken dat het BPA een dubbele voorwaarde bevat: de bestemming dient te vallen onder één van de toegelaten bestemmingen én daarnaast mag er geen abnormale hoge hinder door het bedrijf in kwestie worden veroorzaakt. De verzoekende partijen stellen ook dat het irrelevant is dat het niet om woongebied zou gaan. Uit het BPA blijkt dat het de bedoeling was om bedrijven uit te sluiten die abnormale hinder veroorzaken.
- In de laatste memorie herhaalt de tussenkomende partij haar standpunt en benadrukt ze dat de bestreden beslissing is genomen met eensluidend advies van de Provinciale Omgevingsvergunningscommissie (hierna: POVC).
- De verwerende partij bevestigt haar verweer in de laatste memorie.
- In de laatste memorie wijzen de verzoekende partijen erop dat het gunstig advies van de POVC slechts kan volgen na een toetsing aan de bestemmingsvoorschriften. Er werd in de bestreden beslissing niet onderbouwd waarom de inrichting als een ambachtelijke activiteit beschouwd zou kunnen worden. VII-42.582-12/21 Beoordeling
- Het wordt niet betwist dat de vergunde inrichting gelegen is op een perceel dat overeenkomstig het BPA nr. 36 ‘Verbrande Brug’ behoort tot een gemengde zone die bestemd is voor wonen en werken. Evenmin wordt betwist dat: (a) in die zone de bestemmingen wonen, handel, horeca, kantoren, openbaar nut, diensten en ambachtelijke bedrijven of een combinatie van die bestemmingen zijn toegelaten, en (b) inrichtingen die volgens de indelingslijst bij Vlarem I behoren tot de eerste klasse en inrichtingen die abnormaal hoge rook-, reuk-, lawaai-, verkeers-, of andere hinder teweegbrengen volgens het BPA niet toegelaten zijn.
- Het komt aan de verwerende partij als vergunningverlenende overheid toe om op grond van in rechte en in feite aanvaardbare motieven, die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld, aan te tonen dat de aangevraagde inrichting verenigbaar is met de geldende bestemmingsvoorschriften. Ter zake vermeldt de bestreden beslissing de volgende motieven: “Etablissement Malice nv is een aannemersbedrijf dat renovatiewerken uitvoert. Op de locatie in Grimbergen wordt een afdeling metaalconstructie aangevraagd voor het samenstellen van kleinere metalen elementen zoals trappen, leuningen, kaders en afsluitingen. De behandeling van de metalen is enkel fysisch. Er wordt niet ontkleurd of ontvet. Op de site wordt ook een kleinschalige containerdienst aangevraagd en de opslag en sortering van werfeigen afvalstoffen (inerte afvalstoffen, papier en karton, pvc, gyproc en glas). De afvalstoffen zijn enkel van eigen werven afkomstig, dit door gebrek aan opslagruimte voor containers bij werven in de binnenstad van Brussel. Op de site in Grimbergen worden de afvalstoffen indien nodig verder gesorteerd en tijdelijk opgeslagen in functie van ophaling en afvoer naar vergunde verwerkers. In de voorliggende aanvraag zijn enkel de activiteiten inzake afvalverwerking vergunningsplichtig. Deze vergunningsplichtige activiteiten zijn beperkt tot klasse 2 volgens de van toepassing zijnde indelingslijst. De overige ingedeelde inrichtingen zijn slechts meldingsplichtig. Zoals uit de verdere bespreking blijkt, kan eventuele hinder door het gedeeltelijk vergunnen van het voorwerp van de aanvraag en bij het naleven van algemene, sectorale en opgelegde bijzondere milieuvergunningsvoorwaarden, beperkt worden tot een aanvaardbaar niveau. Dit wordt ondersteund door verschillende controles ter plaatse door de afdeling GOP-milieu en de lokale politie (onaangekondigd of na klachten) waarbij geen hinder of zelfs geen activiteiten werden vastgesteld. De afdeling Handhaving voerde sinds december 2015 zes controles uit, waarvan de meest ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.647 VII-42.582-13/21 recente in augustus
- Ook bij deze controles werd geen noemenswaardige hinder vastgesteld. In het advies van de gewestelijke omgevingsinspectie van de afdeling Handhaving van 29 augustus 2019 wordt gesteld dat de exploitant duidelijk inspanning levert om te voldoen aan de voorschriften. Aan opgemerkte verbeterpunten werd door de exploitant op eenvoudig verzoek voldaan. Met het BPA ‘Verbrande Brug’ werd de onderliggende gewestplanbestemming ‘industriegebied’ verder verfijnd. Bedrijven ingedeeld in klasse I volgens bijlage I van Vlarem I en inrichtingen die abnormaal hoge rook-, reuk-, lawaai-, verkeers-, of ander hinder teweegbrengen, zijn de uitsluitingsvoorwaarden. De zone D3 betreft een gemengde zone voor wonen en werken waarbij ambachtelijke bedrijven uitdrukkelijk worden toegelaten. In de omzendbrief van 8 juli 1997 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen (en wijzigingen) wordt vermeld dat de wetgeving op de ruimtelijke ordening en de stedenbouw geen nauwkeurige omschrijving inhoudt van de begrippen ‘ambacht’ en ‘kleinbedrijf’ en dat er dan ook uitgegaan dient te worden van de gebruikelijke betekenis van de woorden. Ambachtelijke bedrijven zijn deze bedrijven waar handwerk primeert, wat het gebruik van machines evenwel niet uitsluit. In het aanvraagdossier wordt zowel een metaalwerkplaats als kleinschalige opslag en sorteren van afvalstoffen aangevraagd. Wat de metaalwerkplaats betreft, wordt in het advies van de afdeling Handhaving (omgevingsinspectie) van 29 augustus 2019 vermeld dat in het voorste gedeelte van de bedrijfshal een extern bedrijf is gevestigd en dat de voorheen vergunde metaalbewerkingsafdeling niet meer in gebruik is. In het advies van het college van burgemeester en schepenen van 16 september 2019 wordt aangegeven dat het bedrijf Unic Concept nv de metaalbewerkingsactiviteiten volledig heeft overgenomen van Ets. Malice. Hierbij dient opgemerkt dat het college van burgemeester en schepenen van 5 februari 2018 enerzijds wel de melding voor een nieuwe inrichting voor hout- en metaalbewerking op naam van Unic Concept heeft geakteerd en vermeldt dat Unic Concept het atelier en de burelen huurt van Ets. Malice. Anderzijds gebeurde er geen officiële melding van overname van de activiteiten door Ets. Malice door Unic Concept. Bovendien bevestigt de raadsman van de exploitant dat de activiteiten waarvoor vergunning gewenst is dezelfde zijn gebleven als in de te beoordelen aanvraag. Het samenstellen van kleinere metalen elementen zoals trappen, leuningen, kaders en afsluitingen met gebruik van de in de aanvraag beschreven machines kan als zuiver ambachtelijk beschouwd worden en dus in overeenstemming met de bestemmingsvoorschriften van het BPA. Zelfs al mochten de metaalbewerkingsactiviteiten door Etablissement Malice worden afgestoten, dan nog kunnen resterende activiteiten (de kleinschalige opslag en sortering van afvalstoffen) op basis van aard en omvang als ambachtelijk beschouwd worden. Door het manueel of hoogstens met lichte gereedschappen uitsorteren van niet gevaarlijk afval, inert afval en het sporadisch zeven van partijen grond, worden materialen klaargemaakt voor hergebruik of verdere verwerking. Steen- en betonpuin worden op de inrichting niet gebroken of gezeefd. De hoeveelheden afvalstoffen die bij Ets. VII-42.582-14/21 Malice kunnen en zullen worden opgeslagen, zijn niet te vergelijken met deze bij industriële afvalverwerkers waarbij een veelvoud van afvalstoffen wordt opgeslagen en verwerkt, veelal met behulp van een mobiele breker en door het frequent zeven. In haar ongunstig advies wordt door het college van burgemeester en schepenen als element van belang voor beoordeling van het dossier het overaanbod van afvalverwerkers in de Grimbergse kanaalzone benadrukt. Niettegenstaande de aard en omvang van de aangevraagde activiteiten niet vergelijkbaar zijn met de door het college aangehaalde afvalverwerkers in de kanaalzone, behoort de opportuniteit van de aanvraag niet tot het beoordelingskader van de vergunningsaanvraag. Naast het gegeven dat ‘ambachtelijk’ karakter al decennia lang niet meer wordt gelezen als ‘handwerk’, maar eerder verwijst naar de grootte-orde van een bedrijf, waarbij het werken met machines al lang in alle rechtspraak als vanzelfsprekend wordt erkend, legt de Raad van State de nadruk op het tweede lid van het bestemmingsvoorschrift, met name op het uitsluiten van die bedrijven die een ‘abnormale’ hoge hinder met zich meebrengen. Dit valt te kaderen in het feit dat het een gemengde zone met ook een woonbestemming betreft. Door deze toevoeging aan het voorschrift kunnen ook klasse II bedrijven getroffen worden als veroorzaker van ‘abnormale’ hinder, waar deze in principe niet uitgesloten zijn van vergunning. Als abnormaal kan alles gezien worden dat buiten de normaalcurve van de hinder valt die eigen is aan bedrijven binnen dezelfde klasse. Principieel omvat de indeling in milieu-klasses een zekere scheiding in potentiële ernst van de hinderlijkheid, maar ook bv. veiligheidsaspecten spelen hierin een rol, zodat louter de hinder niet steeds correct een afspiegeling hierbinnen krijgt en potentieel een klasse II-inrichting een grotere subjectieve hinder voor de mens met zich meebrengt dan een klasse I-inrichting die eerder een risico voor de externe veiligheid inhoudt maar verder weinig direct waarneembare hinder met zich meebrengt. Het BPA-voorschrift betracht hieraan te verhelpen. Meer specifiek worden niet limitatief rook-, reuk-, lawaai-, verkeers-, of andere hinder vernoemd als potentieel buitensporig (‘abnormaal’). Op de site vindt geen verbranding plaats, dus is er geen rookhinder. Er worden geen organische materialen gestockeerd of verwerkt, evenmin zijn er chemische producten betrokken bij de activiteiten ter plaatse die tot reukhinder leiden. De potentieel lawaaierige activiteiten vinden plaats binnen de werkplaats (metaalbewerking) en de manipulatie van de afvalstoffen buiten is beperkt tot sporadisch zeven, geenszins breekactiviteiten of andere geluidsintensieve activiteiten (zie verder). Aan de geluidsimpact is dus evenmin iets abnormaal of afwijkend groot qua hinder. Ook is er geen enkele grote verkeersstroom te verwachten die het gangbare van een klein bedrijf overstijgt. Geen enkele van de overige hinderaspecten (in het bijzonder stof) is danig groot of ongeremedieerd dat het als abnormaal valt te zien of buiten wat te verwachten is, vanuit de ervaring van de vergunningsverlenende overheid met bedrijven van deze beperkte schaal. Er is geen enkele aanwijzing dat de activiteit zoals deze zich op vandaag heeft ontwikkeld noopt tot een afzondering binnen een zone die meer exclusief voor bedrijvigheid is bestemd (zonder vermenging met wonen) of ook de hogere milieuklasse toelaat. Het feit dat bij aanvang het betrokken bedrijf de grens van een ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.647 VII-42.582-15/21 klasse I-bedrijf bereikte of zelfs heeft overschreden is ondertussen na jaren operationaliteit zonder enige overtreding in die richting nog relevant om de reële hinderlijkheid op zijn gewicht te schatten. De woningen die zich in hebben gepast binnen de zone betreffen veelal exploitantenwoningen en de bewoners weten van bij aanvang dat het wonen tussen bedrijven ook de acceptatie van enige bedrijvigheid met zich meebrengt. Principieel is de inrichting dus in overeenstemming met het van toepassing zijnde BPA. Dit wordt ook ondersteund door de vergunning die op 5 oktober 2015 door het college van burgemeester en schepenen van Grimbergen werd verleend voor de stedenbouwkundig vergunningsplichtige handelingen (het verharden, plaatsen van afsluitingen, bermen en groenzone en het plaatsen van een prefab muur in verplaatsbare betonblokken aan de linker achterzijde achteraan het terrein en verplaatsen van poorten, deuren en het wijzigingen van het raam aan een bestaande gebouw) aan het goed waar Ets. Malice is gevestigd. In deze vergunning voor de vestiging van het bedrijf wordt terecht gesteld dat de aanvraag in overeenstemming is met de bepalingen van het BPA nr. 36 ‘Verbrande Brug’.”
- Uit de motivering van de bestreden beslissing blijkt in essentie dat het voorwerp van de vergunningsaanvraag door de verwerende partij wordt aangemerkt als een “kleinschalige containerdienst”. Uit de “aard en omvang” van de beoogde activiteiten leidt zij af dat het gaat om een ambachtelijk bedrijf in de zin van het toepasselijke BPA. Meer in het bijzonder meent de verwerende partij dat door het “manueel of hoogstens met lichte gereedschappen uitsorteren van niet gevaarlijk afval, inert afval en het sporadisch zeven van partijen grond” waarbij steen- of betonpuin op de inrichting niet wordt “gebroken of gezeefd”, de vergelijking met “industriële afvalverwerkers” die veel grotere hoeveelheden afvalstoffen verwerken met behulp van een mobiele breker en een zeefinstallatie, niet opgaat. Daarna benadrukt de bestreden beslissing dat er geen sprake is van “abnormale hinder”. Dit brengt de verwerende partij tot het besluit dat de inrichting principieel verenigbaar is met de door het BPA vastgestelde bestemmingsvoorschriften.
- De aangehaalde motieven van de bestreden beslissing laten niet toe als evident of gemakshalve aan te nemen dat de vergunde activiteiten, die onder meer bestaan uit de (tussentijdse) opslag van maximaal 990 m3 uitgegraven bodem die niet voldoet aan een toepassing volgens het besluit van de Vlaamse regering van 14 december 2007 ‘houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering en de bodembescherming’ (Vlarebo), de opslag van ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.647 VII-42.582-16/21 maximaal 45 ton niet gevaarlijke afvalstoffen (papier, karton, hout, textiel, kunststoffen, metaal, glas, rubber en bouw- en sloopafval) en de opslag en het sorteren van inerte afvalstoffen met een maximale opslagcapaciteit van 1.000 m3, behoren tot een ambachtelijk bedrijf zoals bedoeld door het BPA ‘Verbrande Brug’. De bestreden beslissing weerlegt deze eerdere vaststelling van arrest nr. 258.288 van 21 december 2023 niet. De verwerende partij voert geen nieuwe elementen aan die overtuigen dat er sprake is van een ambachtelijk bedrijf zoals bedoeld door het BPA ‘Verbrande Brug’. Dat er gemotiveerd wordt dat er geen abnormale hinder zou zijn, doet geen afbreuk aan het voorgaande.
- Het eerste onderdeel van het eerste middel is gegrond. VI. Handhaving van de gevolgen Standpunt van de partijen
- De tussenkomende partij vraagt in haar laatste memorie met verwijzing naar artikel 14ter RvS-wet om de gevolgen te handhaven “tot de afloop van de periode van vijf maanden na de kennisgeving van het eventuele annulatie- arrest”. Zij motiveert dit als volgt: “
- De tussenkomende partij neemt in acht dat de toepasselijke wetgeving - inzonderheid artikel 24, § 1, 1ste lid van het Milieuvergunningsdecreet van 28 juni 1985 - bepaalt dat verzoekers bestuurlijk beroep geen schorsende werking (t.a.v. de gemeentelijke beslissing) heeft.
- De Deputatie heeft strengere voorwaarden opgelegd dan de Gemeente. De tussenkomende partij heeft zich geschikt naar de, door verzoekers bestreden, Deputatie-beslissing.
- Gelet op deze wetgeving en de retroacten, past het om de gevolgen van de, per hypothese vernietigde, Deputatie-beslissing te handhaven. Zonder vooruit te lopen op de nieuwe beslissing die de Deputatie zal moeten nemen binnen de termijn van vier maanden na de kennisgeving van het eventueel annulatie-arrest past het om de gevolgen van het, per hypothese vernietigde, Deputatie-besluit te handhaven tot de afloop van de periode van vijf maanden na de kennisgeving van het eventueel annulatie-arrest aan de partijen. Deze finale datum komt overeen met de finale datum van de kennisgeving van de nieuwe beslissing die de Deputatie (na het eventueel annulatie-arrest) zal nemen, zijnde precies de afloop van de periode van vijf maanden na de kennisgeving van het eventueel annulatie-arrest aan de partijen. VII-42.582-17/21 De periode tot deze finale datum stemt overeen met de periode waarin de, door verzoekers bestreden, gemeentelijke beslissing (na het eventueel annulatie-arrest) uitwerking heeft krachtens artikel 24, § 1, 1ste lid van het Milieuvergunningsdecreet. De eventuele omstandigheid van een vernietiging van de thans bestreden Deputatie-beslissing neemt met andere woorden niet weg dat
(1)verzoekers bestuurlijk beroep geen schorsende werking van de gemeentelijke beslissing heeft en dat
(2)de tussenkomende partij er zich dus op kan beroepen na de eventuele uitspraak van een annulatie-arrest. Met dien verstande dat de Deputatie strengere voorwaarden heeft opgelegd dan de Gemeente. 16. De vaststelling dat de vernietiging van de Deputatie-beslissing onaanvaardbare gevolgen zal teweegbrengen resulteert dus ook uit het gegeven dat
(1)verzoekers bestuurlijk beroep geen schorsende werking van de gemeentelijke beslissing heeft en dat
(2)de tussenkomende partij zich na de vernietiging van de thans bestreden Deputatie-beslissing krachtens artikel 24, § 1, 1ste lid van het Milieuvergunningsdecreet inderdaad kan beroepen op de gemeentelijke beslissing. De rechtszekerheid gebiedt dus de handhaving van de per hypothese vernietigde Deputatie-beslissing te bevelen, in acht genomen dat de Deputatie strengere voorwaarden heeft opgelegd dan de Gemeente en de tussenkomende partij de Deputatie-beslissing ook heeft nageleefd en naleeft. Bij gebrek aan een handhaving van de gevolgen geldt immers de gemeentelijke beslissing - vermits
(1)enerzijds de Deputatie-beslissing per hypothese is vernietigd en
(2)anderzijds in afwachting van de nieuwe Deputatie-beslissing artikel 24, § 1, 1ste lid Milieuvergunningsdecreet onverminderd geldt. De aangevraagde handhaving van de gevolgen heeft dus als gevolg dat de tussenkomende partij verder (gedurende de zonet opgegeven periode van vijf maanden) is gehouden aan het betwiste Deputatie-besluit dat per hypothese is gehandhaafd - en dat ze niet is gehouden aan de, voor haar nochtans meer voordelige, gemeentelijke beslissing (die niet is geschorst door verzoekers bestuurlijk beroep). Dit dient in voormelde bijzondere omstandigheden de rechtszekerheid en tevens verzoekers.”
- De verzoekende partijen antwoorden hierop in hun laatste memorie: “
- Tussenkomende partij meent dat de vernietiging onaangename gevolgen voor haar alsook verzoekende partijen zou teweegbrengen. Echter kan dergelijke visie niet weerhouden worden, er doen zich immers geen uitzonderlijke redenen voor. Het dossier kent een lange voorgeschiedenis waarbij het verzoekschrift in onderhavige procedure het derde verzoekschrift tot vernietiging uitmaakt dat verzoekende partijen dienden in te stellen. Dit terwijl Uw Raad in kader van de twee voorgaande verzoekschriften reeds de beslissingen vernietigde en duidelijk was over de draagwijdte van het BPA. VII-42.582-18/21
- Er kan bovendien door verzoekende partijen niet ingezien worden op welke wijze de verwerende partij alsnog een milieuvergunning zou kunnen afleveren dewelke niet het BPA ‘Verbrande Brug’ schendt. Bijgevolg is het verzoek tot handhaving van de gevolgen slechts het zoveelste uitstel. Daarbij is de hinder en overlast dewelke verzoekende partijen dienen te ondergaan verregaand, zoals uiteengezet in de feiten van het verzoekschrift.
- Dat de voorwaarden die de Deputatie daarbij oplegde verregaander zouden zijn dan de voorwaarden dewelke door het CBS van de Gemeente werden opgelegd doet daarbij niet ter zake aangezien beide beslissingen de bepalingen van het BPA ‘Verbrande Brug’ schenden. Zo is ook het Besluit van het CBS onwettig. Bovendien leiden deze zogezegd ‘verregaandere’ voorwaarden van de Deputatie er op geen enkele wijze toe dat verzoekende partij minder of geen hinder zouden ondervinden.
- Verzoekende partijen verzoeken Uw Raad dan ook om het verzoek op grond van 14ter van de Gecoordineerde wetten van de Raad van State af te wijzen en de gevolgen niet te handhaven.” Beoordeling
- Artikel 14ter RvS-wet bepaalt: “Op verzoek van een verwerende of tussenkomende partij, en als de afdeling bestuursrechtspraak het nodig oordeelt, wijst ze die gevolgen van de vernietigde individuele akten of, bij wege van algemene beschikking, die gevolgen van de vernietigde reglementen aan, die als definitief moeten worden beschouwd of voorlopig gehandhaafd worden voor de termijn die ze vaststelt. De in het eerste lid bedoelde maatregel kan enkel worden bevolen om uitzonderlijke redenen die een aantasting van het legaliteitsbeginsel rechtvaardigen, bij een met bijzondere redenen omklede beslissing en na een tegensprekelijk debat. Deze beslissing kan rekening houden met de belangen van derden.”
- De bevoegdheid om bepaalde gevolgen te handhaven kan slechts worden gehanteerd wanneer vaststaat dat de vernietiging zonder meer van de bestreden handeling zeer zware gevolgen zou hebben op het vlak van de rechtszekerheid. Ingevolge artikel 14ter RvS-wet dienen “uitzonderlijke redenen die een aantasting van het legaliteitsbeginsel rechtvaardigen” te worden aangetoond vooraleer specifieke gevolgen van een vernietigd besluit kunnen worden gehandhaafd. De verwerende of tussenkomende partij dient dan ook te bewijzen dat, specifiek vanuit het oogpunt van de rechtszekerheid, de vernietiging onaanvaardbare gevolgen zou teweegbrengen. Gelet op het uitzonderlijk karakter VII-42.582-19/21 van de handhaving van de gevolgen van een vernietigd besluit, komt het de verwerende of tussenkomende partij toe om nauwgezet de gevolgen aan te duiden die moeten worden gehandhaafd en voor welke tijd.
- De tussenkomende partij maakt nergens duidelijk, laat staan dat zij aantoont, dat een vernietiging onaanvaardbare gevolgen voor de rechtszekerheid zou meebrengen. In de mate dat zij aanvoert dat zij een milieuvergunning heeft verkregen van de verwerende partij en de voorwaarden van die vergunning heeft nageleefd (en nog steeds naleeft), wijst dit geenszins op uitzonderlijke omstandigheden die de handhaving van de gevolgen rechtvaardigen. De milieuvergunning is overigens reeds in het kader van twee voorgaande procedures vernietigd, wat erop wijst dat de vergunningssituatie van de tussenkomende partij reeds lang precair was.
- Het verzoek tot handhaving van de gevolgen wordt verworpen. BESLISSING
- Het verzoek van de nv Etablissements Malice tot tussenkomst wordt ingewilligd.
- De Raad van State vernietigt het besluit van de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 2 mei 2024, houdende het verlenen van een milieuvergunning aan de nv Etablissements Malice voor het uitbaten van een aannemingsbedrijf gelegen aan de Gerselarendries 52 te Grimbergen.
- Het verzoek tot handhaving van de gevolgen wordt verworpen.
- Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. VII-42.582-20/21
- Het Vlaamse Gewest wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partijen. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op twaalf mei tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Francis Van Nuffel, staatsraad, Frédéric Vanneste, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-42.582-21/21 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.647 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div