id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.702 Rolnummer: A. 247979/XIV-40155 Zaak: Arrest 266702 - Overheidsopdrachten - 19/05/2026 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-05-21 Raadplegingen: 12 - laatst gezien 2026-06-18 19:40 Fiche Arrest nr 266.702 van 19 mei 2026 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Bevolen Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.702 no lien 289362 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 266.702 van 19 mei 2026 in de zaak A. 247.979/XIV-40.155 In zake: de BV C. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Elke Casteleyn kantoor houdend te 9160 Lokeren Sterrestraat 202 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Gitte Laenen en Lander Maes kantoor houdend te 2800 Mechelen Antwerpsesteenweg 16-18 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: de NV K. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Olivier Eschweiler kantoor houdend te 4130 Esneux rue de Mery 42 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 27 april 2026, strekt tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “het besluit van 03.04.2026 van Agentschap Wegen en Verkeer houdende de gunning van de opdracht voor [Groen]onderhoud en netheidsonderhoud en ruimen van grachten en aflagen van bermen in D412 (Oudenaarde), incl. verwerking transferten […] aan [de nv K.] en niet aan Verzoekende Partij”. XIV-40.155-1/18 II. Verloop van de rechtspleging
- Bij beschikking van 28 april 2026 werd, in samenspraak met het aangeduide lid van het auditoraat, de procedurekalender vastgesteld. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. Met een verzoekschrift van 7 mei 2026 heeft de nv K. gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 13 mei 2026 om 11:00 uur. Staatsraad Inge Vos heeft verslag uitgebracht. Advocaat Elke Casteleyn, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Benjamin Gorrebeeck loco advocaat Gitte Laenen en advocaat Lander Maes, die verschijnen voor de verwerende partij, en advocaat Anne Custers, die loco advocaat Olivier Eschweiler verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Auditeur Frederick Ongena heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Het Agentschap Wegen en Verkeer, Wegen en Verkeer Oost- Vlaanderen, van de verwerende partij schrijft een overheidsopdracht voor diensten uit met als voorwerp ‘groenonderhoud en netheidsonderhoud en ruimen van ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.702 XIV-40.155-2/18 grachten en aflagen van bermen in D412 (Oudenaarde), incl. verwerking transferten’. De opdracht betreft een raamovereenkomst met een initiële looptijd van één jaar dewelke tot driemaal toe kan worden verlengd zodat de maximale duur van de opdracht is beperkt tot vier jaar. Als plaatsingsprocedure wordt gekozen voor een openbare procedure. De opdracht wordt nationaal en Europees bekendgemaakt. 3.
- Het bestek dat op de opdracht van toepassing is, bepaalt dat de opdracht zal worden gegund op basis van volgende gunningscriteria: ‘het offertebedrag’ (50 punten) en ‘de kwaliteit van de aangeboden diensten/plan van aanpak’ (50 punten). 3.
- Acht ondernemingen, onder wie de verzoekende partij en de verzoekende partij tot tussenkomst, dienen een offerte in. 3.
- Op 3 november 2025 vraagt de verwerende partij aan de nv K. om overeenkomstig artikel 36, § 2, van het koninklijk besluit van 18 april 2017 ‘plaatsing overheidsopdrachten in de klassieke sectoren’ (hierna: koninklijk besluit van 18 april 2017) een prijsverantwoording te verstrekken voor de eenheidsprijzen van zeven posten. Op 14 november 2025 verstrekt de nv K. de gevraagde prijsverantwoording voor de eenheidsprijzen van de betrokken posten. 3.
- Op 8 december 2025 vraagt de verwerende partij aan de nv K. om overeenkomstig artikel 36, § 2, van het koninklijk besluit van 18 april 2017 nog een prijsverantwoording te verstrekken voor de eenheidsprijs van een andere post (post 147). XIV-40.155-3/18 Op 18 december 2025 verstrekt de nv K. de gevraagde prijsverantwoording voor de betrokken post. 3.
- Op 21 januari 2026 wordt een gunningsverslag opgesteld. Daarin worden alle inschrijvers voorlopig geselecteerd en de offertes van alle inschrijvers regelmatig bevonden. Inzake het prijs-of kostenonderzoek vermeldt het gunningsverslag: “4.7 Prijs- of kostenonderzoek Het prijsonderzoek werd uitgevoerd in overeenstemming met de bepalingen van art. 35 en 36 van het KB Plaatsing en cfr. de opdrachtdocumenten. ● M.b.t. de offertebedragen - Wettelijk gemiddelde Er werden 8 offertes geselecteerd, bijgevolg is het wettelijk criterium cfr. art. 36 §4 KB Plaatsing van toepassing. In dit geval ligt het offertebedrag van inschrijver [nv K.] meer dan 15% onder het wettelijk gemiddelde. Dit offertebedrag is bijgevolg belast met een wettelijk vermoeden van abnormaliteit en verder onderzoek is noodzakelijk. De betrokken inschrijver werd verzocht om een prijsverantwoording - voor wat betreft de totaalprijs - op basis van art. 36 §4 KB Plaatsing. De prijsverantwoording werd tijdig aangeleverd. Daaromtrent wordt het volgende vastgesteld: De eenheidsprijzen worden opgebouwd op basis van de bekende opbrengsten, risico’s en de ervaring die werd opgedaan bij soortgelijke contracten die reeds werden uitgevoerd. De bijgeleverde toelichting wordt aanvaard. ● M.b.t. de offertebedragen - Vergelijking t.o.v. de raming Offertebedragen die 15% of meer afwijken van de raming worden beschouwd als schijnbaar abnormaal. Dit is het geval voor het offertebedrag van inschrijver [nv K.]. Er wordt besloten aan deze inschrijver een prijsverantwoording te vragen voor zijn totaalprijs op basis van art. 36 §2 KB Plaatsing. De prijsverantwoording werd tijdig aangeleverd. Daaromtrent wordt het volgende vastgesteld: In navolging van het onderzoek van de totaalprijs van de betrokken inschrijver en de vergelijking ervan met de andere offertes en de raming wordt geconcludeerd dat er geen abnormale totaalprijs wordt vastgesteld. De prijsverantwoording wordt aanvaard. ● M.b.t. de eenheidsprijzen Voor dit onderzoek werden alle posten in aanmerking genomen die een gewicht van minstens 1 % vertegenwoordigen t.o.v. de totale offerte. Vervolgens werd als drempelwaarde voor afwijkingen 30 % gehanteerd voor lage prijzen en 50 % voor hoge prijzen. In navolging van het onderzoek van de eenheidsprijzen wordt er aan inschrijver [nv K.] een prijsverantwoording gevraagd op basis van art. 36 §2 KB Plaatsing voor volgende posten: XIV-40.155-4/18 Post 139 - Het in een erkend verwerkingsbedrijf verwerken (alle milieuheffingen inbegrepen) van graszoden Post 145 - Verwerken van uitgegraven grondspecie in een erkend verwerkingsbedrijf (alle milieuheffingen inbegrepen) Post 147 - Verwerken van ruimingsspecie in een erkend verwerkingsbedrijf (alle milieuheffingen inbegrepen) De prijsverantwoordingen werden ons door de inschrijver tijdig bezorgd. De eenheidsprijzen werden opgebouwd op basis van de bekende opbrengsten, risico’s en de ervaring opgedaan bij soortgelijke contracten die reeds werden uitgevoerd. De prijsverantwoordingen worden aanvaard. ● Conclusie Bovenstaande analyse toont aan dat er geen abnormale totaalprijzen of eenheidsprijzen werden vastgesteld. De offerte wordt prijstechnisch regelmatig beschouwd.” Na de toetsing van de offertes aan de gunningscriteria wordt de offerte van de nv K. als eerste gerangschikt, met een totaal van 85,43 punten. De offerte van de verzoekende partij staat als tweede gerangschikt, met een totaal van 80,67 punten. Voorgesteld wordt om de opdracht te gunnen aan de nv K. 3.
- Op 3 april 2026 beslist de verwerende partij om de opdracht te gunnen aan de nv K. Dit is de bestreden beslissing. 3.
- Met een e-mailbericht van 13 april 2026 en een aangetekend schrijven, gedateerd op 13 april 2026, stelt de verwerende partij de verzoekende partij in kennis van de bestreden beslissing. 3.
- Op 20 april 2026 vraagt de verwerende partij aan de nv K. om overeenkomstig artikel 36, § 2, van het koninklijk besluit van 18 april 2017 een prijsverantwoording te verstrekken voor het totaal offertebedrag. Op 29 april 2026 verstrekt de nv K. de gevraagde prijsverantwoording voor de totaalprijs van haar offerte. XIV-40.155-5/18 IV. Nadere omschrijving van het voorwerp van de vordering
- De vordering is gericht tegen “het besluit van 03.04.2026 van Agentschap Wegen en Verkeer houdende de gunning van de opdracht voor [Groen]onderhoud en netheidsonderhoud en ruimen van grachten en aflagen van bermen in D412 (Oudenaarde), incl. verwerking transferten […] aan [de nv K.] en niet aan Verzoekende Partij”. Hierover ondervraagd ter terechtzitting, bevestigt de raadsman van de verzoekende partij dat de vordering enkel gericht is tegen de gunningsbeslissing en niet tegen de impliciete beslissing om de opdracht niet te gunnen aan de verzoekende partij. De vordering wordt hierna vanuit dat oogpunt onderzocht. V. Tussenkomst
- De nv K. blijkt voordeel te halen uit de bestreden beslissing en heeft er belang bij dat de vordering wordt afgewezen. Bijgevolg wordt haar verzoek tot tussenkomst ingewilligd. VI. Verzoek tot vertrouwelijke behandeling van bepaalde stukken
- Alle partijen vragen om de vertrouwelijke behandeling van bepaalde door hen neergelegde stukken die zij in de inventaris als vertrouwelijk aanduiden en waarbij zij ook de redenen opgeven waarom zij om die vertrouwelijke behandeling vragen. Geen van de partijen heeft het lichten van de vertrouwelijkheid van deze stukken gevraagd. VII. Ontvankelijkheid van de vordering
- De verwerende partij werpt in de nota met opmerkingen op dat de verzoekende partij geen belang heeft bij haar vordering voor zover deze is ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.702 XIV-40.155-6/18 gericht tegen de impliciete beslissing om de opdracht niet aan de verzoekende partij te gunnen. Nu hiervoor is gebleken dat de vordering enkel gericht is tegen de gunningsbeslissing en niet tegen de impliciete weigeringsbeslissing, stelt de Raad van State vast dat de exceptie zonder voorwerp is. VIII. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, §§ 1, 5 en 6, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, gelezen in samenhang met de artikelen 15 en 31 van de wet van 17 juni 2013 ‘betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies’ (hierna: wet van 17 juni 2013), moet enkel worden onderzocht of in de voorliggende vordering tot schorsing die is ingesteld volgens de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, een ernstig middel waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling of een klaarblijkelijke onwettigheid wordt aangevoerd. IX. Onderzoek van de middelen Vooraf
- Het past om het eerste en tweede middel samen te beoordelen. Eerste en tweede middel Standpunt van de partijen
- In het eerste middel, dat betrekking heeft op het prijsonderzoek van de door de gekozen inschrijver geboden totaalprijs, voert de verzoekende partij de schending aan van artikel 84 van de wet van 17 juni 2016 ‘inzake overheidsopdrachten’ (hierna: wet van 17 juni 2016), de artikelen 35, 36 en 76 van het koninklijk besluit van 18 april 2017 ‘plaatsing overheidsopdrachten in de XIV-40.155-7/18 klassieke sectoren’ (hierna: koninklijk besluit van 18 april 2017) , de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, het zorgvuldigheidsbeginsel en de materiële motiveringsplicht. De verzoekende partij vat het middel als volgt samen: “De hogervermelde bepalingen zijn geschonden: Doordat het gunningsverslag geen afdoende motivering bevat waarom de prijsverantwoording m.b.t. totaalprijs van de gekozen inschrijver kon worden aanvaard; Doordat het onderzoek van de prijsverantwoording onzorgvuldig is gebeurd aangezien de motivering tot aanvaarding ervan, enerzijds, tegenstrijdigheden en, anderzijds, loutere algemeenheden bevat waarbij niet blijkt dat Verwerende Partij de prijsverantwoording terdege heeft onderzocht en is nagegaan of deze is gebaseerd op concrete, onderbouwde en in de feiten aanvaardbare elementen; Doordat de Verwerende Partij ten onrechte abstractie heeft gemaakt van het feit dat ook Verzoekende Partij, net zoals de overige inschrijvers, over de nodige ervaring beschikt om de opdracht uit te voeren en bijgevolg de gekozen inschrijver niet heeft aangetoond zich te kunnen beroepen op geheel eigen voordelen, waarover de overige inschrijvers niet zouden beschikken en die zijn abnormaal lage totaalprijs zouden kunnen verklaren, terwijl deze bewijslast nochtans integraal op de gekozen inschrijver ligt; Dat het bijgevolg duidelijk is dat Verwerende Partij niet heeft gehandeld als een zorgvuldige aanbesteder, terwijl het zorgvuldigheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur de aanbestedende overheid verplicht tot een gedegen voorbereiding van de te nemen beslissing, opdat zij met kennis van zaken kan oordelen over de gunning van de opdracht, waarbij het aan de aanbestedende overheid toekomt de door een inschrijver verstrekte prijsverantwoording met de nodige zorgvuldigheid te onderzoeken en te oordelen of deze wel is gestoeld op bestaande en concrete feiten; Doordat de aanbestedende overheid bijgevolg heeft gehandeld in strijd met art. 76, §3 KB Plaatsing door de opdracht te gunnen aan een inschrijver met een substantieel onregelmatige offerte; en Doordat alleszins de vereiste formele motieven als deugdelijke materiële motieven ontbreken om te besluiten dat de totaalprijs van de gekozen offerte normaal is.”
- De verwerende partij vat haar verweer inzake het eerste middel in de nota met opmerkingen als volgt samen: “Anders dan Verzoekende Partij voorhoudt, heeft Verwerende Partij [nv K.] wel degelijk verzocht om de in artikel 36, §2, vierde lid KB Plaatsing XIV-40.155-8/18 bedoelde verantwoordingen inzake de eerbiediging van de in artikel 7 Overheidsopdrachtenwet vervatte verplichtingen op het vlak van sociaal, arbeids- en milieurecht, en heeft zij van [nv K.] ook een omstandige verantwoording in dat verband mogen ontvangen, vergezeld van de nodige stavingstukken. Verwerende Partij heeft, mede op grond van het bijkomend technisch advies van ATO, een zorgvuldig prijsonderzoek gevoerd en heeft [nv K.] tot tweemaal toe verzocht om een prijsverantwoording aan te leveren voor de als schijnbaar abnormaal aangemerkte eenheidsprijzen. De aldus aangeleverde verantwoording beperkt zich allerminst tot vaagheden of algemeenheden, doch bestaat uit een omstandige cijfermatige uitsplitsing per post – met inbegrip van de afzonderlijke kostencomponenten en de toeslagen voor algemene kosten en winst – die bovendien wordt onderbouwd door de nodige stavingstukken, waaronder een raamovereenkomst met een externe leverancier, hetgeen als een uitzonderlijk gunstige omstandigheid in de zin van artikel 36, §2, 2° KB Plaatsing kan worden aangemerkt. Aangezien het verschil tussen het totale offertebedrag van [nv K.] en dat van Verzoekende Partij voornamelijk te verklaren valt door het prijsverschil in de eenheidsprijzen voor die posten waarvoor reeds een – aanvaarde – prijsverantwoording was aangeleverd, ging Verwerende Partij niet nogmaals over tot een afzonderlijk verzoek tot verantwoording van de totaalprijs, en kon zij rechtmatig besluiten dat ook de totaalprijs als normaal kon worden beschouwd. Dat de in het verslag van nazicht opgenomen motivering tot aanvaarding van de prijsverantwoording om voor de hand liggende redenen van vertrouwelijkheid – zoals vervat in artikel 13, §2 Overheidsopdrachtenwet en artikel 10 Rechtsbeschermingswet – noodzakelijk afgebakend van aard diende te zijn, doet hieraan geen afbreuk, nu deze motivering steun vindt in de stukken van het administratief dossier waarvan Uw Raad kennis kan nemen. Het eerste middel is dan ook niet ernstig en dient bijgevolg verworpen te worden.”
- De tussenkomende partij vat haar argumentatie wat het eerste middel betreft als volgt samen in haar verzoekschrift tot tussenkomst: “De verwerende partij heeft de totale prijs van de offerte van [de nv K.] gecontroleerd, met inachtneming van de geldende regelgeving. Naar aanleiding van dit verzoek om prijsverantwoording heeft [de nv K.] een gedetailleerd, nauwkeurig en concreet antwoord gegeven. De door de verzoekende partij geuite kritiek is ongegrond. De aanbestedende overheid heeft geen kennelijke beoordelingsfout gemaakt bij het aanvaarden van de prijsverantwoording van [de nv K.]. De motivering van de bestreden handeling voldoet aan de wettelijke verplichtingen, met inachtneming van de geheimhoudingsplicht waaraan de aanbestedende overheid is gebonden. Het middel is ongegrond.” XIV-40.155-9/18
- In het tweede middel, dat betrekking heeft op het prijsonderzoek van bepaalde door de gekozen inschrijver geboden eenheidsprijzen, voert de verzoekende partij de schending aan van dezelfde bepalingen en beginselen als in het eerste middel. De verzoekende partij vat het tweede middel als volgt samen: “De hogervermelde bepalingen zijn geschonden Doordat het gunningsverslag geen afdoende motivering bevat waarom de prijsverantwoording m.b.t. eenheidsprijzen van de gekozen inschrijver kon worden aanvaard; Doordat het onderzoek van de prijsverantwoording onzorgvuldig is gebeurd aangezien de motivering tot aanvaarding loutere algemeenheden bevat waarbij er niet blijkt dat Verwerende Partij de prijsverantwoording terdege heeft onderzocht en is nagegaan of deze is gebaseerd op concrete, onderbouwde en in de feiten aanvaardbare elementen; Doordat niet blijkt dat de gekozen inschrijver zijn eenheidsprijzen überhaupt op enige wijze heeft geduid, bv. door uitsplitsing met de nodige onderbouwing of andere; Doordat de Verwerende Partij ten onrechte abstractie heeft gemaakt van het feit dat ook Verzoekende Partij, net zoals de overige inschrijvers, over de nodige ervaring beschikt om de opdracht uit te voeren en bijgevolg de gekozen inschrijver niet heeft aangetoond zich te kunnen beroepen op geheel eigen voordelen, waarover de overige inschrijvers niet beschikken en die zijn abnormaal lage eenheidsprijzen zouden kunnen verklaren, terwijl deze bewijslast nochtans integraal op de gekozen inschrijver ligt; Dat het bijgevolg duidelijk is dat Verwerende Partij niet heeft gehandeld als een zorgvuldige aanbesteder, terwijl het zorgvuldigheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur de aanbestedende overheid verplicht tot een gedegen voorbereiding van de te nemen beslissing, opdat zij met kennis van zaken kan oordelen over de gunning van de opdracht, waarbij het aan de aanbestedende overheid toekomt de door een inschrijver verstrekte prijsverantwoording met de nodige zorgvuldigheid te onderzoeken en te oordelen of deze wel is gestoeld op bestaande en concrete feiten; Doordat de aanbestedende overheid bijgevolg heeft gehandeld in strijd met art. 76, §3 KB Plaatsing door de opdracht te gunnen aan een inschrijver met een substantieel onregelmatige offerte; en Doordat alleszins de vereiste formele motieven als deugdelijke materiële motieven ontbreken om te besluiten dat de eenheidsprijzen van de gekozen offerte normaal zijn.
- De verwerende partij vat haar verweer inzake het tweede middel in de nota met opmerkingen als volgt samen: XIV-40.155-10/18 “Verwerende Partij betwist het tweede middel integraal en wijst erop dat zij de prijsverantwoordingen van [de nv K.] met betrekking tot de bevraagde eenheidsprijzen wel degelijk rechtmatig kon aanvaarden. Anders dan Verzoekende Partij voorhoudt, beperkt de door [de nv K.] aangeleverde verantwoording zich geenszins tot vaagheden of algemeenheden, doch bestaat zij uit een omstandige cijfermatige uitsplitsing per post – met inbegrip van de afzonderlijke kostencomponenten en de toeslagen voor algemene kosten en winst – die bovendien wordt onderbouwd met de nodige onderliggende stavingstukken, waaronder een raamovereenkomst met een externe leverancier en de schriftelijke bevestiging vanwege die leverancier dat de aldaar vermelde prijzen de correct toegepaste prijzen omvatten. Een dergelijke verantwoording beantwoordt aan vereiste dat een prijsverantwoording specifiek, concreet onderbouwd en zo volledig mogelijk gestaafd dient te zijn. [De nv K.] heeft zich aldus wel degelijk beroepen op een geheel eigen voordeel, in het bijzonder de met een externe leverancier gesloten raamovereenkomst die haar voor de desbetreffende posten een aantoonbaar gunstige prijs verzekert en die als een uitzonderlijk gunstige omstandigheid in de zin van artikel 36, §2, 2° KB Plaatsing kan worden aangemerkt. Dat de in het verslag van nazicht opgenomen motivering tot aanvaarding van de prijsverantwoording om voor de hand liggende redenen van vertrouwelijkheid – zoals vervat in artikel 13, §2 Overheidsopdrachtenwet en artikel 10 Rechtsbeschermingswet – noodzakelijk afgebakend van aard diende te zijn, doet hieraan geen afbreuk, nu deze motivering steun vindt in de stukken van het administratief dossier waarvan Uw Raad kennis kan nemen. Het tweede middel is dan ook, net zoals het eerste middel, niet ernstig en dient bijgevolg verworpen te worden.”
- Wat het tweede middel betreft, zet de tussenkomende partij in haar verzoekschrift tot tussenkomst nog het volgende uiteen: “De verzoekster in tussenkomst herinnert hier aan de gehele rechtspraak die in het kader van de beoordeling van het eerste middel is ontwikkeld en die ook in het kader van de uiteenzettingen met betrekking tot het tweede middel volledig relevant blijft. In wezen bekritiseert de interveniënte de prijsverantwoording van [de nv K.] op grond dat deze vaag zou zijn en geen cijfergegevens zou bevatten. Zij herinnert eraan dat uit een prijsverantwoording moet blijken dat bij de samenstelling van de prijs daadwerkelijk rekening is gehouden met alle kosten. Uit de beoordeling van de vertrouwelijke stukken A.3 en A.5 blijkt echter dat deze kritiek volkomen ongegrond is. XIV-40.155-11/18 [De nv K.] heeft in haar prijsverantwoording de eenheidsprijzen van de betreffende posten namelijk uiterst gedetailleerd weergegeven door deze prijs volledig uit te splitsen, teneinde aan te tonen dat alle elementen die nodig zijn voor een perfecte uitvoering in overeenstemming met de voorschriften van het bestek in de prijs waren opgenomen. Aangezien de in de prijsverantwoording vermelde elementen vertrouwelijk van aard zijn, konden zij niet in de motivering van de bestreden handeling worden opgenomen. Niettemin blijkt uit deze motivering dat de aanbestedende overheid de prijsverantwoording heeft gecontroleerd en dat de prijs na afloop van deze controle als normaal werd beschouwd. Het middel zoals het is ontwikkeld, mist elke feitelijke grondslag. Het middel is niet serieus.” Beoordeling
- Artikel 36, § 1, van het koninklijk besluit van 18 april 2017 bepaalt dat, indien uit het algemeen prijs- of kostenonderzoek blijkt dat er prijzen of kosten worden aangeboden die abnormaal laag of hoog lijken, de aanbestedende overheid een bevraging uitvoert. Artikel 36, §§ 2 tot 4, bevat nadere bepalingen in verband met dat bijzonder onderzoek. Wanneer de aanbestedende overheid, zoals te dezen, een prijsverantwoording heeft gevraagd, dient zij hierover inhoudelijk standpunt in te nemen alvorens de gunningsbeslissing te nemen. De formelemotiveringsplicht, zoals zij geldt in het kader van het prijs- en kostenonderzoek bedoeld in artikel 36 van het koninklijk besluit van 18 april 2017, vereist dat in de gunningsbeslissing afdoende redenen worden opgegeven waaruit blijkt waarom een gekozen offerte, na het uitgevoerde prijsonderzoek, regelmatig wordt bevonden. Deze motivering moet van dien aard zijn dat de inschrijvers in staat worden gesteld om, op basis van de verstrekte motieven en met kennis van zaken, uit te maken of het aangewezen is om de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. De formelemotiveringsplicht moet evenwel worden verzoend met de verplichting van de aanbestedende overheid om bepaalde gegevens vertrouwelijk te behandelen. In dit verband kan, althans op het eerste gezicht, worden aanvaard dat een aanbestedende overheid, onder verwijzing naar de ingediende prijsverantwoording, om redenen van vertrouwelijkheid kan volstaan met een beknopte motivering, waarbij zij slechts in algemene termen duidt welke XIV-40.155-12/18 overwegingen haar hebben gebracht tot de erkenning van de relevantie en de afdoende aard van de verstrekte prijsverantwoording. Een dergelijke formele motivering mag evenwel niet zodanig summier of laconiek zijn dat zij het onmogelijk maakt om na te gaan om welke redenen een bepaalde offerte, na het gevoerde prijsonderzoek, regelmatig werd bevonden. De aanbestedende overheid beschikt bij de toepassing van artikel 36, § 3, van het voornoemde koninklijk besluit over een beoordelingsruimte om de gegeven prijsverantwoordingen al dan niet te aanvaarden. De Raad van State mag, gesteld voor de toetsing van deze motieven van een aanbestedende overheid, zijn eigen beoordeling niet in de plaats stellen van die van het bestuur. Het komt aan de Raad van State enkel toe om desgevraagd na te gaan of de administratieve overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. Hierbij moet zij op zorgvuldige wijze haar beslissing voorbereiden, hetgeen impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld.
- De motieven op grond waarvan de verwerende partij besloten heeft om de prijsverantwoording van de gekozen inschrijver te aanvaarden en dat geen abnormale totaalprijzen of eenheidsprijzen werden vastgesteld, zijn hoger weergegeven onder randnummer 3.
- Er wordt naar verwezen.
- In de in het gunningsverslag uitgedrukte motivering wordt vastgesteld dat de totaalprijs van de gekozen inschrijver schijnbaar abnormaal laag is en dit zowel op grond van het wettelijk vermoeden vervat in artikel 36, § 4, van het koninklijk besluit van 18 april 2017 als op grond van een vergelijking ten opzichte van de raming van de verwerende partij. Vervolgens wordt in het gunningsverslag gesteld dat “de betrokken inschrijver werd verzocht om een prijsverantwoording - voor wat betreft de totaalprijs - op basis van art. 36 §4 KB Plaatsing. De prijsverantwoording werd tijdig aangeleverd” en dat “er wordt besloten aan deze inschrijver een prijsverantwoording te vragen voor zijn totaalprijs op basis van art. 36 §2 KB Plaatsing. De prijsverantwoording werd tijdig aangeleverd”. XIV-40.155-13/18 Deze motivering mist op het eerste gezicht feitelijke grondslag. Zo blijkt nergens uit het administratief dossier en de stukken van de tussenkomende partij dat de verwerende partij voor de aanname van de bestreden beslissing op 3 april 2026 de tussenkomende partij bevraagd heeft over de totaalprijs van haar offerte, noch dat de tussenkomende partij voor die datum een prijsverantwoording voor haar totaalprijs heeft verstrekt. Het verzoek tot prijsverantwoording van de totaalprijs en de door de gekozen inschrijver verstrekte prijsverantwoording voor de totaalprijs die door de verwerende en tussenkomende partijen als stukken worden neergelegd, blijken te dateren van respectievelijk 20 en 29 april 2026 zodat de verwerende partij er bij de aanname van de bestreden beslissing op 3 april 2026 geen rekening mee kon houden. Hieruit volgt reeds dat in zoverre in het gunningsverslag, waar de bestreden beslissing op steunt, besloten wordt dat de prijsverantwoording voor de totaalprijs wordt aanvaard en er geen abnormale totaalprijs wordt vastgesteld, de bestreden beslissing niet berust op in feite en in rechte draagkrachtige motieven.
- In zoverre de verwerende partij in de nota met opmerkingen betoogt dat, aangezien het verschil tussen het totale offertebedrag van de gekozen inschrijver en dat van de verzoekende partij voornamelijk te verklaren valt door het prijsverschil in de eenheidsprijzen voor die posten waarvoor reeds een aanvaarde prijsverantwoording was aangeleverd, zij niet nogmaals is overgegaan tot een afzonderlijk verzoek tot verantwoording van de totaalprijs, lijkt het te gaan om een motivering post factum aangezien deze motieven niet terug te vinden zijn in het gunningsverslag, noch in enig ander stuk van het administratief dossier. Bovendien gaat de verwerende partij er in haar argumentatie aan voorbij dat zijzelf heeft vastgesteld dat de totaalprijs van de gekozen inschrijver schijnbaar abnormaal laag is en dit zowel op grond van het wettelijk vermoeden vervat in artikel 36, § 4, van het koninklijk besluit van 18 april 2017 als op grond van een vergelijking ten opzichte van de raming van de verwerende partij zodat zij op het eerste gezicht ertoe gehouden was om een bevraging uit te voeren voor het totale offertebedrag. XIV-40.155-14/18 In de mate dat de tussenkomende partij ter terechtzitting aanvoert dat artikel 36, § 4, van het koninklijk besluit van 18 april 2017, slechts van toepassing is wanneer de economisch meest voordelige offerte enkel geëvalueerd wordt op basis van de prijs, lijkt deze argumentatie juridisch grondslag te missen. Luidens artikel 36, § 4, tweede zin, van het koninklijk besluit van 18 april 2017 geldt de in artikel 36, § 4, eerste zin, van hetzelfde besluit vervatte regeling immers ook voor de opdrachten voor werken en voor de opdrachten voor diensten in een fraudegevoelige sector, geplaatst bij openbare of niet-openbare procedure wanneer de economisch meest voordelige offerte geëvalueerd wordt op basis van de beste prijs-kwaliteitsverhouding waarbij het prijscriterium ten minste vijftig procent uitmaakt van het totaal gewicht van de gunningscriteria.
- Wat de eenheidsprijzen betreft, wordt in het gunningsverslag voorts gesteld dat aan de gekozen inschrijver een prijsverantwoording werd gevraagd op basis van artikel 36, § 2, van het koninklijk besluit van 18 april 2017 voor de eenheidsprijzen van drie posten (posten 139, 145 en 147). Ook deze motivering mist op het eerste gezicht feitelijke grondslag nu uit de stukken van het administratief dossier, in het bijzonder de verzoeken tot prijsverantwoording van 3 november 2025 en 8 december 2025, blijkt, dat de verwerende partij een prijsverantwoording heeft gevraagd voor de eenheidsprijzen voor acht posten, waaronder de voormelde posten 139, 145 en
- In het gunningsverslag worden slechts drie van deze posten besproken en wordt de door de gekozen inschrijver verstrekte prijsverantwoording voor de betrokken eenheidsprijzen aanvaard op grond van de volgende motivering: “De prijsverantwoordingen werden ons door de inschrijver tijdig bezorgd. De eenheidsprijzen werden opgebouwd op basis van de bekende opbrengsten, risico’s en de ervaring opgedaan bij soortgelijke contracten die reeds werden uitgevoerd. De prijsverantwoordingen worden aanvaard.” Deze motivering verschaft aan de verzoekende partij geen (voldoende) duidelijkheid over de motieven waarom de verwerende partij de verstrekte prijsverantwoording aanvaardt. Zij beperkt zich immers tot de loutere overname van één enkele algemene overweging uit de omstandige XIV-40.155-15/18 prijsverantwoording die door de tussenkomende partij op 3 november 2025 en 8 december 2025 werd verstrekt, om daaruit te concluderen dat de prijsverantwoordingen worden aanvaard. De motivering is zodanig summier en laconiek dat zij het onmogelijk lijkt te maken om na te gaan om welke redenen de offerte van de tussenkomende partij, na het gevoerde prijsonderzoek, regelmatig werd bevonden.
- De verwerende en tussenkomende partijen beroepen zich nog op de vertrouwelijkheid van de gegevens vervat in de prijsverantwoordingen. Vastgesteld dient te worden dat op grond van artikel 10 van de wet van 17 juni 2013 “bepaalde gegevens […] niet [mogen] worden meegedeeld indien de openbaarmaking ervan de toepassing van een wet zou belemmeren, in strijd zou zijn met het openbaar belang, nadelig zou zijn voor de rechtmatige commerciële belangen van publieke of private ondernemers of de eerlijke mededinging tussen hen zou kunnen schaden.” Zelfs indien te dezen bepaalde of alle concrete gegevens gebruikt in de door de tussenkomende partij verstrekte prijsverantwoordingen, om de in artikel 10 van de wet van 17 juni 2013 vermelde redenen, niet zouden mogen worden bekendgemaakt, lijkt dit niet uit te sluiten dat een inhoudelijke beoordeling wordt opgesteld en medegedeeld die, enerzijds, rekening houdt met het vertrouwelijk karakter van bepaalde gegevens maar, anderzijds, ook met de verplichting uitdrukkelijk en afdoende te motiveren. Pas in haar nota met opmerkingen reikt de verwerende partij meer concrete motieven aan op grond waarvan zij de prijsverantwoording heeft aanvaard. Met voor het eerst in de nota met opmerkingen uitgedrukte motieven mag de Raad van State evenwel geen rekening houden.
- Uit wat voorafgaat volgt dat de beslissing om de door de tussenkomende partij verstrekte prijsverantwoording te aanvaarden en geen abnormale totaalprijzen of eenheidsprijzen vast te stellen, op het eerste gezicht niet afdoende gemotiveerd is. XIV-40.155-16/18
- Voorts blijkt noch uit het gunningsverslag, noch uit de overige stukken van het administratief dossier, dat de verwerende partij de door de gekozen inschrijver verstrekte (tweede) prijsverantwoording voor de eenheidsprijs van post 147 met de nodige ernst en zorgvuldigheid heeft onderzocht. Het door ATO uitgevoerde prijstechnisch nazicht, waar de verwerende partij naar verwijst, blijkt op het eerste gezicht immers geen betrekking te hebben op deze post. Uit het algemeen intern prijsonderzoek en de interne communicatie, die de verwerende partij neerlegt als vertrouwelijk stukken van het administratief dossier en de Raad van State heeft kunnen inzien, blijkt evenmin dat hierin de geboden prijsverantwoordingen aan een onderzoek werden onderworpen. De verwerende partij lijkt aldus haar beoordelingsbevoegdheid om de gegeven prijsverantwoording al dan niet te aanvaarden ook niet op zorgvuldige wijze te hebben uitgeoefend.
- Het eerste en het tweede middel zijn in de aangegeven mate ernstig. X. Besluit
- Het eerste en tweede middel zijn in de aangegeven mate ernstig gebleken. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt dan ook ingewilligd. BESLISSING
- Het verzoek van de NV K. tot tussenkomst in het administratief kort geding wordt ingewilligd. XIV-40.155-17/18
- De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van het Agentschap Wegen en Verkeer, Wegen en Verkeer Oost-Vlaanderen, van 3 april 2026 waarbij de overheidsopdracht voor diensten ‘Groenonderhoud en netheidsonderhoud en ruimen van grachten en aflagen van bermen in D412 (Oudenaarde), incl. verwerking transferten’ wordt gegund aan de NV K. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op negentien mei tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Inge Vos, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Inge Vos XIV-40.155-18/18 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.702 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.