← België

Arrest 266660 - Monumenten en Landschappen - 12/05/2026

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.660 Rolnummer: A. 241742/X-18658 Zaak: Arrest 266660 - Monumenten en Landschappen - 12/05/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-05-19 Raadplegingen: 34 - laatst gezien 2026-06-18 11:31 Fiche Arrest nr 266.660 van 12 mei 2026 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Monumenten en Landschappen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 266.660 van 12 mei 2026 in de zaak A. 241.742/X-18.658 In zake : de STAD MECHELEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Simon Verhoeven en Koen De Metsenaere kantoor houdend te 2600 Antwerpen-Berchem Prins Boudewijnlaan 18 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Veerle Tollenaere kantoor houdend te 9000 Gent Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 22 april 2024, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Wonen en Onroerend Erfgoed (hierna: de minister) van 20 oktober 2023 houdende de verwerping van het beroep van de verzoekende partij tegen de beslissing van 10 februari 2021 van het agentschap Onroerend Erfgoed tot gedeeltelijke afkeuring van de lijst van cultuurgoederen in het beheersplan voor de Onze-Lieve-Vrouw-over-de-Dijlekerk te Mechelen. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. X-18.658-1/15 Eerste auditeur-afdelingshoofd Tom De Waele heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 30 januari
  3. Kamervoorzitter Jan Clement heeft verslag uitgebracht. Advocaat Koen De Metsenaere, die verschijnt voor de verzoekende partij, is gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Tom De Waele heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Bij koninklijk besluit van 25 maart 1938 wordt de Onze-Lieve- Vrouw-over-de-Dijlekerk te Mechelen (hierna: de kerk) beschermd als monument. 3.
  6. In oktober 2020 maakt de verzoekende partij een beheersplan voor de kerk op. Bij dit beheersplan hoort bijlage ‘8.
  7. Premiegerechtigde cultuurgoederen’, waarin onder meer de volgende vier objecten aangemerkt worden als tot de kerk behorende cultuurgoederen: het schilderij-drieluik ‘De wonderbare visvangst’ van Peter Paul Rubens, het beeld ‘Heilige Victor van X-18.658-2/15 Marseille’, het schilderij-drieluik ‘Heilige Victor van Marseille’ en het beeld ‘Heilige Anna en Maria’ (hierna: de vier kwestieuze objecten). 3.
  8. In oktober 2020 dient de verzoekende partij het beheersplan in bij het agentschap Onroerend Erfgoed (hierna: het agentschap). 3.
  9. Op 10 februari 2021 deelt het agentschap aan de verzoekende partij het volgende mee: “Uw beheersplan voor Onze-Lieve-Vrouw-over-de-Dijlekerk is goedgekeurd. […] Met de goedkeuring van het beheersplan aanvaarden wij de lijst van cultuurgoederen zoals in de bijlage bij het beheersplan is opgenomen, uitgezonderd [de vier kwestieuze objecten]. Deze vier goederen beschouwen we niet als cultuurgoed. […] Wat kunt u nog doen? […] Indien u het niet eens bent met de gedeeltelijke afkeuring van de lijst van cultuurgoederen kunt u tegen deze beslissing beroep instellen bij de minister van Onroerend Erfgoed. De te volgen procedure kunt u nalezen in artikel 8.1.10 van het Onroerenderfgoedbesluit.” 3.
  10. Op 5 maart 2021 stelt de verzoekende partij bij de minister bestuurlijk beroep in tegen de beslissing van het agentschap om de vier kwestieuze objecten uit te sluiten. 3.6.
  11. In haar beroepschrift stelt de verzoekende partij het volgende: “De stad Mechelen, hierin gesteund door de kerkfabriek Lieve- Vrouweparochie, eigenaar van de kerk, durft te stellen dat de 4 objecten in casu, wel degelijk kunnen beschouwd worden als cultuurgoed volgens de definitie uit het onroerenderfgoedbesluit van 2014: ‘roerende goederen, die omwille van hun erfgoedwaarde van algemeen belang zijn, waarvan het samen voorkomen met het gebouw een bijzondere waarde heeft en die ofwel ontworpen zijn voor of vervaardigd met het beschermd goed ofwel gerelateerd aan de functie van het beschermd goed en waarvoor de historische verbondenheid met het beschermd goed kan aangetoond worden.’ Al deze objecten hebben een waardeversterkende band met het monument en zijn historisch verbonden met de Onze-Lieve-Vrouw-over-de-Dijlekerk. Zoals uit de bijlagen blijkt, zorgen de objecten voor een onmiskenbare meerwaarde voor de Onze-Lieve-Vrouw-over-de-Dijlekerk omdat ze X-18.658-3/15 enerzijds, voor wat betreft het beeld en drieluik ‘H. Victor van Marseille’ en het schilderij ‘De Wonderbare Visvangst’ van Peter Paul Rubens, getuigen van het belang van de kerk voor gilden en ambachten en anderzijds, voor wat betreft het beeld ‘H. Anna en Maria’, wijzen op de devotie tot Onze-Lieve- Vrouw waaraan de kerk gewijd is. In de bijlagen vindt U een meer uitgebreide analyse en motivering.” 3.6.
  12. Aan het beroepschrift is een bijlage van twaalf bladzijden gehecht waarin wordt geargumenteerd dat de vier kwestieuze objecten wel degelijk tot de kerk behorende cultuurgoederen zijn en dat voor elk van deze objecten de wettelijke beschermingsgrond “onroerend door wilsbestemming” is. Zo wordt onder meer uiteengezet dat het schilderij ‘De Wonderbare Visvangst’ in opdracht van de gilde van de Visverkopers specifiek voor Onze-Lieve-Vrouw-over-de- Dijlekerk is geschilderd. De vergelijking wordt gemaakt met het schilderij ‘De kruisoprichting’ van Peter Paul Rubens, dat erkend is als tot de Onze-Lieve- Vrouwekathedraal van Antwerpen behorend cultuurgoed, terwijl het niet op de oorspronkelijke plaats hangt en zijn oorspronkelijke context verloren heeft daar het geschilderd is als altaarstuk van het hoogaltaar van de in 1798 opgeheven en in 1817 gesloopte Antwerpse Sint-Walburgiskerk. De redenering van het agentschap wordt ook tegenstrijdig genoemd met de houding die werd aangenomen bij de aanduiding van de cultuurgoederen in het beheersplan voor de Sint- Romboutskathedraal te Mechelen. Voorts wordt onder meer de historische en waardenversterkende band tussen het beeld ‘H. Anna en Maria’ en de kerk sedert de 18de eeuw benadrukt en wordt aangevoerd dat het beeld en het schilderij-drieluik ‘Victor van Marseille’ zich samen in de kerk bevinden nadat ze daar in de 17de eeuw door de gilde van de molenaars zijn geplaatst. 3.
  13. Op 18 en 25 maart 2021 vergadert de “werkgroep cultuurgoederen” van het agentschap, die herhaalt dat de vier kwestieuze objecten niet in aanmerking kunnen worden genomen als tot de kerk behorende cultuurgoederen. Als argumentatie daarvoor wordt geëxpliciteerd dat het beeld ‘Heilige Anna en Maria’ uit zijn neogotische context is weggehaald en dat de andere drie objecten “door de kerk [lijken] te zwerven, zonder band met de vaste inrichting”. X-18.658-4/15 3.
  14. Op vraag van de minister brengt de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed (hierna: VCOE) op 8 april 2021 advies uit over het ingestelde beroep. De VCOE adviseert “om de vier uitgesloten roerende goederen alsnog als cultuurgoederen te erkennen en op te nemen in het beheersplan van de Onze-Lieve-Vrouw-over-de-Dijlekerk te Mechelen”, op grond van volgende argumentatie: “Voorliggend advies gaat in op de betwiste beslissing van het agentschap om vier roerende goederen niet als cultuurgoederen op te nemen in het beheersplan. De commissie stelt vast dat het agentschap niet motiveert waarom het vier van de meer dan twintig roerende goederen niet als cultuurgoed beschouwt. Het is de commissie dan ook onduidelijk op basis waarvan het agentschap hiertoe concludeert. De commissie merkt op dat het beheersplan goed onderbouwd is, ondanks enkele onzorgvuldigheden: Het beheersplan bevat per voorgesteld cultuurgoed een grondige beschrijving en een fiche met een motivering van de wettelijke basis voor de bescherming en de ‘criteria voor cultuurgoederen’ conform de Richtlijn ‘Cultuurgoederen in monumenten’. Uit de bij het beheersplan gevoegde fiches blijkt dat de vier betreffende roerende goederen beschouwd kunnen worden als ‘onroerend door ornamentele- en/of wilsbestemming’ en er bijgevolg een wettelijke basis voor bescherming is. Aangezien de kerk vandaag nog steeds in gebruik is voor de eredienst en een neven- of herbestemming volgens het Kerkenbeleidsplan Mechelen (april 2017) niet aan de orde is, meent de commissie dat er voor devotionele objecten waar vandaag nog een actieve traditie van verering voor bestaat, zoals bv. De beelden ‘Heilige Anna en Maria’ en ‘Heilige Victor van Marseille’, tevens een economische bestemming van toepassing kan zijn De vier betreffende goederen voldoen bovendien aan de drie criteria van de definitie uit het Onroerenderfgoeddecreet (art. 2.1, 21°/1) waaraan goederen moeten voldoen om als cultuurgoed aangeduid te kunnen worden. Zo is er in de eerste plaats sprake van een waardeversterkende band tussen de vier roerende goederen en de erfgoedwaarde van de beschermde kerk. Met name het beeld en het drieluik ‘Heilige Victor van Marseille’ en het schilderij ‘De Wonderbare Visvangst’ getuigen van het historische belang van de kerk voor de gilden en ambachten en de rol die zij speelden in de aankleding van het kerkinterieur. Voor wat betreft het beeld ‘Heilige Maria en Anna’ is er een duidelijke band met de devotie voor de Onze-Lieve-Vrouw waaraan de kerk gewijd is. Daarnaast merkt de commissie op dat alle vier de goederen vervaardigd werden voor de kerk, en gezien hun devotionele betekenis gerelateerd zijn aan haar functie als parochiekerk. Tot slot zijn alle vier de roerende goederen historisch verbonden met de kerk: het schilderij ‘De Wonderbare Visvangst’ hangt sinds de voltooiing ervan in 1618-1619 – X-18.658-5/15 met uitzondering van een korte episode tussen eind 18e en begin 19e eeuw – in de kerk en bevindt zich vandaag op haar oorspronkelijke plaats; de triptiek en het beeld ‘Heilige Victor van Marseille’, en het beeld ‘Heilige Anna en Maria’ komen respectievelijk sinds de 17e eeuw en 18e eeuw samen voor met de kerk. De commissie ziet dan ook geen reden om de betreffende vier roerende goederen niet te erkennen als cultuurgoederen.” 3.
  15. Met een besluit van 6 mei 2021 verwerpt de minister het beroep van de verzoekende partij tegen de beslissing van het agentschap. “[…] Ik heb een beslissing genomen over het beroep dat u indiende tegen de beslissing van het agentschap Onroerend Erfgoed. Ik won over uw beroep het advies in van de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed. De Commissie adviseert om de vier uitgesloten goederen alsnog als cultuurgoederen te erkennen en op te nemen in het beheersplan. Als bijlage vindt u een kopie van dit advies. […] Ik sluit mij echter niet aan bij dit advies, maar ik volg de beslissing van het agentschap Onroerend Erfgoed. Bijgevolg keur ik het beheersplan van 10 februari 2021 goed. Met de goedkeuring van het beheersplan aanvaard ik de lijst van cultuurgoederen zoals in de bijlage bij het beheersplan zijn opgenomen, uitgezonderd [de vier kwestieuze objecten]. Deze vier goederen beschouw ik niet als cultuurgoed. […].” 3.
  16. Op vordering van de verzoekende partij vernietigt de Raad van State bij arrest nr. 257.257 van 8 september 2023 het in het vorige randnummer bedoelde ministerieel besluit. In dit arrest wordt het volgende overwogen: “
  17. Noch het bestreden besluit, noch enig stuk van het administratief dossier bevat een beoordeling van de argumentatie in het beroepschrift van de verzoekende partij […]. Noch het bestreden besluit, noch enig stuk van het administratief dossier laat begrijpen waarom het advies van de VCOE […] niet is gevolgd. Het blijkt bijgevolg niet wat de redenen zijn die er de minister – met de woorden van het bestreden besluit – toe gebracht hebben ‘de beslissing van het agentschap Onroerend Erfgoed (te volgen)’.” 3.11.
  18. Met de bestreden beslissing van 20 oktober 2023 neemt de minister een nieuwe verwerpingsbeslissing over het beroep van de verzoekende partij tegen de beslissing van het agentschap. X-18.658-6/15 3.11.
  19. De bestreden beslissing is als volgt gemotiveerd: “De vier [kwestieuze] objecten zijn geen onroerende goederen in toepassing van artikel 3.47 Burgerlijk Wetboek. Overeenkomstig artikel 3.46 van het Burgerlijk Wetboek is alles wat niet onroerend is, roerend. In uw beroepschrift houdt u dit niet anders voor. De objecten zijn volgens u cultuurgoederen in de zin van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 wat per definitie betekent dat u ze zelf als roerende goederen indeelt. Om volgende redenen vallen de vier objecten evenwel niet onder de definitie van het Onroerenderfgoeddecreet. Deze redenen motiveren meteen waarom ik het advies van de VCOE van 8 april 2021 niet volg en anders beslis. Volgens de definitie van ‘cultuurgoederen’ in het Onroerenderfgoeddecreet moet het samen voorkomen van de vier objecten en het monument zorgen voor een bijzondere waarde. Die bijzondere waarde houdt in dat de objecten door hun aanwezigheid in het monument de waarde van het onroerend geheel versterken en zo samen een werkelijke of wezenlijke band hebben. Uit de definitie van ‘monument’ blijkt bovendien ook expliciet dat de cultuurgoederen een integrerend deel moeten uitmaken van het monument. Het wegnemen van het cultuurgoed uit het onroerend goed zou een duidelijk vaststelbare lacune doen ontstaan. De objecten in kwestie maken geen wezenlijk en integrerend deel (meer) uit van het monument. Het geheel of een totaalconcept is sinds de bescherming in de vier gevallen afwezig of verdwenen. Daarnaast is er ook geen versterking van het onroerend geheel. Integendeel, de afwezigheid van deze roerende goederen zou de erfgoedwaarde van het beschermde monument niet in belangrijke mate aantasten Voor het beeld ‘Heilige Viktor van Marseille’ en het drieluik ‘H. Viktor van Marseille’ is er geen wezenlijke integratie met het monument om te kunnen besluiten tot een samen voorkomen met bijzondere waarde. Het beeld en het drieluik waren op het ogenblik van de bescherming van de kerk (25 maart 1938) relicten van een verdwenen 17de-eeuws vast interieurelement (portiekaltaar) en -ensemble (kapel en altaar van de molenaars). Deze vallen niet meer te herstellen en sinds 1818 ontbreekt hiervan verder spoor. Het beeld en het drieluik maakten oorspronkelijk deel uit van een barok portiekaltaar dat, volgens informatie uit het beheersplan, ondergebracht was in een gotische kapel van 1524, ingericht door het ambacht van de molenaars en toegewijd aan de Heilige Victor van Marseille, hun patroonheilige. Bij het uitbreken van de scheidingsmuur met de naastgelegen kapel van de H. Barbara in 1818 verdween het molenaarsambacht uit de kapel. Het barokke portiekaltaar werd dan ook afgebroken, net als de scheidingsmuur waartegen het geplaatst was. Op het moment van de bescherming van de kerk maakten beide geen integrerend deel meer uit van het mo[nu]ment: zij waren toen al relicten van een verdwenen visueel samenhangend geheel. Dit verlies aan context doet besluiten dat de hypothetische afwezigheid van deze roerende goederen de erfgoedwaarde van het monument niet in belangrijke mate zouden aantasten. Voor het schilderij ‘De Wonderbare Visvangst’ van Peter Paul Rubens is X-18.658-7/15 er geen wezenlijke integratie met het beschermde monument om te kunnen besluiten tot een samen voorkomen met bijzondere waarde. Het altaarschilderij was op het ogenblik van de bescherming een relict van een verdwenen 17de-eeuws vast interieurelement (altaar van de visverkopers). Dit schilderij werd door het ambacht van de Visverkopers voor hun altaar in de Onze-Lieve-Vrouw-over-de-Dijlekerk besteld bij Rubens en maakte deel uit van het barokke portiekaltaar van dit ambacht. Het altaar waar het oorspronkelijk bij hoorde, werd afgebroken in
  20. Dit verlies aan context doet besluiten dat de hypothetische afwezigheid van dit roerend goed de erfgoedwaarde van het beschermde monument niet in belangrijke mate zou aantasten. Voor het beeld ‘H. Anna en Marie’ is er opnieuw geen wezenlijke integratie met het monument om te kunnen besluiten tot een samen voorkomen met bijzondere waarde. Het beeld is een relict van een 18de- eeuws altaar dat in 1818 verdween. Op zich is het beeld een relict van de barokke interieurfase van de kerk, later ondergebracht in een neogotisch ensemble. De band met de barokke fase kan niet meer hersteld worden. Ook het neogotisch ensemble werd verstoord: het beeld staat vandaag op een moderne stenen sokkel. Dit verlies aan barokke en neogotische context doet besluiten dat de hypothetische afwezigheid van dit roerend goed de erfgoedwaarde van het monument niet in belangrijke mate zou aantasten. Zoals blijkt uit voornoemde motivering per object is uw verwijzing naar andere ‘gelijkaardige’ dossiers in het beroepschrift niet dienstig: bovenstaande motivering toont voor de vier in dit beroep betrokken objecten precies en concreet aan waarom het geen cultuurgoederen zijn gelet op het voorliggende specifieke dossiers. Andere dossiers kunnen geen motieven aanreiken die de boven vermelde precieze en concrete motieven weerleggen. De voornoemde redenen om te besluiten dat de vier objecten niet voldoen aan de definitie van cultuurgoed uit het Onroerenderfgoeddecreet toont meteen aan waarom ik het advies van de VCOE niet volg. Het advies van de VCOE is in essentie net gebaseerd op [de overweging dat] ‘(…) De vier [kwestieuze] objecten […] bovendien [voldoen] aan de drie criteria van de definitie uit het Onroerenderfgoeddecreet (…)’. Bijkomend tonen voornoemde argumenten over de vier objecten net aan dat er geen waardeversterkende band is tussen de vier objecten en het monument zoals voorgehouden door de VCOE.” V. Onderzoek van het enige middel Standpunt van de partijen 4.
  21. Het enige middel is onder meer genomen uit de schending van artikel 2.1, 21°/1, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, van de wet X-18.658-8/15 van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ evenals van de materiëlemotiveringsplicht en het zorgvuldigheids- en het redelijkheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. 4.
  22. In het eerste middelonderdeel zet de verzoekende partij uiteen dat zij op onderbouwde wijze heeft gesteld dat de vier kwestieuze objectenonroerend door bestemming te beschouwen zijn. De bestreden beslissing motiveert niet afdoende waarom deze objecten niet onroerend door wilsbestemming en/of ornamentele bestemming zouden zijn. 4.
  23. In het tweede middelonderdeel voert de verzoekende partij aan dat in de bestreden beslissing geen enkel afdoend motief is opgegeven voor de weigering tot opname van de vier kwestieuze objecten als tot de kerk behorende cultuurgoederen. De redenering die in de bestreden beslissing wordt gevolgd, komt erop neer dat deze objecten destijds in de kerk aangebracht zijn bij een specifiek altaar dat in de loop der jaren is verdwenen, waardoor ze thans geen binding meer zouden hebben met de kerk. Deze redenering gaat uit van een veel te enge en bijgevolg onwettige interpretatie van het begrip cultuurgoederen. Het advies van de VCOE is door de minister genegeerd. 5.
  24. In haar memorie van antwoord stelt de verwerende partij, wat het eerste middelonderdeel betreft, dat de verzoekende partij is uitgegaan van het roerend karakter van de vier kwestieuze objecten daar ze deze als cultuurgoederen wil laten beschermen. De VCOE stelt nergens uitdrukkelijk dat de vier goederen onroerend zijn. Enkel wordt – zonder toelichting – opgemerkt dat er sprake zou zijn van roerende goederen die als “onroerend door ornamentele- en/of wilsbestemming” en met een “economische bestemming” worden beschouwd. Indien dit het geval was geweest, dan diende helemaal niet te worden onderzocht of er sprake was van cultuurgoederen of niet. In dat geval zaten de goederen begrepen in de bescherming als monument van de kerk, als erfgoedelementen. Wat de bestreden beslissing betreft, kan er volgens de verwerende partij dan ook geenszins sprake zijn van een verstrengde motiveringsplicht over het roerend of X-18.658-9/15 onroerend karakter van de vier objecten. 5.
  25. Wat het tweede middelonderdeel betreft, stelt de verwerende partij dat de vraag of een object een cultuurgoed is steeds moet worden beoordeeld op basis van de feitelijke situatie op het moment van de bescherming. Dat moment is het referentiepunt waarop het in concreto onderzoek moet gebeuren. Uit de overwegingen van de bestreden beslissing blijkt dat de verwerende partij per object vaststelt dat er geen wezenlijke integratie (meer) is met het monument om te kunnen besluiten tot een samen voorkomen met bijzondere waarde. Als referentiepunt geldt de bescherming. Het geheel of een totaalconcept is volgens de beslissing sinds de bescherming in de vier gevallen afwezig of verdwenen. Daarnaast is er ook geen versterking van het onroerend geheel. De afwezigheid van de roerende goederen zou de erfgoedwaarde van het beschermde monument niet in belangrijke mate aantasten. Dit wordt niet door de verzoekende partij, noch door de VCOE weerlegd. De verwerende partij benadrukt dat de overwegingen in het advies van de VCOE heel algemeen zijn en in se weinig op concrete feiten en onderzoek zijn gebaseerd. Uit de bestreden beslissing blijkt dat de vier roerende goederen geen wezenlijk en integrerend deel (meer) uitmaken van het monument en dus niet kunnen besluiten tot een samen voorkomen met bijzondere waarde. Dit wordt per roerend goed in concreto aangetoond en vervolgens wordt besloten dat het geheel of een totaalconcept reeds op het ogenblik van de bescherming in de vier gevallen afwezig of verdwenen was. De bescherming dateert van 25 maart
  26. Het geheel of het totaalconcept was niet alleen niet meer aanwezig op het moment van de bescherming, het was zelfs al lang verdwenen op het moment van de bescherming. De verwerende partij vervolgt dat het niet aan de Raad van State is om haar beoordeling over te doen of een eigen beoordeling te doen van de vraag of de vier roerende goederen voldoen aan de definitie van cultuurgoederen. De cultuurgoederen van de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal te X-18.658-10/15 Antwerpen en de Sint-Romboutskathedraal te Mechelen betreffen geenszins zonder meer vergelijkbare gevallen.
  27. In haar laatste memorie herhaalt de verwerende partij dat de bestreden beslissing deugdelijk gemotiveerd is. Er wordt immers vastgesteld dat er geen wezenlijke integratie meer is met het monument om te kunnen besluiten tot een samen voorkomen met bijzondere waarde, waarbij de bescherming als referentiepunt geldt. Beoordeling
  28. De formelemotiveringsverplichting strekt ertoe de rechtszoekende een zodanig inzicht te verschaffen in de motieven van de beslissing dat hij in staat is nuttig, met kennis van zaken, voor zijn rechten op te komen. De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat de bestreden beslissing moet worden gedragen door rechtens verantwoorde motieven die kunnen blijken, hetzij uit de beslissing zelf, hetzij uit de stukken van het dossier. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt onder meer in dat de overheid haar besluiten op een zorgvuldige wijze moet voorbereiden door de relevante gegevens en de op het spel staande belangen te inventariseren en deze gegevens en belangen tegen elkaar af te wegen in het licht van het doel van het besluit.
  29. Uit het feit dat de minister een gespecialiseerde adviesinstantie – te weten de VCOE – heeft geconsulteerd, volgde voor hem de verplichting om afdoende te laten begrijpen waarom het advies van die instantie niet gevolgd is.
  30. Wat het eerste middelonderdeel betreft, moet het zo worden begrepen dat de verzoekende partij in haar beroepschrift als argument heeft aangevoerd dat bij het nemen van het beschermingsbesluit van 25 maart 1938 de wettelijke beschermingsgrond voor de vier kwestieuze objecten “onroerend door wilsbestemming” was. In zijn uitspraak over het beroep diende de minister wel X-18.658-11/15 degelijk op het laatstgenoemde argument in te gaan. Er dient evenwel te worden vastgesteld dat de bestreden beslissing zich beperkt tot de loutere affirmatie dat de objecten geen onroerende goederen zijn en een verwijzing naar de omstandigheid dat de verzoekende partij daarnaast heeft aangevoerd dat de vier kwestieuze objecten – per definitie roerende – “cultuurgoederen” in de zin van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 zijn. Noch deze affirmatie, noch deze verwijzing kan worden beschouwd als een afdoende motivering ter weerlegging van het laatstgenoemde argument.
  31. Wat het tweede middelonderdeel betreft, moet worden vastgesteld dat artikel 2.1, 21°/1 en 38°, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 volgende definities bevat: “21°/1 - cultuurgoederen: roerende goederen die omwille van hun erfgoedwaarde van algemeen belang zijn, waarvan het samen voorkomen met het gebouw een bijzondere waarde heeft en die ofwel ontworpen zijn voor of vervaardigd met het beschermd goed ofwel gerelateerd zijn aan de functie van het beschermd goed en waarvoor historische verbondenheid met het beschermd goed aangetoond kan worden. […] 38° - monument: een onroerend goed, werk van de mens of van de natuur of van beide samen, met inbegrip van de cultuurgoederen die er integrerend deel van uitmaken, inzonderheid de bijhorende uitrusting en de decoratieve elementen van algemeen belang wegens de erfgoedwaarde(n).” In de Memorie van Toelichting bij het ontwerp van decreet dat het Onroerenderfgoeddecreet is geworden, is uitdrukkelijk gesteld dat het begrip ‘cultuurgoederen’ een ruime interpretatie moet krijgen: “[Bij de bescherming van een onroerend goed kunnen] ook cultuurgoederen mee beschermd worden. Dit begrip moet een ruime interpretatie krijgen. Daar staat tegenover dat enkel cultuurgoederen die werkelijk integrerend onderdeel uitmaken van een monument in een beschermingsbesluit zullen opgenomen worden. Er zal dus steeds een beoordeling in concreto moeten plaatsvinden. Niet alle waardevolle voorwerpen aanwezig in een monument maken er immers integrerend deel van uit. Het lijkt vanzelfsprekend dat tussen de cultuurgoederen en het monument een ‘werkelijke band’ moet bestaan. Deze werkelijke band tussen X-18.658-12/15 cultuurgoed en onroerend goed geldt in de volgende gevallen: a) totaalconcept: – de cultuurgoederen zijn samen ontworpen/vervaardigd met en voor het gebouw, zij maken deel uit van het totaalconcept, bijvoorbeeld: artnouveauwoning met volledig intact bewaard interieur ontworpen door de architect, of: het gebouw is specifiek ontworpen voor de zich erin bevindende cultuurgoederen, zoals een huismuseum. Het totaalconcept is aantoonbaar aan de hand van bronnenmateriaal; b) cultuurgoederen met intrinsieke erfgoedwaarde én verbondenheid onroerend goed: – het cultuurgoed is omwille van zijn artistieke, wetenschappelijke, historische, volkskundige, industrieel-archeologische of andere sociaal- culturele waarde van algemeen belang én zijn historische verbondenheid met het gebouw kan aangetoond worden aan de hand van bronnenmateriaal (archiefstuk aankoop, fotomateriaal, historische beschrijvingen interieur enzovoort), bijvoorbeeld: schilderij van onmiddellijke omgeving onroerend goed, specifiek op vraag van eigenaar en voor het onroerend goed vervaardigd, het schilderij an sich beschikt eveneens over intrinsieke waarde; – het cultuurgoed is gerelateerd aan de functie van het gebouw, het cultuurgoed is omwille van zijn artistieke, wetenschappelijke, historische, volkskundige, industrieel- archeologische of andere sociaal-culturele waarde van algemeen belang én zijn historische verbondenheid met het gebouw kan aangetoond worden aan de hand van bronnenmateriaal (archiefstuk aankoop, fotomateriaal, historische beschrijvingen enzovoort), bijvoorbeeld: oude motoren, machines, die onderdeel uitmaken van een industrieel- archeologisch goed;” (Parl. St. Vl. Parl. 2012-2013, nr. 1901/1, 20). Het blijkt dat het “samen voorkomen” met “een bijzondere waarde” in artikel 2.1, 21°/1, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 begrepen moet worden als de “werkelijke band” waarvan sprake is in de hiervoor geciteerde parlementaire voorbereiding.
  32. In het beroepsschrift van de verzoekende partij is in detail toegelicht dat de vier kwestieuze objecten “cultuurgoederen” in de zin van het Onroerenderfgoeddecreet zijn omdat er sprake is van een waardeversterkende band tussen deze objecten en de erfgoedwaarde van de beschermde kerk, ze alle vier specifiek vervaardigd werden voor de kerk en ze er historisch mee verbonden zijn. De VCOE is deze redenering integraal bijgevallen. Bovendien is in het beroepsschrift uitdrukkelijk de vergelijking gemaakt met cultuurgoederen van de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal te Antwerpen X-18.658-13/15 en de Sint-Romboutskathedraal te Mechelen, waaruit is afgeleid dat het agentschap een tegenstrijdige houding aanneemt.
  33. Over de laatstgenoemde vergelijking beperkt de bestreden beslissing zich tot de bewering dat andere dossiers geen argumenten kunnen opleveren daar er “precieze en concrete” motieven zijn om de vier kwestieuze objecten niet als cultuurgoederen te beschouwen. In de bestreden beslissing wordt het beroep van de verzoekende partij voornamelijk – zo niet uitsluitend – afgewezen omdat er geen sprake zou zijn van “samen voorkomen” met “bijzondere waarde” daar de vier kwestieuze objecten in het begin van de 19de eeuw verwijderd zijn uit de (portiek)altaren waartoe ze oorspronkelijk behoorden, wat tot een verlies aan context zou hebben geleid. Dat dit contextverlies voldoende zou zijn om te besluiten dat er geen – met de woorden van de hiervoor geciteerde parlementaire voorbereiding – “werkelijke band” zou bestaan tussen, enerzijds, de vier kwestieuze objecten en, anderzijds, de in 1938 beschermde kerk, waarvoor ze specifiek vervaardigd zijn, wordt niet afdoende aannemelijk gemaakt.
  34. Noch uit de bestreden beslissing, noch uit enig stuk van het administratief dossier blijkt een afdoende weerlegging van de – door de VCOE bijgevallen – grieven van de verzoekende partij.
  35. Het middel is in de aangegeven mate gegrond. BESLISSING
  36. De Raad van State vernietigt het besluit van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Wonen en Onroerend Erfgoed van 20 oktober 2023 houdende verwerping van het beroep van de stad Mechelen tegen de beslissing van 10 februari 2021 van het agentschap Onroerend Erfgoed tot gedeeltelijke afkeuring van de lijst van cultuurgoederen in het beheersplan voor de Onze- Lieve-Vrouw-over-de-Dijlekerk te Mechelen. X-18.658-14/15
  37. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro, en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op twaalf mei tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Jan Clement, kamervoorzitter, Stephan De Taeye, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Jan Clement X-18.658-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.660 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.