id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.683 Rolnummer: A. 247927/XIV-40150 Zaak: Arrest 266683 - Overheidsopdrachten - 13/05/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-05-13 Raadplegingen: 34 - laatst gezien 2026-06-18 17:35 Fiche Arrest nr 266.683 van 13 mei 2026 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.683 no lien 289305 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 266.683 van 13 mei 2026 in de zaak A. 247.927/XIV-40.150 In zake: de NV A. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Rika Heijse kantoor houdend te 9052 Gent Dorpsstraat 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: 1. de OPDRACHTHOUDENDE VERENIGING FARYS 2. de CV CREAT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Nathanaëlle Kiekens, Matthias De Groot en Elise Descheemaeker kantoor houdend te 1000 Brussel Loksumstraat 25 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: de BV L. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jos Timmermans kantoor houdend te 9300 Aalst Leo de Béthunelaan 46 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 17 april 2026, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van: “- de beslissing van 25 maart 2026 van de Raad van bestuur van Farys en de beslissing van 31 maart 2026 van het College van Bestuurders van Creat [cv], XIV-40.150-1/35 meegedeeld bij brief van 2 april 2026 waarbij de raamovereenkomst voor het huren van watersystemen en het aankopen van de bijhorende verbruiksproducten aan de inschrijver [de bv L.], met zetel te […], ingeschreven in de KBO […] wordt gegund; - de impliciete beslissing van de Raad van bestuur van Farys en van het College van Bestuurders van Creat [cv] om de raamovereenkomst voor het huren van watersystemen en het aankopen van de bijhorende verbruiksproducten, niet aan [de nv A.] te gunnen;”. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij beschikking van 20 april 2026 werd, in samenspraak met het aangeduide lid van het auditoraat, de procedurekalender vastgesteld. De verwerende partijen hebben een nota met opmerkingen en een administratief dossier ingediend. Met een verzoekschrift van 28 april 2026 heeft [de bv L.] gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 6 mei 2026, om 14.00 uur. Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht. Advocaat Rika Heijse, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaten Matthias De Groot en Elise Descheemaeker, die verschijnen voor de verwerende partijen, en advocaat Jos Timmermans, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Ines Martens heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. XIV-40.150-2/35 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. De verwerende partij heeft een overheidsopdracht voor leveringen in de vorm van een raamovereenkomst in de markt geplaatst met als voorwerp ‘het huren van watersystemen die worden aangesloten op het drinkwaternet met een bijhorend onderhoudscontract en het aankopen van de bijhorende verbruiksproducten’. Er wordt gekozen voor een openbare procedure. De opdracht wordt nationaal en Europees bekendgemaakt. 3.2. Op de opdracht is het bijzonder bestek met referentie ‘ALL-25- 005’ van toepassing. Wat het voorwerp en de aard van de opdracht betreft, stelt het bestek onder meer wat volgt: “Deze opdracht betreft een raamovereenkomst waarbij de voorwaarden van de opdracht worden overeen gekomen, die zullen worden in acht genomen bij het uitvoeren van de latere opdrachten. De raamovereenkomst schept een contractueel kader met betrekking tot het vastleggen van de voorwaarden van individuele opdrachten betreffende het leveren van watersystemen en de bijhorende verbruiksproducten. Meer specifiek gaat het om de verhuur van watersystemen die worden aangesloten op het drinkwaternet met een bijhorende onderhoudscontract en de aankoop van bijhorende verbruiksproducten. De aanbesteder wenst een duurzame overheidsopdracht uit te schrijven met aandacht voor ecologische, sociale en beleidsprincipes. Het is voor de aanbesteder belangrijk om een voorbeeldfunctie uit te oefenen en duurzame producten aan te kopen alsook aan te bieden aan de afnemers van de aankoopcentrale. Op grond van de gesloten overeenkomst(
- en)zal de weerhouden inschrijver tijdens de looptijd ervan dezelfde voorwaarden ook aanbieden aan eventuele toekomstige afnemers. Door zijn inschrijving verklaart de inschrijver zich akkoord met deze manier van werken zonder meerkosten. De raamovereenkomst zal met 1 opdrachtnemer gesloten worden. XIV-40.150-3/35 De opdrachten binnen deze raamovereenkomst zullen tot stand komen door middel van afroepen op basis van een bestelling. […] Louter informatief wordt meegegeven dat op het moment van deze publicatie Farys 49 systemen huurt op 28 verschillende leveradressen. Via de CREAT aankoopcentrale nemen op het moment van deze publicatie 202 afnemers deel aan de huidige overeenkomst; er werden voor 184 afnemers reeds 1302 systemen geplaatst op 710 leveradressen – voor de overige afnemers waren de leveringen nog lopende. De huidige afnemers zijn actief in verschillende sectoren (steden, gemeenten, autonome gemeentebedrijven, OCMW’s, hulpverleningszones, politiezones, woonmaatschappijen, onderwijs- en zorginstellingen) en regio’s (alle Vlaamse provincies en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest). Benadrukt wordt dat de raamovereenkomst geen exclusiviteit belooft en dat geen minimum afnames worden gegarandeerd. Binnen de contractuele voorwaarden is de opdrachtnemer evenwel verplicht elke opdracht te aanvaarden.” De overeenkomst wordt afgesloten voor een periode van 4 jaar. De looptijd van de individuele opdrachten, gesloten binnen de raamovereenkomst, bedraagt 5 jaar, tweemaal verlengbaar met 1 jaar. Deze looptijd wordt gemotiveerd rekening houdend met een verwachte gebruiksduur van de toestellen welke de 4 jaar overschrijdt. De beëindiging van de raamovereenkomst brengt niet de beëindiging met zich mee van de bijzondere opdrachten die binnen de raamovereenkomst werden afgesloten. Deze concrete opdrachten zullen tot het einde van hun eigen termijn van kracht blijven en zullen verder beheerst worden door de bepalingen van de raamovereenkomst. 3.3. Wat de gunningscriteria betreft bepaalt rubriek ’13.4. Gunningscriteria’ van het bestek dat de overeenkomst zal worden gegund aan de inschrijver met: “[d]e economisch voordeligste regelmatige offerte […], bepaald door toetsing van de regelmatige offertes aan volgende gunningscriteria: Criterium 1: de inschrijvingsprijs (ponderatie 70 %) Voor de prijsvergelijking worden de in de inventaris opgegeven hoeveelheden vermenigvuldigd met de ingeschreven eenheidsprijs voor de verschillende posten. Van deze producten wordt de som berekend om zo het totale inschrijvingsbedrag te bekomen. Methodiek De quoteringen worden berekend aan de hand van de volgende formule: Quotatie = 50 + (gemiddelde van de totaalbedragen-totaalbedrag) x 50 gemiddelde van de totaalbedragen Waarbij: - quotatie: de score behaald door de inschrijver; - totaalbedrag: het inschrijvingsbedrag van de inschrijver; XIV-40.150-4/35 - gemiddelde van de totaalbedragen: het rekenkundig gemiddelde van de totale inschrijvingsbedragen van alle inschrijvers. De aldus bekomen quotatie wordt tenslotte gepondereerd naar 70 %. Criterium 2: de kwaliteit van de aangeboden dienstverlening (ponderatie 20 %) De inschrijver wordt gevraagd een nota (plan van aanpak) toe te voegen waarin hij concreet de modaliteiten betreffende de aangeboden organisatie en dienstverlening omschrijft. Deze nota bestaat uit max. 10 A4-bladzijden, lettertype lucida sans 10. Verwijzingen naar externe documenten of websites worden niet bekeken en alles na bladzijde 10 in dit document zal niet bekeken worden. In deze nota dienen volgende aspecten aan bod te komen: • de maximale levertermijn voor de plaatsing van de toestellen en de levering van de verbruiksproducten (in te vullen in ‘DEEL 4 inschrijvingsbiljet’ van onderhavig bestek); • de bereikbaarheid van de storingsdienst; • de maximale termijn voor contactname met de klant na melding van een storing; • de maximale interventietermijn na melding van een storing; • de te volgen stappen bij herstellingen opdat een systeem zo snel mogelijk terug operationeel is (bv. remote desk support); • de werkwijze van de planning van het preventief onderhoud en de manier van communicatie hierover met de afnemer; • de wijze en timing van feedback en rapportage na onderhoud of herstelling; • de mogelijkheden om de watersystemen te beheren via een klantenportaal: enerzijds voor de afnemer en anderzijds voor de CREAT aankoopcentrale; • de minimale bestelhoeveelheid voor het bedrukken van glazen flessen (in te vullen in ‘DEEL 4 inschrijvingsbiljet’ van onderhavig bestek); • het omruil- en waarborgsysteem van de CO2-flessen en de praktische werkwijze bij bestelling en facturatie; • het bedrag van de waarborg van de CO2-flessen (in te vullen in ‘DEEL 4 inschrijvingsbiljet’ van onderhavig bestek); • beschikbaarheid van een webshop en de mogelijkheden tot koppeling tussen webshop en webportaal van CREAT via cXML-integratie; • de mate waarin elk aangeboden systeem uit de inventaris bijdraagt aan legionellapreventie; de kans op contaminatie of vermindering van de drinkwaterkwaliteit probeert te voorkomen en/of beschikt over een automatische spoeling of een antivriesmechanisme; • andere door de inschrijver aangeboden meerwaarden, relevant voor de uitvoering van de opdrachten in deze raamovereenkomst. Methodiek Voor het beoordelen van dit criterium wordt uitgegaan van een globale startscore (50/100). Vervolgens zal elk van bovenstaande items worden geëvalueerd. Per item zal als volgt een score, tussen -5 en +5 worden toegekend: - Items die t.o.v. het aanbod van de overige inschrijvers of t.o.v. wat gevraagd wordt in het bestek een relevante meerwaarde hebben, zullen een score krijgen van +1,25. Deze met een grote relevante meerwaarde zullen +2,5 als score krijgen. Bij zeer grote of uiterst grote relevante meerwaarde kan een score van, respectievelijk, +3,75 of +5 gegeven worden. - Items die t.o.v. het aanbod van de overige inschrijvers of t.o.v. wat gevraagd wordt in het bestek een relevante minwaarde hebben, zullen een score krijgen van -1,25. Deze met een grote relevante minwaarde zullen -2,5 als score krijgen. Bij zeer grote of uiterst grote relevante minwaarde kan een score van, respectievelijk, -3,75 of -5 gegeven worden. XIV-40.150-5/35 - Items zonder relevante wezenlijke meer- of minwaarden (t.t.z. items die (nagenoeg) gelijkaardig zijn in het aanbod van alle inschrijvers of geen wezenlijke meer- of minwaarde hebben t.o.v. wat gevraagd wordt in het bestek), zullen een nulscore krijgen en kunnen eventueel weggelaten worden uit het gunningsverslag. De behaalde scores voor elk van de items worden vervolgens opgeteld bij de globale startscore om de quotatie op 100 te bepalen. Negatieve totaalscores worden herleid naar 0/100, totaalscores hoger dan 100/100 worden herleid naar 100/100. De aldus bekomen quotatie wordt tenslotte gepondereerd naar 20 %. Criterium 3: MVO (ponderatie 10 %) De inschrijver dient zijn streven naar duurzaam ondernemen m.b.t. het uitvoeren van onderhavige opdracht toe te lichten door het invullen van de bijgevoegde vragenlijst (DEEL 6 bijlage F_MVO). Alle vragen dienen zo volledig mogelijk te worden beantwoord. In functie van de beoordeling zullen enkel antwoorden die opgenomen zijn in de vragenlijst en verband houden met de uitvoering van onderhavige opdracht in aanmerking worden genomen. Verwijzingen naar extra bijlagen of websites zullen niet meegenomen worden in de beoordeling van dit gunningscriterium. Het aantal tekens per antwoord wordt beperkt tot 2 500 tekens (incl. spaties). In deze vragenlijst komen o.a. volgende items aan bod: • energieverbruik van de voorgestelde types watersystemen in de inventaris (SDG 7: Betaalbare en duurzame energie); • toelichting productieketen (SDG 9: Industrie, innovatie en infrastructuur); • keuze voor (geografisch) strategisch gelegen productie- en/of opslagplaatsen (SDG 9: Industrie, innovatie en infrastructuur); • samenwerking met sociale werkplaatsen en/of acties/initiatieven ter bevordering van sociaal kwetsbare groepen (SDG 8: Eerlijk werk en economische groei); • reduceren impact transport - voertuigen (SDG 11: Duurzame steden en gemeenschappen); • reduceren impact transport - optimalisatie van wagengebruik en minimaliseren van transportbewegingen (SDG 11: Duurzame steden en gemeenschappen); • gerecycleerd materiaal in aangeboden watersystemen, zowel in de inventaris als de productcatalogus (SDG 12: Verantwoorde consumptie en productie); • gerecycleerd materiaal in aangeboden verbruiksproducten, zowel in de inventaris als de productcatalogus (SDG 12: Verantwoorde consumptie en productie); • duurzame end-of-life acties op het einde van de levensduur van de watersystemen (SDG 12: Verantwoorde consumptie en productie); • mogelijkheden en voorwaarden van huur van gereviseerde, tweedekans- of demo modellen met het oog op stimuleren van duurzame consumptie (SDG 12: Verantwoorde consumptie en productie); • keuze en impact van (primaire en secundaire) verpakkingen (SDG 12: Verantwoorde consumptie en productie); • andere door de inschrijver concrete acties/initiatieven in het kader van duurzaam ondernemen, relevant voor de uitvoering van de opdrachten in deze raamovereenkomst. Methodiek Voor het beoordelen van dit criterium wordt uitgegaan van een globale startscore (50/100). Vervolgens zal elk van bovenstaande items worden geëvalueerd. Per item zal als volgt een score, tussen -5 en +5 worden toegekend: - Items die t.o.v. het aanbod van de overige inschrijvers of t.o.v. wat gevraagd wordt in het bestek een relevante meerwaarde hebben, zullen een score krijgen van +1,25. Deze met een grote relevante meerwaarde zullen +2,5 als score krijgen. Bij zeer XIV-40.150-6/35 grote of uiterst grote relevante meerwaarde kan een score van, respectievelijk, +3,75 of +5 gegeven worden. - Items die t.o.v. het aanbod van de overige inschrijvers of t.o.v. wat gevraagd wordt in het bestek een relevante minwaarde hebben, zullen een score krijgen van -1,25. Deze met een grote relevante minwaarde zullen -2,5 als score krijgen. Bij zeer grote of uiterst grote relevante minwaarde kan een score van, respectievelijk, -3,75 of -5 gegeven worden. - Items zonder relevante wezenlijke meer- of minwaarden (t.t.z. items die (nagenoeg) gelijkaardig zijn in het aanbod van alle inschrijvers of geen wezenlijke meer- of minwaarde hebben t.o.v. wat gevraagd wordt in het bestek), zullen een nulscore krijgen en kunnen eventueel weggelaten worden uit het gunningsverslag. De behaalde scores voor elk van de items worden vervolgens opgeteld bij de globale startscore om de quotatie op 100 te bepalen. Negatieve totaalscores worden herleid naar 0/100, totaalscores hoger dan 100/100 worden herleid naar 100/100. De aldus bekomen quotatie wordt tenslotte gepondereerd naar 10 %. De uiteindelijke score van de offerte wordt bekomen door de som van de verschillende gunningscriteria te maken.” 3.4. Het te dezen toepasselijke bestek voorziet verder een aparte rubriek met betrekking tot de samenstelling van het inschrijvingsbedrag waarmee rekening gehouden zal worden bij beoordeling van het gunningscriterium ‘inschrijvingsprijs’. Deze rubriek luidt: “10. Prijzen 10.1. Prijzen Het betreft een overeenkomst tegen prijslijst. De geleverde hoeveelheden zullen worden verrekend aan de hand van de opgegeven eenheidsprijzen. Voor de verbruiksproducten wordt in de inventaris per artikel een vermoedelijke hoeveelheid voor de volledige looptijd van zeven jaar vermeld. Wat betreft de toestellen zal de totale kostprijs, de huurprijs per maand en het jaarlijks onderhoud, daarbovenop worden berekend op de maximale looptijd van de huurovereenkomst van zeven jaar. […] De prijzen worden in de offerte in euro uitgedrukt, gepreciseerd tot 2 cijfers na de komma. Enkel het totale inschrijvingsbedrag wordt voluit geschreven. Hiertoe werd op het inschrijvingsbiljet een plaats voorbehouden. […]. 10.2. Elementen inbegrepen in de inschrijvingsprijs De opgegeven prijzen dekken alle kosten verbonden aan de leveringen en bijhorende prestaties. Er worden onder geen beding bijkomende kosten aangerekend voor gesplitste facturatie, verzekeringen, … De opdrachtnemer is verplicht op zijn kosten alle diensten, leveringen en bijkomende werkzaamheden uit te voeren die niet expliciet vermeld zijn in een artikel van de inventaris, maar die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de leveringen zoals ze bepaald zijn in de opdrachtdocumenten en/of voor de uitvoering van dat artikel. Telkens de aanbesteder het nodig acht, wordt een evaluatie- en bijsturingsvergadering georganiseerd (zie verder: DEEL 3 – Technische bepalingen). XIV-40.150-7/35 In de prijzen zijn inzonderheid ingerekend: 1. de administratie- en secretariaatskosten; 2. de verplaatsings-, vervoers- en verzekeringskosten; 3. de kosten voor de documentatie die met de leveringen verband houdt of die door de aanbesteder wordt gevraagd; 4. de levering van documenten of van stukken die gepaard gaan met de uitvoering van de leveringen; 5. de tol- en accijnsrechten betreffende het gebruikte materieel en de producten; 6. de kosten voor verpakking (incl. terugname van de lege verpakkingen); 7. de keurings- en de opleveringskosten; 8. de kosten voor het indienst- en afstellen van de geleverde watersystemen. […] 10.3. Contributie Aankoopcentrale De aankoopcentrale zorgt voor een unieke plaatsingsprocedure die de opdrachtnemer rechtstreekse toegang biedt tot een ruime afzetmarkt. Bovendien worden behoeftes, SLA’s en werkmethodes gestandaardiseerd en wordt het contract gepromoot via o.a. de accountmanagers, het webportaal, vertegenwoordiging op beurzen en congressen, infosessies en themadagen. Voor deze voordelen (vanuit de aankoopcentrale gecreëerd) zal aan de opdrachtnemer een bijdrage van 5 % op de gerealiseerde omzet van alle afnemers (incl. Farys) worden gevraagd. Dit bedrag wordt berekend op de som van alle goedgekeurde facturen opgemaakt voor alle afnemers (incl. Farys) binnen de respectievelijke afrekenperiode. […]”. 3.5 De offertes moeten worden ingediend uiterlijk op 12 november 2025, voor 11u30. Vier offertes worden tijdig ingediend waaronder deze van de verzoekende partij en deze van de bv L., dit is de derde-belanghebbende. 3.6. Op 5 maart 2026 wordt een gunningsverslag opgesteld. Daaruit blijkt dat, na onderzoek, drie inschrijvers beantwoorden aan de vooropgestelde selectiecriteria waaronder de verzoekende partij en de derde-belanghebbende. Voorts blijkt, dat – na het gevoerde regelmatigheidsonderzoek, inclusief (algemeen) prijsonderzoek – de overblijvende offertes regelmatig worden bevonden en dat, met het oog op de prijsvergelijking, een rekenkundig nazicht heeft plaatsgevonden en dat, na verbetering, volgende inschrijvingsprijzen werden vastgesteld: Inschrijvingsprijzen (excl. btw) XIV-40.150-8/35 De verzoekende partij 8.629.649,14 euro De bv L., dit is de derde-belanghebbende 6.513.663,10 euro De nv C. 10.043.479,60 euro Wat in het bijzonder het prijsonderzoek betreft wordt in het gunningsverslag wat volgt gesteld: “6.3.3. Prijsonderzoek - abnormale (eenheids)prijzen Conform art. 35 van het KB van 18 april 2017 werd overgegaan tot het uitvoeren van het prijsonderzoek. Bij het prijsonderzoek werd vastgesteld dat de inschrijver [de bv L.] een significant lagere inschrijvingsprijs heeft opgegeven in vergelijking met de andere geselecteerde inschrijvers. Om die reden was verder onderzoek aangewezen en werd dit ook uitgevoerd. Op 17 december 2025 en 13 januari 2026 werd aan de inschrijver [de bv L.] respectievelijk een eerste en tweede verzoek tot toelichting van de prijssetting gevraagd voor watersysteem 4, watersysteem 5 en post 4.7 ‘lekbakje voor kraanmodel’ en een algemene prijssetting voor de huur- en onderhoudsprijzen en de totaalprijs. Aangezien de toelichtingen voor de watersystemen bijkomende detaillering vereisten om een objectieve vergelijking mogelijk te maken werd op 4 februari 2026 en 16 februari 2026 aan de drie geselecteerde inschrijvers [de nv C], [de verzoekende partij] en [de bv L.] gevraagd een gedetailleerd prijsbreakdown te bezorgen voor de in de offerte opgegeven huur- en onderhoudsprijzen van de verschillende watersystemen uit de inventaris. Uit de ontvangen en geanalyseerde toelichtingen blijkt dat de verschillende kostprijscomponenten (aankoopprijs van de toestellen, installatie en pick-up kosten ... ) in grote lijnen vergelijkbaar zijn tussen de drie inschrijvers. Het prijsverschil blijkt voornamelijk toe te schrijven aan de lagere marges die de inschrijver [de bv L.] hanteert bij de berekening van de totale huur- en onderhoudsprijzen per toestel. De opgegeven marges van inschrijver [de bv L.] bevinden zich echter op een aanvaardbaar niveau, waarbij zowel de dekking van algemene kosten als de winstgevendheid gegarandeerd blijven. Er werden geen aanwijzingen gevonden dat de marges ontoereikend zouden zijn om de opdracht op een correcte manier uit te voeren. Voor de verbruiksproducten hoefde geen specifieke toelichting opgevraagd te worden aan de inschrijvers [de nv C.] en [de verzoekende partij]. Uit de verstrekte toelichting voor post 4.7 ‘lekbakje voor kraanmodel’ van inschrijver [de bv L.] blijkt dat het aangeboden lekbakje technisch conform is en de lage prijs wordt verantwoord door het feit dat het een eenvoudig model betreft. Op basis hiervan kan besloten worden dat de eenheidsprijzen en de daaruit volgende inschrijvingsprijs van de inschrijver [de bv L.] aanvaardbaar is.” 3.7. Uit het gunningsverslag blijkt nog dat na het regelmatigheidsonderzoek de drie offertes inhoudelijk zijn vergeleken en beoordeeld in het licht van de in het bestek vermelde gunningscriteria en XIV-40.150-9/35 bijhorende beoordelingsmethodiek (zie hiervoor sub 3.3), wat heeft geleid tot de volgende rangschikking: A. Wat het criterium ‘Prijs’ betreft: De verzoekende partij De derde-belanghebbende De nv C. Inschrijvingsprijs (excl btw) 8.629.649,14 6.513.663,10 10.043.479,60 Quotatie (100%) 48,61 61,21 40,19 Ponderatie (70%) 34,03 42,85 28,13 B. Wat het criterium ‘Kwaliteit’ betreft: De verzoekende partij De derde-belanghebbende De nv C. Score (100%) 66,25 63,75 53,75 Ponderatie (20%) 13,25 12,75 10,75 C. Wat het criterium ‘Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen’ betreft: De verzoekende partij De derde-belanghebbende De nv C. Score (100%) 63,75 56,25 50,00 Ponderatie (10%) 6,38 5,63 5,00 Wat in het bijzonder de beoordeling betreft van het tweede en derde gunningscriterium, blijkt uit de (vertrouwelijk meegedeelde) bijlage 10b dat de beoordelingsmethodiek zoals opgenomen in het bestek is toegepast, waarbij rekening is gehouden met de in het bestek opgesomde beoordelingselementen, teneinde de meer- of minwaarden vast te stellen op deze specifieke aspecten van de offertes, evenals met mogelijke bijkomende meerwaarden die door de inschrijvers in hun offertes werden voorgesteld. Wanneer geen relevante verschillen konden worden vastgesteld tussen de inschrijvers op een bepaald beoordelingselement, wordt een ‘nulscore’ toegekend voor dat element. In het gunningsverslag worden vervolgens “de relevante vastgestelde meer- en minwaarden in de offertes per inschrijver weergegeven” met dien verstande dat wanneer er geen relevante verschillen werden vastgesteld tussen de inschrijvers op een bepaald beoordelingselement, er in het vergunningsverslag ook niet op wordt ingegaan. XIV-40.150-10/35 De beoordeling aan de hand van deze drie gunningscriteria leidt in het gunningsverslag tot de volgende totaalscore: De verzoekende partij De derde-belanghebbende De nv C. Inschrijvingsprijs (70%) 34,03 42,85 28,13 Kwaliteit (20%) 13,25 12,75 10,75 MVO (10%) 6,38 5,63 5,00 Totaal (100%) 53,65 61,23 43,88 In het gunningsverslag wordt vervolgens voorgesteld om de opdracht te gunnen aan de bv. L., zijnde de derde-belanghebbende. 3.8 Aangezien de verbintenistermijn van de (in het gunningsverslag voorgestelde) offerte van de bv L. krachtens de bepalingen van het bestek zou verstrijken op 12 maart 2025, zijnde 120 dagen vanaf de uiterste datum van ontvangst, wordt de bv L. met een brief van 23 maart 2026 verzocht in te stemmen met het behoud van de ingediende offerte, en de daarin opgenomen inschrijvingsprijs te bevestigen tot en met 30 april 2026, wat zij heeft gedaan met een e-mail en een aangetekende schrijven van 25 maart 2026, ter waarde van 6.513.663,10 euro. 3.9. Op 25 maart 2026 en op 31 maart 2026 neemt de raad van bestuur van de eerste verwerende partij, respectievelijk, het college van bestuurders van de tweede verwerende partij een gemotiveerde beslissing waarbij zij de evaluatie van het gunningsverslag bijtreden en beslissen om de opdracht te gunnen aan de bv L. Dit zijn de bestreden beslissingen. Op 2 april 2026 heeft de eerste verwerende partij de verschillende inschrijvers per aangetekende zending in kennis gesteld van de gemotiveerde beslissing inzake de selectie, gunning of niet-gunning van de opdracht. XIV-40.150-11/35 IV. Tussenkomst 4. De bv L. blijkt voordeel te halen uit de bestreden beslissing en heeft er belang bij dat de vordering wordt afgewezen. Bijgevolg moet haar verzoek tot tussenkomst worden ingewilligd. V. Vertrouwelijkheid van bepaalde stukken 5. De verzoekende partij, de verwerende partijen en de tussenkomende partij vragen om de vertrouwelijke behandeling van bepaalde door hen neergelegde stukken die zij in de inventaris als vertrouwelijk aanduiden en waarbij zij de redenen opgeven waarom zij om die vertrouwelijke behandeling vragen. Er zijn geen gronden aangevoerd door de partijen om het aangevoerde vertrouwelijk karakter ervan te lichten. De Raad van State mag overigens deze stukken in zijn beoordeling betrekken. VI. Regelmatigheid van de rechtspleging 6. De verzoekende partij brengt omstreeks 10.00 uur op de dag van de terechtzitting nog een pleitnota en een bijkomend stuk in het debat. 7. Deze pleitnota wordt nog (laattijdig) in het debat gebracht opdat de verwerende partij “er alsnog voor de zitting kennis van zou kunnen nemen” en, zo is aan te nemen, ook de Raad van State. Daarbij argumenteert de verzoekende partij niet om welke reden zij deze pleitnota en dit stuk niet eerder had kunnen bijbrengen. Daargelaten nog dat het procedureregeling kort geding niet in de mogelijkheid tot het indienen van dergelijke nota’s voorziet, zou de pleitnota in deze omstandigheden aanvaarden het recht op tegenspraak van de verwerende partij op onevenredige wijze beperken en, daarenboven, onttrekt de pleitnota zich op die wijze eveneens aan onderzoek, laat staan aan een gedegen onderzoek, door XIV-40.150-12/35 het auditoraat. Er wordt dan ook geen rekening mee gehouden, behoudens, en slechts in zoverre, er de neerslag in kan worden gelezen van hetgeen ter terechtzitting is gepleit. 8. Het bijkomend stuk ‘toelichting kosten zonder filter in preventief onderhoud’ wordt uit het debat geweerd nu niet blijkt dat dit stuk niet eerder kon worden bijgebracht, wat des te meer geldt nu de argumentatie van het kostenverlagend effect bij afwezigheid van filter al in het verzoekschrift werd ontwikkeld. VII. Ontvankelijkheid van de vordering 9. De verwerende partijen voeren een exceptie van niet- ontvankelijkheid aan wat de bestreden impliciete weigeringsbeslissing betreft. Zij stellen dat luidens de rechtspraak de vernietiging van een impliciete weigeringsbeslissing slechts mogelijk is in het uitzonderlijke geval waarbij de verzoekende partij specifiek in de door haar ontwikkelde kritieken aannemelijk maakt dat het aan de derde-belanghebbende verstrekte voordeel aan haarzelf moest worden toegekend. Deze uitzonderlijkheid moet op een overtuigende en afdoende wijze worden aangetoond door de verzoekende partij, wat te dezen niet het geval is. In haar verzoekschrift maakt de verzoekende partij geenszins in concreto aannemelijk dat er te dezen dergelijke uitzonderlijke omstandigheden zouden voorliggen op grond waarvan de verwerende partijen de opdracht – in elk geval – aan haar hadden moeten gunnen. Zelfs indien de Raad van State op grond van (één van) de door de verzoekende partij opgeworpen middelen zou overgaan tot de schorsing van de bestreden beslissing, staat geenszins de gunning aan de verzoekende partij vast. Beoordeling 10. Overeenkomstig de rechtspraak van de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (arresten nr. 222.357 en nr. 222.358 van 1 februari 2013 (ECLI:BE:RVSCE:2013:ARR.222.357 en ECLI:BE:RVSCE:2013:ARR.222.358)) moet de jurisprudentiële techniek van de bijkomende vernietiging van de impliciete weigering om een opdracht aan een ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.683 XIV-40.150-13/35 verzoekende partij te gunnen, voor uitzonderlijke gevallen voorbehouden blijven. Het is daarbij vereist dat de verzoekende partij aantoont dat er uitzonderlijke omstandigheden zijn die wijzen op een rechtsplicht in hoofde van de aanbestedende overheid om de opdracht aan haar te gunnen. Een verzoekende partij die de nietigverklaring vraagt of de schorsing van de tenuitvoerlegging vordert van een impliciete weigeringsbeslissing, moet dan ook aantonen dat er uitzonderlijke omstandigheden zijn die wijzen op een rechtsplicht om de opdracht aan haar te gunnen. De verzoekende partij maakt geenszins aannemelijk – en al zeker niet met de in een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid vereiste mate van prima facie ernst – dat zulke uitzonderlijke omstandigheden voorhanden zijn die het gebruik van die techniek verantwoorden. 11. De uitzonderlijke omstandigheid waarop de verzoekende partij te dezen steunt, is dat als zou blijken dat de offerte van de tussenkomende partij onregelmatig is wegens abnormaal lage prijzen, zij als tweede gerangschikte de economisch meest voordelige regelmatige offerte heeft ingediend zodat de opdracht haar zou toekomen. Dit standpunt overtuigt niet. Immers, in de hypothese van het (in de alsdan aan te geven mate) gegrond bevinden van het derde middel, zou niet komen vast te staan dat het aan de tussenkomende partij verstrekte voordeel hoe dan ook aan de verzoekende partij had moeten zijn toegekend. De verzoekende partij maakt immers niet aannemelijk dat de verwerende partij in het kader van een hernieuwd zorgvuldig en gemotiveerd prijsonderzoek niet anders mocht dan de offerte van de tussenkomende partij onregelmatig te beschouwen, nu het gezag van deze (gebeurlijk) tussen te komen vernietigingsgrond dit niet noodzakelijk impliceert. De verzoekende partij slaagt er bijgevolg niet in aan te tonen dat uit de voornoemde onwettigheden zou voortvloeien dat de verwerende partij de opdracht te dezen enkel en alleen nog rechtsgeldig aan haar zou mogen gunnen, zonder rechtens nog enige andere beslissing te mogen nemen. XIV-40.150-14/35 12. De vordering is niet-ontvankelijk in zoverre zij gericht is tegen de tweede bestreden beslissing. De eerste bestreden beslissing wordt hierna aangeduid als de bestreden beslissing. VIII. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden 13. Krachtens artikel 17, §§ 1, 5 en 6, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, gelezen in samenhang met de artikelen 15 en 31 van de wet van 17 juni 2013 ‘betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies’, moet enkel worden onderzocht of in de voorliggende vordering tot schorsing die is ingesteld volgens de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, een ernstig middel waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling of een klaarblijkelijke onwettigheid wordt aangevoerd. IX. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel 14. Nadat de verzoekende partij kennis heeft genomen van het administratief dossier, doet zij ter terechtzitting afstand van het middel. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 15. Met het tweede middel voert de verzoekende partij een schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: de wet van 29 juli 1991), van de artikelen 66 en 81 van de wet 17 juni 2016 ‘inzake overheidsopdrachten’ (hierna: wet van 17 juni 2016), van punt 13.4 van het bijzonder bestek, evenals van de “beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid XIV-40.150-15/35 de materiële motiveringsplicht, het legaliteitsbeginsel (patere legem quam ipse fecisti) en het zorgvuldigheidsbeginsel”. De verzoekende partij vat (haar uiteenzetting van) het tweede middel in het verzoekschrift als volgt samen: “De gunningsbeslissing is niet materieel draagkrachtig gemotiveerd omdat zowel voor het tweede als voor het derde gunningscriterium twee of meer subgunningscriteria niet zijn beoordeeld”. Op de terechtzitting beklemtoont zij dat de inhoudelijke werkwijze van de beoordelingsmethodiek voor het tweede en het derde gunningscriterium niet overeenstemt met de evaluatie van een beoordelingselement maar wel van een subgunningscriterium, namelijk “een voorafgaand aan de toetsing bedacht gegeven, met een eigen gewicht, waarmee de inschrijvingen min of meer stelselmatig worden vergeleken”. Beoordeling 16. Overeenkomstig artikel 4, eerste lid, van de wet van 17 juni 2016 dient een aanbestedende overheid de ondernemers op gelijke en niet- discriminerende wijze te behandelen en handelen op een transparante en proportionele wijze. Luidens artikel 81 van dezelfde wet baseert de aanbestedende overheid de gunning van de opdracht op de economisch meest voordelige offerte, te dezen op basis van de beste prijs-kwaliteitsverhouding volgens de in het bestek vervatte gunningscriteria en hun relatieve gewicht. Artikel 81, § 3, laatste zin, van dezelfde wet, luidens welk de gunningscriteria in de aankondiging van de opdracht of in de opdrachtdocumenten worden vermeld, is een toepassing van het transparantiebeginsel. Een aanbestedende overheid beschikt op het eerste gezicht over een ruime beoordelingsbevoegdheid om de volgens haar meest geschikte beoordelingsmethode vast te stellen. Het komt niet aan de Raad van State toe om zich uit te spreken over de opportuniteit van de keuze voor een bepaalde XIV-40.150-16/35 beoordelingsmethodiek. Wel mag de Raad van State desgevraagd de gebruikte methodiek op zijn rechtmatigheid toetsen, meer bepaald betreffende de mate waarin ze de gelijke beoordeling van de offertes eventueel zou uitsluiten en dus het bepalen van de meest voordelige offerte onmogelijk zou maken. De gekozen beoordelingsmethodiek dient in elk geval de kwalitatieve verschillen tussen de offertes op correcte wijze in kaart te brengen, met aandacht voor de diverse sterke en zwakke punten van de offertes en dient te leiden tot een puntentoekenning die in correcte verhouding staat tot die sterkte– en zwaktebeoordeling en de woordelijke beoordeling ervan. Het beginsel patere legem quam ipse fecisti, tot slot, verplicht het bestuur de algemene regels die het zelf heeft vastgesteld te eerbiedigen bij de concrete toepassing ervan. Daaruit vloeit voort dat de verwerende partijen bij de beoordeling van de offertes gebonden zijn door de regels die hieromtrent in het bestek zijn vastgesteld. 17. Te dezen voorzien de administratieve bepalingen van het bestek onder rubriek ‘13.4 Gunningscriteria’ dat de economisch voordeligste regelmatige offerte wordt bepaald door toetsing van de regelmatige offertes aan de volgende gunningscriteria: (
- i)‘Inschrijvingsprijs’ (ponderatie 70%), (
- ii)‘Kwaliteit van de aangeboden dienstverlening’ (20%) en (iii) ‘Maatschappelijk verantwoord ondernemen’ (hierna soms: VMO) (ponderatie 10%). Er wordt, wat het tweede en het derde criterium betreft, in het bestek eveneens bepaald welke aspecten in het ‘plan van aanpak’ (tweede gunningscriterium) respectievelijk de ‘vragenlijst’ (derde gunningscriterium) aan bod (moeten) komen en, voor deze beide criteria wordt onder diezelfde rubriek van het bestek ook de beoordelingsmethodiek uiteengezet. Deze rubriek ‘13.4. Gunningscriteria’ van het bestek is hiervoor onder punt 3.3 aangehaald. Er wordt naar verwezen. 18. Uit de hiervoor onder punt 3.3 aangehaalde rubriek ‘13.4 Gunningscriteria’ wordt bij de omschrijving van het tweede gunningscriterium (‘Kwaliteit van de aangeboden dienstverlening’) vermeld dat de inschrijver bij zijn offerte een nota/plan van aanpak moet voegen met opgave van de concrete ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.683 XIV-40.150-17/35 modaliteiten betreffende de aangeboden organisatie en dienstverlening. Bij de omschrijving van het derde gunningscriterium (‘Maatschappelijk verantwoord ondernemen’) wordt vermeld dat de inschrijver een vragenlijst moet invullen in verband met duurzaam ondernemen bij het uitvoeren van de opdracht. Vervolgens worden verschillende elementen opgesomd die in deze nota, dan wel vragenlijst aan bod moeten komen. Deze lijst van elementen is niet limitatief in die zin dat aan de inschrijver de mogelijkheid wordt gelaten om zelf meerwaarden die relevant zijn voor de uitvoering van de opdracht dan wel concrete acties of initiatieven in het kader van duurzaam ondernemen toe te voegen en die, vervolgens, door de verwerende partijen kunnen worden beoordeeld en (al dan niet) als een meerwaarde gewaardeerd. Bij de uiteenzetting van de beoordelingsmethode wordt in het bestek toegelicht hoe de globale beoordeling zal gebeuren. Samengevat, blijkt dat wordt uitgegaan van een globale startscore van 50% waarbij de score kan worden verhoogd aan de hand van de verschillende aspecten die in de nota/vragenlijst aan bod moeten komen en hoe de meer- of minwaarden van deze verschillende aspecten tot een globale puntenscore op 100 punten zal leiden, evenwel zonder dat aan deze elementen een afzonderlijke weging wordt toegekend. Er wordt toegelicht dat er, vertrekkende van een globale startscore (50%), per beoordelingselement, een score met een bandbreedte tussen -5 en +5 wordt toegekend, in functie van de (al dan niet) relevante meerwaarde of minwaarde tegenover het aanbod van de overige inschrijvers die in de offerte wordt aangeboden. ‘Items’ die tegenover het aanbod van de overige inschrijvers of tegenover hetgeen wordt gevraagd in het bestek een ‘relevante meerwaarde’ hebben, zullen een score krijgen van +1,25. Deze met een ‘grote relevante meerwaarde’ zullen +2,5 als score krijgen. Bij ‘zeer grote’ of ‘uiterst grote relevante meerwaarde’ kan een score van, respectievelijk, +3,75 of +5 worden gegeven. Er wordt voorts uitdrukkelijk aangegeven dat aspecten zonder relevante wezenlijke meer- of minwaarden (dit zijn aspecten die (nagenoeg) gelijkaardig zijn in het aanbod van alle inschrijvers of geen wezenlijke meer- of minwaarde hebben tegenover wat gevraagd wordt in het bestek), een ‘nulscore’ krijgen en eventueel weggelaten kunnen worden uit het gunningsverslag. De behaalde score wordt herleid tot een globale score op 100 punten waarbij negatieve scores worden herleid naar een score van 0/100 en scores hoger dan 100 herleid worden naar een score van 100/100. Hieruit volgt opnieuw, ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.683 XIV-40.150-18/35 zo lijkt, dat geen afzonderlijke weging wordt toegekend. Ook bij de beoordeling in het gunningsverslag wordt geen afzonderlijke weging toegekend maar wordt slechts aan de hand van de verschillende ‘items’ een puntenscore toegekend in functie van de aangekondigde methode. 19. Daargelaten de vraag of het te dezen om subgunningscriteria of beoordelingselementen gaat, moet in ieder geval worden vastgesteld dat bij de uiteenzetting van de beoordelingsmethode op transparante wijze is aangegeven dat items zonder relevante wezenlijke meer- of minderwaarde, die nagenoeg gelijk zijn in elk aanbod of geen meer- of minwaarde bieden ten opzichte van het gevraagde, een ‘nulscore’ krijgen toegekend en kunnen worden weggelaten uit het gunningsverslag. Enkel aan hetgeen de verwerende partij als een relevante meerwaarde zou beschouwen, zouden punten worden toegekend. In het gunningsverslag worden de offertes van (onder meer) de verzoekende partij en de tussenkomende partij overeenkomstig de vooropgestelde methodiek beoordeeld waarbij, mede aan de hand van een appreciatie in woorden zo blijkt uit het gunningsverslag, wordt uitgedrukt waarom een bepaald aspect naar het oordeel van de verwerende partijen een (min of meer grote) meerwaarde biedt dan wel “zonder relevante meer- of minwaarde” werd gewaardeerd, wat – in voorkomend geval – leidt tot een ‘nulscore’, in welk geval zulke aspecten, luidens de in het bestek aangekondigde beoordelingsmethodiek, “eventueel weggelaten kunnen worden uit het gunningsverslag”. Deze beoordeling luidt in het gunningsverslag als volgt wat het (tweede) gunningscriterium ‘Kwaliteit van de aangeboden dienstverlening’ betreft: “Inschrijver [de nv A.] - De storingsdienst is via verschillende kanalen (telefoon, e-mail ...) bereikbaar op werkdagen van 8u tot 1 7u wat als een relevante meerwaarde wordt beschouwd. (+1,25) - De afnemer wordt in minder dan één werkdag gecontacteerd na melding van een storing wat als een relevante meerwaarde wordt beschouwd. (+1,25) - Uit de offerte van de inschrijver is niet eenduidig af te leiden wat de maximale interventietermijn is indien een storing niet telefonisch opgelost kan worden.
(0)- De door de inschrijver aangeboden systemen beschikken over een display met foutcodes waardoor de afnemer de fout vaak zelf kan oplossen. XIV-40.150-19/35 Bijkomend biedt de inschrijver assistentie vanop afstand (telefonisch of via Microsoft Teams). Indien het probleem niet vanop afstand opgelost kan worden, komt een technieker ter plaatse. In geval het toestel niet ter plaatse hersteld kan worden, wordt een vervangtoestel voorzien en indien het toestel niet hersteld kan worden, wordt er kosteloos een nieuw toestel geplaatst. Deze door de inschrijver aangeboden stappen om tot een herstelling van een toestel te komen, worden als een grote relevante meerwaarde beschouwd. (+2,50) - Binnen 24u na het ondertekenen van de werkbon wordt deze naar de afnemer gemaild. De werkbon is ook beschikbaar op het online platform wat als een relevante meerwaarde wordt beschouwd. (+1,25) - De inschrijver voorziet een klantenportaal met ruime beheermogelijkheden (bv. overzicht toestellen, leveringen, onderhouden, interventies, bestellen C02-flessen Daarbij kunnen er in het klantenportaal ook sub-accounts aangemaakt worden. Deze verschillende mogelijkheden van het klantenportaal worden als een grote relevante meerwaarde beschouwd, (+2,50) - De waarborg van de C02-flessen wordt gefactureerd bij ingebruikname en teruggestort op het einde van de overeenkomst wat voor een minimale administratieve belasting zorgt. De afnemer kan de CO2-flessen bestellen via het online platform. Deze zaken worden als een grote relevante meerwaarde beschouwd. (+2,50) - De inschrijver beschikt over een webshop, wat als een relevante meerwaarde wordt beschouwd, maar kan geen sluitend antwoord bieden op de vraag of de integratie/ koppeling met het CREAT-portaal mogelijk is. (+1,25) - De door de inschrijver aangeboden systemen uit de inventaris zijn voorzien van een automatische spoeling en een koolstoffilter die tot 0,2 μm filtert. Sommige van de aangeboden systemen beschikken bijkomend over een anti- germi fitting. Het door de inschrijver aangeboden buitentappunt beschikt over een antivriesmechanisme. Deze bijkomende functionaliteiten op vlak van legionellabestrijding, bijkomende waterzuivering en anti-vriesvoorzieningen worden als een zeer grote meerwaarde beschouwd. (3,75) Score: 66,25/100 Inschrijver [de bv L.] - De storingsdienst is via verschillende kanalen (telefoon, e-mail ...) bereikbaar op werkdagen van 8u tot 1 7u en op andere momenten is de inschrijver via een apart telefoonnummer 24u op 24 bereikbaar voor dringende gevallen wat als een grote relevante meerwaarde wordt beschouwd. (+2,50) - De afnemer wordt binnen de 2u gecontacteerd na melding van een storing of voor 1 0u de volgende werkdag bij een melding buiten de kantooruren wat als een grote relevante meerwaarde wordt beschouwd. (+2,,0) - Indien de storing niet telefonisch verholpen kan worden, wordt door de inschrijver een interventie binnen 2 werkdagen voorzien wat als een relevante meerwaarde wordt beschouwd. (+1,25) - De inschrijver biedt assistentie aan vanop afstand (telefonisch of via videocall). Indien het probleem niet vanop afstand opgelost kan worden, komt een technieker ter plaatse. In geval het toestel niet ter plaatse hersteld kan worden, wordt een vervangtoestel voorzien. Deze door de inschrijver aangeboden stappen om tot een herstelling van een toestel te komen, worden als een relevante meerwaarde beschouwd. (+1,25) - Na het nazicht van de werkbon door de planningsmedewerker wordt deze dezelfde dag naar de afnemer gemaild. De werkbon is ook beschikbaar op het online platform van de inschrijver wat als een relevante meerwaarde wordt beschouwd. (+1,25) XIV-40.150-20/35 - De inschrijver voorziet een klantenportaal met ruime beheermogelijkheden (bv, overzicht toestellen, start en einde huurcontract, onderhoud, interventies, werkbonnen ...) wat als een relevante meerwaarde wordt beschouwd. Het is echter niet duidelijk in welke mate de mogelijkheid bestaat om zowel voor de afnemers als voor de CREAT aankoopcentrale een account te voorzien. (+1 ,25) - De waarborg van de C02-flessen wordt verrekend per bestelling. De afnemer kan de C02-flessen bestellen via telefoon, e-mail of via de webshop wat als een relevante meerwaarde wordt beschouwd. (+1,25) - De inschrijver beschikt over een webshop en bevestigt dat de integratie/koppeling van de webshop met het CREAT-portaal mogelijk is wat als een grote relevante meerwaarde wordt beschouwd. (+2,50) - De inschrijver voorziet enkel preventiemogelijkheden in de toestellen aangeboden in de catalogus. In de systemen aangeboden in de inventaris werden deze niet voorzien.
(0)Score: 63,75/100”. Met betrekking tot het (derde) gunningscriterium ‘Maatschappelijk verantwoord ondernemen’ luidt de beoordeling als volgt: “Inschrijver [de nv A.] - Alle in de inventaris aangeboden watersystemen en bijhorende verbruiksproducten van de inschrijver worden geproduceerd en geassembleerd in Europa wat als een grote relevante meerwaarde wordt beschouwd. (+2,50) - De inschrijver beschikt over strategisch gekozen opslagplaatsen om zijn techniekers efficiënt te bevoorraden wat als een relevante meerwaarde wordt beschouwd. (+1 ,25) - De inschrijver werkt voor de assemblage van de watersystemen en de voorbereiding van de componenten samen met een maatwerkbedrijf en voorziet speciale opleidingstrajecten voor schoolverlaters. Deze verschillende sociale initiatieven worden als een grote relevante meerwaarde beschouwd. (+2,50) - De inschrijver onderneemt verschillende acties om het wagenverbruik te optimaliseren (bv. track-and-tracesysteem, leveringen van lokale opslagplaatsen, samenwerking met lokale partners Bijkomend maakt de inschrijver gebruik van planningssoftware om de routes te optimaliseren en de techniekers van de inschrijver worden ingezet in eigen regio. Deze initiatieven om de transportbewegingen te minimaliseren worden als een relevante meerwaarde beschouwd. (+1,25) - Enkele van de aangeboden watersystemen uit de inventaris worden voor een deel gemaakt uit gerecycleerd materiaal wat als een relevante meerwaarde wordt beschouwd. (+1,25) - De in de inventaris aangeboden herbruikbare fles uit de inventaris wordt uit 100 % gerecycleerd materiaal gemaakt wat als een relevante meerwaarde wordt beschouwd. Het is niet duidelijk of er ook verbruiksproducten in de catalogus aangeboden worden, (deels) gemaakt uit gerecycleerd materiaal. (+1,25) - Alle door de inschrijver aangeboden watersystemen uit de inventaris kunnen hergebruikt of herbestemt worden. Verschillende onderdelen van de aangeboden systemen zoals de behuizing, kraan, bediening, koelunits kunnen na de ontmanteling van systeem gebruikt worden voor bv. test- of trainingsopstellingen. De aangeboden watersystemen kunnen voor min. 95 % gerecycleerd worden. XIV-40.150-21/35 Deze verschillende end-of-life acties van de inschrijver worden als een relevante meerwaarde beschouwd. (+1,25) - De huur van gereviseerde, tweedekans- of demomodellen is mogelijk in onderling overleg met de inschrijver en binnen afgelijnde voorwaarden wat als voldoende wordt beschouwd.
(0)- De inschrijver voorziet voor een deel van de aangeboden systemen herbruikbare koffers als primair verpakking. Als secundaire verpakking maakt de inschrijver gebruik van europaletten met opzetranden en euronorm-boxen met herbruikbare mousse. - De verbruiksproducten worden verpakt in houten kratten of herbruikbare blisterverpakkingen. - Deze initiatieven rond het inzetten van duurzame verpakkingen van de watersystemen en de verbruiksproducten worden als een grote relevante meerwaarde gezien. (+2,50) Score: 63,75/100 Inschrijver [de bv L.] - Niet alle door de inschrijver aangeboden watersystemen in de inventaris worden geproduceerd en geassembleerd binnen Europa. De bijhorende verbruiksproducten worden wel binnen Europa geproduceerd wat als een relevante meerwaarde wordt beschouwd. (+1,25) - De inschrijver voorziet voor een deel van de toestellen bij zijn leverancier op een centrale plaats in België een strategische stock en voor de CO2-flessen op de eigen locatie wat als voldoende wordt beschouwd.
(0)- De inschrijver werkt voor de levering van de verbruiksproducten met een sociale onderneming wat als een relevante meerwaarde wordt beschouwd. (+1,25) - De inschrijver onderneemt verschillende acties rond het wagenverbruik (vb. rechtstreekse levering van CO2-flessen (van leverancier naar afnemer), vaste leverdagen voor de verbruiksproducten, bundeling van leveringen en installaties …) welke als voldoende worden beschouwd.
(0)- Enkele van de door de inschrijver aangeboden watersystemen uit de inventaris worden voor een deel gemaakt uit gerecycleerd materiaal wat als een relevante meerwaarde wordt beschouwd. (+1,25) - De in de inventaris aangeboden herbruikbare fles wordt gemaakt uit minimaal 50 % gerecycleerd materiaal wat als voldoende wordt beschouwd. Van de verbruiksproducten uit de catalogus bevestigt de inschrijver dat de filters niet uit gerecycleerd materiaal gemaakt zijn.
(0)- Alle door de inschrijver aangeboden watersystemen uit de inventaris kunnen hergebruikt of herbestemt worden. Verschillende onderdelen van de aangeboden systemen kunnen na de ontmanteling ervan gerecupereerd worden voor hergebruik. De aangeboden watersystemen worden nergens verlijmd, waardoor deze eenvoudig ontmanteld kunnen worden en de materialen gescheiden aangeboden kunnen worden voor recyclage. Deze verschillende end-of-life acties van de inschrijver worden als een relevante meerwaarde beschouwd. (+1,25) - Gereviseerde, tweedekans- of demomodellen kunnen ingezet worden voor zowel korte als lange termijnhuur wat als een relevante meerwaarde wordt beschouwd. De prijs voor de korte termijn ligt hoger dan deze voor de lange termijn. (+1,25) - De inschrijver voorziet voor de watersystemen als primaire verpakking karton en piepschuim welke na de levering ingezameld worden voor recyclage. De inschrijver voorziet geen extra secundair verpakkingsmateriaal. - Het is niet duidelijk welke verpakkingsmaterialen er precies voorzien worden voor de verbruiksproducten. - De initiatieven rond het inzetten van duurzame verpakkingen van de watersystemen worden als voldoende beschouwd.
(0)Score: 56,25/100”. XIV-40.150-22/35 20. Uit de woordelijke weergave van de beoordeling van de offertes in het gunningsverslag, zoals dit werd meegedeeld aan de verzoekende partij (zie hierna), blijkt dat de offertes een onderscheiden score hebben gekregen voor het (
- i)tweede gunningscriterium aan de hand van een gedifferentieerde beoordeling van 9 van de 14 aspecten die in de nota bij de offerte besproken dienden te worden. Voor het (
- ii)derde gunningscriterium blijkt uit het gunningsverslag dat de offertes voor 9 van de 12 te beoordelen ‘items’ een gedifferentieerde beoordeling met score hebben verkregen. Gelet op de in het bestek aangekondigde beoordelingsmethode kon de verzoekende partij uit het gunningsverslag dan ook afleiden dat voor de niet-vermelde ‘aspecten’, respectievelijk ‘items’, de verwerende partijen van oordeel zijn dat de offertes op dat punt geen meer- of minwaarde boden ten opzichte van elkaar of ten opzichte van het bestek zodat hiervoor een ‘nulscore’ werd toegekend, wat afdoende lijkt. Wat de punten betreft die wel als een (min of meer belangrijke) relevante meerwaarde werd beschouwd, wordt daartoe in het gunningsverslag ook de reden aangegeven. In haar middel gaat de verzoekende partij bovendien op geen enkele wijze in op deze aangekondigde beoordelingsmethode. Zij beperkt er zich in het verzoekschrift toe te stellen dat voor het tweede gunningscriterium 5 van de 14 en voor het derde gunningscriterium 3 van de 12 “subgunningscriteria” niet zouden zijn beoordeeld. Zij gaat er evenwel aan voorbij dat – conform het toepasselijke bestek – een ‘nulscore’ toekennen of een ‘niet-vermelding’ in het gunningsverslag omwille van een gebrek aan relevante meerwaarde, niet hetzelfde is als “niet-beoordelen”. De verwerende partijen hebben wel degelijk een gedetailleerde beoordeling en vergelijking van de offertes doorgevoerd en als een afzonderlijk en vertrouwelijk stuk in het administratief dossier (de hiervoor reeds genoemde (vertrouwelijke) bijlage 10b) neergelegd waarvan de Raad van State kennis heeft kunnen nemen. Hieruit blijkt reeds op het eerste gezicht dat de verwerende partij alle 14 beoordelingselementen die in het bestek werden vermeld voor het tweede gunningscriterium en alle 12 beoordelingselementen voor het derde gunningscriterium, wel degelijk betrokken heeft bij de beoordeling van de offertes. XIV-40.150-23/35 Uit het gedetailleerde beoordelingsdocument blijkt dat de verwerende partijen omtrent de beoordelingselementen waaraan een nulscore werd toegekend of die (daarin begrepen deze initiatieven die de inschrijvers zelf op eigen initiatief zouden hebben aangevoerd (de zgn. catch all)) in het gunningsverslag niet werden vermeld, conform het bestek, hebben geoordeeld dat geen van deze acties als een relevante meerwaarde worden beschouwd. De verzoekende partij zet in haar middel overigens op geen enkele wijze uiteen waarom er aan de inschrijvers, waaronder aan haar eigen offerte, voor de betreffende ‘items’ geen ‘nulscore’ mocht worden gegeven, noch voert zij aan dat er ten onrechte zou zijn geoordeeld dat er voor die aspecten in haar offerte geen meerwaarde was. Zij zet met andere woorden niet uiteen welke initiatieven zij zou hebben voorzien in haar offerte waarvoor de verwerende partijen niet anders konden dan deze als een meerwaarde beschouwen voor de uitvoering van de opdracht. Alleen al om die reden is het middel niet ernstig. 21. Tot slot, in de mate de verzoekende partij op de terechtzitting nog doet gelden dat het argument van de verwerende partijen dat de verzoekende partij de puntenkloof met de tussenkomende partij niet kan overbruggen, niet relevant is “omdat de beoordeling van beide gunningscriteria moet worden overgedaan”, wordt zij niet bijgevallen. Zij lijkt met die repliek opnieuw voorbij te gaan aan de duidelijke bepalingen van het bestek en de daarin uiteengezette methodiek die ook in de feiten consequent werd toegepast. Immers, zoals hiervoor reeds is uiteengezet kan de toekenning van een ‘nulscore’ of een ‘niet-vermelding’ in het gunningsverslag omwille van een gebrek aan relevante meerwaarde zoals in het bestek is voorzien, niet worden gelijkgesteld met het “niet-beoordelen”. Bovendien, mocht er voor deze ‘items’ of aspecten toch een “individuele score” zijn toegekend, zou deze, conform de beoordelingsmethodiek, gelijk zijn geweest voor alle inschrijvers zo lijkt en zou dit op geen enkele wijze aanleiding hebben gegeven tot een wijziging in de rangschikking. XIV-40.150-24/35 Om die reden valt dan ook niet in te zien welk belang de verzoekende partij heeft bij deze kritiek. 22. Bijgevolg, gelet op al hetgeen voorafgaat, toont de verzoekende partij niet aan dat de in het gunningsverslag opgenomen motieven niet draagkrachtig zijn en de toegekende scores voor de verschillen in de waarde van de offertes niet kunnen ondersteunen of dat de offertes niet werden getoetst aan alle gunningscriteria zoals aangekondigd in het bestek. Het middel is niet ernstig. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel 23. In het derde middel roept de verzoekende partij de schending in van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991, de artikelen 4 en 5, §1, van de wet van 17 juni 2016, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, de artikelen 36 en 76, §§ 1 en 5 van het koninklijk besluit van 18 april 2017, evenals van de “beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid de materiële motiveringsplicht, het gelijkheidsbeginsel, het legaliteitsbeginsel (patere legem quam ipse fecisti) en het zorgvuldigheidsbeginsel”. Zij vat (de uiteenzetting van) het derde middel als volgt samen: “De [tussenkomende partij] heeft een substantieel onregelmatige offerte ingediend omdat de offerteprijs abnormaal laag is. Uit de motieven van het gunningsverslag blijkt niet dat
(1)de prijsverantwoording die door [de tussenkomende partij] is verstrekt aantoont dat er voor alle prijscomponenten een afdoende dekking is voorzien en dat
(2)er een afdoende marge is voorzien in het licht van de contactuele eisen die aan de uitvoering van de opdracht zijn opgelegd. Meer in het bijzonder blijkt niet hoe de winstmarge die lager ligt dan de winstmarge van [de verzoekende partij] een besteksconforme uitvoering kan toelaten met een voldoende rendabiliteit gedurende de maximale duur van 7 jaar die een deelcontract kan hebben. Ten titel van voorbeeld haalt [de verzoekende partij] de impact van de filtercapaciteit aan op de operationele kosten die moeten gedragen worden, in het licht van de 0 score die de begunstigde inschrijver haalt op de hygiënetoepassingen op haar aanbod”. XIV-40.150-25/35 Beoordeling 24. Artikel 84 van de wet van 17 juni 2016 luidt: “De aanbestedende overheid voert een prijzen- of kostenonderzoek uit op de ingediende offertes, overeenkomstig de door de Koning te bepalen nadere regels. De Koning kan in uitzonderingen voorzien op het prijzen- of kostenonderzoek voor de door Hem te bepalen opdrachten. Op haar verzoek verstrekken de inschrijvers tijdens de plaatsingsprocedure alle nodige inlichtingen om dit onderzoek mogelijk te maken.” Ter uitvoering van die bepaling voorziet artikel 35 van het koninklijk besluit van 18 april 2017 in een algemeen prijs- of kostenonderzoek dat de aanbestedende overheid in elk geval dient te voeren en betrekking heeft op alle bedragen van alle ingediende offertes. De aanbestedende overheid kan daarbij, overeenkomstig artikel 84, tweede lid, van de wet van 17 juni 2016, de inschrijvers verzoeken “alle nodige inlichtingen te verstrekken”. In het algemeen prijsonderzoek bedoeld in artikel 35 van het koninklijk besluit van 18 april 2017 moet de aanbestedende overheid nagaan of de in de offertes aangeboden prijzen abnormaal lijken, met andere woorden of de ingediende offertes aanwijzingen of indiciën bevatten dat deze abnormaal zouden kunnen zijn. Dat kan met name het geval zijn wanneer de in een offerte aangeboden prijs aanmerkelijk hoger of lager is dan de prijs van de andere offertes of dan de gebruikelijke marktprijs, al hoeft dat niet noodzakelijk zo te zijn. Het algemeen prijsonderzoek is derhalve gericht op het detecteren van eventuele abnormale prijzen, en op de aanbestedende overheid rust in dit verband een onderzoeksplicht. In het kader van dit onderzoek kan de aanbestedende overheid, overeenkomstig artikel 84, tweede lid, van de wet van 17 juni 2016, de inschrijvers verzoeken alle nodige inlichtingen te verstrekken. Indien de ingediende offertes geen aanwijzing van een abnormale prijs bevatten, en de prijzen dus niet abnormaal hoog of laag lijken, mag de aanbestedende overheid doorgaan met de beoordeling van de inschrijvingen en de procedure tot gunning van de opdracht. Indien daarentegen uit het algemeen prijsonderzoek overeenkomstig het genoemde artikel 35 blijkt dat er prijzen worden aangeboden die wel abnormaal laag of hoog lijken, met andere woorden indien er wel aanwijzingen bestaan dat een offerte abnormaal hoog of laag zou kunnen zijn, moet XIV-40.150-26/35 de aanbestedende overheid met toepassing van artikel 36 van datzelfde besluit die prijzen nader onderzoeken om zich ervan te vergewissen dat dit niet het geval is. Te dien einde moet zij de betrokken inschrijver overeenkomstig artikel 36, §§ 1 en 2, van het koninklijk besluit van 18 april 2017 bevragen en hem de mogelijkheid bieden uiteen te zetten waarom zijn prijzen volgens hem niet abnormaal hoog of laag zijn. Artikel 36, §§ 2 en 3, bevat nadere bepalingen in verband met dat bijzonder onderzoek. Het doel van de regeling inzake de controle op abnormale prijzen is tweeledig. Enerzijds strekt deze regeling tot bescherming van de aanbestedende overheid, door haar in staat te stellen zich ervan te vergewissen dat de door de inschrijvers geboden prijs het werkelijk mogelijk maakt om te voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de opdrachtdocumenten en geen verhoogd risico inhoudt op uitvoeringsgeschillen ten koste van de aanbestedende overheid en de overheidsgelden. Anderzijds, strekt deze regeling ertoe de marktwerking te beschermen, door te voorkomen dat de aanbestedende overheid gedragingen van inschrijvers goedkeurt die het normale spel van de mededinging verstoren. Er mag worden aangenomen dat abnormaal lage prijzen, prijzen zijn waarmee een inschrijver een lager prijsvoorstel doet dan wat economisch voor hem en voor de markt mogelijk is. 25. De aanbestedende overheid beschikt in het kader van het algemeen prijsonderzoek als bedoeld in artikel 35 van het koninklijk besluit van 18 april 2017 over een beoordelingsruimte om al dan niet over te gaan tot een bijzonder onderzoek naar abnormale prijzen als bedoeld in artikel 36 van het voornoemde besluit. De Raad van State mag, gesteld voor de toetsing van de beoordeling van de motieven van een aanbestedende overheid om prijzen al dan niet als (schijnbaar) abnormaal te beschouwen en om al dan niet een prijsverantwoording te vragen, zijn eigen beoordeling niet in de plaats stellen van die van het bestuur. Het komt aan de Raad van State wel toe om desgevraagd na te gaan of de betrokken motieven om geen bijzonder onderzoek te voeren naar behoren zijn bewezen en of de beoordeling van het bestuur met de vereiste zorgvuldigheid (en binnen de perken van de redelijkheid) is geschied. XIV-40.150-27/35 In dit verband herinnert de Raad van State eraan dat indien een aanbestedende overheid in het kader van het algemeen prijs- en kostenonderzoek tot de vaststelling komt dat er geen abnormale prijzen zijn, de formelemotiveringsplicht niet lijkt te vereisen dat dit onderzoek in extenso wordt weergegeven in het gunningsverslag of in de bestreden beslissing. Wel moet op grond van de materiëlemotiveringsplicht uit het administratief dossier blijken dat de aanbestedende overheid, met inachtneming van de op haar rustende zorgvuldigheidsplicht, een algemeen prijs- en kostenonderzoek heeft gevoerd, onder meer dat zij de prijzen van elke offerte op zorgvuldige wijze heeft nagekeken. Een aanbestedende overheid die met naleving van het zorgvuldigheidsbeginsel wil handelen moet er immers op toezien niet alleen dat het algemeen prijsonderzoek als bedoeld in artikel 35 wordt verricht, het dient ook ernstig te worden verricht, wat een aandachtige en nauwgezette controle inhoudt van alle bedragen van elke offerte en een onderlinge prijsvergelijking van alle eenheids- en totaalprijzen van alle offertes. De motieven op grond waarvan zij alsdan van oordeel is dat de aangeboden prijzen niet abnormaal zijn, dienen uit het dossier te blijken zodat deze motieven aan de toetsing door de Raad van State kunnen worden onderworpen. 26. Te dezen blijkt uit het gunningsverslag dat er drie inschrijvers werden geselecteerd die een offerte hebben ingediend met de volgende totaalprijzen: - 6.513.663,10 euro (de tussenkomende partij) - 8.629.649,14 euro (de verzoekende partij) - 10.043.479,60 euro (de derde gerangschikte) De kritiek die door de verzoekende partij in het derde middel wordt aangevoerd betreft in essentie dat uit het gunningsverslag niet blijkt dat de “prijsverantwoording” die door de tussenkomende partij is verstrekt, niet aantoont dat er (
- i)voor alle prijscomponenten een afdoende dekking en (
- ii)een afdoende marge is voorzien in het licht van de contactuele eisen die aan de uitvoering van de opdracht zijn opgelegd. Er zou niet blijken hoe de winstmarge die lager ligt dan de XIV-40.150-28/35 winstmarge van de verzoekende partij een “bestekconforme uitvoering kan toelaten met een voldoende rendabiliteit gedurende de maximale duur van 7 jaar die een deelcontract kan hebben”. 27. Wat reeds op het eerste gezicht moet worden opgemerkt, is dat uit de motivering die in het gunningsverslag werd opgenomen, anders dan de verzoekende partij stelt, niet blijkt dat de offerte van de tussenkomende partij werd onderzocht “omwille van blijkbaar abnormale prijzen”. Immers, in het gunningsverslag met betrekking tot het gevoerde prijsonderzoek wordt uitdrukkelijk weergegeven dat een prijsonderzoek werd gevoerd conform artikel 35 van het koninklijk besluit van 18 april 2017 waarbij de inschrijvingsprijzen werden vergeleken, werd opgemerkt dat de tussenkomende partij een significant lagere inschrijvingsprijs heeft opgegeven in vergelijking met de andere geselecteerde inschrijvers en dat, om die reden, een verder onderzoek aangewezen was en ook werd uitgevoerd (cfr. de motivering onder punt 6.3.3. van het gunningsverslag, hiervoor aangehaald in punt 3.6). Ook in de aan de tussenkomende partij en de overige inschrijvers gerichte e-mails is slechts sprake van verzoeken om verduidelijkingen en/of toelichtingen om beter inzicht te krijgen in de prijsopbouw. In het gunningsverslag wordt met andere woorden enkel vermeld dat een prijsonderzoek werd gevoerd conform artikel 35 van het koninklijk besluit van 18 april 2017, dit is het algemeen prijsonderzoek zonder dat er in het gunningsverslag sprake is van ‘schijnbaar abnormale prijzen’. Er is, wat de tussenkomende partij betreft, weliswaar sprake van een “significant lagere inschrijvingsprijs” die verder onderzoek vergde, wat echter niet hetzelfde is als vaststellen dat er sprake zou zijn van een “schijnbaar abnormale prijs” waarvoor prijsverantwoording moet worden gevraagd. In de vraag tot prijstoelichting aan de tussenkomende partij van 17 december 2025 werd ook uitdrukkelijk aangegeven dat de vraag kaderde binnen het prijsonderzoek conform artikel 35 van het koninklijk besluit van 18 april 2017 en de volgende vragen betroffen steeds verdere vragen tot toelichting op basis van de gegeven antwoorden. Ook de andere geselecteerde inschrijvers werd gevraagd een gedetailleerde XIV-40.150-29/35 prijsuitsplitsing/kostenopbouw te bezorgen voor de in de offerte opgegeven huur- en onderhoudsprijzen van de watersystemen uit de inventaris. 28. Dat er een algemeen prijs- en kostenonderzoek is uitgevoerd, vindt op het eerste gezicht ook bevestiging in de als vertrouwelijk neergelegde stukken van het administratief dossier, die de Raad van State heeft kunnen inzien en die hij bij zijn beoordeling mag betrekken. Daaruit blijkt dat aan de inschrijvers verschillende prijstoelichtingen werden gevraagd over de prijsopbouw per post, de huur- en onderhoudsprijzen, de wijze van uitvoering en gebruikte materialen, de vaste kosten en overige elementen die invloed hebben op de totaalprijs, waaronder de gehanteerde marges. In het gunningsverslag wordt vervolgens weergegeven dat uit deze prijstoelichtingen en prijsvergelijkingen blijkt dat de verschillende kostprijscomponenten (aankoopprijs van de toestellen, installatie en pick-up kosten, …) in grote lijnen vergelijkbaar zijn tussen de drie inschrijvers maar dat de tussenkomende partij lagere marges hanteert dan de andere inschrijvers, wat ook wordt bevestigd door de vergelijkende prijzentabel opgesteld door de verwerende partij. De lagere marges van de gekozen inschrijver heeft de verwerende partij niet als een aanwijzing van mogelijks abnormale prijzen beschouwd omdat ze zich volgens de verwerende partij op een aanvaardbaar niveau bevinden waarbij zowel de dekking van de algemene kosten als de winstgevendheid gegarandeerd blijven. In haar nota verduidelijkt de verwerende partij dat zij zich hiervoor ook baseert op haar eigen marktkennis waarbij er ook al eerder werd gewerkt met offertes met een marge van 15 à 20% om nieuwe klanten te kunnen binnenhalen. 29. Prima facie maakt de verzoekende partij niet aannemelijk dat de verwerende partij haar beoordelingsruimte te buiten is gegaan door op grond van de vaststelling dat de gekozen inschrijver lage maar aanvaardbare marges hanteert die zowel de dekking van de algemene kosten als de winstgevendheid garanderen, te oordelen dat er geen sprake was van schijnbaar abnormale prijzen in de offerte van de gekozen inschrijver. XIV-40.150-30/35 Uit de aangeleverde toelichtingen over de prijsopbouw van de gekozen inschrijver die door de verwerende partij werden opgevraagd en onderzocht, blijkt op het eerste gezicht dat alle contractuele verplichtingen in de eenheidsprijzen zijn verrekend, zoals de installatiekosten, de kosten van preventief en reactief onderhoud, evenals – en anders dan de verzoekende partij veronderstelt en op de terechtzitting benadrukt – de kosten van interventies en storingsopvolging en dergelijke, alsook de contributiebijdrage van 5% op de omzet voor de tweede verwerende partij. In de mate dat de verzoekende partij daaromtrent betoogt dat niet zou blijken dat deze kosten op structureel haalbare wijze in de eenheidsprijzen en de voorziene marges werden verrekend, beperkt zij zich tot een loutere bewering. Zij zet niet uiteen waarom deze kosten “onmogelijk op een structureel haalbare wijze” zouden kunnen zijn opgenomen in de totaalprijs van de offerte van de gekozen inschrijver. Het loutere feit dat de winstmarge van de gekozen inschrijver lager ligt dan de winstmarge die de verzoekende partij aanrekent, volstaat niet om aan te nemen dat er een duidelijke aanwijzing zou zijn van schijnbaar abnormale prijzen die de verwerende partij ertoe verplicht zou hebben een meer doorgedreven prijsonderzoek te voeren op grond van artikel 36 van het koninklijk besluit van 18 april 2017. De verzoekende partij lijkt dat ook wel te onderkennen waar zij op de terechtzitting nog aangeeft dat er met dergelijke winstmarges “maar weinig mag misgaan” doch het evenmin onmogelijk lijkt te achten om onvoorzienbare interventies zonder verlies uit te voeren, minstens maakt ze dat niet concreet. Bovendien blijkt uit de stukken van het administratief dossier dat de tussenkomende partij wel degelijk met (onvoorziene) interventies rekening heeft gehouden en deze, op grond van haar ervaring, ook heeft begroot. 30. Wat betreft de lange looptijd van de opdracht, tot 7 jaar, lijkt ook dit op het eerste gezicht betrokken te zijn in het prijsonderzoek naar de rendabele uitvoering van de opdracht. Aan de inschrijvers werd immers uitdrukkelijk informatie gevraagd over de prijsopbouw van de huur- en onderhoudsprijs voor een zesde en zevende jaar van contractsuitvoering. De verwerende partij wijst in haar nota ook op de jaarlijkse prijsherzieningsformule (indexatie) in het bestek zowel voor de huurprijzen van de toestellen, de prijzen van de verbruiksproducten, de prijs van het onderhoud als de regietarieven. In de mate de verzoekende partij ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.683 XIV-40.150-31/35 op de terechtzitting daarop repliceert dat een prijsherzieningsclausule “een abnormale prijs niet plots normaal maakt”, kan zij weliswaar worden bijgevallen doch, zoals hiervoor is uiteengezet, bleken er na het gevoerde algemeen prijsonderzoek en de verstrekte toelichtingen inzake prijsuitsplitsing en -opbouw geen concrete aanwijzingen of indiciën voorhanden te zijn om te gewagen van “schijnbaar abnormale prijzen” zodat, zo lijkt, deze kritiek doel mist. 31. In de mate de verzoekende partij in haar verzoekschrift nog aanvoert, en daarop op de terechtzitting insisteert, dat uit de motivering van het gunningsverslag niet blijkt welke de door de gekozen inschrijver aangeboden filtercapaciteit is en of de aangeboden filters voldoende kwalitatief zijn om te kunnen volstaan met een jaarlijkse vervanging, valt niet onmiddellijk in te zien hoe zij deze kritiek inpast in het derde middel dat betrekking heeft op het prijsonderzoek. Deze kritiek betreft immers de beoordeling van de kwaliteit van wat wordt aangeboden in functie van de minimale specificaties van de opdracht dan wel het gunningscriterium met betrekking tot de kwaliteit van de dienstverlening. Bij de minimale specificaties in het bestek wordt onder meer aangegeven dat: “Alle aangeboden watersystemen dienen nieuw, gebruiksvriendelijk en van onberispelijke kwaliteit te zijn. De aangeboden watersystemen dienen ervoor te zorgen dat de kwaliteit van het drinkwater gewaarborgd blijft na gebruik van het systeem. De aanbesteder behoudt zich het recht voor om de door de inschrijver aangeboden artikelen, waarvan de kwaliteit op termijn onvoldoende blijkt te zijn, te doen vervangen/een alternatief voor te stellen aan dezelfde voorwaarden. De filter in het watersysteem is vooral bedoeld om enerzijds vaste en zwevende deeltjes (zand …) uit het water te filteren, gezien dit mogelijks uit de leiding kan meekomen, en anderzijds om kalk uit het water te filteren, om de levensduur en de werking van het systeem te optimaliseren. Indien de inschrijver systemen aanbiedt in de inventaris die kunnen bijdragen aan legionellapreventie, de kans op contaminatie of vermindering van de kwaliteit van het water dat uit het watersysteem komt probeert te voorkomen of beschikt over een automatische spoeling of anti-vriesmechanisme, waardoor de gebouweigenaar of - beheerder wordt ontzorgd, kan dit als een meerwaarde worden beoordeeld in het gunningscriterium kwaliteit van de aangeboden dienstverlening. De inschrijver licht in zijn nota met betrekking tot de aangeboden dienstverlening per systeem uit de inventaris concreet toe hoe het aangeboden systeem hieraan eventueel tegemoet komt. […].” Aangezien de offerte van de gekozen inschrijver regelmatig werd bevonden, kan er worden van uitgegaan dat de voorgestelde watersystemen XIV-40.150-32/35 voldoen aan de minimale vereisten met betrekking tot de filtering van het water. Bovendien stelt de verwerende partij in haar nota dat de gekozen inschrijver, net als de verzoekende partij, een filter voorziet met een aanbevolen vervangingsfrequentie van 12 maanden (“1 filter per jaar” – cfr. de toelichting inzake prijsopbouw onderhoudsprijzen van de tussenkomende partij), wat prima facie steun vindt in het administratief dossier waarbij in de offerte van de tussenkomende partij wordt uiteengezet dat deze filters worden gehanteerd (onder meer) ter “bescherming tegen eventuele losse deeltjes ten gevolge van slechte/verouderde leidingen”, reden waarnaar ook de verzoekende partij in haar uiteenzettingen verwijst. Het blijkt niet dat hierover een bijzondere motivering moest worden opgenomen in het gunningsverslag en al zeker niet bij de bespreking van het prijsonderzoek. 32. Daarnaast wordt bij de omschrijving van het tweede gunningscriterium dat betrekking heeft op de kwaliteit van de dienstverlening, voorzien dat de inschrijvers in de nota bij hun offerte moeten uiteenzetten in welke mate het aangeboden systeem uit de inventaris bijdraagt aan legionellapreventie, de kans op contaminatie of vermindering van de waterkwaliteit probeert te voorkomen en/of beschikt over een automatische spoeling of antivriesmechanisme. Zoals uitdrukkelijk blijkt uit het gunningsverslag kreeg de gekozen inschrijver weliswaar een ‘nulscore’ voor dit beoordelingselement omdat deze inschrijver voor de toestellen in de inventaris geen bijkomende systemen aanbood die kunnen bijdragen aan legionellapreventie. Deze evaluatie zegt echter niets over de vervangingsfrequentie van de filters in de toestellen van de gekozen inschrijver en nog minder over het al dan niet schijnbaar abnormaal karakter van de prijzen van de gekozen inschrijver. 33. In zoverre de verzoekende partij op de terechtzitting tot slot nog repliceert dat in de mate in de nota van de verwerende partij wordt aangegeven dat de tussenkomende partij rekening heeft gehouden met de restwaarde na vijf jaar en “dat deze waarde ook in de marge zou zitten”, wat volgens haar “volkomen onrealistisch” is, komt zij niet verder dan deze loutere bewering waarbij zij er zich toe beperkt een aantal vragen op te werpen. Dergelijke handelwijze kan niet overtuigen, daargelaten nog dat de Raad van State de bewering dat “de restwaarde zou zijn opgenomen in de marge”, niet in de nota leest en op de terechtzitting door ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.683 XIV-40.150-33/35 zowel de verwerende partijen als de tussenkomende partij ook wordt weersproken dat dit financieel gegeven in de (winst)marge zou zijn meegenomen. 34. Bijgevolg toont de verzoekende partij niet aan noch maakt zij, met de in een schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid vereiste klaarblijkelijkheid, aannemelijk dat de verwerende partij geen voldoende zorgvuldig algemeen prijsonderzoek zou hebben gevoerd, dat deze daarbij ten onrechte geen aanwijzingen heeft gevonden die noopten tot de vaststelling dat er in de offerte van de tussenkomende partij sprake was van schijnbaar abnormale prijzen waarvoor een prijsverantwoording moest worden gevraagd, noch dat de motivering die werd opgenomen in het gunningsverslag niet volstond in het kader van een algemeen prijsonderzoek waarbij na de verstrekte toelichting door de drie inschrijvers en de daaropvolgende prijsvergelijking, geen schijnbaar abnormale prijzen werden gevonden. 35. In de mate in het derde middel ook een schending wordt aangevoerd van de artikelen 4 en 5 van de wet van 17 juni 2016 en de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, wordt in het verzoekschrift niet uiteengezet op welke wijze de bestreden beslissing deze bepalingen zou schenden. Het middel is wat dat betreft niet ontvankelijk. 36. Het (derde) middel is, in de mate het ontvankelijk is, niet ernstig. X. Besluit 37. Geen van beide middelen is ernstig gebleken. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt dan ook verworpen. BESLISSING 1. Het verzoek van de bv L. tot tussenkomst wordt ingewilligd. 2. De Raad van State verwerpt de vordering. XIV-40.150-34/35 3. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 26 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op een rolrecht van 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op dertien mei tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Kaat Leus, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Kaat Leus XIV-40.150-35/35 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.683 Gerelateerde publicatie(
- s)citeert: ECLI:BE:RVSCE:2013:ARR.222.357 ECLI:BE:RVSCE:2013:ARR.222.358 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div