id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.662 Rolnummer: A. 244171/X-18988 Zaak: Arrest 266662 - Provinciale en lokale reglementen (behalve fiscaal) - 12/05/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-05-19 Raadplegingen: 31 - laatst gezien 2026-06-18 11:31 Fiche Arrest nr 266.662 van 12 mei 2026 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Provinciale en lokale reglementen (behalve fiscaal) Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 266.662 van 12 mei 2026 in de zaak A. 244.171/X-18.988 In zake: K.N. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Gregory Vermaercke en Elouise Willems kantoor houdend te 8200 Brugge Dirk Martensstraat 23 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de GEMEENTE STADEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Wim Rasschaert kantoor houdend te 9620 Zottegem Gentse Steenweg 323 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. Het beroep, ingesteld op 14 februari 2025, strekt tot de nietigverklaring van “de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Staden, gedateerd op 27 januari 2025, […] waarbij een machtiging ambulante handel tijdens de wekelijkse openbare markt op de Marktplaats te Staden verleend wordt aan [G. L.]”. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 262.944 van 8 april 2025 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing ingewilligd. X-18.988-1/10 De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. Bij arrest nr. 263.345 van 20 mei 2025 wordt de vordering tot “het opleggen van een dwangsom wegens het miskennen door de verwerende partij van het tussengekomen arrest tot schorsing van uw Raad dd. 8 april 2025 (nr. 262.944)”, verworpen. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Sofie De Doncker heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. Verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting van 13 maart 2026, welke zitting is uitgesteld naar de terechtzitting die heeft plaatsgevonden op 20 maart 2026. Staatsraad David D’Hooghe heeft verslag uitgebracht. Advocaat Isaac Defoort, die loco advocaten Gregory Vermaercke en Elouise Willems verschijnt voor verzoeker, en advocaat Bjorn Cools, die loco advocaat Wim Rasschaert verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Sofie De Doncker heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. X-18.988-2/10 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1 Verzoeker baat sedert oktober 2009 een viskraam uit op de wekelijkse donderdagmarkt te Staden. 3.2. Op 24 januari 2025 schrijft verzoeker aan de verwerende partij dat hij vernomen heeft dat er vanaf 30 januari 2025 een nieuw viskraam op de wekelijkse markt toegelaten wordt. Hij verzoekt om de kwestieuze beslissing mee te delen. 3.3. Na meerdere herhalingen van dit verzoek maakt de verwerende partij op 31 januari 2025 “het gevraagde uittreksel” over. Het gaat om het volgend – bestreden – besluit van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Staden van 27 januari 2025: “Aanleiding en voorgeschiedenis Aanvraag van [G. L.] met ingang vanaf 1 februari 2025, voor het bekomen van een standplaats op de wekelijkse openbare markt te Staden. [...] Feiten, context en argumentatie [G. L.] wenst een standplaats op de wekelijkse openbare markt te Staden aan te vragen en diende hiervoor de vereiste documenten in. Verkoopruimte: 7,5 meter gevellengte. Verkoopartikel: visproducten Er wordt één aansluiting van 16A op de elektriciteitskast gevraagd. [...] Besluit: Artikel 1: Het college van burgemeester en schepenen neemt kennis van het toekennen van een machtiging ambulante handel tijdens de openbare markt: • aan [G. L.]; X-18.988-3/10 • op elke donderdag op de Marktplaats te Staden tijdens de wekelijkse openbare markt; • om visproducten te verkopen. […].” IV. Het voorwerp van het beroep 4. De verwerende partij voegt bij het administratief dossier twee beslissingen: (
- i)het in het randnummer 3.3 vermelde besluit van het college van burgemeester en schepenen van 27 januari 2025, en (
- ii)een beslissing, gedateerd op 27 januari 2025 en “namens het college” ondertekend door de algemeen directeur op 27 januari 2025 en door de burgemeester op 30 januari 2025, getiteld ‘Machtiging ambulante handel op het openbaar domein’, met de volgende mededeling: “De burgemeester heeft op 27 januari 2025 [de] aanvraag [van G.L.] goedgekeurd tot het bekomen van een wekelijkse standplaats voor ambulante handel op de wekelijkse markt van Staden.” 5. In het kader van de betwisting van het belang houdt de verwerende partij in haar memorie van antwoord voor dat verzoeker geen belang heeft bij de nietigverklaring van de bestreden collegebeslissing, om reden dat “[i]n het bestreden besluit van het college van burgemeester en schepenen […] enkel kennis [wordt] genomen van het besluit van de burgemeester tot toewijzing van een abonnement. Indien deze beslissing zou worden vernietigd, blijft de beslissing tot toewijzing door de burgemeester bestaan”. Zij meent dat verzoeker om reden van het voorwerp van de beslissing tot kennisneming van het college van burgemeester en schepenen afdoende op de hoogte zou moeten zijn van de achterliggende besluitvorming. Toch heeft hij nagelaten de beslissing van de burgemeester zelf als bestreden beslissing te beschouwen. X-18.988-4/10 6. In het schorsingsarrest nr. 262.944 van 8 april 2025 overweegt de Raad van State ter zake het volgende: “Op herhaalde vraag van verzoeker aan de verwerende partij om de kwestieuze toelatingsbeslissing te verkrijgen, heeft de verwerende partij enkel de collegebeslissing van 27 januari 2025 overgemaakt. Verzoeker mocht er redelijkerwijze dan ook op vertrouwen dat het de enige beslissing is die op de toelating betrekking had. Er kan hem dan ook niet worden verweten zich enkel te hebben gericht tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van 27 januari 2025, en niet tegen de beslissing van de burgemeester die pas op 30 januari 2025 door de burgemeester werd ondertekend.” 7.1. Om de in het vorige randnummer aangehaalde redenen kan verzoeker niet worden verweten zich in zijn verzoekschrift niet te hebben gericht tegen de beslissing die op 30 januari 2025 door de burgemeester is ondertekend. 7.2. De verwerende partij blijft erop insisteren dat de laatstgenoemde beslissing de enige relevante uitvoerbare rechtshandeling uitmaakt. Te dezen is het gepast aan te nemen dat het beroep niet alleen gericht is tegen het besluit van het college van burgemeester en schepenen van 27 januari 2025, maar ook tegen de beslissing die op 30 januari 2025 door de burgemeester is ondertekend. V. Ontvankelijkheid van het beroep - Belang Standpunt van de verwerende partij 8. In haar memorie van antwoord werpt de verwerende partij op dat verzoeker niet of onvoldoende aantoont dat het door hem ingeroepen “commercieel-concurrentieel nadeel” uit de bestreden beslissingen voortvloeit. X-18.988-5/10 Volgens de verwerende partij is een “eventuele daling van de omzet niet toe te wijzen […] aan de komst van een tweede viskraam, maar wel [aan] de openbare werken in het centrum”. Beoordeling 9. Verzoeker maakt aannemelijk dat, gelet op de kleinschaligheid van de betreffende markt, de aanwezigheid van een tweede viskraam een reële impact heeft op zijn omzetcijfers. 10. De exceptie inzake het gebrek aan belang wordt verworpen. VI. Onderzoek van het eerste en tweede middel Standpunt van de partijen 11. Verzoeker voert in het eerste en het tweede middel onder meer de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’. Volgens verzoeker werden de bestreden beslissingen genomen “zonder enige motivering/beoordeling/toetsing”. Meer bepaald wordt niet gemotiveerd “op welke wijze de toewijzing ervoor zorgt dat de variatie in het aanbod wordt behouden, laat staan bevorderd [en] op welke wijze de toewijzing de leefbaarheid van de marktkramers waarborgt”. 12. In haar memorie van antwoord beklemtoont de verwerende partij dat er te dezen een ruime discretionaire beoordelingsvrijheid bestaat. Vermits zij niet heeft afgeweken van “de beleidslijn, zoals bepaald en gemotiveerd via het gemeentelijk reglement van 26 september 2024 m.b.t. ambulante handel”, is er volgens haar geen “omstandige motivering” vereist. X-18.988-6/10 Zij verwijst ter zake naar artikel 2, vijfde lid, van het betrokken gemeentelijk reglement van 26 september 2024: “Om de variatie in het aanbod te behouden en te bevorderen en de leefbaarheid van de marktkramers te waarborgen worden maximum twee abonnementen per onderstaande voedingscategorie toegekend: • Brood, banket, koek,… • Vleeswaren • Poeliers • Groenten en/of fruit • Zuivelproducten • Vis- en visproducten • Kruiden, specerijen, noten, olijven,… • Snoep, chocolade en suikerwaren • Andere met gelijke voedingswaren” Volgens de verwerende partij blijkt uit dit reglement dat geopteerd werd voor een beleid “om maximum twee abonnementen per (uitdrukkelijk in het reglement opgesomde) voedingscategorie toe te kennen om de variatie in het aanbod te behouden en te bevorderen en de leefbaarheid van de marktkramers te waarborgen”. Beoordeling 13. In het schorsingsarrest nr. 262.944 van 8 april 2025 overweegt de Raad van State ten aanzien van het aangevoerde motiveringsgebrek: “Op het eerste gezicht moet met verzoeker worden vastgesteld dat de bestreden beslissingen geen afdoende motivering bevatten. Er wordt immers enkel in het algemeen verwezen naar de toepasselijke reglementering en de aanvraag, maar er wordt niet vermeld op grond van welke specifieke bepalingen het college van burgemeester en schepenen en de burgemeester hun beslissingen over de ‘toekenning van een machtiging ambulante handel tijdens de openbare markt’ hebben gesteund. Evenmin blijkt op grond van welke feitelijke elementen en op grond van welke overwegingen tot de bestreden beslissingen werd gekomen.” 14. In het auditoraatsverslag wordt het standpunt van de verwerende partij, zoals uitgewerkt in de memorie van antwoord, als volgt beoordeeld: X-18.988-7/10 “Uit [de] bijzonder karige motivatie kan niet afgeleid worden of bij de toekenning van de standplaats de toepasselijke regelgeving is gevolgd, hieruit kan evenmin worden afgeleid dat verwerende partij de beleidslijn zou hebben toegepast. Nergens kan uit afgeleid worden of er bijvoorbeeld nog meerder[e] kandidaten waren noch waarom aan [G.L.] voorrang werd verleend. Bij gebrek aan enige motivering is het verslaggeefster dan ook niet mogelijk na te gaan of de vastgelegde procedure van toekenning werd gerespecteerd. Er is geen motivering, laat staan een beknopte motivering. Wat de argumentatie betreft aangaande de toelaatbaarheid van twee kramen die hetzelfde product verkopen, vereist het van toepassing zijnde reglement wel dat alsdan een onderzoek wordt gehouden naar de leefbaarheid van de markt. Van een dergelijk onderzoek is geen spoor terug te vinden in het thans bestreden besluit. Niet zonder pertinentie merkt verzoeker op dat met de achteraf gegeven motivering van de marktleider geen rekening kan worden gehouden nu deze motivering niet werd opgenomen in het thans bestreden besluit. Een verwijzing naar de van toepassing zijnde reglementering zonder meer kan absoluut geen afdoende motivering uitmaken. Evenmin verantwoordt de beperkte discretionaire bevoegdheid van verwerende partij, voor zover daar al sprake van zou zijn, het totale gebrek aan motivering. Verwerende partij heeft een reglement voor het toewijzen van marktplaatsen aangenomen, het spreekt voor zich dat uit een beslissing tot toewijzing in concreto moet kunnen afgeleid worden dat het reglement werd nageleefd. Het thans bestreden besluit is genomen met miskenning van de van toepassing zijnde reglementering en is niet gesteund op een draagkrachtige motivering. Evenmin blijkt dat aan het thans bestreden besluit het voorafgaand onderzoek van de impact van een tweede viskraam op de leefbaarheid van de markt werd onderzocht.” 15. De verwerende partij heeft geen reden gezien om die bespreking te betwisten. Ook de Raad van State ziet geen reden om er een andere zienswijze dan in het auditoraatsverslag op na te houden. Hij valt de beoordeling in het auditoraatsverslag bij en maakt ze tot de zijne. 16. De middelen zijn in de aangegeven mate gegrond. X-18.988-8/10 BESLISSING 1. De Raad van State vernietigt: (
- i)het besluit van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Staden van 27 januari 2025 waarbij deze kennis neemt van het toekennen van een machtiging ambulante handel tijdens de openbare markt vanaf 1 februari 2025: • aan G.L., maatschappelijke zetel te […] en als ondernemingsnummer […]; • op elke donderdag op de Marktplaats te Staden tijdens de wekelijkse openbare markt; • om visproducten te verkopen. en (
- ii)de beslissing van de burgemeester van de gemeente Staden, gedateerd op 27 januari 2025 en “namens het college” ondertekend door de algemeen directeur op 27 januari 2025 en door de burgemeester op 30 januari 2025, getiteld ‘Machtiging ambulante handel op het openbaar domein’, waarbij de aanvraag van G.L. “tot het bekomen van een wekelijkse standplaats voor ambulante handel op de wekelijkse markt van Staden” wordt goedgekeurd. 2. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 48 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 924 euro, die verschuldigd is aan verzoeker. X-18.988-9/10 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op twaalf mei tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Jan Clement, kamervoorzitter, Stephan de Taeye, staatsraad, David D’Hooghe, staatsraad, bijgestaan door Karin Meerschaut, griffier. De griffier De voorzitter Karin Meerschaut Jan Clement X-18.988-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.662 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.944 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.345 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div