id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.690 Rolnummer: A. 242057/XII-9629 Zaak: Arrest 266690 - Artsen, geneesheren-specialisten en dierenartsen en paramedische beroepen - 18/05/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-05-26 Raadplegingen: 11 - laatst gezien 2026-06-18 19:40 Fiche Arrest nr 266.690 van 18 mei 2026 Sociale zaken en volksgezondheid - Artsen, geneesheren-specialisten en dierenartsen en paramedische beroepen Beslissing : heropening debatten Depersonalisatie Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.690 no lien 289360 identiques ecli_input ECLI:BE:GHCC:2020.ARR.105 ecli_prefixe ECLI ecli_pays BE ecli_cour GHCC ecli_cour_old ecli_annee 2020.ARR.105 ecli_ordre ecli_typedec ecli_datedec ecli_chambre ecli_nosuite Invalid ECLI ID - 4 element(
- s)ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI ECLI:BE:GHCC:2020.ARR.105 invalide Invalid ECLI ID - 4 element(
- s)ecli_input ECLI:BE:GHCC:2010.ARR.109 ecli_prefixe ECLI ecli_pays BE ecli_cour GHCC ecli_cour_old ecli_annee 2010.ARR.109 ecli_ordre ecli_typedec ecli_datedec ecli_chambre ecli_nosuite Invalid ECLI ID - 4 element(
- s)ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI ECLI:BE:GHCC:2010.ARR.109 invalide Invalid ECLI ID - 4 element(
- s)RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 266.690 van 18 mei 2026 in de zaak A. 242.057/XII-9629 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Benjamin Herman kantoor houdend te 8300 Knokke-Heist Natiënlaan 237 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Franky De Mil kantoor houdend te 9000 Gent Voskenslaan 34 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 1 juni 2024, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van 17 mei 2024 van de Nederlandstalige multidisciplinaire kamer van de Federale Commissie voor toezicht op de praktijkvoering in de gezondheidszorg waarbij de eerder genomen beslissing van 19 april 2024 tot onmiddellijke intrekking van het visum van verzoeker wordt bevestigd en voor zover als nodig wordt hernomen. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 261.315 van 8 november 2024 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. XII-9629-1/9 Verzoeker heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Anja Somers heeft een verslag opgesteld. Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 23 april 2026. Staatsraad Ann Coolsaet heeft verslag uitgebracht. Advocaat Benjamin Herman, die verschijnt voor verzoeker, is gehoord. Eerste auditeur Anja Somers heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3. In het arrest nr. 261.315 van 8 november 2024, waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing is verworpen, worden de feiten als volgt weergegeven: XII-9629-2/9 “3.1. De verzoekende partij is huisarts. 3.2. Bij brief van 18 januari 2024 richt de Orde der Artsen van Antwerpen een schrijven aan de Nederlandstalige multidisciplinaire Kamer van de Federale Commissie voor toezicht (hierna: de toezichtcommissie ) waarin zij de vrees uit dat de verzoekende partij niet meer over de fysieke of psychische geschiktheid beschikt om zonder risico’s de uitoefening van de geneeskunde voort te zetten en dat zij de regels inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg niet naleeft zodat er voor zware gevolgen voor de patiënten of de volksgezondheid kan worden gevreesd. 3.3. Naar aanleiding van het voormelde schrijven wordt de verzoekende partij bij brief van 13 februari 2024 door de toezichtcommissie opgeroepen om gehoord te worden op de zitting van 1 maart 2024. Op 1 maart 2024 wordt de verzoekende partij gehoord door de toezichtcommissie, bijgestaan door haar collega en tevens huisarts V. V. 3.4. Op 4 maart 2024 besluit de toezichtcommissie de beslissing uit te stellen en de verzoekende partij de mogelijkheid te bieden om voor 28 maart 2024 de nodige bewijzen en documenten te verschaffen die haar vrijpleiten van de beschuldigingen. Er wordt tevens meegedeeld dat een toxicologisch haaronderzoek bijkomend kan worden voorgelegd als bewijs. Tot slot wordt meegedeeld dat indien blijkt dat toch niet aan de voorwaarden wordt voldaan, het visum alsnog kan worden ingetrokken. 3.5. Op 6 maart 2024 wordt door de Orde der Artsen nog een e-mail meegedeeld van de arts inspecteur bij het RIZIV die er op wijst dat de verzoekende partij de voorwaarden waaronder haar visum werd teruggegeven heeft geschonden door medicatie aan zichzelf voor te schrijven. 3.6. Op 19 april 2024 komt de toezichtcommissie tot de conclusie dat er onvoldoende bewijsstukken werden aangeleverd door de verzoekende partij en besluit haar visum in te trekken. 3.7. Op 3 mei 2024, stelt de verzoekende partij een vordering in strekkende tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 19 april 2024 van de Nederlandstalige multidisciplinaire kamer van de Federale Commissie voor toezicht op de praktijkvoering in de gezondheidszorg waarbij haar visum wordt ingetrokken. Bij arrest nr. 259.734 van 15 mei 2024 verwerpt de Raad van State de voornoemde vordering. Deze beslissing is door de verzoekende partijen eveneens bestreden met een op 23 mei 2024 ingediend beroep tot nietigverklaring en een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging, dat is verworpen bij ’s Raads arrest nr. 261.314 van heden in de zaak gekend onder het rolnummer A/241.988/XII-9758. 3.8. Op de zitting van de toezichtcommissie van 17 mei 2024 wordt opnieuw het dossier ter beraadslaging voorgelegd ingevolge een vormgebrek bij het nemen van de beslissing van 19 april 2024. 3.9. Op 17 mei 2024 beslist de toezichtcommissie om de eerder genomen beslissing van 19 april 2024 tot onmiddellijke intrekking van uw visum te bevestigen en voor zover als nodig te hernemen. Dit is de bestreden beslissing. 3.10. Bij dagvaarding van 22 mei 2024 leidt de verzoekende partij tevens een kortgedingprocedure in voor de Nederlandstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, waarbij zij vraagt om een voorlopige situatie in te stellen zodat zij haar activiteiten als arts kan blijven uitoefenen tot er een uitspraak ten gronde is gedaan en om de Belgische Staat te veroordelen tot het nemen van alle maatregelen om de uitoefening van het beroep mogelijk te maken, dit onder verbeurte van een dwangsom. Bij beschikking van 28 juni 2024 wordt door de Nederlandstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel bevolen om de procedure ten aanzien van de verzoekende partij te hernemen, dit minstens vanaf het ogenblik dat zij moet worden gehoord, en ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.690 XII-9629-3/9 om binnen een termijn van twee maanden na de betekening van deze beschikking een nieuwe beslissing te nemen. Dit bevel wordt opgelegd onder verbeurte van een dwangsom van 500 euro per dag vertraging dat geen nieuwe beslissing is genomen binnen 2 maanden na de betekening van de beschikking, met een maximum van 50.000 euro. 3.11. Op 23 september 2024 stelt de raadsman van de verzoekende partij de Raad van State in kennis van de beslissing van de toezichtscommissie van 23 september 2024 waarbij haar visum van met onmiddellijk ingang wordt teruggegeven en afhankelijk wordt gemaakt van de naleving van de in de betreffende beslissing opgesomde voorwaarden.” IV. Ontvankelijkheid van het beroep: exceptie van gebrek aan belang Standpunt van de partijen 4. De verwerende partij werpt op dat verzoeker niet over het rechtens vereiste belang beschikt, daar zijn belang louter hypothetisch is. De verwerende partij zet in de memorie van antwoord uiteen dat er in hoofde van verzoeker “geen enkele intentie [lijkt] te bestaan tot opheffing van de met de beslissing van [2]3 september 2024 opgelegde voorwaarden”, daar verzoeker zich akkoord verklaarde met de door de Nederlandstalige multidisciplinaire kamer van de Federale Commissie voor toezicht op de praktijkvoering in de gezondheidszorg (hierna: Toezichtcommissie) opgelegde voorwaarden. Voorts wijst de verwerende partij erop dat uit de motivering van de beslissing van 23 september 2024 blijkt dat de voorwaarden die aan de teruggave van het visum werden gekoppeld, werden opgelegd omdat het genezingsproces van verzoeker nog maar recent een gunstige evolutie kende. Een eventueel verzoek tot opheffing van de opgelegde voorwaarden zal daarom worden beoordeeld op basis van de evolutie van dat genezingsproces. Of de bestreden beslissing al dan niet uit de rechtsorde is verdwenen, zal op die beoordeling geen impact hebben. 5. Verzoeker zet in het verzoekschrift uiteen dat de bestreden beslissing onbetwistbaar nadelig is, daar ze het visum, vereist om zijn beroep als arts uit te oefenen, intrekt. In het verzoek tot voortzetting na het voormelde arrest waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing XII-9629-4/9 werd verworpen, zet verzoeker uiteen dat hij nog over het vereiste belang beschikt. Verzoeker erkent dat hij bij beslissing van 23 september 2024 van de Toezichtcommissie zijn visum heeft teruggekregen ingevolge een verzoek tot teruggave, doch wijst erop dat de bestreden beslissing niet is tenietgedaan. De bestreden beslissing en haar motieven behoren nog steeds tot de rechtsorde. Dit betekent volgens verzoeker dat hij nog steeds wordt geacht de eerder opgelegde voorwaarden te hebben geschonden, wat niet zonder gevolgen is voor zijn verdere loopbaan. Dit gegeven kan worden betrokken bij de beoordeling van een toekomstig verzoek tot opheffing van de door de beslissing van 23 september 2024 opgelegde voorwaarden. In de memorie van wederantwoord herhaalt verzoeker de uiteenzetting van zijn actueel belang. Voorts repliceert hij op de memorie van antwoord met het standpunt dat uit het gegeven dat hij op de hoorzitting zou hebben gezegd dat hij zich zou verzoenen met de door de Toezichtcommissie op 23 september 2024 opgelegde voorwaarden, niet volgt dat verzoeker ook erkent dat hij de eerder opgelegde voorwaarden heeft geschonden. Verzoeker wijst erop dat een nietigverklaring betekent dat de bestreden beslissing uit de rechtsorde verdwijnt en hij in dat geval wordt geacht de eerder opgelegde voorwaarden niet te hebben geschonden. Minstens betekent de nietigverklaring dat de bestreden beslissing niet geldig is tot stand gekomen. Dit belang is niet hypothetisch, maar actueel, daar verzoeker er belang bij heeft dat zijn actueel dossier bij de Toezichtcommissie wordt gezuiverd van onwettige beslissingen. Voorts kan een nietigverklaring van belang zijn voor toekomstige beoordelingen. In de laatste memorie zet verzoeker uiteen dat het auditoraatsverslag een verkeerde voorstelling van zaken geeft. Het is verzoekers bedoeling om de bestreden beslissing uit het rechtsverkeer te laten verdwijnen, zodat ze in geen enkel opzicht deel meer uitmaakt van zijn dossier. Zolang de bestreden beslissing niet is tenietgedaan, blijft ze een element bij een heroverweging van de voorwaarden, maar ook bij de algemene beoordeling van verzoekers visumdossier. Het gegeven dat er op dit ogenblik geen verzoek tot heroverweging voorligt, maakt het belang niet hypothetisch, daar de opgelegde XII-9629-5/9 voorwaarden bestaan, inclusief de mogelijkheid om te gepasten tijde om een heroverweging te verzoeken. Beoordeling 6. Gelet op artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, kan het beroep tot nietigverklaring bedoeld bij artikel 14 van deze wet, voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State worden gebracht “door elke partij welke doet blijken van een benadeling of van een belang”. Die vereiste is erop gericht de rechtszekerheid te dienen en een goede rechtsbedeling te verzekeren (RvS (A.V.) 22 maart 2019, nr. 244.015, ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.015). Een verzoekende partij beschikt over dit rechtens vereiste belang indien twee voorwaarden vervuld zijn: vooreerst dient zij door de bestreden administratieve rechtshandeling een persoonlijk, rechtstreeks, zeker, actueel en wettig nadeel te lijden; voorts moet de eventueel tussen te komen nietigverklaring van die rechtshandeling haar een direct en persoonlijk voordeel verschaffen, hoe miniem ook (RvS (A.V.) 15 januari 2019, nr. 243.406, ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.406). Het belang moet niet alleen bestaan bij het instellen van het beroep maar moet voortduren tot aan de sluiting van het debat (RvS (A.V.) 22 maart 2019, nr. 244.015, ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.015), zonder dat de verzoekende partij noodzakelijk elk belang bij de nietigverklaring verliest wanneer zij het initiële voordeel niet meer kan ambiëren (cf. GwH 9 juli 2020, nr. 105/2020, ECLI:BE:GHCC:2020.ARR.105, punten B.11.2 en B.12.2). Het staat aan de Raad van State te oordelen of de verzoekende partij die een zaak voor de Raad brengt, doet blijken van een belang bij haar beroep. De Raad van State dient erover te waken dat het belangvereiste niet op een buitensporig restrictieve of formalistische wijze wordt toegepast (GwH 30 september 2010, nr. 109/2010, ECLI:BE:GHCC:2010.ARR.109, punt B.4.3; GwH 9 juli 2020, nr. 105/2020, ECLI:BE:GHCC:2020.ARR.105, ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.690 XII-9629-6/9 punt B.9.3; EHRM 17 juli 2018, 5475/06, ECLI:CE:ECHR:2018:0717JUD000547506, Vermeulen/België, punten 42 e.v.). Er is voor een verzoekende partij geen stelplicht om haar belang bij het beroep te omschrijven of toe te lichten. Echter, wordt dit belang in twijfel getrokken, dan valt het haar toe bij de eerstvolgende procedurele gelegenheid hierover opheldering te verschaffen en haar belang te staven. Doet een verzoekende partij zulks, dan heeft zij daarmee ook de contouren geschetst waarom het haar te doen is en moet de Raad van State met die door de verzoekende partij vastgelegde grenzen van het gerechtelijk debat rekening houden (RvS (A.V.) 15 januari 2019, nr. 243.406, ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.406). 7. De bestreden beslissing is een beslissing van de Toezichtcommissie die de wettelijke opdracht heeft om overeenkomstig artikel 45 van de wet van 22 april 2019 ‘inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg’ (hierna: wet van 22 april 2019) toezicht te houden op de praktijkvoering van de gezondheidszorgbeoefenaars. De Toezichtcommissie heeft – indien zij meent dat er sprake is van een tekortkoming in hoofde van de gezondheidszorgbeoefenaar – verregaande bevoegdheden. Ze kan onder meer in toepassing van artikel 56 van de wet van 22 april 2019 het visum vereist voor de beroepsuitoefening intrekken, schorsen of het behoud ervan afhankelijk maken van het naleven van welbepaalde voorwaarden, de gezondheidszorgbeoefenaar een verbeterplan opleggen, en, in welbepaalde gevallen, een administratieve boete opleggen. 8. Daargelaten of de voormelde maatregelen, zoals te dezen de intrekking van het visum, moeten worden gekwalificeerd als een bestuurlijke sanctie, dan wel als een louter probleemverhelpende vorm van bestuurlijke handhaving – een vraag die in het kader van de beoordeling van het belang van verzoeker niet moet worden beantwoord – heeft een dergelijke maatregel zeer verregaande gevolgen voor de bestuurde. Daarenboven verwijt de bestreden beslissing aan verzoeker ernstige tekortkomingen in de beroepsuitoefening. XII-9629-7/9 Niettegenstaande met de beslissing van 23 september 2024 het visum aan verzoeker werd teruggeven, zij het mits de naleving van een aantal voorwaarden, doet deze beslissing van 23 september 2024 geen afbreuk aan het bestaan van de bestreden beslissing. Dat blijkt ook met zoveel woorden uit de beslissing van 23 september 2024, daar ze onder meer op de bestreden beslissing steunt. Daar de bestreden beslissing vooralsnog deel uitmaakt van de rechtsorde, door verzoeker werd ondergaan en een negatief licht werpt op de professionele loopbaan van verzoeker, beschikt hij minstens over een moreel belang om de bestreden beslissing uit de rechtsorde verwijderd te zien. 9. In tegenstelling tot wat de verwerende partij aanvoert, is dit belang niet louter hypothetisch. De verwerende partij situeert het mogelijk belang van verzoeker uitsluitend binnen de toekomstige beoordeling van een toekomstig verzoek tot opheffing van de voorwaarden die actueel verbonden zijn aan het visum van verzoeker. De verwerende partij geeft daarmee een te enge invulling aan het belang, zoals het door verzoeker wordt geschetst. In het verzoek tot voortzetting na het arrest waarbij verzoekers vordering tot schorsing werd verworpen – dit is de eerste procedurele gelegenheid voor verzoeker om te reageren op de vragen die bij zijn actueel belang werden gesteld – wijst verzoeker er immers op dat de bestreden beslissing nog deel uitmaakt van de rechtsorde, dat hij nog steeds wordt geacht eerder opgelegde voorwaarden te hebben geschonden en dat dit niet zonder gevolgen is voor zijn verdere loopbaan. Zoals hiervoor is uiteengezet, volstaat dit opdat verzoeker een actueel belang heeft bij de gebeurlijke nietigverklaring van de bestreden beslissing. 10. De exceptie wordt verworpen. V. Aanvullend onderzoek 11. Het auditoraat heeft zijn onderzoek over de zaak beperkt tot het onderzoek van de exceptie van niet-ontvankelijkheid van het beroep, waarvan in de huidige stand van het onderzoek niet blijkt dat die leidt tot een definitieve ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.690 XII-9629-8/9 oplossing van het geschil. Er is dan ook reden om het auditoraat te gelasten met een aanvullend verslag over de zaak. BESLISSING 1. De Raad van State heropent het debat. 2. Het door de Auditeur-generaal aangestelde lid van het auditoraat wordt gelast met een aanvullend onderzoek. 3. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op achttien mei tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Chantal Bamps, kamervoorzitter, Peter Sourbron, staatsraad, Ann Coolsaet, staatsraad, bijgestaan door Ilse Anné, griffier. De griffier De voorzitter Ilse Anné Chantal Bamps XII-9629-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.690 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.315 citeert: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.406 ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.015 ECLI:CE:ECHR:2018:0717JUD000547506 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div