id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.686 Rolnummer: A. 247595/XII-10067 Zaak: Arrest 266686 - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan - 18/05/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-05-29 Raadplegingen: 11 - laatst gezien 2026-06-18 19:40 Fiche Arrest nr 266.686 van 18 mei 2026 Openbaar ambt - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.686 no lien 289357 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 266.686 van 18 mei 2026 in de zaak A. 247.595/XII-10.067 In zake: J.V. tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken woonplaats kiezend bij de Federale politie DGR/Jur/CTX gevestigd te 1000 Brussel Koningsstraat 202A -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 6 maart 2026 , strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van “[d]e beslissing van 7 januari 2026, uitgaande van de Algemene Directie van het Middelenbeheer en de Informatie – Directie van het Personeel (DGR/DRP/Departement Loopbaanbeheer), waarbij werd beslist dat: ‘Le temps de présence de Monsieur [J.V.] redémarre à la date de sa réintégration : 01-09-2025’. ” II. Verloop van de rechtspleging
- Bij beschikking van 16 maart 2026 werd de procedurekalender vastgesteld en werden de partijen opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 13 mei
- De nota met opmerkingen en het administratief dossier werden ingediend overeenkomstig de procedurekalender. XII-10.067-1/9 Auditeur Katrien Didden heeft een verslag opgesteld. Staatsraad Ann Coolsaet heeft verslag uitgebracht. Verzoeker en adviseur Vincent Govaerts, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Katrien Didden heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is commissaris van politie bij de Federale politie. 3.
- Op 30 juni 2022 (24.00 uur) neemt verzoeker vrijwillig ontslag. 3.
- Op 28 mei 2025 vraagt verzoeker om met ingang van 1 september 2025 te worden heropgenomen overeenkomstig artikel IX.III.2 van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 ‘tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten’ (hierna: RPPol). 3.
- Op een niet nader te bepalen datum wordt dit verzoek ingewilligd door de minister van Binnenlandse Zaken. Deze beslissing luidt: “Gelet op de hierboven vermelde wettelijke bepalingen; Gelet op het feit dat voormalig commissaris van politie [verzoeker] op 30-06-2022, op eigen verzoek, definitief ontslag heeft genomen uit zijn functie bij de Federale Politie; Gelet op het verzoek tot herintegratie van betrokkene; Overwegende dat hij voldoet aan de voorwaarden voor herintegratie; Besluit ik dat [verzoeker] opnieuw als commissaris van politie kan worden geïntegreerd binnen de Federale Politie.” XII-10.067-2/9 3.
- Op 6 januari 2026 informeert de HR-verantwoordelijke van de dienst waar verzoeker is tewerkgesteld bij de algemene directie van het Middelenbeheer en de Informatie - directie van het Personeel - DGR/DRP/Departement loopbaanbeheer (hierna: DRP) vanaf welke datum de aanwezigheidstermijn om te kunnen deelnemen aan de mobiliteit, bedoeld in artikel VI.II.10, eerste lid, 1°, van het RPPol, voor verzoeker begint te lopen. 3.
- Op 7 januari 2026 antwoordt de DRP dat deze datum 1 september 2025 is. Dit is de bestreden beslissing. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
- Verzoeker heeft op 6 mei 2026 een “aanvullende nota” ingediend die, volgens verzoeker, ertoe strekt bepaalde feitelijke elementen te verduidelijken in het bijzonder naar aanleiding van de “memorie van antwoord” van de verwerende partij. Verzoeker licht toe dat hij dit doet om proceseconomische redenen, met name om te vermijden dat hij deze verduidelijkingen ter terechtzitting zou moeten uiteenzetten.
- De toepasselijke procedureregeling voorziet niet in de mogelijkheid voor verzoeker om een aanvullende nota of een pleitnota in te dienen. In zoverre de aanvullende nota de neerslag vormt van de uiteenzetting ter terechtzitting wordt ze niet als processtuk, maar als loutere inlichting in aanmerking genomen. V. Ontvankelijkheid van het beroep Uiteenzetting van de exceptie
- De verwerende partij werpt in de nota met opmerkingen op dat het beroep niet ontvankelijk is, daar het een betwisting over een subjectief recht betreft. Zij zet uiteen dat de bestreden beslissing een zuiver declaratieve beslissing ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.686 XII-10.067-3/9 is, dat de bevoegdheid van het bestuur te dezen gebonden is en dat verzoeker zich beroept op een welbepaalde juridische verplichting die een regel van objectief recht oplegt aan de verwerende partij en bij de nakoming waarvan verzoeker een belang heeft, met name de schending van artikel IX.III.2 van het RPPol. Aldus is volgens de verwerende partij voldaan aan de twee connexe voorwaarden om te besluiten dat de Raad van State geen rechtsmacht heeft. Beoordeling
- Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de verwerende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexceptie uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die exceptie zouden alleen nodig zijn indien de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. VI. Schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van deze beslissing prima facie kan worden verantwoord. VII. Spoedeisendheid Uiteenzetting van de spoedeisendheid
- Verzoeker voert aan dat de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing hem een ernstig rechtstreeks en moeilijk te herstellen nadeel berokkent. Hij zet uiteen dat hij door de bestreden beslissing op 26 januari 2026 werd uitgesloten van de mobiliteitsprocedure voor een functie van diensthoofd Bijzondere Wetten waarvoor hij zich op 9 januari 2026 kandidaat had gesteld. XII-10.067-4/9 Hierdoor heeft hij een concrete en actuele mobiliteitskans verloren op een leidinggevende en operationele functie waaraan hogere financiële voordelen verbonden zijn dan aan zijn huidige functie. Verzoeker zet voorts uiteen dat de bestreden beslissing hem ook uitsluit van eventueel volgende mobiliteitsrondes en hem aldus verhindert om opnieuw een operationele leidinggevende rol op te nemen. Verzoeker wijst erop dat hij thans een overwegend administratieve functie uitoefent, zodat de bestreden beslissing rechtstreeks raakt aan zijn loopbaanontwikkeling, professionele identiteit en dagelijkse beroepsuitoefening. Dit nadeel heeft volgens verzoeker een structureel en langdurig effect, daar de bestreden beslissing hem gedurende vijf jaar verhindert deel te nemen aan nagenoeg alle mobiliteitsrondes waarvoor een aanwezigheidstermijn is vereist. Daar de vacante betrekkingen in het kader van de mobiliteit tijdelijk zijn, is elke mobiliteitsronde waarbij hij niet kan kandideren een gemiste loopbaankans. Ten slotte wijst verzoeker op een psychosociaal en professioneel nadeel. Hij zet uiteen dat zijn huidige functie niet aansluit bij zijn profiel en dat het vooruitzicht van een langdurige blokkering van zijn loopbaan tot structurele demotivatie en professionele onzekerheid leidt. Daarenboven kan een latere nietigverklaring de verloren kansen op deelname aan afgesloten selectieprocedures niet doen herleven. Beoordeling
- Naar eis van artikel 17, § 2, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet de vordering tot schorsing “een uiteenzetting van de feiten [bevatten] die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van deze vordering wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in artikel 4, § 1, eerste lid, 5°, van het koninklijk besluit van 19 november 2024 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding en tot wijziging van diverse besluiten betreffende de procedure voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. Dit houdt in dat het aan verzoeker toevalt aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de gevolgen van een – voortdurende – tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. XII-10.067-5/9 Voorts kan luidens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de schorsing op elk moment worden bevolen indien de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van de bestreden akte of het bestreden reglement prima facie kan worden verantwoord. Met deze wijzigingen aan artikel 17 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State beoogt de wetgever de schorsingsprocedure te optimaliseren en maatwerk mogelijk te maken op basis van de spoedeisendheid die in de vordering tot schorsing wordt aangevoerd. (Wetsontwerp tot wijziging van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, KAMER, 2022- 2023, 14 maart 2023, nr. 55-3220/1, 9). Het is evenwel niet de bedoeling met deze hervorming de strekking te wijzigen van het begrip spoedeisendheid zoals dat thans gedefinieerd is door de rechtspraak van de Raad van State (Wetsontwerp tot wijziging van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, KAMER, 2022-2023, 14 maart 2023, nr. 55-3220/1, 11). Bijgevolg zal de spoedeisendheid worden vastgesteld wanneer de verzoekende partij het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten om zijn beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen. Wanneer de afdeling bestuursrechtspraak een vordering tot schorsing verwerpt wegens het gebrek aan spoedeisendheid, kan een nieuwe vordering slechts worden ingediend indien die steunt op nieuwe elementen die de spoedeisendheid van deze vordering rechtvaardigen. De afdeling bestuursrechtspraak kan bovendien een termijn bepalen waarin geen enkele nieuwe vordering tot schorsing of tot het bevelen van voorlopige maatregelen kan worden ingediend indien het enige nieuw ingeroepen element bestaat uit het verloop van de tijd (artikel 17, § 2, derde lid, gecoördineerde wetten op de Raad van State). Uit wat voorafgaat, volgt dat niet zal volstaan te stellen dat de doorlooptijd van een annulatieprocedure te lang duurt of dat het resultaat van een annulatieprocedure niet kan worden afgewacht.
- De bestreden beslissing bepaalt verzoekers mogelijkheden om deel te nemen aan selectieprocedures waarbij de vacante betrekkingen worden ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.686 XII-10.067-6/9 begeven via mobiliteit. Wie deelneemt aan een selectieprocedure, moet ermee rekening houden dat hij niet geschikt wordt bevonden en dat hij dus, bij gebreke daaraan, een andere wending aan zijn loopbaan moet geven dan de geambieerde. Dit feit op zich toont uit zichzelf niet aan dat verzoeker daardoor in omstandigheden verkeert die de zaak spoedeisend maken. Het komt derhalve aan verzoeker toe om aan te tonen dat in zijn geval bijzondere omstandigheden ertoe nopen anders te oordelen en dat hij de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing onmogelijk kan ondergaan in afwachting van de uitspraak ten gronde. Zoals hierna zal blijken, toont verzoeker dat niet aan.
- Verzoeker verantwoordt de spoedeisendheid in wezen op grond van de vaststelling dat hij, in afwachting van de eventuele nietigverklaring van de bestreden beslissing, in het kader van de periodieke mobiliteitsrondes niet kan kandideren voor vacante betrekkingen waarvoor een aanwezigheidstermijn van vijf jaar in de actueel beklede functie geldt.
- Wat de mobiliteitsrondes die reeds zijn afgesloten betreft, heeft de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing geen nut meer. De schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing geldt immers, in tegenstelling tot een nietigverklaring, enkel voor de toekomst.
- Wat de toekomstige mobiliteitsrondes en de ingevolge de bestreden beslissing gemiste kansen betreft, stelt de Raad van State vooreerst vast dat niets verzoeker lijkt te verhinderen om zich kandidaat te stellen in het kader van mobiliteitsrondes voor betrekkingen waarvoor een aanwezigheidstermijn van vijf jaar is vereist, en om, wanneer zijn kandidatuur wegens het niet beantwoorden aan de vereiste aanwezigheidstermijn onontvankelijk wordt verklaard, daargelaten of dit gebeurt door de diensten van de Federale politie dan wel door een lokalepolitiezone die een ambt bij mobiliteit vacant heeft verklaard, deze beslissing en de eventueel navolgende aanstelling van een derde eveneens aan te vechten, zich beroepende op de onregelmatigheid van de vaststelling van zijn aanwezigheidstermijn. XII-10.067-7/9
- In de mate dat verzoeker aanvoert dat de bestreden beslissing rechtstreeks raakt aan zijn loopbaanontwikkeling, professionele identiteit en dagelijkse beroepsuitoefening, maakt verzoeker niet aannemelijk dat hij dit beweerde nadeel onmogelijk kan ondergaan in afwachting van de uitspraak ten gronde.
- In de mate dat verzoeker zich beroept op een psychosociaal en professioneel nadeel, overtuigt verzoeker evenmin dat hij dat nadeel niet kan dragen in afwachting van een uitspraak over het beroep tot nietigverklaring. Ook het argument, in dat verband, dat de huidige functie van verzoeker niet aansluit bij zijn profiel, doet niet anders oordelen, daar niet blijkt dat verzoeker – in strijd met wat is bepaald in artikel IX.III.2 van het RPPol – niet zou zijn heropgenomen in het kader waarvan hij deel uitmaakte, in de graad waarmee hij voor zijn vrijwillige ontslag was bekleed en met de op dat ogenblik geldende anciënniteit. Derhalve valt evenmin in te zien waarom er sprake zou zijn van een structurele demotivatie en professionele onzekerheid, nu verzoeker bekomen heeft waar hij zelf uitdrukkelijk om heeft verzocht, zijnde de heropneming overeenkomstig artikel IX.III.2 van het RPPol.
- Ook het argument dat een latere nietigverklaring verloren kansen op deelname aan een selectieprocedure niet ongedaan kan maken, doet niet besluiten tot spoedeisendheid. Een schorsingsprocedure strekt er niet toe om elk nadeel dat de bestreden beslissing veroorzaakt, versneld te ondervangen. Verzoeker moet aantonen dat de door hem aangevoerde nadelen van die aard en omvang zijn, dat hij ze niet kan lijden totdat over de grond van de zaak uitspraak wordt gedaan. Verzoeker slaagt daarin niet.
- Uit wat voorafgaat, volgt dat verzoeker niet aantoont dat er sprake is van spoedeisendheid. VIII. Conclusie
- Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.686 XII-10.067-8/9 cumulatief vervuld moeten zijn, wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op achttien mei tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Ann Coolsaet, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Ann Coolsaet XII-10.067-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.686 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div