← België

Arrest 266671 - Wapens – exportvergunningen - 12/05/2026

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.671 Rolnummer: A. 243976/XII-9958 Zaak: Arrest 266671 - Wapens – exportvergunningen - 12/05/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-05-26 Raadplegingen: 34 - laatst gezien 2026-06-18 11:32 Fiche Arrest nr 266.671 van 12 mei 2026 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Wapens – exportvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 266.671 van 12 mei 2026 in de zaak A. 243.976/XII-9958 In zake : J.S. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Koen Maenhout kantoor houdend te 2600 Antwerpen (Berchem) Filip Williotstraat 30 bus 0102 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Chloë Vanden Eynde kantoor houdend te 1040 Brussel Legerlaan 10 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 17 januari 2025, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de minister van Justitie van 4 november 2024 waarbij het beroep tegen de beslissing van de gouverneur van de provincie Limburg van 23 mei 2024 houdende de intrekking van het recht op wapenbezit, wordt verworpen. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een verslag opgesteld. XII-9958-1/16 Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 26 februari
  3. Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Mats Mertens, die loco advocaat Koen Maenhout verschijnt voor verzoeker, en advocaat Chloë Vanden Eynde, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Verzoeker heeft als jager verscheidene vuurwapens voorhanden. 3.
  6. De lokale politie meldt op 29 juni 2023 aan de provinciale wapendienst dat lastens verzoeker een proces-verbaal werd opgesteld wegens overtreding van de regelgeving inzake de opslag van vuurwapens. 3.
  7. De procureur des Konings geeft op 18 april 2024 een ongunstig advies over het wapenbezit van verzoeker: “Betrokkene heeft een blanco strafregister behoudens een probatie- opschorting wegens valsheid in geschriften met gebruik op 26.11.
  8. XII-9958-2/16 Hij is gekend in dossier […] wegens inbreuk op het wapenhandeldecreet. Betrokkene bracht volgens zijn verklaring zijn vergund vuurwapen over naar zijn tweede verblijf in Spanje in november 2022 met het oog op kleiduifschieten. Hij beschikte over een Europese Vuurwapenpas. Betrokkene toont overigens niet aan dat hij aldaar daadwerkelijk zou deelnemen aan dergelijke schietsportactiviteiten (art. 35, § 1 wapenhandeldecreet). Hij zou overhaast per vliegtuig moeten zijn terugkeren naar België vanwege het overlijden van zijn schoonmoeder op 01.12.
  9. Evenwel verklaart betrokkene zelf dat hij laatst op 19.02.2023 in Spanje was en toen is teruggekeerd naar België. Hij had dus de gelegenheid om zich in regel te stellen en het wapen terug over te brengen naar zijn woonplaats. Op 27.02.2023 vernam hij dan van buren in Spanje dat er was ingebroken, keerde op 12.03.2023 terug naar Spanje en stelde vast dat het vuurwapen inderdaad gestolen was. Volgens betrokkene was het wapen voorzien van een trekkerslot opgeborgen in een kleerkast. Door het gebrek aan respect voor de geldende regelgeving is in hoofde van betrokkene een gevaar voor de openbare orde en veiligheid ontstaan.” 3.
  10. Hiertoe uitgenodigd, bezorgt verzoeker op 4 mei 2024 zijn zienswijze over de feiten. 3.
  11. De gouverneur van de provincie Limburg trekt op 23 mei 2024 verzoekers recht om vuurwapens voorhanden te hebben in op grond van “de voorliggende elementen van het administratieve dossier”. 3.
  12. Tegen deze beslissing stelt verzoeker op 1 juni 2024 beroep in bij de minister van Justitie. 3.
  13. In het kader van de administratieve beroepsprocedure verleent de lokale politie op 6 juli 2024 een gunstig advies. Van zijn kant handhaaft de procureur des Konings op 19 juli 2024 zijn eerder ongunstig advies. 3.
  14. Bij brief van 20 september 2024 dient verzoeker zijn verweermiddelen in. 3.
  15. De minister van Justitie beslist op 4 november 2024 om het beroep van verzoeker te verwerpen. XII-9958-3/16 Dit is de bestreden beslissing die onder meer steunt op de volgende motieven: “Uit uw dossier blijken verschillende elementen die er op kunnen wijzen dat wapenbezit in uw hoofde een potentieel gevaar inhoudt voor de openbare orde en veiligheid. Zo heeft u – in strijd met artikel 30 van het wapenhandelsdecreet van 15 juni 2012 – uw vuurwapen uitgevoerd naar Spanje zonder hiervoor een uitvoerlicentie te hebben aangevraagd, dit met de intentie om in Spanje het kleiduifschieten te beoefenen. Bovendien kon u niet aantonen dat u het wapen in Spanje rechtsgeldig voorhanden hield, noch dat u daadwerkelijk de sport van het kleiduifschieten heeft beoefend. Wel beschikte u over een Europese vuurwapenpas. Deze heeft tot doel de politiediensten en de administratieve overheden van de andere landen van de EU waar een particulier zich naar begeeft, in te lichten over de wettelijkheid van diens vuurwapenbezit in België. Het is als het ware een reispas voor vuurwapens, waarop in sommige gevallen nog visa van de bezochte landen moeten worden aangebracht. Doch mag deze enkel worden gebruikt voor tijdelijke verplaatsingen binnen de EU. Uit het politioneel verhoor van 9 juni 2023 blijkt echter dat u na het overlijden van uw schoonmoeder op 1 december 2022 zonder uw vuurwapen naar België bent teruggekeerd, waardoor u opnieuw de geldende regelgeving niet heeft nageleefd. Ten slotte gaf u in uw verhoor van 9 juni 2023 aan dat het vuurwapen op 27 februari 2023 na inbraak gestolen bleek te zijn (een lang wapen met gladde loop Le Croissant, type Juxtapose, serienummer 34939), waarvoor proces- verbaal […] werd opgesteld. Van een wapenbezitter mag worden verwacht dat hij ALLE regels inzake wapenbezit met de nodige nauwgezetheid en het nodige respect naleeft, inclusief de administratieve verplichtingen. De wapenwetgeving is immers in de eerste plaats gericht op de vrijwaring van de openbare orde en veiligheid. Het niet strikt naleven van deze regelgeving kan dan ook desastreuze gevolgen hebben en zeer zeker een gevaar inhouden voor die openbare orde en veiligheid. Het is best mogelijk dat u uw administratieve verplichtingen niet heeft nageleefd uit vergetelheid, slordigheid of nalatigheid. Het is echter de verantwoordelijkheid van de wapenbezitter zelf om zich ervan te vergewissen dat hij ten allen tijde de wapenwetgeving respecteert. Onzorgvuldigheid op dit vlak is onaanvaardbaar. De vergunnings- en registratieplicht is niet louter een administratieve verplichting. Het is ook van belang met het oog op de ordehandhaving dat de overheid – en in het bijzonder politiediensten – perfect weten welke wapens zich op een adres bevinden. Indien een administratieve inbeslagname zich opdringt – bijvoorbeeld in het kader van een conflictsituatie of een dreigend gevaar – dienen zij zich ervan te vergewissen dat ook alle wapens in beslag worden genomen. Dit kan enkel wanneer zij beschikken over correcte en volledige informatie. Wanneer in dergelijke omstandigheden niet alle vuurwapens worden meegenomen kunnen er zich alsnog incidenten of ongelukken voordoen met vuurwapens. Met andere woorden, de vergunnings- en registratieverplichting betreft eveneens een instrument om de openbare orde en veiligheid te vrijwaren. Wanneer men niet voldoet aan deze verplichting kan die openbare orde en veiligheid in het gedrang komen. XII-9958-4/16 Op grond van al deze elementen is het niet onredelijk om te besluiten dat een preventieve maatregel inzake uw wapenbezit aangewezen is ter vrijwaring van de openbare orde en veiligheid.” IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  16. In een eerste middel wordt de schending aangevoerd van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: wet van 29 juli 1991), het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. Verzoeker zet het volgende uiteen: “Uit het advies van de lokale politie, regio Beringen-Ham-Tessenderlo (zone 5373) d.d. 31 juli 2024 blijkt overduidelijk dat er ten aanzien van verzoeker niet de minste indicaties zijn dat hij een gevaar zou vormen voor de openbare veiligheid. In casu heeft men een moraliteitsonderzoek verricht bij verzoeker op 6 juli 2024, waaruit geconcludeerd wordt om gunstig te adviseren. Tevens verwijst verzoeker naar de e-mail van de lokale politie dewelke hij in het kader van de beroepsprocedure bezorgde, waarbij nogmaals wordt benadrukt dat het gunstig advies gewoon terecht is […]. […] Verder is het dus duidelijk dat de bestreden beslissing op twee adviezen is gesteund. Enerzijds zou het gesteund zijn op een ongunstig advies van de korpschef van de politiezone Beringen-Ham-Tessenderlo. Dit advies bevindt zich niet in het dossier dat aan verzoeker is overgemaakt. Bijgevolg kan hier ook geen rekening mee worden gehouden. Anderzijds is de bestreden beslissing gesteund op het ongunstig advies van de procureur des Konings van Limburg. Dit advies is gesteund op het proces-verbaal, opgesteld door de lokale politie van Beringen-Ham-Tessenderlo en is gekend onder het nummer […]. Uit dit proces-verbaal meent de procureur te moeten afleiden dat ongunstig moet worden geadviseerd omdat verzoeker een gevaar zou vormen voor de openbare orde en veiligheid. Echter, noch in het advies, noch in de bestreden beslissing wordt concreet hard gemaakt waarom het handelen van verzoeker een gevaar vormde voor de openbare orde en veiligheid, laat staan waarom dit nog steeds het geval zou zijn. […] XII-9958-5/16 Wat dat betreft, dient verzoeker er dus op te wijzen dat het zogenaamde ongunstige advies van de korpschef niet aanwezig is in het dossier. Het is dan ook vreemd dat de bestreden beslissing daarop wordt gesteund. Nochtans heeft verzoeker hier uitdrukkelijk op gewezen in zijn aanvullende nota d.d. 20 september
  17. Alleen al om die reden dient de bestreden beslissing vernietigd te worden. Men steunt de beslissing op een advies dat nooit aan verzoeker is kenbaar gemaakt en dat noch in eerste aanleg, noch bij de bestreden beslissing werd gevoegd. Verzoeker heeft dus geen enkele kennis van dit zogenaamd advies, er is geen enkel spoor van dit advies terug te vinden in het dossier. Alleen om die reden is de motiveringsplicht, alsook het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden. […] Voorts blijkt dus uit de bestreden beslissing zelf dat er concreet moet aangetoond worden uit welke elementen blijkt dat er een gevaar zou zijn voor de openbare orde en veiligheid. Dit is in casu niet het geval, minstens wordt dit niet aangetoond. […] Met andere woorden, gezien verzoeker over een Europese vuurwapenpas beschikt, dient verzoeker niet over een vergunning te beschikken, mits hij kan aantonen dat hij daadwerkelijk schietsportactiviteiten gaat uitoefenen in het land waar hij zich naartoe begeeft. Het bewijs kan geleverd worden door een uitnodiging of enig ander bewijs waaruit blijkt dat verzoeker zou deelnemen aan dergelijke schietsportactiviteiten. Verzoeker heeft altijd gesteld dat hij ook effectief zijn vuurwapen mee had naar Spanje om aldaar te gaan kleiduifschieten. Dit is ook correct. Verzoeker werd mondeling uitgenodigd en heeft nadien gevraagd om deze uitnodiging schriftelijk te bevestigen zodat hij deze uitnodiging kon voorleggen aan de betrokken diensten […]. […] Het wordt echt absurd wanneer men in de bestreden beslissing louter stelt dat verzoeker niet aantoont ‘dat u daadwerkelijk de sport van het kleiduifschieten heeft beoefend’. Verwerende partij gaat hiermee volledig in tegen de stukken van het dossier. Verzoeker heeft immers een uitnodiging voorgelegd en verwerende partij stelt louter dat verzoeker niet aantoont dat hij ‘daadwerkelijk de sport van het kleiduifschieten heeft beoefend’. Men stelt de echtheid van het document niet in vraag, men stelt niet dat dit onvoldoende bewijs oplevert. Neen, verwerende partij stelt louter dat verzoeker dit niet aantoont. Het stuk van verzoeker wordt door verwerende partij gewoon aan de kant geschoven alsof het niet bestaat. Ook om die reden is de motiveringsplicht en het zorgvuldigheidbeginsel geschonden. Verwerende partij had immers het stuk moeten onderzoeken en moeten betrekken in de besluitvorming en zodoende moeten motiveren waarom het stuk niet volstaat. Het stuk gewoon naast zich neerleggen en doen alsof het niet bestaat, kan vanzelfsprekend niet. […] De procureur handhaaft in de beroepsprocedure ook louter zijn eerder ongunstig advies. Verzoeker heeft inderdaad een minnelijke schikking betaald van €250,00 en toont hiermee duidelijk aan zijn verantwoordelijkheid te willen nemen. Dit betekent echter niet dat verzoeker ook daadwerkelijk een gevaar vormt voor de openbare orde en veiligheid. Dit toont des te meer aan dat verzoeker een zeer verantwoordelijk persoon is. XII-9958-6/16 Wat het specifiek het advies van de procureur des Konings betreft, is dit gebaseerd op het pv dat werd opgesteld door de lokale politie met nummer […]. Wat bijzonder is hieraan, is dat het pv werd opgesteld door Eerste Inspecteur, T.L. Laat dit nu net diezelfde inspecteur zijn die het moraliteitsonderzoek heeft verricht bij verzoeker en gunstig heeft geadviseerd. Het is dan ook merkwaardig dat de opsteller van het pv, die verzoeker trouwens door en door kent, veel beter dan de procureur des Konings, gunstig adviseert, maar dat de procureur toch zijn ongunstig advies blijft behouden, zonder enige verdere motivering. Het is bovendien ook nog eens diezelfde inspecteur die in de bijgevoegde e-mail uitdrukkelijk bevestigd dat het gunstige advies ‘gewoon terecht is’ […]. Ook het schrijven dat mevrouw E.V. heeft gericht aan de procureur bij de adviesaanvraag is bijzonder misleidend. Zij stelt immers louter dat verzoeker over een Belgische vergunning beschikt en het wapen mee naar Spanje heeft genomen, in strijd met deze Belgische vergunning. Dat verzoeker over een Europese wapenpas beschikt wordt daarbij volledig genegeerd en niet vermeld. Dit is nochtans belangrijke informatie om mee in rekening te nemen wanneer het wapen naar Spanje wordt vervoerd. Tevens wordt gesteld dat verzoeker zijn wapens ‘permanent’ opsloeg in Spanje. Ook deze informatie is absoluut niet correct. Verzoeker heeft zijn wapen louter meegenomen naar Spanje om te gaan kleiduifschieten, beschikte daarbij over een Europese wapenpas en zou nadien het wapen terug mee naar huis (België) nemen. Mevrouw V. tracht de procureur dus op allerlei manieren te misleiden en bezorgd daarbij compleet foutieve informatie die nergens in het dossier wordt teruggevonden. Integendeel, deze informatie wordt zelf tegengesproken. Het kan onmogelijk de bedoeling zijn dat er te pas en te onpas door mevrouw V. verkeerde gegevens worden toegevoegd aan het dossier. Men dient zich te houden aan het proces-verbaal, waaruit duidelijk blijkt dat verzoeker zijn wapen mee heeft genomen naar Spanje om te gaan kleiduifschieten, maar door ongelukkige omstandigheden vroegtijdig diende terug te keren en daarbij zijn wapen (niet geheel onlogisch) niet heeft meegenomen gezien hij dit was vergeten omwille van het jammerlijk overlijden van zijn schoonmoeder. […] Tot slot moet nog worden opgemerkt dat het pv werd opgesteld voor ‘inbreuken ivm opslagplaats/opslag van vuurwapens, munitie en/of onderdelen’. Hieruit mag dan ook niet zomaar worden afgeleid dat verzoeker een gevaar zou vormen voor de openbare orde en veiligheid. Temeer nu uit het moraliteitsonderzoek van de lokale politie blijkt dat de opslagplaats voldoet aan de wettelijke vereisten. De wapens werden in België altijd veilig opgeslagen in een wapenkluis.”
  18. In zijn memorie van wederantwoord benadrukt verzoeker dat uit het gevoerde verweer niet blijkt op grond waarvan de verwerende partij heeft aangenomen dat er een effectief gevaar voor de openbare orde en veiligheid bestaat. XII-9958-7/16
  19. Verzoeker laat in zijn laatste memorie nog gelden dat in de in eerste aanleg genomen beslissing van de gouverneur van de provincie Limburg gewag wordt gemaakt van een ongunstig advies van de korpschef van de politiezone Beringen-Ham-Tessenderlo, terwijl het bestaan van dit advies in het kader van de bestuurlijke beroepsprocedure bij de minister van Justitie wordt ontkend. Voorts argumenteert hij dat het “voorhanden mogen hebben” van een vuurwapen, in de zin van artikel 17, lid 2, van richtlijn (EU) 2021/555 van het Europees Parlement en de Raad van 24 maart 2021 inzake de controle op de verwerving en het voorhanden hebben van wapens (codificatie) (hierna: richtlijn (EU) 2021/555), betekent dat “men het vuurwapen enkel bij de hand mag hebben tijdens de uitoefening, zonder dat er iets wordt gezegd over de ‘overbrenging’”. Beoordeling
  20. Overeenkomstig de artikelen 11, § 1, tweede lid, en 13, eerste lid, van de wet van 8 juni 2006 ‘houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens’ (hierna: wapenwet) kan de provinciegouverneur bevoegd voor de verblijfplaats van de betrokkene de wapenvergunning – respectievelijk het recht om een wapen voorhanden te hebben – bij een met redenen omklede beslissing beperken, schorsen of intrekken indien blijkt dat het voorhanden hebben van het wapen de openbare orde kan verstoren. Het gaat om preventieve maatregelen die een gevaar voor de openbare orde moeten voorkomen. Met betrekking tot de beoordeling van het gevaar dat de betrokkene inhoudt voor de openbare orde, beschikken de provinciegouverneur en ook de minister van Justitie, die zich hierover in beroep dient uit te spreken op grond van artikel 30 van de wapenwet, over een ruime discretionaire bevoegdheid. Zij kunnen uit bepaalde feiten afleiden dat het vuurwapenbezit de openbare orde kan verstoren. Het is in dit verband niet vereist dat de openbare orde daadwerkelijk wordt verstoord. Evenmin is vereist dat de betrokkene veroordeeld is voor een misdrijf. Feiten en gedragingen die doen vrezen dat het voorhanden hebben van het XII-9958-8/16 wapen door de betrokkene de openbare orde kan verstoren en die genoegzaam vaststaan, zijn voldoende.
  21. Het past in de eerste plaats vast te stellen dat de bestreden beslissing formeel met redenen is omkleed (zie supra, randnr. 3.9). Uit die motivering blijkt dat het recht op wapenbezit van verzoeker wordt ingetrokken ter vrijwaring van de openbare orde en veiligheid. De enkele omstandigheid dat verzoeker zich niet kan vinden in de uitdrukkelijk opgegeven motieven, leidt niet tot het besluit dat deze motieven met een onwettigheid zijn behept.
  22. Aangaande de feiten die aan de basis liggen van de intrekking van het recht om vuurwapens voorhanden te hebben, heeft verzoeker de volgende verklaring afgelegd: “Ik wens aangifte te doen van diefstal in mijn woning in Spanje met braak. Ik heb een tweede woning in Spanje […]. Ik ben de laatst keer op 19/02/2023 daar geweest ik ben toen naar België terug gekomen. Op 27/02/2023 hebben buren mij laten weten vanuit Spanje dat er in gebroken was. Ze hadden me foto’s verzonden van de schade aldaar. Ik had toen al een vermoeden dat een wapen van mij aldaar gestolen was. Dit wapen is een lang wapen met gladde loop type juxtapose van het merk le Croissant caliber 12 met serienummer 34939 Ik heb voor dit wapen een vergunning. Ik heb dit wapen destijds met de auto ginder gebracht om te kleiduif schieten. Ik ben dan op 12 maart 2023 terug naar Spanje gegaan en heb alles nagekeken. het was […] dus effectief gestolen. Ik ben dan aangifte gaan doen in Spanje ook mijn buren hebben aangifte gedaan. ik overhandig u zowel mijn aangifte als die van de buren. Een tralie voor een raam werd open geplooid. Er is dan vervolgens een raam uit het kozijn gehoffen en zijn ze zo binnen geraakt en hebben ze het wapen gestolen. De munitie werd niet gestolen. Ik ga later nog contact opnemen met de provincie. De politie in Spanje heeft ook het nodige doorgegeven aan interpol.” Uit die verklaring blijkt ontegensprekelijk dat verzoeker zijn in België vergunde vuurwapen naar Spanje heeft overgebracht om deel te nemen aan een schietsportactiviteit (kleiduifschieten) en dat hij het aldaar heeft achtergelaten op het ogenblik dat hij zich terug naar België heeft begeven.
  23. Artikel 35, § 1, van het decreet van 15 juni 2012 ‘betreffende de in-, uit-, doorvoer en overbrenging van defensiegerelateerde producten, ander voor militair gebruik dienstig materiaal, ordehandhavingsmateriaal, civiele vuurwapens, XII-9958-9/16 onderdelen en munitie’ (hierna: Wapenhandeldecreet) bepaalt dat personen die “in het bezit zijn van de Europese Vuurwapenpas, vermeld in het koninklijk besluit van 8 augustus 1994 betreffende de Europese Vuurwapenpassen, het vuurwapen of de vuurwapens die daarin vermeld staan, de bijhorende onderdelen en een proportionele hoeveelheid munitie, zonder vergunning voor de duur van hun jaag- of schietsportactiviteiten [kunnen] overbrengen vanuit en naar lidstaten van de EU, op voorwaarde dat ze op basis van een uitnodiging of een ander bewijs kunnen aantonen dat ze de vuurwapens daadwerkelijk overbrengen om deel te nemen aan jaag- of schietsportactiviteiten”. In de memorie van toelichting bij het ontwerp dat geleid heeft tot het Wapenhandeldecreet (Ontwerp van decreet betreffende de in-, uit-, doorvoer en overbrenging van defensiegerelateerde producten, ander voor militair gebruik dienstig materiaal, ordehandhavingsmateriaal, civiele vuurwapens, onderdelen en munitie, VL. PARL., 2011-2012, 21 november 2011, nr. 1371/1, 29-30), staat over die bepaling te lezen: “Dit artikel zet artikel 12 van richtlijn 91/477 gedeeltelijk om. Paragraaf 1 – Jaag- of schietsportactiviteiten Artikel 12, tweede lid, stelt dat deze afwijking niet geldt voor reizen naar een lidstaat die de verwerving en voorhanden hebben van het betrokken wapen verbiedt of krachtens artikel 8, derde lid, van richtlijn 91/477 aan een vergunning onderwerpt. Aangezien de gouverneur bij het verlenen van de Europese Vuurwapenpas al op de pas zelf moet vermelden dat de pas in dergelijke landen niet geldig is, wordt automatisch het gebruik van de pas voor de overbrenging van de betreffende wapens naar dergelijke landen uitgesloten (cf. artikel 4 van het koninklijk besluit van 8 augustus 1994 betreffende de Europese Vuurwapenpassen). Onder ‘schietsportactiviteiten’ wordt zowel het sportief als recreatief schieten in de zin van artikel 11, § 3, punt 9°, sub-punt b), van de Wapenwet van 8 juni 2006 verstaan. Samen met hun vuurwapens kunnen de betreffende personen ook de onderdelen die bij die vuurwapens horen meenemen en een redelijke hoeveelheid munitie, proportioneel met de duur en de aard van de jaag- of schietsportactiviteiten. Dit is op dit moment al de gangbare praktijk. Als indicatief maximumhoeveelheid wordt voor jagers 800 kogels of patronen en voor sportschutters of recreatieve schutters 1200 kogels of patronen naar voor geschoven.”
  24. Richtlijn 91/477/EEG van de Raad van 18 juni 1991 inzake de controle op de verwerving en het voorhanden hebben van wapens (hierna: richtlijn XII-9958-10/16 91/477/EEG) werd ingetrokken door richtlijn (EU) 2021/
  25. Artikel 17, lid 2, van richtlijn (EU) 2021/555 – dat de tekst van artikel 12 van richtlijn 91/477/EEG heeft vervangen – luidt: “Niettegenstaande lid 1 kunnen jagers en personen die historische gebeurtenissen naspelen, voor wat betreft in categorie C ingedeelde vuurwapens, en sportschutters, voor wat betreft in categorie B of C ingedeelde vuurwapens en in categorie A ingedeelde vuurwapens waarvoor een vergunning werd verleend krachtens artikel 9, lid 6, of waarvan de vergunning werd bevestigd, vernieuwd of verlengd krachtens artikel 10, lid 5, voor de uitoefening van hun activiteit zonder de in artikel 16, lid 2, bedoelde voorafgaande toestemming gedurende een reis door twee of meer lidstaten een of meer vuurwapens voorhanden hebben, op voorwaarde dat: a) zij in het bezit zijn van een Europese vuurwapenpas waarin dit vuurwapen of deze vuurwapens zijn vermeld, en b) zij de reden van de reis kunnen aantonen, met name door het voorleggen van een uitnodiging of een ander bewijs voor hun activiteiten als jager, sportschutter of deelnemer bij het naspelen van historische gebeurtenissen in de lidstaat van bestemming. […].”
  26. Op grond van artikel 35, § 1, van het Wapenhandeldecreet kan een vuurwapen, samen met een redelijk te verantwoorden hoeveelheid munitie, zonder voorafgaande vergunning of toestemming naar een andere lidstaat van de Europese Unie worden overgebracht met het oog op de uitoefening van onder meer een schietsportactiviteit. De overbrenging op grond van voormelde bepaling heeft slechts een tijdelijk karakter en is strikt verbonden met de daadwerkelijke uitoefening van de schietsportactiviteit in de lidstaat van bestemming.
  27. Verzoeker verwijst naar een brief, gedagtekend op 13 mei 2024, waarbij hij door een in Spanje gevestigde schietclub werd uitgenodigd om deel te nemen aan het kleiduifschieten tijdens het winterseizoen (wintertime period) van 1 november 2022 tot 30 april
  28. Uit de gegevens van de zaak (zie supra, randnr. 9) blijkt echter dat het vuurwapen van verzoeker in Spanje werd gestolen op een ogenblik dat hij zich terug naar België had begeven, zodat de aanwezigheid van dat wapen in Spanje niet gerechtvaardigd kan worden wegens de deelname van verzoeker aan een door artikel 35, § 1, van het Wapenhandeldecreet bedoelde schietsportactiviteit XII-9958-11/16 in dat land. Aangezien voormelde bepaling tegelijk vereist dat de overbrenging van het vuurwapen “daadwerkelijk” gericht moet zijn op de deelname aan een schietsportactiviteit en de overbrenging ervan zonder vergunning slechts toegelaten is “voor de duur” van de schietsportactiviteit, faalt het standpunt van verzoeker, dat hij het wapen naar Spanje kon overbrengen (en desnoods achterlaten) gedurende de volledige periode van 1 november 2022 tot 30 april 2023, naar recht.
  29. Artikel 13, eerste lid, van de wapenwet bepaalt: “Indien blijkt dat het voorhanden hebben van de in artikel 12 bedoelde wapens de openbare orde kan verstoren, kan de gouverneur bevoegd voor de verblijfplaats van de betrokkene en de Minister van Justitie indien het een persoon zonder verblijfplaats in België betreft, het recht om het wapen voorhanden te hebben bij een met redenen omklede beslissing beperken, schorsen of intrekken. Dit doet hij na het advies te hebben ingewonnen van de procureur des Konings van het arrondissement waar de betrokkene zijn verblijfplaats heeft en volgens een procedure bepaald door de Koning.” De lokale politie heeft op 29 juni 2023 aan de provinciale wapendienst gemeld dat lastens verzoeker een proces-verbaal werd opgesteld wegens het overtreden van de regelgeving inzake de opslag van vuurwapens. Het is ingevolge die melding dat met toepassing van artikel 13, eerste lid, van de wapenwet het advies van de procureur des Konings werd ingewonnen. In zijn advies van 18 april 2024 wijst de procureur des Konings op een inbreuk op het Wapenhandeldecreet en op een, naar zijn oordeel, “gebrek aan respect voor de geldende regelgeving” waardoor verzoeker “een gevaar voor de openbare orde en veiligheid” vormt. In het middel gaat verzoeker er ten onrechte van uit dat de intrekking van het recht op wapenbezit mede steunt op het “ongunstig advies van de korpschef van de politiezone Beringen-Ham-Tessenderlo”. Ook kan verzoeker niet worden bijgetreden in zoverre hij meent dat uit het ongunstig advies van de procureur des Konings niet kan worden afgeleid waarom er sprake is van een gevaar voor de openbare orde en veiligheid. XII-9958-12/16
  30. Het verlenen van het recht op wapenbezit is afhankelijk van het vertrouwen van de overheid dat de begunstigde de wapenwetgeving nauwgezet zal naleven en dat hij op geen enkel ogenblik een gevaar vormt voor de openbare orde en veiligheid. In voorliggend geval heeft de verwerende partij op grond van de vaststelling dat verzoeker het Wapenhandeldecreet heeft geschonden door zijn in België vergunde vuurwapen in Spanje achter te laten, wettig kunnen besluiten dat verzoeker een essentiële verplichting die gepaard gaat met het recht op wapenbezit heeft miskend en dat zijn nalatig gedrag een potentieel gevaar voor de openbare orde en veiligheid impliceert.
  31. Het eerste middel is ongegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  32. In het tweede middel wordt de schending aangevoerd van het redelijkheidsbeginsel. Verzoeker betoogt in het verzoekschrift tot nietigverklaring: “Nergens in de beslissing werd nagegaan of er minder strenge maatregelen opgelegd zouden kunnen worden om het gevaar tegen te gaan. Ook dit argument wordt andermaal niet besproken in de beslissing. Nochtans kan beargumenteerd worden dat minder verregaande maatregelen volstaan. Ten eerste omdat verzoeker duidelijk wél in regel is met de wetgeving in België, waarbij hij zijn wapens correct opslaat conform alle geldende regels. Bovendien, mocht dit het probleem zijn, dan zou bv. een maatregel kunnen worden genomen dat verzoeker zijn wapens permanent bij een schietclub dient te bewaren en enkel voor het uitoefenen van het kleiduifschieten de wapens mag ophalen en verplaatsen. Ten tweede blijkt uit het moraliteitsonderzoek dat van de lokale politiezone Beringen-Ham-Tessenderlo dat verzoeker absoluut geen gevaar vormt voor de openbare orde en veiligheid. Ten derde kan verzoeker zich beroepen op de uitzondering van art. 35, § 1 Wapenhandeldecreet zodat hij geen bijkomende vergunning nodig had om zijn wapen mee te nemen naar Spanje en zodoende er de facto enkel nog de overtreding rest inzake de opslag van het vuurwapen in Spanje (nl. gewoon in een kleerkast). Hierbij moet worden opgemerkt dat verzoeker een tweede XII-9958-13/16 verblijf heeft in Spanje en dat hij hals over kop moest terugkeren naar België omwille van het overlijden. Verzoeker heeft bovendien wel zijn verplichting nageleefd om de diefstal van zijn vuurwapen te melden bij de lokale politie, zoals voorgeschreven door art. 10 Wapenwet. Vastgesteld moet worden dat verzoeker dan ook zijn verantwoordelijkheden neemt en absoluut geen gevaar vormt voor de openbare veiligheid. Ook het redelijkheidsbeginsel is geschonden nu er ook minder verregaande maatregelen hadden kunnen worden genomen.”
  33. In zijn memorie van wederantwoord stelt verzoeker nog: “Verwerende partij is wel bijzonder beknopt in haar ‘verweer’. Zij stelt niets meer dan dat verzoeker niet aannemelijk maakt dat de verwerende partij de grenzen van een redelijke uitoefening van haar beoordelingsvrijheid te buiten is gegaan door te oordelen dat er indicaties zijn dat vuurwapenbezit een potentieel gevaar inhouden voor de openbare orde en veiligheid. Door zich te steunen op het ongunstig advies van de procureur des Konings dat op haar beurt gebaseerd is op niet betwiste feiten. […] Nergens in de beslissing werd nagegaan of er minder strenge maatregelen opgelegd zouden kunnen worden om het gevaar, voor zover aanwezig, tegen te gaan.”
  34. Verzoeker benadrukt in zijn laatste memorie dat hij wel degelijk in overeenstemming met de geldende regelgeving heeft gehandeld, dat uit het onderzoek van de lokale politie blijkt dat hij geen gevaar vormt voor de openbare orde en veiligheid, dat in de bestreden beslissing hem niet wordt verweten de Spaanse voorschriften inzake vuurwapenopslag te hebben miskend en dat hij onmiddellijk aangifte heeft gedaan van de diefstal van het vuurwapen in kwestie. Beoordeling
  35. Een schending van het redelijkheidsbeginsel veronderstelt dat de overheid bij het nemen van de beslissing onredelijk heeft gehandeld, met andere woorden dat zij de haar toegekende discretionaire beoordelings- of beleidsvrijheid onjuist heeft gebruikt. Van een schending van het redelijkheidsbeginsel kan slechts sprake zijn wanneer een beslissing, waarvan is vastgesteld dat ze berust op deugdelijke grondslagen, inhoudelijk dermate afwijkt van het normale beslissingspatroon of, nog, er een zodanige wanverhouding bestaat tussen die motieven en de inhoud van de beslissing, dat het niet denkbaar is dat een andere XII-9958-14/16 zorgvuldig handelende administratieve overheid in dezelfde omstandigheden tot die besluitvorming zou komen of die beslissing zou nemen.
  36. Aangezien het eerste middel ongegrond wordt bevonden, staat vast dat verzoeker artikel 35, § 1, van het Wapenhandeldecreet heeft miskend. De verwerende partij heeft binnen de grenzen van de redelijke beoordelingsvrijheid gehandeld door het recht op wapenbezit in te trekken op grond van deze vaststelling. Het is immers niet onredelijk om het nalatig gedrag van verzoeker aan te merken als een ernstige inbreuk op de verplichtingen die verbonden zijn aan het wapenbezit en er een reëel gevaar voor de openbare orde en veiligheid in te zien (zie ook supra, randnr. 15). De bestreden beslissing wordt naar recht afdoende verantwoord door de vaststelling van de miskenning van de regels die het Wapenhandeldecreet oplegt voor de overbrenging van vuurwapens naar het buitenland, zodat het niet ter zake doet of verzoeker al dan niet de voorschriften voor het bewaren van vuurwapens steeds correct heeft nageleefd. Ook het feit dat de lokale politie een gunstig advies heeft uitgebracht over de ‘algemene moraliteit’ van verzoeker, leidt niet tot het besluit dat de strekking van de bestreden beslissing getuigt van onredelijkheid. Tot slot geldt hetzelfde voor wat betreft de enkele omstandigheid dat verzoeker onmiddellijk aangifte heeft gedaan van de diefstal van het wapen.
  37. Het tweede middel is ongegrond. BESLISSING
  38. De Raad van State verwerpt het beroep.
  39. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. XII-9958-15/16 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op twaalf mei tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Chantal Bamps kamervoorzitter, Peter Sourbron staatsraad, Ann Coolsaet staatsraad, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Chantal Bamps XII-9958-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.671 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.